Taal als interessegebied

Als je lang genoeg leeft, merk je vanzelf dat je liefhebberijen kunnen verschuiven. Hoeveel hobby’s had je vroeger, waar je nu al jaren geen tijd meer aan besteedt? Menige postzegelverzameling vergaart stof op zolder. Andere interesses zijn er voor altijd. Je kan ze even uit het oog verliezen. Bijvoorbeeld, omdat je druk bezig bent met het leven. Maar je hoeft slechts een foto te zien, een geur te ruiken of een zinnetje te lezen, en je denkt: ‘Hé, dat is leuk. Hoe kon ik dat vergeten?’

Onlangs kwam het Sociaal Cultureel Planbureau met het rapport Denkend aan Nederland, over het onderzoek naar wat Nederland voor de Nederlanders betekent. Wij, stelletje eigengereide Hollanders, mogen graag denken dat we dat zelf wel bepalen. We zijn tenslotte op en top individualisten, nietwaar? Nee dus, niet waar.

Onze Nederlandse identiteit bestaat uit gedeelde gevoelens voor onze taal, symbolen en tradities. Denk aan onze vlag, de Elfstedentocht, oliebollen, Koningsdag, dijken en weilanden, de kleur oranje, Sinterklaas, vrijheid van meningsuiting, et cetera. Dat zijn verbindende factoren. Ik kan ook zeer warme gevoelens krijgen bij de aanblik van het Feyenoord stadion.

Taal is een belangrijk onderdeel van onze identiteit, maar onze taal is minder Nederlands dan je zou denken. Onze woordenschat wordt al eeuwen aangevuld door nieuwkomers uit het buitenland. Zo komen taal, sociale geschiedenis en mijn voorouders samen. Gecombineerd vormen ze voor mij een bijzonder interessegebied. Heb ik hier al eens verteld over Leidens Ontzet op 3 oktober? 😉

Daarom deel ik graag het bericht Een mooie mengelmoes op het blog van Neerlandistiek. Dit gaat over het ontstaan van het Nederlands, zoals wij het nu kennen. Dit dankzij de vele dialecten en vreemde talen die hier in de Gouden Eeuw werden gesproken. En waar ‘Amsterdam’ staat, kan je gerust ook ‘Leiden’ lezen.

Door framing mis je leuke dingen

Stephan Sanders rept in de Volkskrant over een identiteitenstrijd. Termen als ‘wit’ en ‘blank’ staan ter discussie, net zoals voormalige helden van de VOC. Stel, je schrijft dat een dronken Belgische man een Nederlandse vrouw aanrijdt. Dan is de vermelding van nationaliteiten overbodig. Benoem je ze toch, dan doe je aan framing. Daarmee plaats je alle Belgen in het verdachtenbankje. Vergis je niet. Met framing doen we zowel de ander als onszelf tekort.

Overlevingsstrategie
Dat we een aantal zaken en termen grondig herzien, prima. Maar blijf even nadenken. Framing is van oorsprong een overlevingsstrategie. We schatten mensen gelijk in bij een eerste kennismaking: te vertrouwen of niet. Daarna vormen we ons snel een beeld van iemand: vriendelijk, dominant, passief, actief, enzovoort. Dan is dat alvast duidelijk en kunnen we verder. Een probleem is wel dat oude indrukken hardnekkig blijven hangen. Zelfs al wijzen latere ervaringen op tegengestelde eigenschappen.

Verrassing 1
Deze week had ik ontmoetingen met diverse onbekenden. Stuk voor stuk verrasten ze mij, bij nader inzien. Een gespierde militair bijvoorbeeld, met zo’n crew cut kapsel. Wat blijkt? Hij doet er ook ICT-werk voor schoonheidsspecialisten bij. Of een man uit de bouwsector. Die verzucht dat het zo’n ouderwets mannenbolwerk is. Hij wil graag parttime werken, maar daar begint zijn werkgever niet aan.

Indoctrinatie
We zijn allemaal geïndoctrineerd door opvoeding, opleiding en oude ervaringen. Dat ‘allemaal’ betreft hier ook de andere partij. Stephan Sanders heeft een kleurtje. Voor hem is de zwart/wit-kwestie mogelijk wat gevoeliger dan voor mij. Maar ik heb in het buitenland evengoed met framing te maken. Vooral in armere landen. Hoe donkerder de bevolking, hoe sterker het speelt.

Beeldvorming
In Afrika is het moeilijk om met lokale inwoners gelijkwaardige vriendschappen op te bouwen. Tenzij ze een universitaire opleiding hebben genoten. Want ik ben wit, of blank zo je wilt. Een muzungu. De eerste barrière waar ik doorheen moet, is het beeld van een wandelende portemonnee. Het tweede beeld dat ik soms moet doorbreken, is dat ik geen mistress ben. In de betekenis van bazin. Alsof je het als blanke automatisch beter weet dan zij, en dus de leiding moet nemen. Geen van deze beelden doen recht aan mij. In Nederland poets ik gewoon zelf de wc.

White woman privilege
Let wel, er zitten voordelen aan een white woman privilege. Deuren gaan letterlijk voor je open, terwijl die voor lokale inwoners gesloten blijven. Zoals de deuren naar een bar en het zwembad van een vijfsterrenhotel waar je zelf niet verblijft. Dat is wrang, maar nog tamelijk onschuldig. Het wordt een probleem als de plaatselijke bevolking hierdoor naast kansen grijpt. Zoals wanneer mensen geen nuttig netwerk kunnen opbouwen, puur door wie of wat ze zijn. Toch kent ook ons land barrières. Ik kom evenmin zomaar bij een Rotary Club binnen.

Verrassing 2
Het kan anders. Neem deze spontane ontmoeting in het Arnhemse alternatieve circuit. Een 18-jarige jongen met Antilliaanse gelaatstrekken zit aan tafel met een 35-jarige Marokkaan. Ze eten en ze drinken allebei (alcoholvrij?) bier. Ik ken hen niet en schuif met een vol bord aan. We praten over wat we doen. Daarbij denk ik aan werk, maar mogelijk hebben zij het over hobby’s. Dat blijft in het midden. De Antilliaan is voetballer. De Berber is hiphop danser. Als je zonder nadere omschrijving foto’s van deze twee krijgt, wie zie je dan aan voor hiphopper?

Leiden door het oog van de lens

Even terug in het gebouw waar we ooit allemaal werden geregistreerd. Een pasgeboren baby’tje huilt. Nu is het haar beurt. Er wordt een symposium gehouden over de identiteit(en) van Leiden. In de pauze neem ik foto’s van de ruimte en de omgeving.

Alsof er een dia voor mijn ogen schuift, verandert het beeld. Waar een bobbelig ruitje zit, trekt de lens glasplaatjes recht. Waar donkerte is, brengt de camera licht. En waar kleur is, maakt de lens een voorwerp wit. Er ontstaat sepia. Er ontstaat mysterie. Ben ik per toeval op geheime technieken van Bob Thissen en Jeroen Swyngedouw gestuit?

Marokkaans vlagvertoon

Nog even over die botanische tuin in Utrecht. Het is een populaire plek voor bruiloften en partijen. Afgelopen weekend was er een prachtig uitgedost gezelschap. Vermoedelijk Eritreeërs of Ethiopiërs. Ze namen volop foto’s met de tuin op de achtergrond. Later zagen we nog een goed geklede groep. Alleen mannen; vrouwen waren nergens te bekennen. Bij de ingang stond een witte stretch limousine, met trouwversiering. Plus een hele rij volgauto’s. Waarvan enkelen met de Marokkaanse vlag op de motorkap.

Een vlag. Bij de Nijmeegse vierdaagse is vlagvertoon logisch. En tijdens 3 oktober ook, vooral die rood-witte met de Leidse sleutels er op. Maar welke bruid wil nou een nationale vlag in haar trouwstoet?

Bij mijn weten zie je dit verschijnsel alleen bij Turken en Marokkanen. Bij andere mensen met een tweede nationaliteit is het mij nooit zo opgevallen. Maar ik woon nu eenmaal in een roomblanke wijk. Feitelijk ben ik hier met mijn donkerbruine haar nog het meest gekleurd van allemaal. En de expats op mijn vorige adres deden evenmin aan vlagvertoon.

Kortom, kan iemand mij uitleggen wat zo’n vlag doet in een trouwstoet?

Het is weer bijna 3 oktober

Rond deze tijd van het jaar voel ik mij sterk verwant met de eerste generatie Turk of Marokkaan. Vroeger zag je ze ’s zomers altijd in een volgestouwde Mercedes naar hun vaderland afreizen. Terwijl ik begin oktober steevast naar Leiden terug moet gaan. Net zoals bij hen, blijven de banden met mijn oude geboortestad levenslang bestaan.

In den vreemde (regio Arnhem) ontvang nog ik wekelijks nieuwsbrieven van Leidse organisaties. Van de Hortus bijvoorbeeld, en van het Leids Wevershuis. Ook de Universiteitsbibliotheek stuurt regelmatig een bericht, waarin bijzondere stukken uit de collectie worden belicht. Af en toe bezoek ik de website van het Afrika-Studiecentrum, dat ook al in de Sleutelstad gevestigd is. En ik lees nieuwtjes van de 3-October Vereeniging, plus de universitaire nieuwsbrief. Tot besluit schrijven het Leidsch Dagblad en Leidse bloggers over uiterst herkenbare zaken. Hoe snel de stad ook mag veranderen.

Aan het feestprogramma van 3 oktober verandert trouwens zelden iets. Al ontstaat er soms wel wat nieuws. Naast de reveille, de uitreiking van haring en wittebrood, koraalzang, kermis, optocht en feestelijke warenmarkt, is er sinds een paar jaar de 3 October University. Want Leiden is al tijden fabrieksstad af. Voor buitenstaanders mag 3 oktober dan een plat volksfeest lijken. De gentrification is hier ook al jaren aan de gang.

 

Geworteld in Nederland

Een Armeense moeder is uitgezet en haar twee kinderen van elf en twaalf verblijven hier nu illegaal. Hulpverleners willen voorkomen dat ook zij moeten vertrekken. De kinderen wonen hier al sinds 2008 en zijn dus ‘geworteld’ in Nederland.

Ik vraag mij af waarom er geen advocaat is die opkomt voor kinderen van expat-ouders. Die worden namelijk van hot naar her over de aardbol gesleept. Of ze het nu leuk vinden of niet. Ook bij gezinsherenigingen in Nederland geldt het argument van geworteld zijn in het land van herkomst blijkbaar niet. Vreemd.

Kleding voor binnen het glazen hokje

Zoals elk normaal mens draag ik hooguit 50% van wat er in mijn kledingkast hangt. Bepaalde kledingstukken zitten nu eenmaal lekkerder dan andere. Los van de mindere goden heb ik een verzameling kleding voor het geval dat. Zoals voor het geval ik naar de tropen ga én voor het geval de temperatuur ver onder nul zakt. Plus voor het geval er een feestje is, of voor wanneer ik naar kantoor toe moet. Want dan moet je iets passends dragen. Verder heb ik kleding voor sportieve uitstapjes; pyjama’s en nachtjaponnetjes; een hele rij jassen voor alle weersoorten, en nog wat ongeregeld spul. Daarom is het nogal krap in mijn kledingkast.

Zojuist heb ik een poging gedaan om een beetje ruimte te maken. Het viel weer niet mee. Ik kwam allerlei jasjes tegen, die ik nog nooit heb gedragen. Zonde om weg te doen, nietwaar? En dan die mooie broeken waar ik niet langer in pas. Eigenlijk al vijf jaar niet meer. Daarom liggen ze helemaal onderin de kast. Maar ze staan me aanzienlijk beter dan wat er de afgelopen jaren in de mode was. Vandaar. Als ik die broeken toch wil dragen, moet ik blijven staan om adem te kunnen halen. Lastig hoor, bij zittend werk. En even wat kilootjes afvallen is natuurlijk te veel gevraagd.

Met veel pijn en moeite heb ik drie stapeltjes gemaakt. Een stapeltje compleet verwassen kleding voor de vuilnisbak. In ons kakkineuze dorp mag je namelijk geen lompen in de kledingbak deponeren. Dan nog een stapeltje dat wel in de kledingbak kan voor het goede doel. Het derde stapeltje wil ik via een tweedehandswinkel verpatsen.

Je zou denken dat een paar nieuwe pyjama’s uit een vorig logje aanleiding zijn voor deze opruimactie. Maar nee, de dresscode bij mijn aanstaande werkgever zorgt voor enige twijfel. Gelukkig hoef ik slechts een dag per week op kantoor te komen. Daardoor kan ik eenvoudig verhullen dat mijn best zittende kleren uit C&A-winkels komen. Toen ik nog vast werk had, kocht ik wel vaker in boetieks. Bovendien valt de overgang van de zomer naar de herfst precies in die werkperiode. Dit verkleint de kans dat ik steeds hetzelfde nette vestje ga dragen.

Schoenen vormen wel een dilemma. Ik heb heerlijke zwarte laarsjes. Die kunnen bij vrijwel al mijn broeken. Alleen droeg ik ze zes jaar geleden ook al, toen ik bij dezelfde werkgever rondliep. Degene die mij inhuurt, zal ze zeker herkennen, want zij had ze toen ook. Ander passend schoeisel is voor kantoor toch te bloot of te plat, of kraakt gênant bij het lopen. Ik heb keurige schoenen met een klein hakje voor dames van zekere leeftijd. Eigenlijk val ik zelf binnen die categorie, qua leeftijd dan. Maar gevoelsmatig horen ze helemaal niet bij mij. Zo heb ik nog twee paar ongedragen ‘professionele’ schoenen in de kast staan. Het liefst zou ik comfortabele stadswandelschoenen dragen.

Oh, en dan nog een tas. Onlangs was ik bij een netwerkbijeenkomst voor kleine ondernemers. We deden een oefening. Op basis van elkaars uiterlijk (kleding, schoenen, stijl) vertelden we hoe de ander op ons over kwam. Ik had mijn nette, donkerblauwe rugtas bij me, maar die vond iemand toch te informeel. Maar als ik straks vier uur reistijd heb, wil ik wel graag van alles meenemen voor onderweg. Daarvoor is mijn beschaafdere zwarte leren tas te klein.

Op kantoor zou ik best bedrijfskleding of een uniform willen dragen. Dat zou het leven veel aangenamer maken. Helaas. In Nederland moeten we zo nodig individualistisch zijn en onze identiteit via kleding uitdragen. Blabla. Want ondertussen zitten we nog altijd met die glazen hokjes, vooral op kantoor. We kunnen nog lang niet overal kleding naar eigen keuze aan doen.

Een petitie pro uniform dan maar?