Back to the seventies! (met muziek)

De ontdekkingsreis door vijftig jaar muziekgeschiedenis is begonnen. Wat er allemaal wel niet op die 100 oude cassettebandjes staat … Het gaat van pop naar punk en van soul naar hardrock. Sommige liedjes hoor je nu vrijwel nooit meer, zoals Ce coir van de Golden Earring. Toch een van hun beste songs, nietwaar? De grootste hits worden in elke top 1000 grijs gedraaid, maar het onbekendere werk is vaak interessanter. Dankzij die cassettebandjes met opnamen passeert er een heel tijdperk vol jeugdsentiment.

Deze bijna vergeten muziek roept vast ook bij jullie herinneringen op. Daarom zet ik hier zeven willekeurig gekozen opnamen op een rij, met linkjes naar YouTube. Genieten maar!

  1. Golden Earring – Ce coir
  2. Genesis – Turn it on again
  3. Gary Rafferty – Get it right next time
  4. Dooly Silverspoon – Bump me baby
  5. Sylvester – You make me feel (mighty real)
  6. The Shirts – Laugh and walk away
  7. En de mooiste: Japan – Nightporter

PS: Ik zoek al jaren naar een extended version remix van Donna Summers I feel love met zwaardere bassen dan in de oorspronkelijke vorm. Wie weet hem te vinden?

Op vakantie naar het buitenland

Bij de kassa vertelt de caissière dat ze nooit naar het buitenland op vakantie gaat. Ze blijft liever in Nederland. Dit is Gelderland anno 2018. Sinds ik hier woon, hoor ik dat vaker. Bijzonder. Want veel vrienden, familieleden en vroegere collega’s van mij passeren de grens minimaal een keer per jaar. Voor werk, studie of plezier; met de auto, camper of het vliegtuig. Alsof het de norm is. Kennelijk ligt dat toch een beetje anders.

Bij vakantievierders in eigen land dacht ik steeds: ‘Ze vinden het zeker lastig als ze midden in de nacht naar Schiphol moeten.’ Vooral buiten de Randstad speelt dit mee. Het blijft voor mij ook wennen dat de treinen hier niet 24/7 naar de luchthaven rijden. Op mijn vorige adres was dat een makkie. Van deur tot deur stond ik binnen een half uur op Schiphol. Dat gaf gemoedsrust. Alsof de nooduitgang altijd in de buurt was.

Hier ontmoet ik mensen die het echt prima vinden om in Nederland te blijven. Ze hebben geen behoefte om ver te reizen. Ik vind dat wel verfrissend. Mijn ouders namen me voor het eerst mee op vakantie toen ik twee jaar was. Dat ging zo vrijwel ieder jaar door. Later ging ik zelf graag op pad. Ik weet precies in welke jaren ik niet in het buitenland kwam. Want die jaren vormen een uitzondering.

Toch, in het dorp waarin ik ben opgegroeid waren buitenlandse vakanties niet zo gangbaar. Het was begin jaren zeventig. Veel klasgenootjes op de lagere school kwamen uit grote gezinnen en boerenfamilies. Zij logeerden in de zomer hooguit een weekje bij een oom of tante. En een katholieke jeugdclub organiseerde een zomerkamp op Brabantse boerderijen. Dat waren ontzettend leuke weekjes, compleet met kampvuur, slapen in de stal en nachtelijke droppings.

Soms vroeg onze juf na de zomervakantie wie naar het buitenland was geweest. (Doen juffen dit nog? Voordat je het weet, werkt zo’n vraag stigmatiserend.) Samen met hooguit vijf andere kinderen stak ik dan mijn vinger op. In een klas van 25. Die anderen woonden in ‘de nieuwbouw’, een wijk waar veel import was neergestreken. Onder meer uit Den Haag. Dat waren geen boerenkinderen.

Mijn ouders waren ook import, maar dan uit Leiden. Als kind van import ben je voor sommigen in je eigen dorp een halve vreemde. Dat maakt de stap naar het buitenland misschien kleiner.

Een gevaar op de weg

In 1991 ging ik voor het eerst naar Turkije op vakantie. Ik reisde alleen en met openbaar vervoer. Vanuit Istanbul kon je prima in het land reizen; de busdiensten waren uitstekend. Tijdens lange ritten werd je door een steward goed verzorgd. Hij kwam langs met geparfumeerde opfrisdoekjes, thee, sigaretten en koekjes. Alsof je in een vliegtuig zat. Alleen waagde je zo wel je leven. Want je wil niet weten hoe ze daar toen reden. Het jaarlijkse aantal verkeersdoden lag er rond de 6.000, op een bevolking van 54 miljoen.

Eigenlijk is het een wonder dat ik er nog ben. In het buitenland heb ik de meest waanzinnige verkeerssituaties meegemaakt. Slecht onderhouden auto’s en wegen vormen dan nog het minste probleem. Echt groot gevaar loop je bij mannelijke chauffeurs die indruk willen maken op vrouwelijke passagiers. Zij tonen graag hoeveel lef ze hebben. Verder heb je landen waar het verkeer nog in het botsautostadium verkeert. Zoals Turkije, in 1991.

Maar afgelopen zaterdag zag ik Andere Tijden met ‘Autogordels vast en zeker’. Een aflevering over het verkeer bij ons in de jaren zestig en zeventig. Stomdronken mensen, die gewoon achter het stuur kruipen. Ouders, die met hun kinderen voorin op schoot rijden. En auto’s, die compleet doorgeroest zijn. Het kwam allemaal voorbij. In 1972 stierven 3.264 mensen in het Nederlandse verkeer. Op een inwonertal van slechts 13,3 miljoen, wel te verstaan.

Ik moest denken aan persoonlijke ervaringen van eind jaren zeventig/begin jaren tachtig. Met 100 km/uur door de smalle straatjes van Leiden rijden, bijvoorbeeld. Vonden jongens stoer. Degene die toen achter het stuur zat, kreeg als buschauffeur een paar jaar later een ongeluk. Hij had een hele schoolklas achterin. Gevolg: vier dode kinderen. En een klasgenootje van de middelbare school reed met haar vriend na een avondje stappen in een sloot. Allebei dood.

In 2003, weer terug in Turkije, was de verkeerssituatie totaal veranderd. De regering had maatregelen genomen en er werd streng gecontroleerd. Ik reisde wederom alleen en met openbaar vervoer in comfortabele bussen. De route liep van Istanbul helemaal naar plaatsen als Fethiye, Izmir, Bursa, Konya, Göreme, Şanliurfa, Silifke en Kaş. Ik heb er een bijzonder veilige vakantie gehad.

Kan iemand mij trouwens uitleggen waarom je als passagier in de bus van Arnhem naar Wageningen geen gordel om hoeft?

Mijn geheugen is weer bezig

Aan het begin van de avond doe ik mijn lenzen uit en zet ik een bril op. Ik was mijn handen, doe de vloeistof in het houdertje, maak de lenzen schoon en drop ze elk apart in hun eigen holletje. Eentje links, eentje rechts. Ondertussen dwalen mijn gedachten af naar de bijna afgelopen dag. Dat gebeurt vaker wanneer ik veel ervaringen opdoe. Kennelijk moeten die worden verwerkt in de badkamer.

Als ik daar een paar uur later terugkom, liggen de dekseltjes los naast de lenzenhouder. Oh nee hè, toch niet weer? Jawel hoor, daar liggen mijn maandlenzen in het afvoerputje. Half verdroogd en verschrompeld tot een vreemde kronkel. Heb ik ze eerst netjes in het houdertje gedaan en vervolgens achteloos weggespoeld.

Vreemd genoeg ben ik zelden iets kwijt, ook al raken mijn gedachten snel afgeleid. Ooit liet ik een dag lang een sleutelbos in een deur hangen waar de hele buurt langs kwam. En in Australië stapte ik na een boottocht voor de terugweg eens in het verkeerde toeristenbusje. De gezichten van de passagiers kwamen mij namelijk bekend voor. En ze keken glimlachend naar mij om. Alleen hadden we slechts dezelfde boot gedeeld. Dat busje was helemaal niet van mijn groep. Het kwam in beide gevallen goed.

Toch, waar ik mij zelden in vergis, is in het beeld dat over een tijdperk heerst. In mijn beleving was alles in de tweede helft van de jaren zeventig oerlelijk. Lelijke auto’s, lelijke kleuren, lelijke gebouwen, lelijke meubels, lelijke kleding, lelijke tanden. En dan die kapsels vol plakkerige hairspray met van die stormvaste nepkrullen. Ergens ligt nog de bijbehorende krultang.

Maar smaken verschillen. Want wat staat er tot mijn verbazing bij foto’s van het ranzige leven op de Amsterdamse wallen in de jaren zeventig? ‘Wat zag het uitgaan er vroeger toch mooi uit, eigenlijk.’ (De Volkskrant, 13 januari 2018.) Moet je het gebit van die gast in de grote foto eens bekijken. En dan die drag queen make-up waar iedereen toen mee liep. Nee, tegenwoordig is alles veel beter. Alleen mijn geheugen niet.

De barre winter van 1979

Anno 2017 legt één flinke sneeuwbui Nederland sneller plat dan tien computer hackers samen. Code rood luidde het gisteren. Dat hebben we geweten. 1.600 kilometer file, treinverkeer compleet ontregeld, 430 vluchten geannuleerd. In feite kunnen we dat beetje sneeuw best hebben. Er lopen hier alleen te veel mensen rond. Daarom weet je nooit of je zo’n code serieus moet nemen. Dus zat ik voornamelijk thuis, te verlangen naar buiten. Hoe anders was dat in mijn jeugd. Toen had je tenminste nog echte winters, zoals die van 1979. En we lieten ons nergens door tegenhouden.

IJzige koude, helse noordooster sneeuwstormen en spekgladde wegen. Dat was pas winters ongerief. We hadden thuis geen centrale verwarming en buiten de woonkamer liep je te bibberen. In Zoeterwoude was de hele Noord Aa bevroren. Het mooiste zwarte ijs lag daar. Er werd een ijsbaan op het bevroren meer uitgezet en schaatsen maar. Je kon er gewoon in een auto overheen rijden. Wat handig was om de baan met een schuiver sneeuwvrij te houden. Diezelfde winter maakte ik een legendarische schaatstocht van Zoeterwoude naar Leiden. Deels over bevroren sloten, maar vooral over spiegelgladde stoepen. Want die waren met een ijslaag bedekt. Je kon er onmogelijk op lopen.

In die tijd had je nauwelijks thermo-ondergoed en kleding van fleece. Er waren juist korte leren jasjes in de mode. Die ik dan ook droeg. Waardoor je op de fiets altijd een koude rug kreeg. Denk maar niet dat ik als recalcitrante puber naar de wijze raad van mijn moeder luisterde, en een hemd of wollen trui aantrok. Nee, afzien moest ik, om erbij te horen. Dat waren nog eens echte barre winters toen.

Kate Bush in Hammersmith

In slechts 15 minuten zijn alle 22 (!) concerten van Kate Bush in Londen uitverkocht. Daar treedt ze na een afwezigheid van 35 jaar weer op. Het was te verwachten. Een paar jaar geleden zag ik de documentaire ‘Come Back Kate’ over haar hondstrouwe fans. Al ligt haar bijzondere stijl niet bij iedereen gemakkelijk in het gehoor.

In mijn beleving is Kate voor eeuwig verbonden met het jaar 1978, toen Wuthering Heights en The man with the child in his eyes uitkwamen. Ik zat op de middelbare school. Er speelden typische pubertoestanden en mijn karakter was nogal veranderlijk. Ik herinner het mij als een grauwe, donkere periode. Je had punkherrie en slechte popmuziek. Het was alsof ik een persoonlijk en muzikaal interbellum doormaakte. En muziek heeft nu eenmaal een grote invloed op mijn gemoedstoestand.

Maar Kate gaf een glimp van een wereld in een totaal andere dimensie. Een verborgen juweel waarvan je slechts een glinstering ziet. Haar liedjes hebben altijd iets mysterieus en sprookjesachtigs. Ze roepen beelden op van oude landschappen vol historie en bijzondere figuren. Haar stijl is één van de bronnen waaruit Raam open is voortgekomen.

Ik heb natuurlijk overwogen om kaartjes te bemachtigen, en er toch van afgezien. Nu mis ik een onvergetelijke gebeurtenis. Maar liever hou ik de beelden vast die haar muziek kenmerken.