Een vorm van dagbesteding

Het is een manier om je brood te verdienen: in weer en wind geulen graven, grond verzetten, oude rioolbuizen wegbreken en schone buizen ervoor in de plaats leggen. Of nou ja, schoon … Alles is vuil wat deze mannen beetpakken. Hun werkkleding komt ’s morgens gewassen uit de kast en zelf ogen ze fris bij aankomst. Maar ik weet dat zelfs dat een illusie is. Elk stuk gereedschap dat zij hanteren, elk stuur dat zij vasthouden, is goor. Je moet er tegen kunnen. Ik zou meteen onder de huiduitslag zitten. Waarschijnlijk ontdekken nieuwelingen al binnen een dag of ze dit vak volhouden.

Je zou verwachten dat het personeelsverloop groot is bij riolerings-bedrijven. Toch valt dat mee in het familiebedrijf dat hier nu aan de slag is. Natuurlijk, die familieband blijft. Maar diverse mannen zag ik afgelopen november al en nu weer. Er is een onnadrukkelijke hiërarchie. Mijn contactpersoon, ‘De man van de rioolservice’, is een zoon in de firma. Hij stuurt het team aan en werkt mee. De rest lijkt een allegaartje van vaste krachten, los volk, en vrienden die op afroep hand-en-spandiensten verlenen. Zoals: ff snel in een Mercedes wat onderdelen langs brengen.

Wat ik niet had bedacht, is dat dit werk ook een vorm van dagbesteding kan zijn. Bij dagbesteding denk ik aan demente ouderen die een dagje gezellig knutselen in een kringetje. Of ik denk aan een zorgboerderij, waar jongeren met psychische klachten werk, rust en regelmaat vinden.

Toch ving ik vanmorgen de volgende flard op van een telefoongesprek: ‘Ik kan dat brommertje nu niet ophalen, want ik zit met dagbesteding. Ben afgelopen vrijdag uit detentie gekomen.’ Tja, nu snap ik waarom hij maandagochtend eerst met zijn baas moest overleggen of hij al koffie mocht drinken toen ik hem dat aanbood. Hij is overigens beleefd en gedraagt zich netjes. Zolang hij datgene doet waarvoor hij is ingehuurd, vind ik het prima.

De lelijke boom zonder bloemen

Er was eens lang geleden een boomzaadje dat op de grond viel. Daar lag het te midden van broertjes en zusjes op het terrein van een kweker. Op een dag kwam de kweker langs en die raapte het op. Wat er vervolgens gebeurde en waar het zaadje naartoe werd gebracht, dat is een raadsel. Plotseling werd alles donker. Maar aangenaam warm en vochtig was het er zeker.

Het boomzaadje voelt zich gesterkt en begint te ontkiemen. Zijn spriet weet zich naar het licht boven hem te wriemelen. Eerst verschijnen er twee blaadjes opzij. Daarna komen er twijgjes met blaadjes bij. Langzaam verandert het sprietje in een piepkleine boom. Het is een prunus met donkerrode bladeren. De kweker geeft hem nu zijn eigen pot en zet hem in de buitenlucht neer, naast zijn soortgenoten.

De tijd verstrijkt en regelmatig lopen er mensen langs. Op een dag stopt een dochter met haar vader bij het jonge boompje. Zij wijst naar hem en zegt: ‘Kijk, deze is mooi. Er zitten al wat roze bloemetjes aan. Zullen we dit boompje in de tuin zetten?’ De man stemt in en samen nemen ze hem mee. ‘Hé, dat is leuk’, denkt het boompje achter in de auto, terwijl velden en dorpen voorbij glijden. Hij heeft nog weinig meegemaakt en ontdekt zo de wereld buiten de kwekerij.

Ze stoppen in een straat voor een rij oude arbeidershuizen. Daar pakt de man het jonge boompje op en draagt hem de achtertuin in. Plots voelt het boompje de bodem onder zijn wortels wegzakken. Help! Maar dan, wat een weldaad, worden zijn wortels omringd door de volle aarde. Zodra hij van alle emoties is bekomen, kijkt het boompje eens goed rond. Hij staat in een hoek van de tuin, waar nog enkele bomen groeien. Een daarvan staat wel erg dichtbij. Dat is een els en die kunnen veel hoger worden dan hij.

Jaren verstrijken terwijl de jonge boom steeds een beetje groeit. Alles lijkt goed te gaan, maar er hangt een vreemde onrust in de lucht. Plotsklaps zijn vader en  dochter vertrokken. Komen ze nog terug? Waar zijn ze eigenlijk gebleven?

Ineens verschijnen er andere mensen in de tuin. Zij willen alles drastisch aanpakken. Ze hebben zelfs bouwplannen. De boom hoopt maar dat ze hem willen houden. ‘Jammer dat het nu winter is en ik er zo kaal bij sta.’, denkt hij. En stiekem hoopt hij dat ze die stomme els weghalen. Want die is al twee keer zo hoog als hijzelf. Zo kan je als prunus toch moeilijk tot volle wasdom komen!?

Enkele bomen worden wreed omgezaagd. Gelukkig blijft de prunus dat lot bespaard. Maar waarom hebben ze nou toch die els niet weggehaald?

Dan gebeurt er iets eigenaardigs. De nieuwe bewoners en de buurman staan vlakbij. Driftig wijzen ze naar de tuingrens, of naar waar die zou moeten zijn. Ze gaan steeds harder praten en daarna benen ze weg. Later verschijnt er een gewichtige meneer met meetlatten en belangrijke papieren. De eigenaar van de boom is er niet, al heeft hij deze meneer wel ingehuurd. De gewichtige meneer vertelt aan de buurman hoe het zit. Hij wijst op oude kaarten en slaat een paaltje in de grond. Daarna hoort de boom hoe de buurman gromt. De sfeer is om te snijden.

Wat er kort daarna gebeurt, kan de boom niet verklaren. Het blijft een duister geheim. Maar ineens is dat paaltje verdwenen. Nu zijn de rapen helemaal gaar. Want de een vindt dit en de ander vindt dat. Uiteindelijk bouwt de eigenaar van zijn tuin een schuur met overkapping. ‘Au!’, roept de boom, want de man slaat zomaar palen door zijn wortels heen. En de zijwand komt pal naast zijn stam te staan.

Dit laat de buurman niet op zich zitten. Meteen bouwt ook híj een overkapping, bijna tegen de nieuwe schuur aan. Buurman moet nu wel een uitsparing maken voor de stam van de boom. Die vóelt gewoon de vijandigheid van deze buurman.

Vanaf dat moment staat de boom ingeklemd tussen twee hoge schotten. Ruw weggemoffeld op een strookje grond. Een soort niemandsland. En die stomme els is er ook nog. Die blijft maar doorgroeien en torent hoog boven hem uit. Geen wonder, dat mormel slurpt enorm veel water op. Zijn wortels zitten overal in de weg. Bovendien blokkeert hij de warme middagzon.

Er breken nu zware tijden aan voor de boom. De mensen van de schuur vertrekken en daarna verschijnen er weer andere gezichten in de tuin. Het is een komen en gaan. Telkens moet de boom maar afwachten of de mensen hem willen houden. Sommige nieuwkomers pakken een zaag en snoeien wat takken van de bomen af. Maar ze laten de els doorgroeien. Die slobbert nu bijna al het vocht en de voedzame mineralen op. Wat begin je dan als boom? Je kan toch moeilijk roepen dat je dorst en honger hebt. Dus sta je daar te kwijnen.

Elk voorjaar krijgt de boom nu minder bloemetjes. Hij wordt zelfs wat schonkig. Toch, het ergst van alles is die mopperkont van een buurman. Die gluiperd waardeert de els ‘omdat er vogeltjes in zitten.’ Nou ja zeg, daar wordt je toch kotsmisselijk van? Alsof er geen vogeltjes tussen zíjn takken spelen. Maar de grootste belediging is dat die buurman hem ‘maar lelijk’ vindt. ‘Want er zitten geen bloemen in.’ Echt zwaar depressief is de boom hiervan.

Dan, het is een koude en sombere voorjaarsdag, verschijnen totaal onverwacht twee mannen met bijl en kettingzaag. ‘Ze komen toch niet voor mij’, bibbert de boom. Maar nee, ze hakken de els om! Het is een wonder!

Ha! Ineens wentelt de boom zich in het volle licht van de zon. En al het regenwater is nu voor hem alleen. Het liefste zou hij gelijk willen laten zien waartoe hij in staat is. Alleen is hij nog veel te zwak. En in de zomer die volgt, valt er veel te weinig regen. Droogte, ook dat nog. Hij moet vol zien te houden tot het volgende voorjaar.

Eindelijk, eindelijk breekt zijn moment aan. Na al die moeilijke jaren wordt de lelijke boom zonder bloemen voor het eerst in zijn leven de mooiste boom van allemaal. En een bezoek dat hij krijgt! Hommels en bijen vliegen af en aan. Je hoort ze voortdurend zoemen, want ze zijn dol op zijn bloemen. Het is duidelijk: hij is de populairste boom van de hele straat. Sindsdien staat hij iedere dag te stralen.

Iedereen wil coach zijn

Als je in kringen van oudere werkzoekenden verkeert, kom je ze nogal eens tegen. Mensen die coach willen worden of dat al zijn. Het viel mij in 2008 al op hoeveel mensen dit beroep ambiëren. In dat jaar volgde ik een coaching traject bij een gerenommeerd bureau. Het doel was herbezinning op mijn loopbaan, om daarna elders verder te gaan.

Dat traject heb ik als een warm bad ervaren. De locatie was een prachtige oude Haagse villa waar deelnemers in een prettige sfeer ervaringen konden uitwisselen. Er waren workshops, groepssessies, individuele persoonlijke gesprekken en volop kansen om te netwerken. Veel veertigers en vijftigers in mijn ‘lichting’ hadden een interessant verhaal. Een vaste vraag was of je al wist op welk beroep je je wilde oriënteren. Opvallend veel deelnemers ambieerden de zelfstandige functie van coach. Onze eigen coaches dienden als goed voorbeeld.

Vreemd is die keuze niet. Boven de veertig heb je al heel wat lief en leed meegemaakt. Je beschikt over de nodige levenservaring. Zo weet je waarover je praat als iemand met een vergelijkbaar probleem om hulp vraagt. Dat coachen lijkt aangenaam. Je gaat samen rustig en in vertrouwen het gesprek aan. En het is fascinerend om te zien welke beweegredenen andere mensen hebben en hoe ze met elkaar omgaan. Coaching is betekenisvol werk wanneer je iemand daadwerkelijk kan helpen. Misschien geeft dat wel veel meer voldoening dan het werk wat je eerder hebt gedaan.

Als bijkomend voordeel kan je zo beginnen en tegelijk werken aan je professionele ontwikkeling. Even inschrijven bij de Kamer van Koophandel en klaar. Terwijl je nog een vakinhoudelijke cursus volgt, start je gewoon alvast een bureau. Inmiddels telt het Handelsregister 63.000 coaches. Dat is een stijging van 66% sinds 2014. (Bron cijfers: ‘Het begrip coach is uitgehold’, de Volkskrant, 12 maart 2019.) Ik durf te wedden dat de stijging tussen 2008 en 2014 zeker even hoog was.

Sinds dat traject ontmoet ik nog regelmatig coaches. Bijvoorbeeld bij de werkgroep voor en door werkzoekenden. Al vijf jaar lang wordt daar om de week een workshop gegeven door vrijwilligers. Menige trainer is zelf coach of wil coach worden. Degenen die in nog opleiding zijn, ontmoeten er mensen om hun coaching talent mee te oefenen. En de coaches die al een praktijk hebben, zoeken er naar klandizie. Ik ben heel benieuwd hoeveel van die 63.000 coaches in realiteit parttime of volledig werkloos zijn.

Ons uiterlijk doet ertoe

In de buurt app verschijnt een oproepje van een kunstenares. Zij zoekt vrouwen van wie ze de borsten mag fotograferen voor een project.
Alle soorten en maten zijn welkom, nadrukkelijk ook gehavende exemplaren. Geheimhouding verzekerd.

We wachten aan de rand van de weg wanneer een automobilist stopt die ons hoffelijk voor laat gaan.
‘Goh,’ zegt een man in ons wandelgroepje, ‘pasgeleden gebeurde mij dat ook al toen ik samen met een mooie, blonde vrouwelijke collega wilde oversteken. Als ik alleen ben, stoppen ze nooit.’

Bij de kunstenares stel ik mij voor dat zij met haar werk wil laten zien hoe divers ons menselijke uiterlijk is, en toch ook weer niet. Mogelijk is de boodschap dat we ongeacht de verschillen er allemaal mogen zijn. En dat we erg kwetsbaar zijn. Wellicht wil ze aantonen dat littekens niet hoeven af te schrikken, als je er op een neutrale manier naar kijkt. Oneffenheden horen erbij. Het leven gaat niet over rozen en iedereen loopt krassen op. We zijn van vlees en bloed, daarin zijn we gelijk. Al vinden we de ene persoon wat aantrekkelijker dan de andere. Dat is alles.

Misschien brengt het werk van de kunstenares een discussie op gang. Op haar foto’s wordt slechts een deel van het vrouwelijk bovenlichaam getoond. Je weet dus niet naar wie je kijkt. Wat zal de bijbehorende vraag zijn:

Hoe schat je deze vrouw in? Vind je haar direct aantrekkelijk of juist afstotelijk? Of laat ze je koud? Waarom? Welke invloed zullen haar borsten tot nu toe op haar leven hebben gehad? Zou haar partner voor haar hebben gekozen als haar borsten er anders uit hadden gezien? Bijvoorbeeld kleine borsten in plaats van grote borsten, of gewoon een onopvallend maatje er tussenin? Wat zou dat voor haar algehele uitstraling hebben gedaan? En voor de kansen in haar leven?

Want ons uiterlijk maakt wel degelijk verschil.

Bouwvakkers inhuren is als Russische roulette

Vrijdagavond 23:00 uur. Net wanneer ik naar bed ga, klinkt er een vreemd geluid in de slaapkamer. Of eigenlijk klinkt het erg bekend: drup, drup, drup. De dakkapel deze keer. Bij de bouwkundige keuring bleek al dat de bedekking daarvan binnen enkele jaren aan vervanging toe zou zijn. Nu moet ik naar een goede dakdekker op zoek. Nou, brace yourself and let the game begin. Want dit wordt weer zo’n spelletje Russische roulette.

Wie kiest er een dakdekkersbedrijf op basis van rationele argumenten? Ik niet. De welgeteld 39 (!) bouwvakkers die hier al over de vloer kwamen (en ik vergeet er vast nog een paar), koos ik per toeval. Of op basis van een soort onderbuikgevoel. Kort na de verhuizing naar Gelderland kende ik hier geen vakmensen. Daarom vroeg ik bij buren naar hun ervaringen. Maar verstaan zij wel hetzelfde als ik onder ‘goed en betrouwbaar’? We hanteren uiteenlopende maatstaven en deze termen zijn multi-interpretabel.

Gisteren vroeg ik om tips via de buurt-app. Er kwamen diverse reacties binnen. Allemaal verschillend. Iemand schreef dat ik vooral niet met bedrijf X in zee moet gaan. Dat bedrijf levert wel goed werk, maar afspraken maken en communiceren verloopt nogal moeizaam. ‘Welkom in de wondere wereld van huizenbezitters’, dacht ik. Want dit is tamelijk gangbaar.

Als informatie inwinnen meer twijfels oplevert, kan je verder rondkijken op internet. Daar staan websites van zzp’ers en bouwbedrijven inclusief referenties en beschrijvingen van geleverd werk. Sommige vaklieden hebben een hoge rating, anderen nul sterren. Wat zegt dit? Weinig. Referenties kunnen door vrienden zijn ingevuld. En een gelikte website kan het werk zijn van een veertienjarig achternichtje, dat toevallig Multimedia & Communicatie op school heeft gedaan.

Die opmerking over dat foute bedrijf maakte mij trouwens wel nieuwsgierig. Het betreft een samenwerkingsverband van twee families. Waarschijnlijk vormt één daarvan een heuse dynastie. Die familie draagt namelijk dezelfde achternaam als de rioolservicemeneer. En hij is zeker lid van een plaatselijke clan. Of gang, dat weet ik niet precies. Maar hem vind ik tenminste sympathiek.

Alleen, wat zegt dit over de andere leden van zijn familie? Die van de dakdekkerstak, bedoel ik. Volgens hun referenties lopen de meningen flink uiteen. Dus wat nu?

Zal ik een dakdekker bellen die ooit foldertjes in de buurt achterliet? Of zal ik twee dakdekkers bellen over wie buurtgenoten positief zijn? (Die buurtgenoten ken ik evenmin.) Ook kan ik de man van de rioolservice vragen of hij de mensen van het dakdekkersbedrijf aanraadt.

Er is een alternatief. Namelijk Googelen op ‘dakdekkers’ en dan met gesloten ogen een willekeurig bedrijf aanwijzen op het beeldscherm. Dat deed ik eerder voor de complete keukenverbouwing. Toen kon ik ook al zo moeilijk een weloverwogen keuze maken.

Sowieso is het idee dat we kiezen op basis van ratio een illusie. Dat geldt zowel voor mij als voor bouwvakkers zelf. Misschien plaats ik de klus wel gewoon op Werkspot. Dan vraag ik om een dakdekker die houdt van Russische roulette.

Een les van een vorig kinderpardon

Over het kinderpardon is het meeste al gezegd. Toch? Nou, ik zou de mensen van de IND weleens willen spreken. Want enerzijds heb ik begrip voor de illegale ouders (dit draait niet om de kinderen) die werkelijk alles aangrijpen om in Nederland te blijven. Anderzijds heb ik onbegrip voor de slappe knieën van de politiek. Want dit is het zoveelste pardon dat ik meemaak en we zouden het toch anders gaan doen?

Een waarschuwing vooraf. Dit is een waargebeurd relaas. Lees je liever eenzijdige berichtgeving over arme kindertjes, sla dit logje dan over.

Heb ik al eens verteld over dat ene rapport? Dat rapport dat ik letterlijk op de bodem van de onderste lade in het ladenblok van mijn bureau aantrof? Dat bureau vormde samen met een computer, telefoon en bureaustoel mijn nieuwe werkplek na de herverdeling van de banen bij mijn toenmalige werkgever. Die baan kreeg ik tijdelijk na de reorganisatie, omdat er eigenlijk geen plek meer voor mij was.

De symboliek droop er van af. Want die plek bevond zich in een gehuurd kantoortje in een achterafstraatje buiten ons hoofdgebouw. Er huisde een aparte stichting in van onze organisatie, gericht op hulpverlening aan terugkerende afgewezen asielzoekers in hun land van herkomst. De voorwaarde was dat zij vrijwillig terugkeerden. Zij en ik ervoeren dit echter niet zo als vrijwillig. Zij waren met valse informatie naar Nederland gekomen en mij was die baan door de strot geduwd. Dat was de situatie.

Dat rapport betrof Angola. In dat West-Afrikaanse land ging twintig jaar geleden de mare rond dat je je minderjarige kind maar naar Nederland hoefde te sturen en dan kreeg het daar een gratis opleiding. Zie ook dit artikel uit het AD. Mensen met wat geld regelden iets met een sjacheraar en die zorgde dan dat zo’n kind met een goed verhaal aankwam. Je zou denken dat het zich bij een opleidingsinstituut zou aanmelden. Dat was echter niet de bedoeling. Het einddoel was een asielzoekerscentrum. Zolang het kind zich maar aan dat verhaal vasthield zou Nederland er verder wel voor zorgen. En dat is waar.

Alleen liep het voor een aantal van die kinderen anders. Angola was geen fris land met enorme corruptie en een burgeroorlog. Maar dit waren echt economische vluchtelingen, nota bene uit de Angolese middenklasse. Je mag je rustig afvragen hoe hun thuisblijvende ouders dan aan het geld voor die oversteek waren gekomen. Die kinderen waren tieners en mochten niet in Nederland blijven. Maar ze werden intussen wel omringd door een legertje hulpverleners met ieder zo zijn eigen beweegredenen.

Ik mocht geen rechtstreeks contact onderhouden met die jongeren; alle communicatie moest beslist via de hulpverleners gaan. Dat was jammer. Want via mijn eerdere werk bij die werkgever had ik de nodige Afrika-ervaring opgedaan. Dit in tegenstelling tot diverse Nederlandse vrijwilligers/hulpverleners die ik persoonlijk ken. Mogelijk had ik bepaalde details uit de verhalen beter kunnen plaatsen dan zij. En als je het echte verhaal van die kinderen kent, kun je ze ook beter helpen. Maar dat verhaal mocht duidelijk niet worden verteld.

Er werd steeds gezegd dat die kinderen niet terug konden gaan. Er zou geen familielid meer in Angola te vinden zijn. Ze zouden nergens worden opgevangen en berooid op straat eindigen. Kortom: één groot drama. Nu zijn Afrikaanse families meestal nogal groot. Maar goed. Voor dat opvangprobleem viel wat te bedenken.

Nederland is zelfs zo ver gegaan dat het in de hoofdstad van Angola een splinternieuw opvangcentrum liet bouwen. Daar konden terugkerende jongeren de eerste maanden terecht als ze werkelijk geen familie of vrienden meer hadden. Voor vertrek werd er van alles gedaan om hun terugkeer zo kansrijk mogelijk te laten verlopen. Als ik het mij goed herinner, kregen de jongeren korte beroepstrainingen aangeboden en een bedragje voor een vlot begin.

Dat rapport ging specifiek over dat Nederlandse opvangcentrum in Angola. Het was rond 2004 gebouwd en dit betrof een tussentijdse evaluatie. Er was gekeken naar het functioneren van het gebouw en de begeleiding, én naar gebruik ervan door terugkerende jongeren. Voorzag het goed in hun behoeften? Er was vooraf samengewerkt met de ambassade en met betrouwbare connecties ter plaatse. En voor deze evaluatie was een consultant ingehuurd. Alles bij elkaar had dat opvangcentrum al een vermogen gekost.

Nu mogen jullie mij vertellen hoeveel van al die terugkerende kinderen zonder familie er daadwerkelijk naar dat opvangcentrum zijn gegaan.

Ja, deze kinderen waren slachtoffers. Van hun eigen ouders om precies te zijn.

(Voor wie meer wil lezen over de oorzaken van vluchtelingenstromen en suggesties voor oplossingen, staan hier alle eerdere logjes bijeen.

Ideale beroepen voor introverte mensen

Ongeveer één op de drie mensen is introvert. Introverte mensen zijn bedachtzaam en hebben weinig behoefte aan prikkels. Ze werken graag zelfstandig en hechten waarde aan diepgang. Ook kunnen ze goed vragen stellen en luisteren, focussen op inhoud en afwegingen maken. Ze zijn integer, kritisch en opmerkzaam. Een feit is dat groepsactiviteiten en kantoortuinen hun energie opslokken; daarvan worden ze hondsmoe. Toch zijn relaties en vriendschappen erg belangrijk voor hen. Welke beroepen zijn dan geschikt voor introverte mensen?

Hier kijken recruiters naar
Welk beroep bij jou past is een belangrijke vraag, want recruiters letten bij sollicitanten op vijf persoonlijkheidskenmerken. Voor je eigen welbevinden adviseer ik om dat zelf ook te doen. Extraversie versus introversie betreft het eerste persoonlijkheidskenmerk. Zelf ben ik een mengvorm van introvert met extraverte trekjes. De andere vier kenmerken zijn: servicegerichtheid, zorgvuldigheid, emotionele stabiliteit en openheid voor nieuwe ervaringen.

Waar jij tot je recht komt
Extraverte mensen werken graag intensief (samen) met anderen. Zij zijn competitief en laten zich gelden. In de huidige tijd wordt hun gedrag door werkgevers toegejuicht. Ben je overwegend introvert, zoek dan werk waarin je eigenschappen beter tot hun recht komen. Op internet staan lijstjes met aanbevolen beroepen voor introverte types. Of ze echt bij je passen, hangt onder meer af van je denkniveau en je overige persoonlijkheidskenmerken.

Aanbevolen beroepen
Deze beroepen (of functies van vergelijkbare aard) worden voor introverte mensen aanbevolen: softwareontwikkelaar, rechter, accountant, financieel adviseur, administratief medewerker, laborant, analist, onderzoeker, grafisch vormgever, vertaler, hulpmiddelenadviseur, psycholoog, assemblagemedewerker, monteur, operator, installateur, elektricien en veel andere technische beroepen, ambachtslieden, vrachtwagenchauffeur.

Kansrijke beroepen
Da’s leuk om te weten natuurlijk, maar bieden deze beroepen ook een redelijke tot uitstekende baangarantie? Het UWV publiceert regelmatig overzichten van kansrijke beroepen, zoals in dit rapport van najaar 2018 (pdf download). Er is zeker overlap met interessante beroepen voor introverte mensen. Ik zoek nog naar een goede match (planner?, onderzoek & gegevensbeheer? of toch een luisterend oor bieden als gezelschapsdame?). Maar wellicht kan jij al wat met de lijst.

Vraag en aanbod
Het is logisch dat een economie is gebaseerd op de vraag naar producten en de behoefte aan diensten. Al wil iedereen schrijver of fotograaf worden; er zit een limiet aan de hoeveelheid boeken en foto’s die anderen zullen kopen. En helaas zijn zeer veel ambachtelijke beroepen en administratieve functies verdwenen. Daarin voelden introverte mensen zich juist prima thuis. Ik ken genoeg werkzoekenden die alleen hebben gekeken naar wat bij hen past, terwijl er voor hun beroep weinig betaald werk is. Je komt dus niet om het principe van vraag en aanbod heen.

Wat doen werkgevers voor introverte werknemers?
Wel mogen we vragen wat werkgevers eigenlijk doen om introverte mensen volledig tot hun recht te laten komen. Vermijden ze bijvoorbeeld overbodige prikkels. Want neem nu die kantoortuinen; die zijn toch gewoon rampzálig? Vertel mij niet dat iemand daarin efficiënt kan werken; je wordt er constant uit je concentratie gehaald. En dan al dat e-mailverkeer. Hoeveel onzin zit daar wel niet tussen? Trouwens, al die vergaderingen. Gaan die nog ergens over of dienen ze vooral degenen die zichzelf willen horen? (Lees: het extraverte deel van de wereldbevolking.)

En wat te denken van callcenterwerk in ploegendienst tot 23:00 uur? Schei uit. Als mensen iets willen vragen of bestellen, doen ze dat maar tussen 08:00 en 18:00 uur. Dat deden we vroeger toch ook? En als klanten zeggen dat ze in die periode moeten werken, zou ik zeggen: neem lekker een parttime baan. Kan je tussen het werk door heerlijk bijkomen en je eigen ding doen. Oeps, pijnlijk onderwerp. Want ik leur al jaren om flexibiliteit bij werkgevers. Nog steeds betreft 80% van alle vacatures een fulltime baan.

Kortom: het kan een flinke zoektocht worden om een passend beroep te vinden, maar zit je eenmaal goed, dan hou je het vol tot je pensioen.

(Bron afbeelding: Venveo op Unsplash.)