Zoekplaatje: 3 kikkers op tongvaren

Na een sproeibeurt en een regenbui van wel vijf minuten (!) is het voor kikkers aangenaam toeven in mijn tuin. Dus komen ze weer tevoorschijn. Vanmorgen zaten er vier tegelijk op de tongvaren. Voordat dat ik het tafereel kon vastleggen, was er al een verdwenen. Deze bruine kikkers weten zich op oud blad perfect gecamoufleerd. Op de varen zijn ze relatief goed zichtbaar. Als je ze ziet. (Klik desgewenst op de foto voor een vergroting.)

Hun tactiek is een stuk beter dan die van de kat van de vorige buren. Van mij mogen de kikkers blijven, want ze eten naaktslakken, muggen en spinnen. Aangezien de kat van de buren is verhuisd, zijn ze ook weer veilig. Maar soms zie je ze toch nog denken: Ik ben er even niet.’

Als de kat van huis is / Zoon met PTSS

De buren zijn weer aan het klussen en aan mij de eer om de kat te verzorgen. Of ik ook de vuilnisbakken bij de weg wil zetten. Is goed hoor. De zoon zal halverwege deze week spullen ophalen. En: ‘of je dan even wil opletten of hij de deur op slot doet, want hij is een beetje slordig.’ Daar kan ik mij wat bij voorstellen. Ook al is hij de veertig gepasseerd en vader van vier kinderen. Volgens de buurvrouw heeft hij PTSS opgelopen in Bosnië, toen hij in het leger zat.

Slechts een keer heb ik hem gesproken sinds ik hier woon, bij de kennismaking met de buren. Hij kwam verlegen over en durfde mij nauwelijks aan te kijken. Als zij ’s zomers in de tuin zitten, en hij op bezoek komt, heeft hij wel het hoogste woord. Het is geen kwade gast, eerder een ongeleid projectiel. En hij heeft niet altijd de beste vriendjes, zeggen de buren zelf.

Een dag vroeger dan gepland hoor ik hem hun huis binnenkomen. Hij is een poos bezig met dozen in een geparkeerd busje laden. Rond etenstijd (voor de kat) loop ik naar buiten en spreek hem aan. Zijn gezicht oogt wat voller dan afgelopen winter, toen hij er bleek en mager uitzag. Bijna als een oude man. Hij leidt een onregelmatig leven en heeft een beroerd eet- en drinkpatroon. Maar nu hij er toch is, zal hij het beestje eten geven. Ik hoop dat dat lukt.

Kort daarna hoor ik hem vertrekken. Veel later, rond 20.00 uur, wordt er aangebeld. Een collectant aan de deur, die eerst vraagt of ik ‘die kat’ ken. Ze wijst naar het zwart/witte beest. Jawel. Alleen dacht ik dat ‘ie thuis zat, bij zijn water, voer en kattenbak. Er zit geen luik in de buitendeur. Ik merk wel dat de voordeur niet op slot zit zodra ik hem daar binnenlaat.

Midden in de nacht word ik wakker. Buiten ontwaar ik een flauw lichtschijnsel. Vreemd. Het komt bij de buren vandaan en het is 02.30 uur. Ze hebben lampjes met sensoren; misschien is de kat ergens langs gewandeld. Dat probeer ik mezelf wijs te maken. Een uur later sta ik toch maar op. Het licht brandt nog steeds. Zo krijgt die kat toch geen rustige nacht. Bovendien kan elke voorbijganger dwars door hun verlichte woonkamer kijken.

Dus pak ik met een zucht de sleutels en stap er in mijn pyjama op af. Het is 03.30 uur. Weer zit de voordeur niet op slot, terwijl ik de sleutel beslist twee keer heb omgedraaid. In het halletje floept het licht meteen aan. De deur naar de kamer staat nu open en de kat loopt me spinnend tegemoet. Hij blij. Maar een stap verder de woonkamer in zie ik de tv aan staan. Ik stok in mijn beweging.

Het moet de zoon zijn, die terug is gekomen. Hij zal voor de tv in slaap zijn gevallen. Ik durf niet verder te lopen. God mag weten hoe een vechter met PTSS reageert als hij plotseling uit zijn slaap wordt gehaald en een gedaante vlak bij zich ontwaart. Stilletjes sluip ik op mijn pantoffels terug en draai de deur op slot. Pfff, pantoffelheld.

De volgende ochtend (wanneer de kat zijn ontbijt verwacht) zie ik dat het licht binnen uit is. Op straat geen teken van de brommer van de zoon of het witte busje. Voor de zekerheid bel ik toch eerst aan. Niemand verschijnt. Maar eenmaal binnen, zie ik wel iemand op de bank liggen. Wie, dat kan ik niet zien. Misschien de zoon. Maar evengoed kan het een van zijn verkeerde vriendjes zijn, die een dak boven zijn hoofd nodig heeft. Shit.

Ik wacht tot 08.00 uur en bel dan de buurman. Hij weet ervan, het plan is veranderd. Dat gaat wel vaker zo ‘met dat jong. Maar het is een goede knul hoor’. Als ik wederom uren later van een boodschap thuiskom, word ik zowat besprongen door een enthousiast miauwende kat. Die onmiddellijk mijn huis binnenstormt zodra ik de deur open doe. Ja hallo, dit was niet de bedoeling. Ik moet hem echt naar buiten slepen, onderweg de sleutel van zijn huis grijpen en hem daar naar binnen schoppen. Overal ligt rommel. Het aanrecht staat vol lege blikjes en vuile vaat.

Binnen hangt een grote sleutelbos aan het voordeurslot en de zoon is nergens te bekennen. Ik heb maar even een sms’je naar de buurman gestuurd. Zodat hij op de hoogte is en maatregelen kan nemen. Voordat je het weet, staat zijn zoon midden in de nacht bij mij aan te bellen. Want dag en nacht lopen bij hem een beetje door elkaar. En vanavond keert hij terug naar het huis van zijn ouders.

Kan dus worden vervolgd …

Ze bestaan wél

Als je groter wordt, maken ze je wijs dat elfjes en kabouters niet bestaan. Maar gisteren was ik niet thuis. En toen ik vanmorgen de gordijnen open deed, zag ik dat er een het dak van mijn schuur heeft schoongeveegd. Dus. Ze bestaan wel.

Of is hij soms weer bezig geweest?

De kat van de buren

De kat van de buren

Dit weekend pas ik op de kat van de buren. Zijn baasjes klussen momenteel elders in hun volgende huis. De hond is mee. Waarom de kat hier moest blijven, weet ik niet. Hij zal toch een keer aan zijn nieuwe verblijf moeten wennen. Maar ik doe het graag hoor, op hem passen. Het gaat om meer dan hem tijdig zijn brokjes voorschotelen en zijn water verversen. Ik moet hem ook uitlaten.

De hond van de buren is vele malen groter dan de kat, maar haar positie binnen het gezin is zwak. Net als die van haar baasje, de buurman. Bij de buren zwaait de buurvrouw de scepter. En de kat is van haar. Althans, dat is wat ik opmaak uit gesprekken van achter onze schutting. Maar moet er iets geregeld worden, dan doet de buurman dat.

Dus heb ik van hem uitgebreide instructies gekregen. ’s Morgens krijgt de kat een half bekertje kattenbrokjes. Dan ververs ik ook de waterbak die de hond deelt met de kat. Er is geen specifieke tijd genoemd, daarom krijgt hij eten voordat ik ontbijt. Om 17.00 uur volgt het late middagmaal. Het is me nogal wat allemaal. Want zijn tweede maaltijd bestaat uit wel vier soorten kattenvoer.

Om te beginnen krijgt hij een bodempje van dezelfde brokjes als ’s morgens. De buurman heeft mij laten zien hoeveel. Verder liggen er individueel verpakte kattenstaafjes klaar met een schaar. Als ik het goed heb, mag hij er elke dag een. Dan staat er nog een blikje in de koelkast, met een vork erop. Voor elke dag precies een/vierde deel. Tot besluit is er een geinig Tupperware-achtig doosje in de vorm van een kattenkop. Compleet met oortjes. Daarin zitten heerlijke kattensnoepjes. Althans, volgens de buurvrouw. Daarvan mag hij er ook een paar.

Ik ben vergeten te vragen of het de bedoeling is dat hij eerst zijn staafje krijgt, dan zijn gewone brokjes, dan het voer uit het blikje en als laatste zijn snoepjes. Of dat het in een andere volgorde moet. Bij wijze van voorgerecht, tussengerecht, hoofdgerecht en toetje. Wij eten toch ook vaak iets zoets als sluitstuk van een maaltijd? Nu kieper ik maar alles tegelijk in zijn bak.

Even heb ik nog overwogen om mijn buren over dit belangrijke vraagstuk te bellen. Ik heb echter alleen het 06-nummer van de buurman. En als de buurvrouw niet in de buurt is, weet ik al wat hij gaat zeggen. Namelijk: ‘Het is maar een verwende rotkat.’

Daar heb ik dus niets aan. Hij heeft wel gelijk. Onze kat thuis moest het doen met de goedkoopste blikjes kattenvoer. Mijn moeder had het niet zo op huisdieren. Verder kreeg hij de mergpijpjes uit de soep en het vel van gekookte melk. Maar onze rode kater was dan ook geen doetje. Hij was van oorsprong een echte boerderijkat. Geboren onder de trap naar de hooizolder in de stal. Zijn moeder, een lapjeskat, had daar haar eigen kartonnen doos met oude lappen.

Zij werd geacht zelfstandig muizen te vangen en heeft beslist nooit kattenvoer gehad. Wel at ze het heerlijke vette melkschuim dat in de zeef op de melkbussen lag. En als de boer een kip uit eigen schuur slachtte, kreeg zij ook altijd wat. Hoe moeder en haar jongen hun dag doorkwamen, moesten ze zelf maar uitzoeken.

De kat van de buren denkt daar anders over. Ik heb opdracht gekregen om hem buiten te laten wandelen. ‘Hij wil nu eenmaal graag naar buiten.’, volgens de buurman. Dat is waar, normaal struint hij de halve buurt af. Gisteren heb ik hem toch maar binnen gehouden met al die regen. Maar vandaag moest ik hem juist aanmoedigen om de deur uit te stappen. Ik was nog niet terug in mijn eigen huis, of hij zat al bovenop onze scheidingsmuur te janken.

Ach gut, het ventje voelde zich zo alleen. Helemaal blij werd ‘ie, zodra ik naar buiten kwam en hem aaitjes gaf. En intens verdrietig was ‘ie, zodra ik weer achter mijn keukendeur verdween. Na twee uur gejammer heb ik hem mijn woonkamer in gelokt, naar de voordeur geleid, de voordeur van zijn huis geopend en hem daar zachtjes naar binnen geschopt. Zo, eindelijk rust aan mijn kop.

Ach, wat zal ik dat beest straks nog missen.

Drie buurmannen en een nieuwe buurvrouw

Beter een goede buur dan een verre vriend, zeggen ze. Ik kan hier best door een deur met mijn buren. Ook al moeten we soms gezamenlijk onderhoud regelen. Vooral de linkerburen en ik leven dicht bijeen. Onze keukendeuren openen naar elkaar toe. Met slechts vier meter afstand en een tuinmuurtje ertussen, hoor je al gauw veel. Dus houden we onze woongeluiden binnen de perken. Alleen hun kat trekt zich nergens wat van aan.

‘T. is het helemaal zat.’, staat vandaag op de voorpagina van onze dorpskrant. “Waarom moet ik last hebben van de keuzes die anderen maken? Ik wil ’s zomers gewoon mijn tuindeuren open kunnen zetten zonder dat de kat van de buren binnenkomt.” Waarschijnlijk ken ik deze persoon. Leuke vrouw. Steeds wanneer ik haar zie, is ze ergens in verwikkeld. Haar relaas is altijd boeiend.

Ach, kijk hem nou toch. Denkt dat ‘ie onzichtbaar is.

Ook ‘mijn’ kat van de buren wandelt bij voorkeur dagelijks langs de openstaande keukendeur naar binnen. Wat niet de bedoeling is. Hij overschrijdt alle grenzen. In mijn tuin kan hij namelijk lekker op kikkerjacht. En wat er rondvliegt, vindt hij even interessant. Al zeg ik nog zo vaak dat hij geen kikkers en bijtjes mag molesteren, hij doet het toch. Maar ja, hij is ook mijn grote vriend.

Met zijn baasjes heb ik een prima verstandhouding. Daarom baal ik zo dat hun huis binnen een maand is verkocht. De buurman zei eerder nog met zijn Mokumse accent: ‘We zullen wel zorgen dat je een leuk buurvrouwtje krijgt.’ Hij regelt namelijk alles. Alleen heb ik veel liever een leuke buurman. Maar bijgelovig als ik ben, durfde ik niet door eigen ‘sturing’ de gang van het lot te beïnvloeden. Dus hield ik mijn mond.

En nu komt er toch een vrouw. Tijdens de bezichtigingen kon ik haar horen. Ze praat hard en ze heeft een scherpe stem. Bah. In gedachten noem ik haar nu al ‘dat mens’. Daar moet ik mentaal dus nog even aan werken voordat ze komt.

Dan mijn buurman aan de andere kant. Is een oude weduwnaar en staat niet bekend als ‘makkelijk’. Had een ernstig getroebleerde relatie met drie opeenvolgende eigenaren van mijn pand. Praat niet met zijn buren rechts en aan de overkant. Ziet zijn kinderen zelden. Kennelijk zitten ook die verhoudingen vol trammelant.

Vandaag ging ik met een beetje lood in mijn schoenen bij hem op bezoek. Want er moet al twee jaar iets worden gerepareerd. Een eerdere poging strandde op het korte antwoord: ‘geen geld’. Toch valt er best met hem te praten. Zelfs over zo’n lastig onderwerp als gezamenlijk onderhoud. Misschien maakt hij via mij goed, wat er bij al die anderen is misgegaan.

Het belmeisje en de kat

Wanneer ik via de voordeur naar buiten ga, struikel ik bijna over de kat. We kennen elkaar; hij is van hiernaast. Sinds ik eens bij afwezigheid van de buren een paar dagen voor zijn eten zorgde, vindt hij mij lief. En ik hem.

Eigenlijk vond ik hem al lief nog voordat ik hem kende. Toen hij als jonkie bij de buren kwam, kon ik hem nog niet zien, maar al wel horen. Miauw, miauw, miaaaeeuw. De buren lieten hem nooit buiten en binnen liep hij aan een touwtje. Ik vond dat helemaal niks. Maar ik kon moeilijk ingrijpen. Strikt genomen was het geen dierenmishandeling.

De buren zorgen in feite heel goed voor hem. En ze hebben hem keurig opgevoed. Hij gaat altijd en uitsluitend op de bak die bij hun binnen staat. Op een dag spreek ik de buurvrouw en zij zegt dat hun kat het liefste naar buiten wil. Dat is mijn kans, dus beaam ik meteen dat dit inderdaad het beste is. Sindsdien duikt hij overal op. De kat. Op de tussenmuur, op onze schutting, op mijn schuurdak, in mijn tuin, in mijn keuken, in mijn woonkamer. Hij vindt het hier leuk.

Ik denk dat hij veel liever bij mij is dan bij hen. Als hij aan de overkant van de straat struint en ik de voordeur opendoe, dan rent hij direct naar me toe. En als hij mij in de keuken hoort, klimt hij gelijk op de tussenmuur. Maar ik wil de buren niet jaloers maken. Dus zet ik hem steeds streng buiten de keuken/tuin/deur. Alleen trekt hij zich daar niets van aan. Geheel zoals het een echte kat betaamt.

Wanneer ik een uur later bij mijn voordeur terugkom, staat hij wel heel aandoenlijk en zeer indringend te miauwen voor de buurdeur. Ach gossie, hoge nood. Dus bel ik maar even aan. Hij kan dat toch moeilijk zelf doen. Opgelucht stormt hij naar binnen zodra de voordeur opengaat. En ik groet de buurman.

Surreëel

In de middag wandel ik naar beneden, richting de rivier.  De straten kronkelen hier. Alles loopt schuin af: de weg, de stoep. Ook de huizen staan hoog op een steile helling, vrij in hun privé-tuinen. Over de schuine kruising waakt het statige La Colline, een grijze fin de siècle villa. Compleet met louvre deurtjes als raamluiken. Verderop in de diepte staat een half vervallen werkplaats. De naamschildering van het bedrijf dat er ooit zat, vervaagt. Overal zie je muurtjes met weelderige begroeiing. Echt, je waant je ’s zomers in een Frans plattelandsdorp hier.

Vrijwel geruisloos komt hij ineens tevoorschijn. Zwart, glanzend en traag sluipend als een roofdier. Een zwarte panter. En weg is ‘ie weer. Surrealistisch, of toch niet?

Pas seconden later realiseer ik het mij. Dit was geen panter, maar een jaguar. Die wonen hier. Dit is hun natuurlijke biotoop. Ze verblijven onder de bordjes ‘Jaguar parking only’.