Het hart als symbool

Op een zonnige, warme lentedag staat een hart symbool voor de liefde. Zo’n lentedag kan misleidend zijn. Want hoe veel mensen hebben hartzeer, zonder dat we het zien?

Twee dagen geleden stierf de ‘liefste’ buurvrouw in ons straatje. ‘Liefste’ is hier een raar woord. Maar toch. Zij was voor mij van alle buren de meest dierbare persoon. Een stukje uit de tekst op haar kaart:

‘… En zag
Dat ik ook in dit leven hoor
Bij het grote geheel,
Bij de oorsprong van alle natuur
En dat ik elk uur
De rest van dit bewuste leven
Liefde ga zijn en liefde ga geven
Schoonheid ga zoeken
In alle gaten en hoeken …’

Zoals ik haar in korte tijd heb meegemaakt, is dit precies hoe zij in het leven stond.

(Bron citaat: Jochem Myjer.)

Ontspannen de operatiekamer in

Bij die binnenoogpretjes van vorige week heb ik jullie op het verkeerde been gezet. Een heerlijk droog stukje over een medische ingreep; zo werd het getypeerd. Wat ik er niet bij heb verteld, is dat ik ternauwernood een aanval van hyperventilatie heb onderdrukt. Beter gezegd: zelfs dat is niet gelukt. De hele behandeling duurde hooguit een minuut en ik heb de injectie met het gas in mijn oog niet eens gezien of gevoeld. Maar het idée, terwijl je volledig aan anderen mensen overgeleverd bent.

Dus toen ik gisteren weer voor controle in het ziekenhuis was, en bleek dat mijn oog toch moest worden geopereerd, en de oogarts meteen een opdracht tot reserveren gaf, en ik bij de balie te horen kreeg: ‘Er is misschien vanmiddag een plekje vrij, maar met zekerheid kunt u morgen om 8.30 uur worden geopereerd.’, toen voelde ik direct weer een paniekvlaag door mijn lichaam gaan. Zo een die acuut misselijk maakt. [Rustig blijven ademhalen nu. Kalm nou.] Ik zei: ‘Doe die van morgen maar.’

Ik ken mezelf, want ik heb al eerder een paar bijna-paniekaanvallen gehad. Een keer in Sevilla, toen ik dacht dat er een inbreker op het balkon van mijn hotelkamer stond. En een keer toen het water van de badkamer recht door het plafond van mijn woonkamer naar beneden kwam. De resterende voorvallen heb ik verdrongen, want in geen van die situaties reageerde ik adequaat. Dus God mocht weten wat ik zou doen als ik in de operatiekamer door een paniekaanval zou worden overmand.

Trouwens, zo’n oogarts wil liever ook geen gedoe. Die staat daar met zijn operatieteam klaar en dan doet een patiënt ineens raar. Maar om een narcose vraag je in tijden van corona ook niet zomaar. Daar zijn wachtlijsten voor. En ‘iedereen’ ondergaat zo’n operatie gewoon bij volle bewustzijn. Bovendien is het lopendebandwerk, dus waar maak je nou zo’n heisa van. Dat hield ik mezelf voor.

Van ellende heb ik een hele avond lang aan alle ontspanningsoefeningen gedacht, die ik ooit heb geleerd. Ogen sluiten, naar je ademhaling luisteren, je van je hele lichaam gewaar worden en alles goed vinden. Dus geen oordelen vellen. Maar op de operatietafel moet je je ogen juist open houden en als ik aan andere dingen denk, hou ik ze niet stil.

Daarna heb ik aan de meest ontspannen momenten in mijn leven gedacht. Op het strand van een tropisch eiland mijn haren wassen in een enorme regenbui. Op een warme rots liggen in een Australische rivier terwijl het lauwwarme water langs mijn lichaam stroomde. De ultieme stilte in de krater van de Pico del Teide, toen ik nog geen tinnitus had. Op een bankje genieten van de eerste warme voorjaarszon. De rustgevende muziekjes die je in elk zweverig toeristenwinkeltje op Bali hoort. Enzovoort. Maar daaraan denken in een operatiekamer hou ik nog geen drie seconden vol.

Daarna kwam er een andere gedachte in mij op. Want waarom zou je zo’n ingreep met hartkloppingen en gierende zenuwen moeten doorstaan? Daar bestaan toch kalmerende middelen voor. Half Nederland is aan de pijnstillers, kalmerende middelen, drugs en alcohol. Dan mag je bij uitzondering toch ook wel eens een pilletje slikken. Zo gezegd, zo gedaan. Ik heb oxazepam gekregen en daarna werd ik al gauw kalm.

Echt, dat calvinistische gedoe is nergens goed voor. Bij de eerstvolgende oogoperatie vraag ik er weer om.

Ben moe

(Nog vier dagen tot de opening.)

‘Lieve God,’ schreef ik eerder deze week in mijn schrift vol dingen die ik nog moet, ‘geef mij alstublieft sneller werkende hersenen, zodat ik mijn werk als waakhond efficiënter kan doen. U weet dat ik bezig ben met die foto-expositie. Nou, wat mij nu toch weer is overkomen …’ Hier bleef het bij, omdat ik te moe was om verder te schrijven en dan worden mijn hersenen sloom.

In mijn hoofd tolde van alles rond en dat kost veel energie. Dat heb ik altijd wanneer iemand onzalige ideeën door wil drijven en zonder overleg zijn of haar eigengereide ding gaat doen. Uiteindelijk heb ik alles af kunnen wenden en daarom gaat het nu goed.

Sta je samen sterker?

De afgelopen week raakte ik een beetje uit balans. Het had te maken met langs elkaar heen praten. Met weinig inlevingsvermogen; vermoedelijk door desinteresse voor de persoon zelf. Zoiets schuurt. Het betrof mensen met wie ik een goede verstandhouding wil hebben, hoewel ze geen grote rol in mijn leven spelen. Er stond wel iets positiefs tegenover, maar het negatieve gaf de doorslag.

In de documentaire Zweden doen het anders zag ik dat Zweden gereserveerder zijn dan wij. Daar is weinig voor nodig, want Nederlanders gedragen zich tamelijk vrij. Ik begreep dat Zweden zich al jong onafhankelijk opstellen. Ze doppen hun eigen boontjes en kunnen zich kennelijk zonder anderen goed redden. In hun eentje ingesneeuwd in een afgelegen blokhut vermaken ze zich wel. Dat werk. Misschien hebben ze daar minder ‘huidhonger’ (het nieuwe modewoord). Dan is de mate daarvan deels aangeleerd en cultureel bepaald.

Met zijn tweeën sta je steviger dan alleen, dat is bij ons het idee. Leef je samen met een zielsverwant, dan is je basis zo stabiel, dat vrijwel niets of niemand je nog uit balans brengt. (Behalve natuurlijk die zielsverwant zelf.) In goed gezelschap verwerk je tegenslagen sneller. Ik ben benieuwd hoe zielsverwantschap past binnen het Zweedse model.

Persoonlijk ben ik selectief gereserveerd. Soms denk ik: ‘Ik kan er wel over praten, maar uiteindelijk moet ik het toch zelf oplossen.’ Bij de meeste mensen, echter, komt het hier op neer: ‘Ik kan er wel met jou over praten, maar het enige wat jij gaat doen, is mijn probleem gebruiken als kapstok voor je eigen verhaal. Dus laat dan maar.’

Waarschijnlijk kan ik het heel goed uithouden in Zweden.

De noodzaak en luxe van rebellie

Waarom wordt iemand een rebel of dwarsdenker en hoe wenselijk is dat voor de persoon zelf? De Boekenweek staat dit jaar in het teken van rebelse schrijvers. Zij hebben het lef om taboes te doorbreken en tegen de stroom in te gaan. Dat gaat verder dan woorden alleen. Ze leven naar de keuzes die ze maken. Hierdoor staat er voor hen persoonlijk iets op het spel. Voor rebellie hoef je overigens niet meteen de barricades op te gaan. Je kan het ook bescheiden aanpakken.

Rebels word je uit noodzaak, omdat je niet anders kan. Omdat je trouw moet blijven aan jezelf en aan je overtuigingen. Vermoedelijk zegt geen enkele rebel: ‘Kom, laten we vandaag eens rebel worden.’ Er kan een acute aanleiding zijn. Vaker gaat er een geleidelijk proces aan vooraf van bewustwording, groeiend ongemak en/of verontwaardiging. Rebellie draait om de essentiële zaken waar je pal voor staat. Zoals zeggenschap over je eigen leven, maar ook de leefbaarheid van onze planeet.

Rebelsheid ontstaat binnen relaties, en breder zodra je afwijkt van algemeen heersende opvattingen. Machthebbers rebelleren zelden in eigen land, want daar bepalen zij zelf de regels. Dan heet het visie en beleid.

Vanwege de consequenties is het bepaald lastig om rebel te zijn. In het gunstigste geval vervreemd je van enkele mensen om je heen. In het ergste geval bekoop je het met de dood en breng je je familie in gevaar. Binnen een dictatuur zou ik niet gauw de held gaan uithangen. Daarmee vergeleken lijkt rebellie in ons land op kinderspel.

Lijkt. Want steeds wanneer ik denk dat hier onderhand alles mogelijk is, blijkt dat toch anders te liggen. Zelfs onschuldig ogende keuzes en situaties zijn zonder meer confronterend voor sommige mensen om mij heen.

Zeg het volgende maar eens hardop:

  • ‘Eerlijk gezegd wandel ik hier in de natuur liever een poosje in stilte. Ja, ook al is dit een groepswandeling. We kunnen straks bij de horeca wel verder praten.’
  • [Impliciet.] ‘Ik wil uitsluitend parttime werken. Maximaal anderhalve dag per week. Ik leef super low-budget en heb voorlopig voldoende.’
  • [Expliciet.] ‘Heb je eenmaal een basis opgebouwd, zoals jij hebt gedaan, dan heb je heel weinig nodig om aangenaam te kunnen leven. Dus waarom werk je nog zo veel als je dat zo zat bent?’
  • ‘Ik vind dat Nederland veel te vol is met mensen en bedrijven, en wil dat we een flinke rem zetten op de bevolkingsgroei en de alles bepalende economie.’ [Oh yes, bepaalde mensen kunnen mijn bloed wel drinken.]
  • [Na een projectoverleg met carrière makende topverdieners in Den Haag, waar ik als zzp-er tijdelijk bij betrokken was:] ‘Nee, voor vanmiddag heb ik geen andere afspraak staan. Maar ik zie dat het zonnetje lekker schijnt. Daarom ga ik nu mooi even naar Scheveningen toe voor een strandwandeling.’

Terug naar de filosofie achter rebellie. Onlangs sprak ik een familielid over typerende ervaringen. We kwamen tot de conclusie dat andere mensen ons vaak harder nodig hebben dan wij hen. Rebellie is een noodzaak … en een luxe.

Bedgeheimen en een levensvraag

Het is zo’n beddenzaak van de luxere soort, waar ik naar binnen stap. Zachte sfeerverlichting. De boxsprings en ledikanten zijn smaakvol opgemaakt met kwalitatief goed linnen. Levensgrote foto’s van kasteelachtige interieurs en natuurtaferelen op de tussenwanden. Elk bed komt mooi tot zijn recht in een eigen hoekje. Discreet staan enkele aanbiedingen vermeld. Het zijn er slechts een paar; ze doen hier onnadrukkelijk mee aan de wintersales.

Dit is de eerste van drie winkels die ik vandaag wil bezoeken. Elders is nog een andere woonboulevard met beddenzaken. Ik wil een weloverwogen keuze maken; een goed bed luistert nauw. En een degelijk bed gaat lang mee. Zo lang, dat dit weleens het laatste bed in mijn leven kan worden. Misschien slaap ik er nog op wanneer ik al hoogbejaard ben. Het is een wat vreemde gedachte.

Die lange levensduur plaatst mij wel voor een acuut dilemma. Daar is die prangende vraag: blijf ik alleen wonen, of komt er in de toekomst een partner? Da’s toch handig om vooraf te weten. Ik moet namelijk kiezen tussen een éénpersoons- of een tweepersoonsbed en gelijk de gewenste maten doorgeven. Bovendien is een goed bed nu meer dan ooit maatwerk. Dat blijkt even later.

Bij het betreden van de winkel verkeer ik nog in de oriënterende fase. ‘Eens kijken wat er allemaal te koop is.’, denk ik. Nou, elk bed biedt een scala aan mogelijkheden. Wil je een bed met of zonder hoofdbord en/of voetenbord? En welke van de drie soorten pootjes (desgewenst op aangepaste hoogte) in welke van de acht kleuren mag het worden? Ook de bekleding is in verschillende stoffen verkrijgbaar. Het aanbod bestaat uit zestig kleuren.

De winkelier laat mij rustig rondwandelen. Hij heeft feilloos door hoe en wanneer hij mij moet benaderen. Juist als ik wat langer om een specifiek bed heen draai. Dan staat hij ineens naast me. En dan begint het keuzeproces pas echt.

Voor een passende bedbodem en het matras wordt eerst je slaap-DNA in kaart gebracht. Ja heus, dat is een persoonlijk slaapprofiel. De winkel heeft hiervoor speciale cabines met bedden beschikbaar. Het is best vermakelijk en comfortabel allemaal, terwijl ik liggend de video-instructies opvolg. Ondertussen doen de sensoren hun meetkundige werk. Ze registreren precies waar en hoe groot de drukverdeling is op het matras.

‘Dit zien we niet vaak’, zegt de winkelier achteraf, als hij mij de uitgeprinte details overhandigt. Ik heb weer eens een uitzonderlijk profiel.

Oh, en ik heb wat moois gezien, waardoor ik gelijk niets anders meer wil. Vanzelfsprekend valt mijn keuze in de hoogste prijscategorie. Deze keer speelt er nog iets mee. Want heb je eenmaal het comfort ervaren van een speciaal op jouw profiel ingestelde lattenbodem met meebuigend matras, volledig afgestemd op jouw hoogsteigen slaap-DNA, dan wil je echt geen standaard bed meer. Dus.

Nu moet ik kiezen tussen een één- of een tweepersoonsbed. Het maakt qua prijs opvallend weinig verschil. Maar bij een tweepersoonsbed horen een extra bodem, matras en dekbed. Alles meegerekend, tikt het flink aan. (En welke maten hou je aan voor een nog onbekende eventueel toekomstige partner?)

Bij bedden werkt het net zoals bij hotelovernachtingen. Neem je een éénpersoonskamer, dan betaal je vrijwel evenveel als een echtpaar. Soms vind ik dergelijke situaties gênant. Het lijkt wel alsof een alleenstaande niet serieus meetelt. Alsof je een soort tweederangsburger bent. Of nog niet helemaal volwassen. Alleenstaanden moeten kiezen tussen een kinderbed of een bed voor hoogbejaarden. Tot deze twee opties blijft het assortiment éénpersoonsbedden beperkt. Dat is vreemd.

Volgens het CBS telt Nederland wel 2,8 miljoen alleenstaanden en hun aantal groeit. Blijkbaar is deze ontwikkeling nauwelijks tot de beddenbranche doorgedrongen. Slapen alle alleenstaanden dan in een tweepersoonsbed? Rekenen ze na een scheiding weer op een nieuwe partner? Vermoedelijk kopen weinig mensen tussen de 21 en 75 jaar oud een éénpersoonsbed. Volgens mij bepaalt het aanbod hier de vraag. Of is er sprake van een taboe dat angstvallig wordt verzwegen?