Ze zullen niet oud worden

Aan het begin van de film over de Engelse soldaten in de Eerste Wereldoorlog zie je dat ze zich vrijwillig aanmelden. Peter Jackson vertelt hun verhaal in They shall not grow old chronologisch. Er komen jongens aan het woord van nog geen zestien jaar oud. Het is 1914. Wat weten ze van de wereld? Maar ze willen er bij zijn en het avontuur aangaan. Ze willen goed doen voor volk en vaderland.

Er is nog een reden. De gebitten van veel jongens en jonge mannen verraden de armoede waarin ze zijn opgegroeid. Rotte tanden hebben ze en menige lacher ontbloot een mond vol zwarte gaten. Ze willen het afstompende werk in de vuile fabriek achter zich laten. Het leger biedt gewoon een andere baan.

Goh, wat was alles strak georganiseerd. Laat dat maar aan de Britten over. Je ziet de rekruten aankomen bij verzamelplaatsen. Dan hebben ze hun sjofele burgerkleding nog aan. Een man in uniform houdt de onwennige kudde met een stok driftig in het gareel. Als de rekruten over een denkbeeldige streep heen lopen, krijgen ze een tikje met zijn cane. Ze laten dat toe en gehoorzamen gedwee. In 1914 was er orde, en standsverschil.

De mannen krijgen hun bepakking. Veel is het niet aan kleding. Alleen het hoogstnoodzakelijke gaat mee. Één extra onderbroek ter verschoning, scheergerei en een stuk zeep. Marcherend over landelijke zandwegen zeulen ze loodzware kilo’s aan wapens en munitie mee.

Het strijdveld komt nu in beeld. Of beter: de loopgraven, waarin een groot deel van hun nieuwe leven zich afspeelt. Aanvankelijk lijkt het alsof ze een weekendje kamperen met de padvinderij . Ferme jongens graven gangen uit, of worden door bestaande loopgraven heen geleid. Met een gids, want het is een doolhof. Ze kunnen zich tussen de aarden wallen boven ooghoogte moeilijk oriënteren. Daarboven liggen de uitgestrekte velden. En er groeien echt rode klaprozen. Rood ja, want dit zijn beelden in kleur.

In de loopgraven gaat het dagelijkse leven door. Er wordt gekookt, gewassen en geschoren. Er zijn pennen in de wand waaraan de mannen hun jas kunnen hangen. Het zijn jonge kerels onder elkaar. Beetje pesten hier, beetje geinen daar. Zo te zien zijn ze er klaar voor. Het is wel spannend, maar ze zijn gewend om op commando te presteren. Dat is net als in de mijnen en de fabriek, eigenlijk. Bovendien cultiveren Engelsen comradeship. Daar kunnen die Duitsers nog wat van leren.

O ja, de Duitsers. Ze zijn er wel, maar je ziet ze niet. Nog niet. Ze zitten daar ergens verderop. Je ziet af en toe wat explosies en zo. Doffe uitbarstingen doen de grond van akkers en velden in duizend brokken omhoogkomen. In gefilmde slow motion. Alsof je naar de theatrale schoonheid van een balletvoorstelling kijkt.

Het wordt kil en het gaat regenen, wekenlang. De loopgraven lopen onder. Er zijn nu heel veel explosies en bombardementen. Mannen naast je worden geraakt. De grond om je heen wordt aan gort geslagen. En het gaat maar door. Je moet continu terugschieten met loeiheet materieel en dat maakt een hels kabaal. Het wordt donker en totaal miserabel. Hoe erg het allemaal is, merk je pas veel later, na afloop, als het oorverdovend stil is. Luizen jeuken en alles is goor. Gangreen en kapotgeschoten lijken. Groen/blauw, vaalgrijs/rood. In kleur. Het krioelt van de ratten die afkomen op het menselijke voer.

[Is dit een film? Nee, dit is echt.]

Wat gaat er door een man heen nadat hij het bevel hoort en er geen weg terug is? In die laatste seconde voordat hij de loopgraaf uit klimt / te paard naar voren schiet / met schild en priemende lans recht op de vijand afstormt / zijn zwaard heft en rennend en brullend ten aanval gaat?

Ik heb mij dat jarenlang afgevraagd bij het zien van films over historische strijdtonelen en, uiteraard, bij The Lord of the Rings. Wat zou je zelf doen: bevriezen, vluchten of vechten? Bij Peter Jackson zijn film en werkelijkheid één. En hij toont het antwoord. De mannen vertellen het zelf.

‘Zodra je de loopgraaf uit kruipt en het strijdtoneel op rent, verdwijnt de angst en doe je wat je moet doen.’
[Als een artiest die het podium voor een afgeladen zaal bestijgt? Als een sporter die naar de allerhoogste plaats reikt?]
‘Je denkt niet meer na.’ ‘We werden als beesten.’ ‘Bij zulke massale slachtpartijen worden gewonden een last; ze kunnen beter dood zijn.’ ‘I put him out of is misery’.

Bevriezen, vluchten of vechten. Ik maak me weinig illusies, mocht de situatie zich voordoen. Daarom hecht ik meer aan soft power als menswaardig alternatief. Met muziek van Radiohead om het mooi af te ronden. The Numbers, for consolation and a way out.

Etymologie peekaboo – kiekeboe


Soms weet ik het echt beter dan degenen die ervoor hebben doorgeleerd. Neem nu het Nederlandse ‘kiekeboe’ en het Engelse ‘peekaboo’. Je kent het wel. Dat spelletje, waarbij je plotseling je gezicht toont of ergens achter tevoorschijn komt en ‘boe’ roept. Kleine kinderen zijn er dol op. Op etymonline.com staat bij peekaboo: ‘as a children’s game attested from 1590s; as an adjective meaning ‘see-through, open,’ it dates from 1895. From peek + boo.’ Attested from 1590s! Kijk, dan heb je mij.

Al jaren geleden stelden taalkundigen zich de vraag of er verwantschap was. Niet alleen de klanken komen overeen. Ook de woorden ‘kiek’ en ‘peek’ hebben een vergelijkbare betekenis. En ‘boe’ in het Nederlands komt overeen met ‘boo’ in het Engels. De Leidse wetenschappelijke uitgeverij Brill wijdde er in gewichtige taal een hoofdstukje aan. (Zie deze tekst uit 1942 in het Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde op pagina 215-216 ‘Over eenige werkwoorden die ‘kijken’ beteekenen’.)

Ik geloof het wel. Maar er wordt met geen woord gerept over die ontstaansperiode: de jaren ’90 van de zestiende eeuw. Nu wil het geval dat ik mijn familiegeschiedenis ken. En toevallig heb ik een paar voorouders uit Engeland. Tenminste, daar zijn ze op de boot gestapt toen ze naar Holland kwamen. Maar voordat ze in Engeland woonden, kwamen ze uit Vlaanderen. Dat was zo ongeveer tussen 1565 en 1580. En daar spreken ze een soort Nederlands. Kortom, vul de rest maar in.

Ik durf te wedden dat de exacte oorsprong van ‘peekaboo’ in Colchester ligt. En anders wel in Norwich of Hastings.
Afijn, dit allemaal vanwege bovenstaande foto, die ik vanmorgen nam. Dat komt er nou van.

Over een Engelsman, een lach workout en naderend Duits onheil

Waar te beginnen? Laten we er een soort nieuwsbulletin van maken.

Acteur Michael Caine, volgens de Volkskrant het ‘vlaggenschip van Cool Britannia’, vertelt in zijn documentaire My Generation over zijn leven en carrière. Als echte Cockney (zoon van een schoonmaakster en een sjouwer op de Londense vismarkt) wil hij in het stijve en klassenbewuste Engeland van begin jaren zestig de stem van zijn afkomst laten horen. Maar hij breekt juist door met zijn hoofdrol in Zulu (1964) als snobistische luitenant. Blijkbaar heeft hij het natuurtalent om die arrogante kerel met verve te spelen.

Dit herken ik. Als kind van een elektricien heb ik dezelfde onvermoede kwaliteiten. Die kwamen voor het eerst tevoorschijn in een Afrikaanse neokoloniale setting. Hoe makkelijk delegeren mij daar af ging, was gewoon gênant. Bij een lachcursus voor werkzoekenden kwam hier ook weer iets van naar buiten.

Lachen is gezond. Je maakt er endorfine en andere prettige stofjes door aan. Samen lachen versterkt de onderlinge relatie. Echt, je kan er gelukkig van worden. Deze week deden we verschillende oefeningen in een kring. Zoals: ingehouden lachen (in een situatie waarbij je je gezicht strak moet houden). Voluit lachen. Lachen zoals je doet wanneer je de slappe lach krijgt. Met je handen rond een enorme buik lachen als de kerstman (Ho ho hooo). Giechelend lachen. En dan de aristocratische theaterlach (met hete aardappel). Nu blijk ik vooral in de kerstmanlach en de theaterlach uitzonderlijk goed te zijn. Hm.

Michael Caine dus, vertelt heerlijke verhalen over de Swinging Sixties. Over de Londense clubs. Over de nieuwe welvaart en vrijheid. Over de opkomst van bands als The Who en de Rolling Stones. En over het drugsgebruik, dat in die tijd een beetje doorschoot.

‘Eenmaal heeft Michael Caine zelf marihuana gerookt. Hij kreeg een lachstuip die vijf uur duurde. Geen taxi wou ’m hebben, en dus moest hij lopend naar huis.’ * That did it for him. Farewell hedonism. Ach, ik ben toch zo dol op die Britten.

Tot besluit het weerbericht, zojuist gehoord op Radio Gelderland. Ergens in het programma komt de weerman op bezoek en hij vertelt honderduit. Alleen duurt mijn aandachtspanne bij praatjes over het weer hooguit een halve minuut. Hij heeft het over ‘een Duitse bui, die vandaag de Duitse grens zal oversteken’ en mijn kant op zal komen. De dj vraagt aan de weerman wat dat te betekenen heeft, die bui. Er volgt een langdradig en ingewikkeld verhaal. Mij ontgaat het een beetje allemaal.

Nu zit ik me toch wel af te vragen hoe ik me erop moet voorbereiden. Op de komst van die ‘Duitse bui’.

* Citaat uit artikel Zijn tijd, van Rob van Scheers in de Volkskrant van 31 mei 2018.

Weemoed van een te laat geboren koloniaal

Op mijn eerste vakantie alleen kwam ik een Engelsman tegen. Het was in Griekenland. Ik was een jaar of 19 en hij was twee keer zo oud. Een truckchauffeur die moest wachten op een lading in de haven van Athene. We trokken een paar dagen samen op. Hij reed op het Midden-Oosten en had een plastic tas vol munten uit zo’n veertig landen. Voor als hij ze bij een tolweg nodig had. Met veel van die landen had zijn thuisland een historische band.

Dankzij de meest exotische muntjes uit die tas (met afbeeldingen van gekruiste zwaarden, halve manen en palmbomen uit Saoedi-Arabië, Jordanië, Turkijë, Irak, etc.) begon ik een ware muntenverzameling. Al gauw werd daardoor zichtbaar hoe groot het overzeese gebied van Groot-Brittannië ooit was. Veel landen hadden muntjes met portretten van Queen Elisabeth. Of die van haar voorganger: King George VI. Zo moet mijn fascinatie voor het Britse gemenebest zijn ontstaan.

In de drie decennia die volgden, zou ik tal van landen uit dat vroeger immense rijk bezoeken. In Amerika, Afrika, het Midden-Oosten, Azië, zelfs tot in de Stille-Zuidzee. Tussendoor las ik Engelstalige literatuur uit meerdere eeuwen. Dat versterkte de sfeerindruk van hoe het er was in de negentiende en begin twintigste eeuw. Toen veel van die landen nog Britse kolonies waren. Voor jonge ondernemende mannen, met connecties of een startkapitaal, moet het een feestperiode zijn geweest. Kansen en mogelijkheden te over. Hoewel de lokale bevolking dat anders zal hebben ervaren. Terwijl daar ook lieden tussen zaten die hun kans schoon zagen.

Wat die koloniale mannen en ik na Griekenland deelden, was het gevoel dat de wereld voor ons open lag. Een groot avontuur lonkte. En tegelijk kon je overal vertrouwde zaken vinden, lang voor Starbucks kwam. Dat was handig. Want in al die landen was er a decent cuppa tea of a full English breakfast. Tot in de verste tropische uithoeken kon je cricket spelen en op de postbezorging rekenen. En waar je ook ging, steevast liepen er van die oudgedienden rond. Altijd goed voor de mooiste verhalen, rijkelijk gelardeerd met onderkoelde humor.

Ah, voorgoed vervlogen tijden. Maar de sporen zijn nog overal zichtbaar voor wie goed kijkt. Groot-Brittannië mag bepaald niet heilig zijn, toch vind ik dat we als vrienden in de EU moeten scheiden. Al was het maar, omdat dit obstinate eiland ons zo veel kleurrijke types heeft gebracht. Plus de dagboeken van Earl Mountbatten:

Bron artikel: de Volkskrant, 2 maart 2018.

Out it is

Nee, hier geen gejuich na mijn vorige pleidooi voor een Brexit. Ondanks stoere woorden mis ik dat stelletje ongeregeld daar aan de overkant nu al. Maar goed, out it is.

Vertrouwen
Mijn motivatie voor een Brexit is ingegeven door nostalgisch sentiment en een roep om beter EU-bestuur. Intussen heb ik wel het vaste vertrouwen dat de Britten zich goed redden, zodra zij loskomen van de EU. Een financieel schokeffect was te verwachten en ik vermoed dat dit snel grotendeels wegebt. Er zullen nog jaren van onderhandelingen en heroriëntatie komen. Overigens is het tekenend hoezeer het land verdeeld is, want in/uit zijn procentueel bijna gelijk. Er staat dan ook veel op het spel.

Momentum benutten
Voor de Britten is het ontstane momentum een kans op verandering. Voor de overige EU-landen geldt dit evenzeer. Wat mij betreft wordt er snel tegenwicht geboden aan Draghi, Juncker, Wilders en zijn consorten. Op diverse terreinen voelen veel burgers zich consequent niet gehoord. Een arrogante Draghi of Juncker kan hun mening niet langer aan de kant schuiven.

Wij in het noorden hebben genoeg redenen om kanttekeningen te plaatsen bij het monetaire beleid, het gebrek aan controle en verantwoording van uitgaven en de beperkte aanpak van banken. Veel EU-inwoners hebben reden tot klagen over de gebrekkige benadering van het immigratievraagstuk, de grote en langdurige werkloosheid, de spanningen in achterstandswijken en het gemis aan perspectief. De oplossing vergt een integrale visie.

Belangengroepen
Daarnaast mis ik de onderkenning dat groepen landen uiteenlopende belangen hebben. Zodanig, dat op bepaalde terreinen elke krampachtige poging tot samenwerking structureel wordt gefrustreerd. Hoe lang gaan we hier nog geld en energie aan verspillen? Bied liever ruimte voor opsplitsing in belangengroepen, maar dat schreef  ik al. Laat een land gewoon gaan, als het uit de EU wil. Vrijwillig samenwerken waar belangen samenvallen, dát zou het uitgangspunt moeten zijn.

Meer Europa of Nexit
Als er nu íets moet gebeuren, dan is het Wilders en consorten de wind uit de zeilen nemen. Daar is adequaat beleid voor nodig. Menswaardig, realistisch en financieel haalbaar. Een antwoord is zéker geen ‘meer Europa’, wanneer inwoners snakken naar meer eigen inbreng. Bovendien, als het klopt dat de Noord-Europese landen het bij stemmingen steeds getalsmatig afleggen tegen zuidelijke landen, dan is er iets grondig mis. Dan mag die Nexit bespreekbaar worden, alleen niet op Wilders’ manier.

Imagoprobleem
De EU heeft op het gebied van mensenrechten en vrede een belangrijke rol gespeeld. Wat er verder goed gaat, komt relatief weinig in het nieuws. De EU heeft bij inwoners een imagoprobleem. Dit mede door laffe nationale overheden die zich achter regels van de EU verschuilen, als het hen zo uitkomt. De EU zou zelf meer aan PR en voorlichting kunnen doen. Door in gewone mensentaal in belangrijke media en op internet regelmatig concreet te benoemen wat er is bereikt. Zoals de Wageningen UR ook doet, maar dan wat uitgebreider.

Biting the hand that feeds you
Ik heb ooit aan een project meegedaan dat met EU-fondsen werd gefinancierd. De vergoedingen waren belachelijk riant. Leuk om te ontvangen, maar het maakt wel dat ik zeer argwanend naar Brussel kijk. Daarnaast is het voor geen enkele organisatie goed om in een ivoren toren te verblijven. Ik wed dat menig EU-ambtenaar nauwelijks contact heeft met doelgroepen van projecten in andere landen. Kritische vragen stellen binnen die ambtelijke kringen en projecten is nog zo iets. In het EU-systeem doe je dan aan biting the hand that feeds you. Financieel inzicht per project en projectevaluaties in samenspraak met stakeholders zijn goed om meer zelfreinigend vermogen in de EU te krijgen.

Afscheid doet pijn
Enerzijds had ik graag in de schoenen van de Britten willen staan (de keuzemogelijkheid hebben), anderzijds mis ik ze nu al. Ik heb oprecht heimwee naar het Britse gemenebest, inclusief Australië en Nieuw-Zeeland. Door een Brexit komen ze nog verder van ons af te staan. Zelfs emigreren naar Engeland wordt moeilijker.

Tot zover een terugblik.

Rule, Britannia! en de Brexit

Het Britse referendum over wel of niet uit de EU treden houdt de halve wereld bezig. De financiële markten schijnen een voorspellende waarde te hebben over de gevolgen van de uitkomst. Een eventuele Brexit laat onze welvaart niet ongemoeid, zo wordt ons onheilspellend en stellig verklaard. Ook in Groot-Brittannië zelf zwaaien de tegenstanders met het zwaard van Damocles. De Britse keuze gaat mij aan het hart. Gevoelsmatig heb ik met het moederland van The Commonwealth een sterke band. Daarom wil ik via een persoonlijke omzwerving mijn mening geven over een mogelijke Brexit.

In 1981 zette ik tijdens een schoolreisje voor het eerst voet aan wal in Groot-Brittannië. Een bijzondere ervaring, want nooit eerder verliet ik het Europese vasteland. We reisden vanuit Le Havre per veerboot, wat het eilandgevoel versterkte. In Londen bezochten we alle bekende attracties. Big Ben natuurlijk, de Tower, Hyde Park en Harrods, dat toen nog in Britse handen was. Uit die stad kwam veel wat mijn jonge leventje had beïnvloed. Muziek bijvoorbeeld, maar ook mode en BBC-programma’s. Alles was even indrukwekkend. Nou ja, behalve het eten dan. Het was de tijd van moddervette sausages en fish ’n chips op een krant. Op de boot terug ontmoetten we een groep Engelse voetbalsupporters. Kortom, dat schoolreisje was een belevenis.

Later kwam ik tijdens strandvakanties in Zuid-Europa vaker Engelsen tegen. Ze brachten overal hun gewoontes mee. Daarna ging ik naar de Verenigde Staten en in 1985 bezocht ik Ierland. In beide landen kun je niet om de historische banden met Groot-Brittannië heen. Hoe getroebleerd die relaties in bepaalde periodes ook waren, elementen van de Britse cultuur sluipen overal in. Amerikanen zijn maar wat trots als ze nu over hun Britse voorouders praten. En in Ierland ontmoette ik ook weer zulke Amerikanen, op zoek naar hun Ierse/Engelse roots. Mij werd duidelijk hoe belangrijk het oude moederland nog altijd voor hen is.

Intussen las ik boeken uit de Engelstalige literatuur van schrijvers uit het hele Britse gemenebest. En op tv had je zo’n heerlijk absurdistische serie: Not The Nine O’Clock News. Geweldige humor. Daardoor raakte ik ook steeds meer bekend met de Britse cultuur.

De band met Groot-Brittannië werd nog steviger in Australië. Tijdens mijn eerste vakantie daar, in 1986, zag ik dingen die in Engeland soms al waren verdwenen. Volwassen mannen droegen korte broeken en kniekousen als onderdeel van hun buschauffeursuniform. Er waren no uniform days voor mensen op een reisbureau. Die dan toevallig toch allemaal dezelfde spijkerbroek met T-shirt droegen. Je moest keurig een rij vormen, precies op de plaats waar bordjes aangaven dat die rij moest staan. En er was natuurlijk white tea met een sloot warme melk en (in die tijd) afgrijselijk slappe slobberkoffie. Heel Engels allemaal.

Meer nog dan de uiterlijke kenmerken, waren daar de soft spots voor good old England in de harten van mensen. Dan heb ik het niet over nakomelingen van bannelingen, maar over degenen die later naar Australië kwamen. Zoals ze vasthielden aan oude kersttradities met dennenboom en Christmas pudding, midden in de tropen. En hoe graag ze familie wilden laten overkomen rond de feestdagen. Dat zag je ook terug in vrouwenbladen en films op lokale tv-stations.

Het hoogtepunt kwam in 1988 in Australië, tijdens het Bicentennial Year. (Nota bene een feestjaar ter herdenking van de aankomst van de eerste vloot met uiterst omstreden lading. Elf schepen brachten namelijk groepen veroordeelden naar Australië, toen tweehonderd jaar geleden.) Ik werkte in Perth, West-Australië, en wie kwam daar op bezoek? The Queen! Nou, ik heb her majesty Elisabeth in het echt gezien. Op nog geen twee meter afstand wandelde ze kalm wuivend en glimlachend voorbij. Sindsdien beschouw ik het Engelse vorstenhuis ook een beetje als mijn vorstenhuis.

Queen 001Er gebeurde die dag nog iets opmerkelijks. Uren had ik in de brandende zon langs de weg gewacht, in een rijen dikke massa. Overal stonden Engelse Australiërs die absolutely thrilled waren over de komst van hun koningin. Zij waren forser dan ik en blokkeerden deels mijn zicht. Toen koningin Elisabeth eindelijk langsliep, draaide een mevrouw voor mij zich om en bood aan om een foto van de koningin te maken. Ik meen het. Op het voor haar belangrijkste moment onderbrak zij haar gejuich en dacht ook aan mij. Engelsen worden van jongs af aan gedrild om zich beleefd en sociaal te gedragen. En daar is niets mis mee. I just love them.

Sinds Australië voelt elk land met restanten van de Britse koloniale geschiedenis vertrouwd. In Singapore roept het Raffles hotel nog herinneringen op aan tijden waarin je daar slechts na een lange zeereis aankwam. Toen mensen trouwden met de handschoen. Het is in Victoriaanse stijl gebouwd en er waart een oude legende over een tijger rond. Britten zijn er dol op. Op de Cookeilanden trof ik in winkels levensmiddelen aan die daar via oude handelsrelaties met Nieuw-Zeeland kwamen. Zelfs de viering van 25 jaar onafhankelijkheid van Groot-Brittannië in 1995 in Suva (Fiji) was op Britse leest geschoeid. Namelijk met veel ceremoniële uniformen en aplomb op een strak gemaaid gazon. By the way, wereldwijd zijn er nog munten met koningin Elizabeth in omloop. Op Gibraltar werd ik met het beroemde queuing-fenomeen geconfronteerd. En Uganda voelde direct vertrouwd, toen ik daar chai masala kreeg. In Kenia schemert de Britse geschiedenis door via de aanwezige Indiërs. Zij werden er ooit naartoe gebracht om op de plantages te werken. En overal herken ik een universele, koloniale bouwstijl in landhuizen met erkers en veranda.

Een flink deel van de Britten is trots op hun buccaneers spirit, zoals een flink deel van de Hollanders de VOC-mentaliteit kritiekloos ophemelt. Zo is er wel meer wat wij met de Britten gemeen hebben. Inherent aan hun eilandmentaliteit, hechten zij sterk aan hun onafhankelijkheid. Qua zakendoen zijn het nuchtere mensen. Onze normen en waarden zijn redelijk vergelijkbaar.

Maar de klassenmaatschappij is daar nooit helemaal verdwenen. In feite leeft die juist weer op, net zoals bij ons. Kijk maar naar Amsterdam en Londen, waar een gewone bankmedewerker geen huis meer kan betalen. Of kijk naar de belastingvoordelen voor rijken, via belastingregels voor bedrijven. Daar willen wij evenmin voor onderdoen. Het zou onze economie eens kunnen schaden …

En wat te denken van de bouwwoede van projectontwikkelaars ten koste van fraaie landschappen. Zij figureren vaak in Engelse detectiveseries als opwekkers van volkswoede. Maar hier kunnen ze er ook wat van. Met als gevolg blokkendozen op grote bedrijven-terreinen, luxe villa’s in bosflanken en huizen in de duinen. Er is kennelijk niemand die ze tegenhoudt, want ze brengen werkgelegenheid. Yeah, right.

Als je doorschiet, raak je wel de hoogopgeleide bevolking kwijt. Die blijft niet wonen in een volgebouwde regio als er fraaiere alternatieven zijn met natuurschoon. Zoals Rotterdam en Den Haag/Ypenburg versus Utrecht en de nabijgelegen Heuvelrug. (Adriaan Geuze, hoogleraar landschapsarchitectuur, Wageningen UR.) Overkoepelend ruimtelijk beleid ontbreekt of wordt moedwillig omzeild.

Wat er regionaal gebeurt, zie je in het groot terug in de EU. Want economie is gewoon de overheersende factor. Daaraan is alles en iedereen ondergeschikt, zo is onderhand mijn indruk. De mensen, de natuur, de cultuur, de veiligheid, de verworvenheden, de sociale structuur. Maar om wiens unie gaat het eigenlijk?

Om bij de Britten terug te komen: ik hoop uit de grond van mijn hart dat ze voor een exit kiezen. Ik zal zo enorm trots op ze zijn als ze dat doen. Van mij mogen ze de EU een poepie laten ruiken. Laat ze maar aantonen dat ze ook zonder kunnen. Als voorbeeld voor ons allen. Want ik geloof serieus dat de EU in de huidige staat een stuurloos schip is. Tien keer liever wed ik op een ooit grootse, zeevarende natie die haar verworven kennis nog in een nieuw jasje kan stoppen.

Wat ons eigen land betreft: ik las onlangs dat de wereldwijde omzet van IT-bedrijven in Eindhoven de omzet van de Rotterdamse haven inmiddels overstijgt. Dus waarom houden wij zo krampachtig vast aan die open grenzen? Ook Zwitserland heeft geen enkele moeite om zijn dure merkartikelen te verkopen. Tot in Afrika en China aan toe gaat dat prima.

Waarom moeten wij per sé lid blijven van de EU? Zegt Duitsland, als wij vertrekken, van de ene op de andere dag: ‘Hou al je producten voortaan maar?’ Ik geloof er niets van. De houding van enkele EU-politici die de Britten bij een Brexit qua handelsverdragen willen straffen, is te kinderachtig voor woorden. (Tusk, Juncker en Schäuble, zie Martin Sommer, de Volkskrant, 18 juni 2016.) Als dat werkelijk hun denkwijze is, zijn ze hun positie onwaardig.

Voor de EU ontstond, dreven we onderling al eeuwen handel. Mijn welvarende Duitse verwanten pendelden in de negentiende eeuw tussen Leiden en Ibbenbüren en importeerden meubels. Ze waren dagen onderweg per trekschuit of paard en wagen. Nu vreest men bij een exit tijdrovende douaneformaliteiten. Maar waarom? Met bereidwilligheid en voortschrijdend inzicht kan je eenvoudig gegevens uitwisselen.

Op terreinen van veiligheid, defensie, cultuur en milieu kan je ook in afzonderlijke groepen tot overeenstemming komen. Daarbij behoudt elk land een onafhankelijke uitgangspositie. Ik geloof in samenwerkende thematische belangengroepen van landen in deels overlappende samenstellingen die qua normen en waarden en/of doelstellingen redelijk bij elkaar passen. Feitelijk is dat niets nieuws. Dan kan je wel aanzienlijk daadkrachtiger optreden en ook niet-EU-landen of zelfs multinationals erbij betrekken.

Nederland is te klein voor een geheel onafhankelijke positie in de wereld, dat mag duidelijk zijn. Samenwerking blijft cruciaal. Feitelijk hoop ik dat een Brexit een doorbraak kan forceren. In onze zeevaartgeschiedenis waren de Hollanders de Britten herhaaldelijk voor. Omgekeerd kunnen de Britten nu voor ons de weg vrijmaken om te volgen. Britannia, rule!

Worteltaart in de tropen

Door het bericht van gisteren over tijdsbesef in Samoa, belandde ik in gedachten bij worteltaart en Ronnie’s Bar & Grill in Avarua. Avarua is de hoofdstad op Rarotonga, het hoofdeiland van de Cook Islands. David Stanley beschrijft het als volgt in zijn South Pacific Handbook (1993):

‘This attractive town of around 5.000 inhabitants is strung along the north coast beneath the green, misty slopes of Maungatea. Avarua retains the air of a 19th-century South Seas trading post. Outrigger canoes are pulled up under the old ironwood trees along the beach between the two harbors. Across from the traffic circle near Avarua Harbor is the Seven-in-One Coconut Tree (planted 1906.)’ Dat is één van de weinige attracties en ik hoop dat dit nog lang zo blijft.

In mijn herinnering at ik voor het eerst worteltaart bij Ronnie’s. Daar zat je aan tafeltjes bij het witte houten hek van zijn veranda, met uitzicht op de tropische tuin en de weg tussen zijn restaurant en de Stille Zuidzee. Slechts af en toe kwam er een auto voorbij. Sindsdien denk ik altijd aan Ronnie’s wanneer ik worteltaart zie. Ook al klopt dit niet, want worteltaart serveerden ze op de veranda van een café verderop. Mijn eerste worteltaart-beleving was vermoedelijk Australisch.

Worteltaart past bij de tropen. Engelsen zijn er dol op en veel exotische oorden zijn nog lid van het Britse Gemenebest. De Cook Islands hebben een vrijwillige associatie met Nieuw-Zeeland. In talloze landen zie je beïnvloeding over en weer. Vandaar dat je ook in Kenia worteltaart vindt. Dit stukje schrijf ik onder het genot van koffie met Coolmore’s carrot cake, uit West Cork, Ierland. Eén van de beschreven ingrediënten is een exportproduct uit Polynesië: kokos.

Tip van de dag: palusami uit Samoa en ika mata (een visgerecht op het menu van Ronnie’s) zijn verrukkelijke inheemse gerechten waar ook kokos in zit. De recepten staan op internet en de meeste ingrediënten zijn in een toko te koop. Maar is er iemand die weet waar je verse tarobladeren kan krijgen?