Lijst van logjes met toepasselijke muziek

December. Buiten is het nat en donker; thuis is het warm en licht. Ik verkeer nu graag in mijn eigen wereld en luister veel naar muziek. Deze maand blikt menigeen terug op werk, relaties, ingrijpende gebeurtenissen en veranderingen. Kortom: op het eigen leven. Ik doe nu iets vergelijkbaars op Raam Open met een vervolg op Muziek voor bij het log. Dat bericht stamt uit februari 2018. Mijn plan was toen om logjes vaker te voorzien van passende muziek. Oordeel zelf maar of dat is gelukt.

De nostalgie van een concerttijdperk

Het wordt tijd om te erkennen dat mijn jeugdige jaren voorbij zijn. Het ontgaat mij namelijk al langer welke artiesten nu ‘in’ zijn. Of zeg je: hip, te gek, cool, awesome, vet ziek, of zoiets? Zelfs het jargon versta ik niet meer. Een muziekrecensent schrijft lyrisch over het concert van FKA Twigs. ‘FKA who?’, denk ik dan. Géén idee. Ze is geboren in 1988. Dat zegt alles.

En dan ben ik nu naar L.A.vation en The Masterplan geweest. Twee tribute bands van respectievelijk U2 en Oasis. (Je moet wat als U2-kaartjes kopen via Ticketmaster onmogelijk blijft.) Zij geven concerten waar vooral leeftijdsgenoten op afkomen, want die groeien met de originele bandleden mee. Oasis is van begin jaren negentig en U2 begon al in de jaren zeventig. Dan weet je het wel.

De tribute bands speelden overigens heel aardig. Toch, wat The Edge en zijn gitaarsolo’s betreft: die blijven ongeëvenaard. En het was in Stompwijk, of all places. Oude tijden herleven. Ik zeg je: het is afgelopen. Schluss, finito, The End, basta. Mijn tijdperk èn dat van de grootste rockconcerten is definitief voorbij. Veertig jaar concertbezoek-geschiedenis ligt achter mij.

Vroeger, in de begintijd, zo rond mijn zestiende, was ik nog zwaar onder de indruk van al die beroemdheden. Daar kwamen ze dan, in levende lijve. Stipjes waren het, ver weg op het podium. Op het veld zag ik meestal weinig van een optreden. Daar stonden altijd lange slungels voor me met hun grote lijven. Maar op de tribune was het prima uit te houden. Kon je lekker blijven zitten tot de band ging optreden. Later kwamen er enorme beeldschermen aan weerszijde van het podium.

Plus natuurlijk indrukwekkende lichtshows en showelementen. Zoals de hellehonden van de Rolling Stones, het zwevende stoeltje van David Bowie, en Prince met zijn entourage. In die tijd was Rotterdam de stad waar je moest zijn. Kon je met de U2-express van de NS tot aan de poorten van de Kuip rijden. De Kuip zal voor mij voor eeuwig verbonden blijven met balanceren op de bovenste rij tijdens Bullet the blue sky. Geen enkel ander stadion haalt het daar bij. Oh, nostalgie.

Die tijd is voorbij. Knappe zangers worden sloom en grijs. Ze krijgen een buik en hun stem is niet meer zoals in hun glorietijd. Dergelijke pijnlijke situaties kan je beter vermijden. Dus geen Night of the Proms meer voor mij. Als vijftiger heb je al genoeg decepties te verwerken.

En de normen veranderen. Als je nu naar een concert gaat, is iedereen druk met zijn mobieltje. Zelfs tijdens een optreden. Dat bezoekers filmopnamen maken, kan ik wel begrijpen. Maar dat ze met elkaar gaan bellen en hele gesprekken staan te voeren, met hun rug naar de band toe … Nou echt zeg! Waar is het heilige ontzag voor beroemdheden gebleven? Een beetje eerbied graag. Jong en oud doet dat, hè. Ik vind dit maar rare tijden.

Die ontwikkeling is best lastig, want er resteren twee bands die ik nog live wil zien. Dat zijn U2 en Radiohead. Maar oh wee, als mensen door hun muziek heen durven te praten. Zulke heiligschennis kan ik echt niet verdragen. Misschien is het toch maar beter om voortaan thuis te blijven. Dan moet ik met cd’tjes genoegen nemen. Voor zolang als dat nog kan, want de tijd van de cd’tjes is ook al bijna passé.

Over Boy – October – War en U2

U2 nagetekende hoezen Boy en War

De eerste dag van oktober, de regen en twee van mijn tekeningen uit 1985 leiden mij naar de vroege jaren van U2. Ik moet zoeken naar woorden en hou het daarom bij hun muziek. Een selectie van drie nummers die je bijna nooit meer hoort. Onterecht, vind ik.

Van het album Boy (tekening links) het mysterieuze The Ocean.

Van het album October het titelnummer.

And kingdoms rise / And kingdoms fall / But you go on …

En van War (tekening rechts) het nummer Drowning man, waarin Ierse muziek doorklinkt.

Mijn eerste werkdag als ambtenaar

Tekening van mijn eerste werkdag mei 1985

Wanneer ik in mijn grote map naar mooie kalenderplaten zoek, kom ik ze tegen. De tekeningen die ik in 1985 maakte, waaronder de pentekening hierboven. Direct volgen de herinneringen en de gevoelens die daarbij horen. Het was toen zo’n totaal andere periode.

1985; een tijd van hoge (jeugd-)werkloosheid was net voorbij. Deze tekening heb ik ’s avonds gemaakt, na afloop van mijn eerste werkdag op de afdeling financiële administratie van een naburige gemeente. Dat was al mijn tweede baan. Wat je ziet, is een weergave van mijn indrukken en mijn belangrijkste taken. Facturen maken, gegevens bijhouden, volgens strakke richtlijnen werken. Alles overheersend zijn de hokjes. Ik zie nog de rijen opgestapelde bakjes voor allerhande paperassen. Die stonden op mijn bureau en in mijn kast. Zo’n grijze kast, van metaal.

Het was een periode waarin ik niet beter wist dan dat het altijd zo zou zijn. Ik droomde wel van iets anders. Want nog geen twee jaar eerder, tijdens een vakantie in Griekenland, in september 1983 om precies te zijn, had ik een Australiër ontmoet. Van het type Griekse halfgod. Hij had mij over zijn land verteld. Maar die bestemming was met mijn karige salaris schier onbereikbaar. Drie hele lange jaren zou het nog duren, voordat ik voor het eerst daarnaartoe kon gaan.

Tot die tijd maakte ik er het beste van. Werken, werken, werken, werken; half dagje werken en dan begon het weekend weer. Eindelijk. Het werk was helemaal niet onaardig hoor. Ik hou wel van gegevens beheren en structuur aanbrengen. Maar om dat nu de hele dag te doen met verder niets enerverends erbij… Man, man, man, wat héb ik mij te pletter verveeld. Ook in volgende banen. Jaar na jaar na jaar. Dagen, weken, maanden aftellen tot de volgende vakantie, één keer per jaar.

Ik had best aardige collega’s daar. Mijn chef was het type scheepskapitein: blozende wangen, dikke buik en woeste baard. Er stond altijd een longdrinkglas op zijn bureau. Gevuld met jenever, al dronk hij dat als water. Links van hem zat zijn lieftallige assistente: Sonja. Sonja had ergens nog wat Indonesische roots. Tegenover haar zat Fred. Vriendelijke man, gezinstype. Hij werkte mij in en gedroeg zich vaderlijk naar mij. Ik was dan ook de jongste van het team. Aan het volgende duoblok zaten Bert (een grote man) en nog een Fred. Bert was van de praatjes en Fred nummer twee vond ik wel leuk om te zien. Maar hij was meer met sportprestaties bezig dan met vrouwen, geloof ik.

Dan, naast onze kamerdeur, mijn bureau. Helemaal vrij, niemand tegenover mij. En iets verderop stond het bureau van de heer E. Hij was de rechterhand van de scheepskapitein. Ik weet niet meer wat de voornaam was van meneer E. Meneer E. had een tikje of twee. Vele jaren later kwam hij in het appartementencomplex achter mij wonen. Toen zag ik hem regelmatig tijdschriften uit de papierbak vissen. Hij was vermoedelijk erg alleen. Ik scheur tot op heden zorgvuldig elk adreslabel van mijn paperassen af. Dat is nog een erfenis van de heer E.

Het middelste blok werd gevormd door een heuse computer, een joekel van een groen-streepjespapierprinter én een boekhoudmachine. Dat was zo’n gevaarte waar je ponskaarten in deed. Ik had trouwens mijn eigen telefoontoestel, met draaischijf, want ik werd soms gebeld via de buitenlijn. Er was dus toch wel sprake van enig leven in de brouwerij.

Mijn collega’s gingen elke dag naar de kantine. Daar ben ik nooit geweest. Ik moest naar buiten in de pauze. Dan wandelde ik naar het overdekte winkelcentrum als het regende, of naar het park aan de overkant als de zon scheen. Sloten koffie werkte ik naar binnen op dat kantoor. Zodat ik scherp bleef. Ach, het is de minste van alle kwade verslavingen. Ik wist gewoon niet beter en op vrijdagmiddag begon het weekend weer.

Mijn vaders’ man cave

man cave

Mijn vader overleed 2 ½ jaar geleden, maar zijn man cave bestaat nog steeds. De geur van de ruimte heeft iets ondefinieerbaars. Metaal, hout, olie, stof, boenwas, vermengd met een vleug van een gedragen jas. Hij heeft er van alles gerepareerd en gefabriceerd: fietsen, fotolijsten, losgeraakte hengsels, meubels, noem maar op. Het was de plek waar hij rustig zijn sigaartje stond te roken en zijn ding kon doen.

In een mandje liggen boeken en paperassen. Een ‘Rijkskleding boekje’ van zijn werk, met notities over uitgereikte werkkleding, in 1961. Een ‘Handleiding ten behoeve van de opleiding voor V.E.V.-examens’ over elektrotechniek, uit 1957. Daar heeft hij altijd zijn brood mee verdiend.

Plus een boekje voor doe-het-zelvers. In het voorwoord: ‘Nu het door de hoge kosten en het gebrek aan arbeidskrachten voor vele mensen onmogelijk is geworden kleine karweitjes in huis door een vakman te laten opknappen en velen meer vrije tijd hebben gekregen, is het gewoonte geworden in huis en tuin zoveel mogelijk zelf iets te repareren of zelfs iets te maken.’ Uitgeverij Het Spectrum, 1961.

De dingen die hij naliet, waren ordentelijk gesorteerd: zijn gereedschap (nog van zijn vader geërfd en nieuw), tuinspullen en materialen. Alles per soort bij elkaar. Ik tref vakken vol bewaarde losse onderdeeltjes aan. Hij had ze vast nog ergens voor kunnen gebruiken.

Her en der staan en hangen enkele meer persoonlijke versieringen en aandenkens. Een onverwacht Boeddhabeeldje tussen blikken en oliekannetjes op een plankje. Een foto van zijn collega’s en van het huis in Noordwolde. Een knus oudhollands huiselijk tafereeltje. En een rood plastic bloemetje tussen de losse boren. Misschien zeggen ze meer over hem dan woorden.

Nu weten jullie ook hoe het voelt

Hittegolf Perth Australië 1988

In 1989 was ik na een reis van anderhalf jaar net terug in Nederland. Onderweg naar mijn zus zag ik toevallig haar schoonvader staan. Hij was al wat ouder en kwam zelden verder dan de naburige stad, voor zover ik mij herinner. Bijvoorbeeld voor een bezoek aan de veemarkt. Ik liep over het polderweggetje waarlangs zijn boerderij stond. Hij wachtte op de brug over de sloot naar zijn land.

‘Dus je bent er weer?’, vroeg hij ter begroeting. Of eigenlijk was het een constatering. Anderhalf jaar samengevat in een enkel zinnetje.

Hoe het was geweest, in al die landen op drie continenten? Ik had het hem kunnen vertellen en uitleggen. Maar vermoedelijk had hij zich er weinig bij kunnen voorstellen. Mijn interesses en reiservaringen stonden zo ver af van zijn leefwereld. En dat gold voor meer mensen.

Op reis heb ik tevergeefs geprobeerd om aan het thuisfront uit te leggen hoe een echte hittegolf aanvoelt. Een monsterhittegolf, wel te verstaan. Eentje waarbij het iedere dag 40 tot 42 graden Celsius is en ’s nachts niet kouder wordt dan 25 graden. Die hittegolf hield zes weken lang aan. Het was in Perth, West-Australië. Ik geloof niet dat ze mij toen helemaal begrepen, mijn familie en vrienden. Maar nu hebben zij ook een idee van hoe verzengende hitte voelt.

Misschien trek ik maandag weer een wollen trui aan, als de thermometer overdag blijft steken op 20 graden. Dat deed ik ook in 1988. Want na die zes weken voelde 20 graden ineens behoorlijk koud aan.