Grenzen aan een mensenleven

Hoe oud zou je willen worden? Gisteren was Last Days op tv; de nieuwe reportageserie van Lieve Blancquaert. Zij onderzoekt hoe mensen wereldwijd omgaan met de eindigheid van het leven. In de eerste aflevering zien we topfitte tachtigplussers in een Disney-achtige Amerikaanse enclave. Zij lijken gezonder dan menige veertiger met een jachtig 9-tot-5-bestaan. Ik vraag mij af of ik als vijftiger even gezond oud zal worden. En hoe ziet de wereld er dan uit?

Het is bekend hoe we zo lang mogelijk kunnen leven. Dagelijks minimaal een uur bewegen en je spieren blijven trainen. Verder veel vers voedsel eten: vis, groenten, fruit en volkorenproducten. En vooral ook aan het sociale leven deelnemen. Volgens hersenwetenschapper Erik Scherder vergroot je juist de kans op ouderdomskwalen wanneer je elke dag een dutje doet. Hij is vast een calvinist. Toch is de boodschap duidelijk: we kunnen het beste actief blijven.

Statistisch gezien worden we echt steeds ouder, wereldwijd. Volgens de Wereldbank is de gemiddelde levensverwachting al gestegen van 52,6 jaar in 1960 naar 72 jaar in 2016. Die dansende Amerikanen in hun suikerspin-roze enclave doen mij echter denken aan welgestelde feestvierders op de Titanic.

Want eens komt toch het keerpunt door vervuiling en klimaatverandering. Zo is het opmerkelijk dat Nederlanders relatief weinig roken, maar wel in de Europese top 3 zitten qua longkankerdoden. (Bronnen: RIVM en Trimbos.) Vermoedelijk is er een verband met de aanzienlijke luchtverontreiniging boven ons land. Tegelijk neemt wereldwijd de kans toe op oorlogen om grondstoffen en leefbare gebieden. Syrië is daar een voorbeeld van. In Afrika is al veel langer het nodige aan de hand.

We worden dus voorlopig gemiddeld nog ouder, maar in wat voor wereld? Hoe oud we willen worden, hangt af van onze gezondheid, de beschikbare middelen én leefomstandigheden. Over de Inuït wordt verteld dat ouderen zich in tijden van grote voedselschaarste vroeger van het leven beroofden om de jongere generaties te sparen. Wie weet welke maatregelen onze generatie over een jaar of dertig treft. Of gaan anderen die maatregelen dan voor ons bepalen?

Echt rode klaver

Rode klaver bij een akker

We worden geboren met een sterk overlevingsinstinct. Alleen zijn we van de meest basale overlevingstechnieken vervreemd geraakt. Neem nu onze kennis van in het wild groeiende eetbare planten. Het is al mooi wanneer we er drie kunnen benoemen. Ik weet bijvoorbeeld dat je brandnetels en het loof van paardenbloemen kan eten. Verder kan je gerust de roze bloemblaadjes van klaver in je mond stoppen. Ze smaken lichtzoet.

Toch is het oppassen geblazen, want soms lijken giftige en eetbare planten op elkaar. En klaver met roze bloemetjes wordt rode klaver genoemd. Dus hoe zit het dan met deze echt rode variant?

(Het is maar weer goed dat de supermarkt morgen open gaat …)

Verstandskies zorgt voor bloedbad

Een waarschuwing vooraf. Kan je niet tegen bloed, sla deze longread dan over. Maar hou je wel van een gruwelverhaaltje op zijn tijd, dan zit je hier prima.

Gisteren moest ik naar de kaakchirurg voor het trekken van mijn laatste verstandskies. De tandarts durfde deze ingreep zelf niet aan. Op foto’s kon ze namelijk zien dat de wortel eronder krom was. Ik heb eerder meegemaakt dat het een (vrouwelijke) tandarts bijna niet lukte om een kies te trekken. Die dingen zitten muurvast. Het werd toen zo een gesjor en gekraak, dat ik serieus vreesde voor een ontwrichte kaak.

Dus toen mijn huidige tandarts haar twijfel uitsprak, zei ik meteen dat een voorgangster er ook al zo’n moeite mee had gehad. Dit om haar over de streep te trekken. Want ze vreesde dat de kaakchirurg haar uit zou lachen vanwege de doorverwijzing voor een kleine ingreep. Maar na mijn opmerking was de keuze snel gemaakt. Vandaar dat ik gisteren voor het eerst het Rijnstate Ziekenhuis in Arnhem betrad.

Sinds mijn verhuizing, nu vier jaar geleden, wil ik al weten hoe dit ziekenhuis van binnen is. Qua doolhof is het vergelijkbaar met het LUMC in Leiden. En ook hier is een restaurant; altijd handig. Ik moet nog wel ontdekken of ze even lekkere pecanbroodjes hebben als in Leiden. Dat kwam er deze keer niet van. Je gaat tenslotte met een schoon gebit naar de kaakchirurg en na de ingreep had ik wat anders aan mijn hoofd.

Het trekken zelf valt mee. Je wordt verdoofd, en goed ook. Mijn andere drie verstandskiezen werden circa veertig jaar geleden getrokken. Toen ging het er nog Spartaans aan toe. Ik kan mij uit die tijd geen verdoving herinneren en ben dus wel wat gewend. Toch heeft zelfs een kleine lichamelijke ingreep impact. Het voelt achteraf alsof je bent gemangeld. Dat merk je vooral wanneer direct daarna iets wordt uitgelegd. Probeer je aandacht er dan maar eens bij te houden.

In rap tempo gaat de uitleg over een dikke wang en ijsblokjes en er is iets met pijnstillers. Ook krijg ik een spuitje met een krom tuitje mee. Dat laten ze even zien voordat het in een envelop gaat en daar moet ik de wond mee uitspuiten. Alleen: vanaf wanneer ook al weer? Verder moet ik spoelen, want er kunnen etensresten in de wond komen. Hier mag ik echter niet meteen mee beginnen. Iets met stolsels en een genezend wondje, even een dagje wachten en dan een week lang ongeveer. En ik krijg een receptje mee voor twee dingen plus een foldertje waar alles in staat, dus kan ik het thuis rustig nalezen allemaal. Nu eerst op dit watje bijten en dat een half uur laten zitten. Iets met de druk erop houden, het is nu tien uur dus om half elf mag het er weer uit.

Zo, klaar, handje geven maar. De kaakchirurg in opleiding veegt nog snel een paar bloedspetters van mijn gezicht voordat ik de deur uitga.

Eenmaal buiten voel ik mij licht in het hoofd. Mijn wang is nog goed verdoofd, maar ik proef bloed. Ook kan ik het stugge watje met mijn tong voelen. Ik hou mijn kaken stijf op elkaar en mijn mond dicht wanneer de bus arriveert. Meer dan een knikje naar de chauffeur zit er niet in. Gelukkig is er eten genoeg in huis en hoef ik slechts langs de apotheek, want de linkerkant van mijn gezicht is dik en strak van de verdoving. Zodra de verdoving uitwerkt, zal het pijn gaan doen.

Thuis gaat dat bloed doordrenkte watje er gelijk uit en zet ik meteen koffie. Wat ben ik daar aan toe, zeg. Met kleine nipjes probeer ik de vieze bloedsmaak zo goed mogelijk uit mijn mond te spoelen, zonder dat de koffie de pas gehechte wond raakt.

Er hangt iets rubberachtigs in mijn wang bij het gat dat de kies achterliet. Ik kan erop kauwen zonder dat het loskomt. Misschien is er tijdens de behandeling een stuk huid van mijn wang geschaafd. Door gevoelloosheid en de stijfheid van mijn kaak kan ik moeilijk nagaan wat het is. Maar wanneer ik voorover buig, voel ik nieuw bloed mijn mond in stromen. Oei.

Vanaf dat moment verandert de dag in een lange hindernissenbaan. Want er moet gegeten worden. Het is inmiddels half twaalf en ik lunch graag warm. Ook wil ik het meeste van mijn dagelijkse eten vroeg binnen krijgen. Dan kan de rauwe wond de rest van de dag ongestoord genezen. Soep laat ik staan; daar zit te veel bijtend zout in. Maar een smeuïg stamppotje van aardappels, peen, snijbonen en stukjes hamburger gaat prima. En het verdringt de overheersende smaak van bloed enigszins.

Tijdens de afwas sijpelt er opnieuw bloed in mijn mond en weer voel ik die rubberachtige sliert. Wat is dat toch? Inmiddels kan ik mijn kaken wat verder open doen, dus loop ik naar de spiegel. Wat ik daarin zie, is een werkelijk gore bedoening.

Die rubber flubber is een langgerekt stuk bloedstolsel dat over mijn kiezen hangt. Langs mijn wang en over mijn tanden slingeren taaie bloederige slierten en vliezen. En mijn hele mond is rood. Alsof je een vraatzuchtig monster in de bloed besmeurde bek kijkt. Nu smaakt dat bloed nóg viezer.

Ik word enigszins onpasselijk en wil acuut van die troep in mijn mond af. Maar in het foldertje staat dat je op de behandeldag geen wond mag uitspoelen. Wat nu? Nogmaals probeer ik die flubber door te kauwen, maar het spul is te flexibel. Het alternatief is doorknippen met een schaar. Dat blijkt makkelijker gezegd dan gedaan.

Ga maar eens in een bloed doordrenkte mond naar een glibber glad aanhangsel graaien terwijl je je kaken nog niet ver uit elkaar kan houden. Voor de zekerheid doe ik het boven een grote wasbak. Het wordt namelijk een erg bloederige toestand en ik wil de vloer schoon houden. Mijn kleding en de rest van de badkamer trouwens ook. Uiteindelijk lukt het om een flink stuk van die flubber af te knippen. Verder moet ik direct na het eten mijn tanden poetsen, zo staat er in het foldertje. Daarvan zal ik je de details besparen. (De badkamer is weer grondig schoon geboend.)

Gelukkig stopt het bloeden. Nu kan ik rustig naar de apotheek wandelen, al durf ik mijn mond niet open te doen. Zonder verder bloedvergieten maak ik gelijk een ommetje. ‘s middags voel ik nogmaals wat bloed mijn mond in sijpelen. Waarschijnlijk omdat ik toch een beetje heb gespoeld. De nare smaak blijft en de flubbertjes komen steeds terug. Na twee boterhammen gedrenkt in warme melk plus een poetsbeurt voel ik opnieuw wat bloed vloeien. Ook dat gaat voorbij.

Later, het is intussen half tien ’s avonds, gaat de wond alwéér bloeden, en sneller ook. Echt, dit is een klassieker. Mijn lichamelijke klachten worden altijd erger op vrijdagmiddag, ’s avonds of in het weekend. Ik kan dus niet meer naar de huisarts toe. Wat nu? Bij eerder getrokken kiezen had ik dit probleem niet en het foldertje zwijgt over bloedingen. Daarom raadpleeg ik internet. En ja hoor, nabloedingen komen vaker voor. Het advies: dertig minuten op een gaasje bijten of de dokter bellen.

Ik ga voor het gaasje. Alleen heb ik enkel oude gaasjes; weliswaar in originele verpakking. Hopelijk zijn ze schoon genoeg. Het gaasje bevat vermoedelijk ontsmettingsmiddel en dat smaakt eveneens goor. Nu proef ik dus twee soorten goor; eentje links en eentje rechts. Als het maar niet giftig is bij inwendig gebruik … Gatver, wat is dit allemaal naar. Het bloeden lijkt in elk geval te stelpen. Onderhand ben ik het helemaal zat en wil ik naar bed toe.

Helaas. Wanneer het half uur voorbij is en ik het gaasje weg haal, trek ik iets los en bloedt de wond weer! Daar word je toch niet goed van? Weer die vieze smaak, weer die walgelijke bloedstolsels, weer dat gore gedoe. Ik weet wel dat ik nooit bokser ga worden, met al dat bloed. En voorlopig hoef ik ook geen gebakken bloedworst meer.

Half elf ’s avonds. Ik vraag me ernstig af wat te doen. Mijn moeder heeft me bijgebracht dat dit soort dingen meestal vanzelf over gaan. We gingen vroeger niet snel naar de dokter toe. Oké, even rustig aan doen dan.

Ik ga in bed liggen, op mijn rug. Zo blijft het bloed goed binnen. Scheelt weer een extra was. Door de liggende houding stroomt het bloed wel vlotter naar mijn hoofd. Toch opzitten maar, al is dat minder prettig. Langzaam neemt het sijpelen af. En langzaam worden de stolsels groter. Ik word er gewoon misselijk van.

Nu breekt het uur van de duisterste gedachten aan. Ik denk aan verhalen over popsterren, die dronken stikten in hun eigen braaksel. Of waren het criminelen, die stikten in hun eigen bloedstolsels? Kan ik zo wel gaan slapen? Wat als dit onschuldig lijkt, maar straks helemaal misgaat? Hoeveel bloed verlies ik eigenlijk? Ik moet het elke minuut wegslikken. Heel voorzichtig probeer ik de langste bloedslijmdraden toch weg te knippen, waar dat kan.

Half twaalf  ’s avonds. Het vloeien is minder, maar nog steeds niet volledig gestopt. In de gemeentegids staat waar ik eventueel terecht kan voor spoedhulp. Het ziekenhuis in Arnhem. Dat betekent twee bussen nemen via het Centraal Station. De laatste bus uit ons dorp vertrekt nu. Bij de buurvrouw brandt nog licht. Zal ik naar haar toe gaan? Of zal ik toch maar rustig blijven liggen, met mijn hoofd hoog op een kussen? Ik wil haar de rompslomp van een semi-nachtelijk ziekenhuisbezoek niet aandoen.

Afijn, om een lang verhaal kort te houden: het is nu de volgende dag en ik leef nog steeds. Ook is het bloeden gestopt. Er zit alleen zo’n vieze gore flubberige bloedprop in mijn mond. Straks moet ik eten. Als mij dat fataal wordt, merk je het vanzelf aan de stilte op dit blog.

Het jongste lid van de sportclub

Wanneer ik de hoek omsla en een beschut plekje nader, staan er al twee mannen uit de wind en in de zon van de warmte te genieten. De jongste knoopt een praatje met mij aan. Het is een knappe, vriendelijke man. De oudere kijkt mij onderwijl zwijgend en vorsend aan. Ik voel zijn blik extra priemen wanneer de jongste zegt dat de oudste zijn partner is.

Die had ik al half zien aankomen. Nonchalant betrek ik de oudere man bij ons gesprek terwijl de radartjes in mijn hoofd draaien. Want waardoor voelt de jongere man zich aangetrokken tot deze oudere man? Het leeftijdsverschil is zo’n twintig jaar. Geld is in dit oord een voor de hand liggende factor. Maar alle denkbare antwoorden zijn mogelijk.

Later doe ik als proef een uurtje mee met de sportclub voor 50-plussers. Ik wil eerst kijken of het bevalt. Wat voor mensen komen hier en zijn de oefeningen te doen? Al snel blijkt dat ik de jongste ben. En in eerste instantie verschijnen er alleen mannen. Ze zijn heel aardig hoor. Maar toch. Dit is zo’n gelegenheid waarbij mijn afgeslankte lichaam ineens prominent aanwezig is. Ik weet de blikken, hoe verhuld ook, op mij gericht. Uiteindelijk komt er nog een andere vrouw.

Misschien heeft geld er weinig mee te maken, bij die jongere en die oudere man. Want voor een 56-jarige voelt het toch heerlijk om degene met het strakste lijf te zijn.

Voorbereid op vergankelijkheid

Heb je een druk leven, dan sta je zelden stil bij vergankelijkheid. Je hebt nog een toekomst voor je. Je maakt plannen voor de volgende vakantie. Maar je doet ook aan sport voor een goede conditie, want je weet dat gezondheid niet vanzelfsprekend is. Voor de zekerheid tref je maatregelen om je eigen vergankelijkheid zo lang mogelijk uit te stellen. Toch, deze persoonlijke stapjes zijn druppels op een gloeiende plaat.

Vergankelijkheid is overal. Denk aan het leven zelf: van geboorte naar groei en volle wasdom tot aan ouderdom en overlijden. Of denk aan koninkrijken en ideologieën, die opkomen en weer gaan. De wereld is al miljarden jaren aan het vergaan. Het hoort erbij. De aarde heeft al veel veranderingen doorstaan. Kijk naar het ontstaan van continenten, gevolgd door erosie en de verdwijning van complete bergen. En hoe anders was het leven 1.000 jaar geleden op al die continenten? Welke sporen zijn daarvan in de huidige culturen blijven bestaan?

De versnelling van klimaatopwarming en geopolitieke ontwikkelingen bezorgen mij een gevoel van urgentie. Alsof de laatste twee minuten voor middernacht zijn ingegaan. Wat wil ik nog zien? Wat moet ik doen? Wat is echt belangrijk? Deze gedachten zijn betrekkelijk en egoïstisch. Maar bekijk het eens breder; wat is dan haalbaar?

In de westerse wereld beleven we een hoogtepunt, zowel qua welvaart als maatschappelijk gezien. Kennis wordt alom gedeeld en we leven in vrijheid. Ook bedenken we slimme oplossingen en produceren we duurzame energie. Tegelijkertijd gaan recente ontwikkelingen in tegengestelde richting.

Bevolkingstoename, verlies van natuur en leefgebied, geopolitiek, vervuiling, et cetera. Wie redt de oeroude kennis van medicinale planten onder indianen in de Amazone? Hoe ver moet je reizen voor echte rust en stilte? Maar wacht, het ijs smelt al. Ook boven de bunker waar miljoenen zaden uit de hele wereld worden bewaard, voor het geval dat de halve wereld vergaat.

Het gaat er in deze eeuw om spannen wie of wat de overhand krijgt. Een machthebber, een groepje rijken, een ideologie, een mensenmassa, het klimaat? We moeten ons mentaal voorbereiden op wat er tijdens ons eigen bestaan al zal vergaan.

Kleine meevallers geven een rijk gevoel

Geld maakt niet gelukkig; geluk schuilt in kleine dingen. Dat zeggen ze tenminste. Toch droom ik al jaren van een klapper in de Staatsloterij, want geld maakt het leven wel degelijk aangenaam. Deze week had ik enkele meevallers. Het begon op maandag. Die dag had ik een vroege afspraak bij de huisarts.

De wekker gaat en het eerste wat ik doe, is hem met een onhandige zwaai kapot gooien. Fijn. Goed begin. Hij is al vaker uit elkaar gevallen en tot nu toe kon ik hem steeds maken. Deze keer ziet het er ernstiger uit. De digitale cijfers verschijnen slechts half in beeld. Maar zodra ik de batterij eruit haal en terug stop, werkt hij weer. Echt, deze wekker is onverwoestbaar.

Die afspraak bij de huisarts zit mij trouwens dwars. Ze is nogal streng en kordaat, terwijl ik een vaag pijntje heb. Ik had hiervoor al eens eerder een afspraak gemaakt, toen het pijntje verdween. Nadat ik had afgezegd, kwam het pijntje prompt weer terug. Dus maakte ik een nieuwe afspraak. Maar nu is dat vage pijntje opnieuw weg!

Ik moet wat verzinnen. Je kan toch moeilijk ’s morgens om 08.00 uur een afspraak voor 08.20 uur afbellen. Gelukkig heb ik altijd reservekwaaltjes. Ongemakjes die de huisarts vast als aanstellerij beschouwt. Zo’n reservekwaaltje komt nu goed van pas. Ze gaat er nog wat aan doen ook. Kijk, dan voel ik opluchting.

Een ander soort verlichting ervaar ik wanneer ik overtollige spullen wegdoe. Zo bewaar ik al jaren een oud toiletkastje. Deze woning had al een compleet ingerichte badkamer, dus staat het oude kastje in de schuur. Ik wil het kwijt. Maar zonder auto kan ik het moeilijk naar het afvalstation brengen. Zojuist verscheen er een vrachtwagen in de straat om bouwafval op te halen. Ik er naar toe en nu ben ik eindelijk van dat oude kastje af.

Regelmatig voel ik me rijker worden wanneer ik spullen weg kan doen. Waarschijnlijk komt dat door de wetenschap dat er genoeg over blijft.

In de wachtkamer van de huisarts

Maandagochtend, 8:15 uur. In de wachtkamer zitten her en der wat mensen. Ik groet de aanwezigen. Een mevrouw op de stoel naast de kapstok kijkt mij vriendelijk en hoopvol aan. Een beetje zoals een mollig gezelschapshondje dat enthousiast begint te kwispelen. Ik neem plaats in de hoek, met tussen ons in een lege stoel. Van tafel pak ik een tijdschrift. Maar nog voordat ik erin kan bladeren, spreekt ze mij al aan.

‘Het lijkt wel alsof iemand een sigaar rookt, ik ruik een soort vanillegeur.’ Ik opper dat er misschien ergens zo’n geurding staat, zodat het aangenaam ruikt. Ze knikt. ‘Roken zal wel niet natuurlijk, want we zitten hier bij de dokter. En tegenwoordig rookt bijna niemand meer.’ Nu kijkt ze alsof ze dat toch wat spijtig vindt. Mij schiet het dagelijkse beeld bij de hoofdingang van het LUMC te binnen. ‘Dit doet me denken aan mensen die buiten voor het ziekenhuis staan te roken terwijl ze met buisjes op een infuus en een zuurstofapparaat zijn aangesloten.’

‘Vroeger rookte iedereen’, zegt de mevrouw. ‘Dat was je gewend. Mijn opa had een taxi- en vervoersbedrijf en daar stond het altijd blauw.’ Ik vertel over het glaasje met sigaretten dat bij veel verjaardagen op tafel kwam. ‘Oh ja,’ bevestigt zij, ‘sigaretten met en zonder filter en sigaretten met menthol. En ook van die dikke sigaren. Want er was altijd wel iemand die ze wilde. Ik kom uit een ondernemersgezin en mijn vader was hoefsmid. Als de boeren kwamen betalen – dat deden ze eens in de zoveel tijd – dan kregen ze een sigaar en een glaasje jenever. Dat werd dan helemaal tot de rand gevuld, met zo’n bolling erop. En dan bleven ze gezellig praten.’ We zitten allebei te glunderen; de gedachte hieraan doet ons genoegen.

Ze vertelt dat een man eens toenadering zocht, maar zij zag hem niet zo zitten. En hij rookte veel. Hij bleef maar aandringen. Uit nijd nam ze toen een keer een sigaret. Zo begon ook zij te roken. Ik zeg dat het best moeilijk is om te stoppen. Dat heeft zij toch gedaan. Zij had er eens een flinke discussie over met haar schoonzus, die de ene na de andere opstak. ‘Ik heb tegen haar gezegd: ‘Stel dat je in het ziekenhuis ligt en dat de artsen moeten kiezen tussen iemand die niet rookt en jou. Wie denk je dat ze gaan helpen?’

Dat was tegen het zere been. ‘Nou,’ had die schoonzus ertegenin gebracht, ‘jij bent toch dik? Dan kunnen ze ook wel zeggen: ‘Had je maar niet zoveel moeten eten!’ En dat was natuurlijk waar, vond ze zelf.

‘Maar ja,’ vergoelijkt de mevrouw, die inderdaad best stevig is, ‘je bent het van jongs af aan gewend, hè, dat er wat in je mond wordt gestopt. En je moet toch eten, nietwaar? Dus stop je twee, drie keer per dag wat in je mond.’ Ik beaam dat we het roken daarentegen pas op latere leeftijd hebben geleerd. Ze blijft bij haar onderwerp: ‘Ze kunnen mij alles in de mond stoppen’. Wat ze daarna zegt, ontgaat mij een beetje. In elk geval babbelt ze gezellig verder.