Het is maar een spelletje, hoor

Vandaag heb ik mijn wekelijkse sportuurtje opgezegd. De directe aanleiding is het gedrag van een van de mannelijke deelnemers. Die bewaart namelijk geen afstand. Dat was trouwens al zo voordat de coronacrisis uitbrak.

Het gaat om kleine incidenten en er is weinig onbetamelijks aan. Al ben ik daar bij hem niet helemaal zeker van. Die twijfel, die argwaan, die roept hij zelf op. Door bij ieder incidentje gelijk te roepen: ‘Sorry’. Met zo’n onschuldig lachje er bij, alsof hij er ook niets aan kan doen. Om daarna meteen weer door te gaan.

Misschien hoort dat meteen doorgaan wel bij ‘sportief’ gedrag. Dan heb ik zeker een bepaalde code gemist. Medespelers kunnen dan zeggen: ‘Joh, maak er geen probleem van; hou het leuk.’ En bij bepaalde types is deze populair: ‘Het is maar een spelletje, hoor.’

Als je hoort wat zijn leeftijd is, dan geloof je dat nooit. Hij is tachtig, maar was vroeger gymleraar van beroep. Eerst dacht ik dat hij net met pensioen was, want hij is super fit. Dat geeft hem vast een kik. Hij etaleert zijn goede conditie graag en dat begrijp ik best. Het is toch machtig als je afgetrainde lichaam het op die leeftijd nog zo geweldig doet.

Ook is hij veruit de snelste en behendigste van ons allemaal. Daarom vraag ik mij wel af waarom hij bij balspelen zo vaak tegen medespelers op botst. En de anderhalve meter afstand regel geldt hier nog steeds. Ter verklaring zegt hij dat het gebeurt omdat hij zo ‘enthousiast’ is.

Soms neemt hij letterlijk de leiding over. Dan laat deze oud-gymleraar ons wel even zien hoe het moet. Afijn: toen hij vandaag secondenlang een medespeelster beetpakte voor een ‘instructie’, zonder dat er iemand ingreep, en hij dat vervolgens bij mij wilde doen, wist ik genoeg.

Ben moe

(Nog vier dagen tot de opening.)

‘Lieve God,’ schreef ik eerder deze week in mijn schrift vol dingen die ik nog moet, ‘geef mij alstublieft sneller werkende hersenen, zodat ik mijn werk als waakhond efficiënter kan doen. U weet dat ik bezig ben met die foto-expositie. Nou, wat mij nu toch weer is overkomen …’ Hier bleef het bij, omdat ik te moe was om verder te schrijven en dan worden mijn hersenen sloom.

In mijn hoofd tolde van alles rond en dat kost veel energie. Dat heb ik altijd wanneer iemand onzalige ideeën door wil drijven en zonder overleg zijn of haar eigengereide ding gaat doen. Uiteindelijk heb ik alles af kunnen wenden en daarom gaat het nu goed.

Weer terug onder de mensen

De afgelopen periode heb ik een teruggetrokken leven geleid. Het begon met de lockdown. Die haalde een dikke streep door bijna alle afspraken in mijn agenda. Er kwamen alleen nog ‘noodzakelijke’ dienstverleners langs. Verder waren er ontmoetingen met buurtgenoten, een netwerkgesprek en drie sporturen in een park. Steeds keurig op anderhalve meter afstand. Maar dat was alles.

Voor een poosje vond ik deze afzondering wel prettig. Ik begon er zelfs aan te wennen. Er is zo veel ruis en zo veel eenrichtingsverkeer in het normale leven. Dat kan ik goed missen.

Misschien moeten we selectiever worden in onze ontmoetingen en in onze handelingen. Dan ontstaat er vanzelf meer ruimte voor wat we belangrijk vinden.

Voordelen van de zeven hoofdzonden – 4 Woede

Van alle hoofdzonden ken ik Ira (woede) het best. Woede, toorn en wraakzucht pakken doorgaans destructief uit. Zowel voor degene waarop de woede is gericht, als voor de woedende persoon zelf. Logisch dat woede bij de zeven hoofdzonden hoort. Maar het geeft ook een enorme kracht die constructief kan werken. Wat je hiervoor moet doen, is woede kanaliseren.

De oorzaken voor woede zijn legio. Gepasseerd of genegeerd worden. Respectloos worden behandeld. Bestolen of bedrogen worden. Minder krijgen dan je rechtmatig toekomt. Verliezen. In gevaar worden gebracht door andermans rijstijl. Enzovoort. Zit je slecht in je vel, dan drijft een haperende printer je al tot razernij. Mij tenminste wel. Want je eigen gemoedstoestand heeft invloed op de mate waarin je kwaad wordt.

Sociale intelligentie, normen en waarden bepalen vervolgens hoe je met woede omgaat. De een is assertief opgevoed en kan altijd ad-rem reageren. De ander weet slechts zijn vuisten te gebruiken en ramt erop los uit machteloze frustratie. Bij bepaalde mensen lijkt het wel alsof ze leven op woede. Ook zijn er de binnenvetters en de vertwijfelden. Vaak leer je pas na veel vallen en opstaan hoe je woede goed en effectief kan aanwenden.

In Amerikaanse gevechtsfilms wordt woede verheerlijkt. De verongelukte held neemt het dan in zijn eentje op tegen de rest. Maar in het gewone leven kunnen anderen woede meestal niet waarderen. Dit maakt het extra frustrerend. Want ben je eens ontzettend kwaad, dan moet je je emoties verbergen. Omdat uiting van woede een zwaktebod zou zijn. Daar geloof ik niet in.
De emotie mag worden gezien; die is er omdat je je bedreigd voelt. Ik schaam mij niet voor woede. Wel wil ik bij een confrontatie uitspraken vermijden waar ik later spijt van krijg. De ander in zijn waarde laten terwijl je zelf kwaad bent, vergt al genoeg zelfbeheersing.

Gevoelens van onmacht zorgen voor venijn en agressie. Maar laat je bij woede niet meesleuren door irreële en negatieve gedachten. Focus op de feiten. Bij woede komt adrenaline vrij. Die energie kan je gebruiken om scherp en creatief te denken. Zodat je gericht vervolgstappen kan zetten. Dankzij woede bereik je soms meer dan normaal. Dus zelfs deze hoofdzonde heeft een voordeel.

Hoe ga jij met woede om?

Voordelen van de zeven hoofdzonden – 2 Hebzucht

Gisteren dacht ik nog: ‘Zou je dat wel doen, een positieve wending geven aan die zeven hoofdzonden?’ Want luiheid is eenvoudig, maar dan de rest. De volgende hoofdzonde Avaritia (hebzucht) is bepaald een taaie. ‘Greed … is good’, zegt Michael Douglas als Gordon Gekko in de film Wall Street (1987). Je zou denken dat daar juist alle ellende mee begon. Dus valt er ook iets aardigs te ontdekken aan hebzucht?

Jawel hoor. Musea wereldwijd zijn maar wat blij met de hebzucht van rijke mensen. Want menige vermogende kunstverzamelaar wil uiteindelijk naam maken, imponeren en voor eeuwig iets tastbaars achterlaten. Zijn volledige kunstcollectie, bijvoorbeeld, met schilderijen van Rembrandt en Vermeer. Als zijn naam maar op het bordje naast het kunstwerk prijkt. Zo delen rijken hun kunstwerken publiekelijk met iedereen. Meestal zijn dat voorwerpen die voorheen eeuwenlang slechts in privékring waren te zien.

Geld is macht. Alleen moet je die macht wel uitoefenen. Bijvoorbeeld door stimulering of beïnvloeding van specifieke ontwikkelingen. Dus hebben de rijken zo hun particuliere projecten. Met hun kennis, contacten en vermogen kunnen ze problemen aanpakken die anderen laten liggen. Ik zie nog weinig in de plannen van Elon Musk. Maar Bill en Melinda Gates hebben met hun stichting nobeler doelstellingen. Waaronder een cruciale: vrije keuze voor geboortebeperking.

Naast geld en bezit omvat hebzucht een onstilbare honger naar aanzien, liefde, geluk en wijsheid. Materiële hebzucht komt naar mijn idee voort uit geestelijke armoede. Hoe rijk iemand ook wordt, geld en bezittingen zullen die leegte nooit vullen. Ze kunnen hooguit het leven veraangenamen. En je bent verblind als je denkt dat je met geld liefde of geluk kan kopen. Sommigen moeten eerst veel bezit vergaren om daar achter te komen.

Kijk je naar wijsheid, dan is hebzucht een goede zaak. Het is toch mooi als je een leven lang blijft leren en je mentaal blijft ontwikkelen. Evenals bij de hoofdzonde luiheid, wordt honger naar wijsheid pas een probleem als anderen daar onder lijden. Maar vaker lijden mensen onder het gebrek aan wijsheid bij de ander.

Vrouwen moeten grenzen stellen

Saskia Noort kwam deze week in de Volkskrant uit de kast. Net als veel #MeToo-lotgenoten is zij ooit verkracht. In plaats van gillen, schreeuwen of haar buurman van zich af trappen, had ze gezwegen en het ondergaan. Ze werd verlamd door gevoelens van schaamte en schuld. Want nette meisjes van veertien dragen geen korte rokjes. Zij zou er wel om hebben gevraagd. Naar mijn idee speelt er nog iets anders mee. Veel vrouwen van onze leeftijd werden van jongs af aan opgevoed met het mantra dat meisjes ‘aardig’ moeten zijn. Vooral in relatief traditionele gezinnen. En zonder dat ze de bijbehorende assertiviteitstraining kregen. Daarvoor hoef je geen dochter van Turkse of Marokkaanse ouders te zijn.

Gisteren sprak ik een vrouw van Saskia’s leeftijd uit een modern, hoogopgeleid gezin. Zij vindt dat vrouwen toch duidelijker hun grenzen moeten stellen. Zelf heeft ze daar weinig moeite mee, want ze is intelligent en een snelle denker. Haar reacties zijn dan ook raak en ad rem. Bij een psychopaat kom je daar misschien niet ver mee. Maar bij gewone mannen kan dat doeltreffend werken.

Ik vermoed dat veel vrouwen schipperen met grenzen stellen. In allerlei opzichten. Ga je weer overwerken, of zeg je ‘nee’? Doe je iemand tegen heug en meug een plezier, hoewel je zelf wat anders wil? Leg je liever niet op elke slak zout, terwijl je bepaalde opmerkingen of gedragingen echt storend vindt? Hoe vaak laat je dat gebeuren omwille van de lieve vrede, voordat je je mond open doet? En áls je dan eindelijk iets zegt, hoe komt het er dan uit?

Het verraderlijkst zijn degenen die altijd vriendelijk en soepel in de omgang overkomen. In werkelijkheid dwingen ze daarmee gewenst gedrag af bij een ander. Want geef je een keer tegengas, dan is het net alsof jij onaardig bent en moeilijk doet. Ik heb een volgens iedereen ‘leuke’ collega gehad, die zulke situaties bijzonder goed in haar voordeel weet te manipuleren. Misschien vertoont zij wel de vrouwelijke variant van psychopathisch gedrag.

Tijdig en duidelijk grenzen stellen blijft moeilijk, om welke reden dan ook. Voor mij werkt levenservaring bevrijdend. Want diplomatie of assertiviteit heeft op sommige types geen effect. Geef je hen een millimeter ruimte, dan gaan ze direct over je grenzen heen. In zulke situaties hoef je niet ‘aardig’ te zijn.

Een beetje afstand houden

Ik sta op het station te wachten op de trein, wanneer een bekende bij mij komt staan. Het is een aardige man. Altijd vriendelijk, attent, grappig en opgewekt. Niets op aan te merken dus. Maar ik krijg de kriebels van hem. Want hij kan geen afstand houden. Dat heeft iets te maken met mijn comfort zone, en die verschilt per cultuur en per persoon.

Bij vrouwen gaat dit evengoed op. Pasgeleden nog. Ik raak in gesprek met iemand en samen lopen we een stukje op. Steeds stoot zij met haar arm tegen mijn arm aan. Ik ga een beetje naar rechts, maar zij ook. Ik vraag mij nog af of ik soms harder moet praten. Maar dat maakt geen verschil. Op een gegeven moment loop ik zelfs in de berm. Dus zeg ik vriendelijk doch duidelijk dat ik ietsiepietsie meer afstand wens. Zij is even van slag. Dat trekt gelukkig snel weg en daarna is de voortzetting van ons gesprek gezellig.

Het kan nog veel gecompliceerder. Een paar jaar geleden liep ik met een Marokkaanse collega een rondje in de pauze. Ook zij liep steeds tegen mijn arm aan. Nu heb ik ooit geleerd dat mensen uit zuidelijke culturen aanraking veel normaler vinden dan wij noorderlingen. Kijk maar naar Italianen. Dus wat doe je dan? Als ik opzij ga, kan zij denken dat ik haar afwijs. Maar als zij steeds tegen mij aanloopt, denk ik dat ik ruimte moet maken. We hebben bij herhaling seconden lang met onze armen tegen elkaar aan gelopen. Dat deed mij denken aan duwende worstelaars. Daarom vond ik ook dat weer een beetje raar. Tjonge, wat ingewikkeld allemaal en er is al zo veel verwarring.