Mijn vaders’ man cave

man cave

Mijn vader overleed 2 ½ jaar geleden, maar zijn man cave bestaat nog steeds. De geur van de ruimte heeft iets ondefinieerbaars. Metaal, hout, olie, stof, boenwas, vermengd met een vleug van een gedragen jas. Hij heeft er van alles gerepareerd en gefabriceerd: fietsen, fotolijsten, losgeraakte hengsels, meubels, noem maar op. Het was de plek waar hij rustig zijn sigaartje stond te roken en zijn ding kon doen.

In een mandje liggen boeken en paperassen. Een ‘Rijkskleding boekje’ van zijn werk, met notities over uitgereikte werkkleding, in 1961. Een ‘Handleiding ten behoeve van de opleiding voor V.E.V.-examens’ over elektrotechniek, uit 1957. Daar heeft hij altijd zijn brood mee verdiend.

Plus een boekje voor doe-het-zelvers. In het voorwoord: ‘Nu het door de hoge kosten en het gebrek aan arbeidskrachten voor vele mensen onmogelijk is geworden kleine karweitjes in huis door een vakman te laten opknappen en velen meer vrije tijd hebben gekregen, is het gewoonte geworden in huis en tuin zoveel mogelijk zelf iets te repareren of zelfs iets te maken.’ Uitgeverij Het Spectrum, 1961.

De dingen die hij naliet, waren ordentelijk gesorteerd: zijn gereedschap (nog van zijn vader geërfd en nieuw), tuinspullen en materialen. Alles per soort bij elkaar. Ik tref vakken vol bewaarde losse onderdeeltjes aan. Hij had ze vast nog ergens voor kunnen gebruiken.

Her en der staan en hangen enkele meer persoonlijke versieringen en aandenkens. Een onverwacht Boeddhabeeldje tussen blikken en oliekannetjes op een plankje. Een foto van zijn collega’s en van het huis in Noordwolde. Een knus oudhollands huiselijk tafereeltje. En een rood plastic bloemetje tussen de losse boren. Misschien zeggen ze meer over hem dan woorden.

Nu weten jullie ook hoe het voelt

Hittegolf Perth Australië 1988

In 1989 was ik na een reis van anderhalf jaar net terug in Nederland. Onderweg naar mijn zus zag ik toevallig haar schoonvader staan. Hij was al wat ouder en kwam zelden verder dan de naburige stad, voor zover ik mij herinner. Bijvoorbeeld voor een bezoek aan de veemarkt. Ik liep over het polderweggetje waarlangs zijn boerderij stond. Hij wachtte op de brug over de sloot naar zijn land.

‘Dus je bent er weer?’, vroeg hij ter begroeting. Of eigenlijk was het een constatering. Anderhalf jaar samengevat in een enkel zinnetje.

Hoe het was geweest, in al die landen op drie continenten? Ik had het hem kunnen vertellen en uitleggen. Maar vermoedelijk had hij zich er weinig bij kunnen voorstellen. Mijn interesses en reiservaringen stonden zo ver af van zijn leefwereld. En dat gold voor meer mensen.

Op reis heb ik tevergeefs geprobeerd om aan het thuisfront uit te leggen hoe een echte hittegolf aanvoelt. Een monsterhittegolf, wel te verstaan. Eentje waarbij het iedere dag 40 tot 42 graden Celsius is en ’s nachts niet kouder wordt dan 25 graden. Die hittegolf hield zes weken lang aan. Het was in Perth, West-Australië. Ik geloof niet dat ze mij toen helemaal begrepen, mijn familie en vrienden. Maar nu hebben zij ook een idee van hoe verzengende hitte voelt.

Misschien trek ik maandag weer een wollen trui aan, als de thermometer overdag blijft steken op 20 graden. Dat deed ik ook in 1988. Want na die zes weken voelde 20 graden ineens behoorlijk koud aan.

De feiten onder ogen komen

Tja, hoe gaat zoiets? Je bent inmiddels tachtig en lang geleden heb je stamboomonderzoek verricht. In je familie werd er al vroeg naar voorouders gezocht. Je vader heeft ooit een poging gedaan en je bewaart nog aantekeningen in zijn hoekige handschrift. Je zegt het niet hardop, maar eigenlijk ben je best trots op je familiegeschiedenis. Of beter: op wat daarvan is overgeleverd. Je weet dat je overgrootvader uit Duitsland kwam en zich rond 1815 vestigde in Arnhem. Het was een vakman. Datzelfde vakmanschap zie je tot op de dag van vandaag terug in de huidige generatie.

Jaren later kijk je wat er nog meer over het voorouderlijke geslacht te vinden is. Inmiddels staat er van alles op internet. Daar stuit je op een zekere Karin, die ook onderzoek heeft verricht en naar jouw familienaam op zoek is. Binnen haar familie was lang onbekend wie haar betovergroot-ouders waren. Sinds zij hun namen kent, wil ze graag meer te weten komen. Je neemt contact met haar op en zo begint een e-mailuitwisseling.

Je schrijft dat jij de gezamenlijke voorouders hebt getraceerd tot 1660. Zij is niet verder gekomen dan Arnhem. En je hebt een boek over de familie gepubliceerd. Als zij belooft dat ze jouw vondsten niet op haar familie-website plaatst, wil jij Karin de gegevens wel toesturen. Zij belooft het. Zelf heeft zij onder meer dertig pagina’s ongepubliceerde aantekeningen over de familie. Die gegevens en andere recente vondsten wil ze na ontvangst van de boektekst wel met je delen.

Maar, schrijft zij er waarschuwend bij, haar documentatie bevat controversiële informatie. Voor Karin betreft dit een verre verwant in een zijtak. Meer specifiek: een achterkleinzoon van haar betovergrootvader. Weliswaar heeft zij die informatie openlijk op internet aangetroffen. Maar het verband met jullie gezamenlijke voorvader wordt pas duidelijk als je de onderlinge relatie kent. Ze wil niet dat hierover wordt gepubliceerd zo lang de generatie van haar moeder leeft. Haar moeder is nu 86 en heeft als kind de oorlog meegemaakt.

Je wordt nieuwsgierig; misschien ben je ook een tikkeltje ongerust. Jou is niets bekend over een controversiële kwestie. Het betreft een man die ook voor jou in een zijtak zit. Hij en jij dragen wel dezelfde Duitse achternaam. Een naam die in Nederland weinig voorkomt. Heel even flitsen de gezichten van alle levende naamdragers door je hoofd. Je kinderen, je kleinkinderen, je neven en nichtjes. Sommigen zijn nog zo klein. En er zitten zo veel mensen bij met een succesvolle carrière. Want het vakmanschap en precisiewerk is in de genen doorgegeven.

Je was trouwens zelf een klein kind in de oorlog. En je hebt de verhalen zo vaak gehoord. Ze werden steeds weer verteld. Van dat goedlopende bedrijf in de Rotterdamse binnenstad. Het was zo wrang. Je vond nog een advertentie waarin reclame werd gemaakt voor sleutels van goede kwaliteit. Een sleutel, dat is het enige wat er restte na het bombardement.

Ze stuurt je het aantekeningendocument. Je ziet er iets in staan over een oorlogsverleden. Maar nee, jou is niets bekend over een zekere J. Die komt niet voor in jouw stamboom. En van zijn beroep had je ook nog nooit gehoord binnen de familie. Je schrijft die Karin gelijk terug dat dit niet kan kloppen. Al heb je haar documenten op dat moment slechts globaal gelezen. Dat schrijf je haar even snel tussen de boodschappen en het bezoek van de kleinkinderen door.

En Karin, die merkt dat het stil wordt in de e-mailcorrespondentie. Wetend dat je nu ook de rest hebt gelezen.

Misschien valt het tegen

Af en toe ervaar ik een sociaal ongemak. Neem als voorbeeld dat logje van gisteren. De titel luidt: ‘Trouwfeest op het strand’. Er zijn vast lezers die een uitgebreide trouwreportage verwachten. Dus foto’s van het echtpaar, de ceremonie met de trouwambtenaar en de gasten in hun mooie kleding. Plus sfeerfoto’s van de locatie en het feest in volle gang. Kijk je echter, gelokt door die titel, naar de inhoud van het logje, dan valt dit waarschijnlijk tegen. Vermoedelijk val ik zelf ook weleens tegen in het echte leven. Omgekeerd gebeurt dat evengoed.

Er kleeft een risico aan het weerzien met iemand waarmee je eerder een leuke kennismaking hebt gehad. Dat schept namelijk verwachtingen. Hoe leuker het was de eerste keer, hoe beter het wordt in je herinnering. Maar misschien liep het toevallig zo goed door een gunstig moment of een bepaalde omstandigheid.

Bijvoorbeeld omdat jullie er allebei voor in de juiste stemming waren. Of je was in een jolige bui en vond alles grappig bij de eerste ontmoeting. Terwijl je later inziet hoe flauw het toen was en de volgende keer denkt: ‘Oh, nee hè?’ Het kan ook gebeuren dat alles wat jullie delen, al gelijk tijdens de eerste keer is gezegd. Dan heb je elkaar daarna weinig meer te vertellen.

Het kan pijnlijker. Soms betreft het iemand die je jarenlang uit het oog hebt verloren, maar heel graag nog wil zien. Als je die persoon dan weer ontmoet, is dat geweldig. In sneltreinvaart praten jullie bij over wat jullie in de tussentijd hebben gedaan en meegemaakt. Mogelijk ontdek je daarbij wel dat jullie uit elkaar zijn gegroeid, een ander pad zijn ingeslagen, en hooguit for old times’ sake nog wat samen hebben. Komen jullie elkaar vervolgens weer tegen … tja, dan is dat best ongemakkelijk.

Maar goed, ik vrees dat ik soms ook een beetje tegenval. Zo ben ik niet altijd even energiek. Tref je mij op een minder gunstig moment, dan kan het gebeuren dat ik weinig oprechte interesse opbreng. Terwijl ik een vorige keer nog met zoveel belangstelling geluisterd heb. Daarnaast sluit mijn imago (of datgene wat iemand in mij wil zien) niet helemaal aan bij wie ik ben. Dat wordt dan duidelijk bij een volgende ontmoeting. Ach ja.

Oh yes! Een food court aan de Rijnkade in Arnhem

Naar bepaalde zaken in het buitenland kan ik gruwelijk heimwee krijgen. Voorzieningen die je daar wel hebt, maar hier niet. Gratis schone toiletten bijvoorbeeld, zoals je in Australië overal aantreft. En overdekte food courts met keukens uit alle windstreken. Da’s ook zoiets. Maar nu heb ik er vlakbij één ontdekt. Sinds maart dit jaar heeft Arnhem een heus food court. Niet zo’n slap aftreksel met filialen van Burger King en Multivlaai. Nee, een echte.

Het is de ondernemers gelukt: deze hal roept onmiddellijk reisherinne-ringen bij mij op. Arabisch, Chinees, Vietnamees, roti, grill of vegan, Thais, Mexicaans, Italiaans. Ze zitten met een bar en een bakker onder één dak bij elkaar. De hal is zo ingericht dat je je soms waant op een exotische avondmarkt. Verder zijn er sfeervolle loungehoekjes met zicht op het terras aan de boulevard. Althans, zo noem ik dit deel van de Rijnkade. Het is een van mijn favoriete plekjes. Met een paar stappen wandel je hier naar Rose’s Beach: het stadsstrand beneden bij het water.

Het gebied rondom de foodhall is volop in ontwikkeling. Een deel is al opgeknapt, maar veel panden staan momenteel leeg. Die worden van binnenuit gerenoveerd en opnieuw ingedeeld. Daardoor heeft dit stadsdeel rauwe randjes. Naar mijn idee past dat helemaal, want in Azië, Afrika en het Midden-Oosten zie je vaak hetzelfde. Op het oog is daar een snelle modernisering gaande, compleet met de komst van hippe restaurants. Maar als je beter kijkt, ontdek je overal losse kabels en ruwe betonplaten, die nog moeten worden weggewerkt. Voor de authentieke beleving vind ik het best als deze hal nog even work in progress blijft.

Stof uit mijn tropische verleden

Zodra de temperatuur boven de 27 graden komt, mogen ze weer naar buiten: mijn souvenirs uit de tropen en andere warme oorden. Klassieke souvenirs zoals beeldjes, glazen en asbakken met ‘Torremolinos’, ‘Parijs’ of ‘Bali’ erop heb ik nooit verzameld. Maar kleding en gebruiksartikelen des te meer. Vooral die kleren en mijn doekenverzameling zijn nu ideaal.

Een deel van de kleding is authentiek. Hiermee bedoel ik dat de plaatselijke bevolking er ook zelf in rondliep. Slechts een deel van dergelijke kleding is voor westerlingen geschikt. Vrouwen in Afrika en Azië hebben nu eenmaal een ander postuur dan de gemiddelde vrouw in Nederland. En populaire bloesjes in die werelddelen wijken nogal af van onze mode. Mijn luchtigste jurkjes uit Azië zijn speciaal gemaakt voor de toeristenmarkt. De stof is viscose en voelt heerlijk koel aan.

Ook doeken en sjaals komen van pas tijdens een hittegolf. In de voortuin staan mijn hortensia’s sinds deze week in bloei. Ze branden echter weg in de zon en dat is niet de bedoeling. Ter bescherming heb ik een azuurblauwe omslagdoek met tropische vissen print over enkele struiken gelegd. Dat is een souvenir uit Samoa, een eilandenrijk in de Stille Zuidzee. En mijn witte Ethiopische sjaal met gouddraad bedekt twee andere struiken.

Doeken op heggen en struiken zijn voor mij een vertrouwd beeld. Het is in sommige landen de gangbare manier om wasgoed te drogen. Vroeger deed men dat hier op bleekvelden eveneens.

Wat de overburen ervan denken, moet ik nog horen. In elk geval zal mijn naaste buurvrouw de doeken wel waarderen. Tenslotte hangen er bij haar nu twee bontgekleurde exemplaren uit Congo. Ze is als kind van expats in dat land opgegroeid en zo houdt ze haar keukenraam uit de zon. Dit gebruik ken ik dan weer uit Libanon, waar gestreepte doeken hangen voor menig balkon.

Toch heb ik nog even snel gewoon vliesdoek voor de hortensia’s besteld. Dat zal nodig zijn vanwege de verwachtte hitte. Hopelijk komt het aan voordat iemand in de verleiding komt om mijn mooie doeken weg te graaien.

Echt rode klaver

Rode klaver bij een akker

We worden geboren met een sterk overlevingsinstinct. Alleen zijn we van de meest basale overlevingstechnieken vervreemd geraakt. Neem nu onze kennis van in het wild groeiende eetbare planten. Het is al mooi wanneer we er drie kunnen benoemen. Ik weet bijvoorbeeld dat je brandnetels en het loof van paardenbloemen kan eten. Verder kan je gerust de roze bloemblaadjes van klaver in je mond stoppen. Ze smaken lichtzoet.

Toch is het oppassen geblazen, want soms lijken giftige en eetbare planten op elkaar. En klaver met roze bloemetjes wordt rode klaver genoemd. Dus hoe zit het dan met deze echt rode variant?

(Het is maar weer goed dat de supermarkt morgen open gaat …)