Rustig maar, meisje

We verdelen de taken over twee lijstjes. Hij het lijstje met gereedschap dat hij mee moet brengen. Ik het lijstje met de resterende materialen die ik bij de bouwmarkt zal halen. Verf mat grijs, voor de binnendeuren in de woonkamer. Afwerklatten 4,3 cm x 0,9 cm x 14 meter. Muurvuller. ‘Dat kan je bij de Action in Renkum halen. Daar hebben ze altijd leuke dingen: snoertjes voor je telefoon en zo. Ik word daar nu alweer hebberig van.’ Dat zijn zijn woorden, niet die van mij, hoor. Verder moet ik een ‘radiatorbocht met half duimse buitendraad’, scoren. Ik zie het ding helemaal voor me. Niet dus.

Een uurtje later sta ik in zo’n enorme bouwmarkt. Ik vraag aan de mevrouw bij de servicebalie waar ik zo’n bocht kan vinden. Zij verwijst me naar een medewerker links voorbij de verf en de schappen achter het grote televisiescherm en daarna rechts bij het sanitair. Deze meneer leidt me naar een wand vol bochten en kniestukken en wat al niet meer. Uhm … ja. Ik herhaal de beschrijving nog maar een keer. Daarna kunnen we de keuze terugbrengen tot twee opties. Oké, bedankt tot zover. Ik ga wel ff bellen.

Handig hoor, zo’n smartphone. Alleen is het afwachten of een telefoontje gelegen komt. De klusser neemt op en direct daarna wordt zijn aandacht afgeleid. Door een glazenwasser en een blaffende hond. Zijn hond. Het jonge dier is door het dolle heen, omdat de glazenwasser buiten langs het raam klimt. Dat heeft het nooit eerder gezien.

De klusser is uiterlijk het klassieke type bouwvakker: stevig gebouwd, iets te veel buikspek, tatoeages op beide armen en kort haar. Weinig woorden, veel daden. Drinkt de hele dag Cola. Is meer van het barbecuevlees dan van de salades. Hij roept tussendoor naar het dier dat het koest moet zijn. Maar dat werkt niet, natuurlijk.

Dan, met een veel zachtere stem: ‘Rustig maar, meisje.’ Ineens heb ik een heel andere man aan de lijn. Het lijkt bijna alsof ik mijn zus hoor, wanneer zij haar hond toespreekt.

Het is dus een meisje, zijn herdershond.

Geef aandacht en word gelukkig

Denk je dat je gelukkiger wordt in een andere baan of met een slanker postuur? Vergeet het maar. Je streeft naar de verkeerde doelen. Volgens onderzoek helpt het als je een beetje minder zelfzuchtig wordt. Meer tijd doorbrengen met vrienden of op bezoek gaan bij je oude buurvrouw. Dat werkt beter. Volgens de Duitse psycholoog Julia Rohrer is contact met anderen een belangrijke voorspeller voor geluk.

Omgekeerd smelten zelfs de nukkigste mensen als ze oprechte aandacht krijgen. Specialist ouderengeneeskunde Wilco Achterberg zegt het heel treffend. ‘Als iemand jou speciaal maakt, blijft het leven de moeite waard.’ (Die ene patiënt, Sir Edmund, 2 juni 2018.)

Zijn woorden doen mij denken aan een advies dat ik kreeg van iemand die eveneens in de ouderenzorg werkte. Tijdens een wandeling vertelde ik over mijn toenmalige werkgever, een jonge man. Hij had duidelijk narcistische trekken en was zeer moeilijk in de omgang. Ook bij collega’s riep hij veel weerstand op. Vanwege zijn machtspositie leek het soms of we met een potentiële psychopaat te maken hadden. Ze raadde me aan om extra aandachtig naar hem te luisteren. Als je een van de weinigen bent die zo iemand serieus neemt, kan dat de werkrelatie aanzienlijk verbeteren.

Op een bankje in de bus praat een vrouw met een man over ouderen. Hij merkt op dat er hier zoveel eenzame bejaarden zijn. ‘Maar’, zegt zij ‘ze blijven allemaal in hun eigen huisje zitten. Je moet ze echt over de drempel trekken om ze met elkaar in contact te brengen. Ze zijn alleen, maar zoeken geen anderen op die vlak naast hen wonen en ook eenzaam zijn.’ Sommigen behulpzame mensen spelen daar trouwens heel sluw op in.

In het Volkskrant Magazine stond onlangs een artikel over Viktor en Rolf, de ontwerpers. Ze vormen het ideale duo. Ze zijn vrienden, zitten op dezelfde lijn en vullen elkaar aan. Het is samen zijn te midden van de gekte waarin ze werken. Bovendien voelen ze elkaar perfect aan. ‘Viktor: ‘Vicky [een Jack Russell terriër] was een geschenk van Rolf. Ik schrok me dood. Ik woonde toen nog op een kamer, ik deelde een huis met een vriendin en opeens kregen we een hond. Maar ik was er stapelgek op. Die hond ging altijd mee.’’

Behulpzaamheid kan je het beste gepast doceren. Dat is prettig voor zowel de hulpgever als de hulpontvanger. Kinderen krijgen complimentjes als ze helpen. Zo leren ze sociaal wenselijk gedrag aan. Ik vind wel dat kinderen er ook mogen zijn op de momenten dat ze niet helpen en gewoon zichzelf zijn.

Donderdag. Ik wandel met een groepje naar kasteel Doorwerth. Er is een nieuwe man bij die blijkbaar als doel heeft om mij speciale aandacht te geven. Of is hij eenkennig en klampt hij zich vast aan de eerste die hij spreekt? Hij is psycholoog. Ik vraag me af of hij beseft dat hij vandaag een vrije dag heeft.

Als ik zo rond mijn zeventigste geen partner heb, neem ik een hond. Gezien onze levensverwachtingen worden we dan samen tegelijk gelukkig oud.

Grote mensen en jonge honden

Een onbekende met haar hond nadert op de smalle stoep. Het is zo’n soort golden retriever; de donkerbruine variant. Het dier is nog jong. Een en al poot, speelsheid en bewegelijkheid. Die bewegingen gaan alle kanten op en zijn een beetje ongecontroleerd. Nieuwsgierig verkent hij de hele wereld en hij is duidelijk in de leer. Want het baasje gaat tussen hem en mij in staan en zegt: ‘Blijf.’ Ze herhaalt het voor de zekerheid nog een keer. Het beestje heeft het begrepen. Zodra ik ben gepasseerd, krijgt hij zijn beloning. Ik, ondertussen, heb ook mijn best gedaan om braaf te gehoorzamen.

Puppies, ongeacht van welk ras, hebben op mij een enorme aantrekkingskracht. In feite kan ik slechts ternauwernood van ze af blijven. Het liefst zou ik ze allemaal willen aanhalen en aaien. Maar niet ieder baasje vindt dat leuk. Dus gedraag ik me.

Waarschijnlijk voelde die vrouw dat aan. En koos ze er bewust voor om met haar rug naar mij toe stil te staan. Ze zei evenmin gedag, terwijl elkaar groeten hier wel gangbaar is. Heel wijs van haar, anders had ik zeker een toenaderingspoging gedaan.

Het lijkt me best lastig om zo’n jonge hond in het openbaar goed op te voeden. Niet alleen vanwege zijn hoge aaibaarheidsfactor. Het gedrag van omstanders kan snel verkeerd werken. Maar vooral omdat het gedrag van het baasje zelf onder een vergrootglas ligt. Voordat je het weet gaan anderen zich ertegenaan bemoeien. Een baasje wordt net zo scherp beoordeeld als ouders op een schoolplein of in een restaurant.

Grote honden en hun baasjes

Zo rond mijn vijftiende ging ik eens met een schoolvriendin mee naar haar huis. We kwamen via de voordeur binnen en liepen al pratend door de gang naar de woonkamer. Zodra ik daar een stap binnen zette, vloog hun herdershond met wijd opengesperde bek naar mijn keel. Zijn blikkerende tanden vlakbij mijn gezicht vergeet ik nooit meer. Gelukkig kreeg het beest me niet te pakken. Familieleden grepen de hond meteen vast. ‘Dat doet ‘ie anders nooit.’, zeiden ze. Daarna gingen ze al gauw over tot de orde van de dag.

Waarschijnlijk is het daarmee begonnen. Puppies vind ik allemaal even lief. Golden retrievers gaan best, en het meeste kleinere spul ook. Maar ik ben alles behalve dol op grote loslopende honden. Vooral als ze naar mij toe komen en hun baasjes dat toestaan. Ja, er zelfs blij bij kijken. Zoals een moeder die haar kindje zoet met een ander kindje ziet spelen.

Ze denken om volslagen onverklaarbare redenen altijd dat ik hun hond leuk / stoer / mooi vind. Zelfs als zo’n beest met zijn vuile poten tegen mij opspringt. Bij dat opspringen zeggen die baasjes trouwens ook meestal: ‘Dat doet ‘ie anders nooit, hoor.’ Of: ‘Hij is enthousiast.’ Of ze lachen er alleen schaapachtig bij. Sommige baasjes kunnen niet anders.

Ik dacht dat zodra een hond iemand heeft aangevallen en gebeten, hij in ons land direct moet worden afgemaakt. Maar dat schijnt niet te kloppen. Tref je toevallig een fout baasje, dan kan hij de buurt daar lekker mee terroriseren. Vreemd. Agressieve honden horen niet thuis in de openbare ruimte. Iedereen moet veilig en ongestoord over straat kunnen. Ook bij een hondenuitlaatplaats.

Het liefste mijd ik baasjes die hun training nog niet hebben gehad. De term ‘hondentraining’ is namelijk een eufemisme. Feitelijk draait het allemaal om het baasje. Als een hond zich agressief opstelt, is dat een afspiegeling van het karakter van zijn baas. Even bang, vals gemaakt en/of gefrustreerd. Of gewoon psychisch gestoord.

Ik heb geleerd om door pure wilskracht mijn hartslag laag te houden bij ontmoetingen. Zowel met agressieve honden als met sommige mensen. Daarop heeft uitstraling namelijk precies hetzelfde effect. Ze mogen absoluut geen angst of zwakte aanvoelen. Dus probeer ik via verbale en non-verbale communicatie het voortouw te nemen om hen te kalmeren. Maar wanneer het kan, loop ik om. Dan doe ik net alsof dat toch al de bedoeling was. Jammer voor de hondenbaasjes die zo graag contact willen maken.

Thuis

Op vrijdagmiddag drinken timmerman T. en ik koffie. ‘Ga je nog terug naar Leiden?, vraagt hij mij. Vermoedelijk vind hij het een beetje vreemd dat ik hier alleen zit. ‘Nee’, zeg ik, want terug verhuizen is uitgesloten. Zelf wil hij in dezelfde plaats wonen als waar zijn familie en vrienden zijn. Ik vertel hem dat ik nog wel regelmatig in Leiden kom.

Vorige week zaterdag nog; het is 3 oktober en feest in de stad. Geheel volgens traditie zijn mijn zus en ik de hele dag samen op stap. Nergens anders is het zo vertrouwd en bekend. Ik ken de geschiedenis en dat wat eruit voortkwam. Hier kan ik een verschil in intonatie makkelijk interpreteren. Dit is ‘thuis’. En toch kom ik ’s avonds in een andere plaats opnieuw echt thuis.

Vrijdagmiddag, nogmaals. Ik zit in de trolleybus naar Arnhem en het is prachtig najaarsweer. Onderweg passeren we riante negentiende eeuwse villa’s en een half geoogst maisveld in een glooiend dal. Even later rijden we in een buitenwijk van de stad. Daar waar je tussen de huizen door uitkijkt over weids land en de kalm stromende rivier. Hier kwam ik al jaren geleden, en later weer tijdens de huizenjacht. Door deze kleine geschiedenis is dit stadsdeel mij evenzeer vertrouwd.

Dezelfde vrijdag, ’s ochtends deze keer. In opperbeste stemming wandel ik door mijn woonwijk naar de supermarkt. Een onbekende vrouw met hond staat te praten met een man. Als ik hen van een afstand nader, reageert de hond opvallend blij. ‘Ken je haar soms?’, hoor ik het mens aan het dier vragen. Enthousiast maar beheerst komt hij mij tegemoet. Zodra ik de hond begroet, reageert de vrouw raar. Abrupt trekt zij hem bij mij vandaan. Mij kijkt ze de hele tijd niet aan. Het dier ‘verstaat’ mij, terwijl het medemens alles ontgaat.

Thuis is daar waar je je prettig en geborgen voelt. Mijn gedachten worden beïnvloed door mensen, plaatsen en ervaringen. Hoe aangenamer, hoe beter. Zo heeft deze mooie woonomgeving een positieve invloed op mijn gemoed. Hierdoor ontstaat een zichzelf versterkende wisselwerking. Want de meeste mensen voelen, net als die hond, instinctief aan dat ik in mijn element ben. En reageren daar naar.

Ze zeggen wel dat de bevolking hier wat stugger is. Maar ik ontmoet voornamelijk ‘goed volk’ en vriendelijke mensen. Winkeliers die uitgebreid de tijd voor je nemen. En onbekenden die spontaan hele verhalen vertellen. Mocht ik heimwee krijgen, dan weet ik mij omringd door talloze mede ex-Randstedelingen. Stuk voor stuk mensen die voor geen goud meer terug willen. Wij voelen ons bevoorrecht. Omdat we ooit de stap hebben gezet en beseffen dat dat goed was. Voor ons althans is het alsof een belofte wordt waargemaakt.

Ontmoeting met pup M.

Je hebt hondenmensen en je hebt kattenmensen. Ik hoor bij de tweede categorie. Katten zijn heerlijk eigenzinnig. Met honden weet ik nooit zo goed wat ik ermee aan moet. Toch zijn er uitzonderingen, zoals natuurlijk bij elke groep.

De honden die ik ontmoet, lopen sullig aan een lijntje. Ze halen stokjes en ballen op, of geven braaf een poot op commando. Je hebt ook honden die naar iedereen blaffen en grommen. Die bijten het liefst heel sneaky van achteren in je kuit. Sommige honden worden compleet hysterisch. Gewoon wanneer je wandelend en nietsvermoedend hun tuintje passeert. Anderen springen juist dolenthousiast tegen je op met hun modderpoten. Terwijl je door een park naar je werk loopt in je kantoorkloffie. Tegen elke hond die mij nadert, zeg ik: ‘Nee, ik vind jou niet leuk. Ga weg.’ Maar zij vinden mij wel leuk en ze luisteren nooit.

Mijn zus en zwager hebben een hond. Ondanks al het bovenstaande, mag ik dat beest wel. Ze is niet opdringerig, maar komt gezellig bij je zitten. Ze houdt erg van stappen met mijn zus. Met mijn zwager gaat ze op jacht. Geweldig vindt ze dat. Zij mag de geschoten hazen en ganzen ophalen. Wanneer haar baasjes weg zijn, past zij goed op het huis. Kijk, daar heb je tenminste wat aan. Ze luistert trouwens niet altijd. Tot groot verdriet van mijn zwager. Want ze blijven naar de hondentraining gaan. (Goed zo meissie, laat je niet gek maken.)

Deze week was ik bij een vriendin en haar gezin. Hun vorige hond is een poosje geleden gestorven. Na een rouwperiode is er een nieuwe aanwinst in huis. Hun pup is nu twaalf weken oud. Ik had al een foto gezien van een zéér aandoenlijk hondje. Oh jee.

Ach, ik dacht, wat kan mij nu gebeuren? Ik hou toch niet van honden. Maar ja, nu heb ik hem dus ontmoet. En ben ter plekke gesmolten. Ik kan hem niet uit mijn gedachten krijgen. Wát een beest. Ik zal verder mijn mond maar houden. Want over pup M. komt er toch geen zinnig woord meer uit.