In het spoor van de loopgraven

Het is nogal een caleidoscopische ervaring, dat onderzoek naar die loopgraven. Op mijn zoektocht naar informatie lees ik het ene na het andere aangrijpende ooggetuigenverhaal. Die gaan over een wirwar aan gebeurtenissen en locaties. En alles grijpt in elkaar. Samen vormen ze een relaas over mankracht en logistieke planning; over vluchtelingen en gevechtssituaties, over inventiviteit en oorlog strategieën. Ik zit met mijn neus in documenten en kaarten gelabeld: ‘top secret’. Toen, in 1944/’45, nu niet meer.

Sommige teksten zijn verwarrend. Neem dit fragment uit een krantenbericht van de Nieuwe Amsterdamsche Courant. Algemeen Handelsblad, vrijdag 8 december 1944. ‘Hoofdkwartier van den führer, 7 Dec. Het opperbevel van de Weermacht deelt mede: “De overstroomingen ten Zuidwesten van Arnhem hebben een zoodanige omvang aangenomen, dat de vijand gedwongen is steeds nieuwe deelen van zijn stellingen op den zuidelijken oever van den Beneden-Rijn ten spoedigste te ontruimen.’

Ik bedoel, dit is een Nederlandse krant, dus wie is hier de vijand? Daarna valt mijn oog op de sub-kop boven het artikel: Geallieerde stellingen nabij Arnhem door overstroomingen bedreigd.’ Daarbij moet je weten dat de Lekdijk op 2 december 1944 werd opgeblazen. Hierdoor was de Betuwe drassig geworden en half ondergelopen. Zo kon ‘de vijand’ moeilijk de Duitse frontlinie bereiken met zwaar materieel. En dat front was de rand van de stuwwal aan de overzijde van de Nederrijn.

Afijn, zo’n oorlog oude stijl was een strategische en logistieke operatie van formaat. Ik vind dat aspect nuchter beschouwd zeer interessant. Aangrijpend wordt het pas bij het lezen van de uit het leven gegrepen verhalen. Zoals in dagboeken van bewoners, die negen dagen lang midden in de gevechten zaten en daarna met 150.000 anderen hals over kop hun huis moesten verlaten. Of herinneringen van Nederlandse dwangarbeiders, die de stellingen op de frontlinie moesten bouwen en graven, terwijl ze onder ‘vijandig’ vuur lagen.

Die vijandschap blijft verwarrend. Niet alleen nu voor mij, maar ook toen voor de strijdende partijen. Ik zal een stukje citeren uit een interview met Obersturmbannführer Walther Harzer, een pas 32 jaar oude Luitenant-Kolonel van de 9 S.S. Panzer Division ‘Hohenstaufen’ tijdens de Slag om Arnhem.

‘When the British paratroopers first arrived in Arnhem there was a great deal of confusion. They did not meet with much resistance either. In the [German] soldier’s recreation centre about 80 soldiers were sitting around, drinking coffee and playing cards. Their weapons were leaning against the wall. In walked a handful of British paratroopers and ordered the German soldiers to put up their hands. Then they had a cup of coffee and went away again.’

En, midden in het ergste slagveld dat Oosterbeek toen was: ‘I spoke to Warrack [een Britse kolonel] who requested that the British wounded be evacuated from the perimeter since they no longer had the room or the supplies to take care of them. This meant calling a truce for a couple of hours. I agreed because… I liked the English. I had been in England before the war as a student and had good memories of this time. I told Warrack that I was sorry that our two countries should be fighting. Why should we fight, after all? Warrack looked very haggard and worn. He was offered some cognac but refused because he said it would make him ill. He had not eaten for some time. He was given some sandwiches.’ (Bron: Pegasusarchive.)

Trouwens, in het Arnhemse Elisabeth Gasthuis lagen de gewonde Duitse en Engelse soldaten vrijwel zij aan zij. Ze deelden gewoon hun sigaretten met elkaar.

Over de loopgraaf in onze straat kan ik weinig vinden. Daarom heb ik mijn onderzoeksgebied verruimd naar Arnhem en directe omgeving. Dat valt goed te overzien. Bovendien hoef ik slechts een korte periode door te nemen. Onze loopgraaf stamt uit de periode 17 september – 23 december 1944. En ergens tussen 15 april en 30 juni 1945 zal het naburige mijnenveldje wel zijn schoongeveegd.

Wat mij mateloos fascineert, is die tussenliggende periode, daar in dat door God en iedereen vergeten stukje niemandsland. Het hele gebied was ontruimd, maar er waren wel dwangarbeiders en soldaten. Vooralsnog is dit stukje straathistorie een mysterieus zwart gat, uniek voor de recente geschiedenis van Nederland.

Oh, en het volgende is ook wel weer frappant. 4 December 2020, Westervoortsedijk in Arnhem. Vanaf de bushalte nabij het Gelders Archief wandel ik naar de weg. Op de tweede helft staan auto’s stationair bij het stoplicht. Op de voorste lees ik: ‘… ruimingsdienst’, en: ‘Defensie’. In het voorbijgaan volgt de volledige tekst: ‘Explosievenopruimingsdienst’.

(Op de foto de Nederrijn en rechts het voormalige front ten westen van Arnhem.)

Oude littekens in het landgoed

Het fascineert mij hoe weinig we weten over het verleden van de grond waarop we leven. Neem dit detail uit een luchtfoto van januari 1945. We zien een paar kale akkers op een landgoed in de buurt. Ik ken er ieder paadje. Dat rare litteken in het veld en die kronkellijnen rechts ken ik ook. Als een van de weinigen, mag ik wel zeggen, hoewel er dagelijks wandelaars komen.

De kronkels zijn namelijk al lang verdwenen. Er is met ploegen en combines overheen gereden. De gaten en geulen zijn dicht. Ze vormden een geheel met de zigzaglijnen in onze achtertuinen. Slechts een paar oude luchtfoto’s getuigen nog van hun vroegere aanwezigheid. Veel meer is er niet.

Nu probeer ik via een omtrekkende beweging het verhaal te reconstrueren achter deze verdedigingslinie. Zo wil ik een beeld krijgen van wat er zich heeft afgespeeld in onze straat. En ik kijk hier naar met de ogen van een vrouw. Misschien scheelt dat wel voor de eindversie.

Gered van de shredder: foto uiterwaard

Less is more. Dat geldt evengoed voor een blog als Raam Open. Daarom loop ik jaarlijks de lijst met logjes door en schrap ik alles wat weg kan. Een aantal logjes is verouderd of minder gelukt. En een enkele keer roept een tekst een onplezierige herinnering op. Daar kan ik goed zonder.

Toegegeven, het zou best wat kritischer mogen. In zeven jaar tijd heb ik pas 273 van de 1.450 logjes verwijderd. Was ik echt rücksichtslos, dan zouden hier enkel de mooiste en beste over blijven. Misschien komt dat ooit. Voor vandaag is 53 geschrapte logjes een prima resultaat.

Alleen verdwijnen daarmee ook de foto’s, zoals deze uit januari 2018. Ik heb hem toch maar van de shredder gered. Dit is de Oosterbeekse uiterwaard met hoogwater. Klik desgewenst op de foto voor een vergroting.

Nog even over Zwarte Piet

Vaak lijkt het alsof er nooit iets verandert in deze wereld. Machtsspelletjes zijn van alle tijden en achterstelling zal ook nog wel even blijven. Maar in mijn eigen denken ben ik toch gestuit op een ware paradigma-verschuiving. En wel in mijn visie op Zwarte Piet. Van Zwarte Piet moesten ‘ze’ afblijven, vond ik. Hij was mij dierbaar en hij hoorde er van oudsher bij. Bovendien zag ik hem als een volwaardige werknemer. Lees daar bleekmiddel voor de donkere huid maar eens op na:

‘Ik heb Zwarte Piet nooit als slaaf gezien. Sterker, ik ben zelf Zwarte Piet geweest. Daarom weet ik dat hij gewoon een medewerker is van Sinterklaas. Die twee hebben al lang een normale werkgever-werknemer relatie.’

Dit schreef ik ruim zes jaar geleden. In de tussenliggende tijd heb ik eens ergens gelezen dat Zwarte Piet een verzinsel was uit een recenter verleden. Maar dat ging er bij mij niet in. Zwarte Piet en Sinterklaas vormen een vaste combinatie en die bestaat al eeuwen.

Aan het bestaan van Sinterklaas heb ik trouwens nooit getwijfeld. Natuurlijk, dat hij met de boot uit Spanje komt, is baarlijke onzin. Sint Nicolaas kwam uit Myra in het huidige Turkije. Dat weet iedereen van boven de zeven.

Alleen las ik onlangs in Trouw iets over een zekere Jan Schenkman. Deze onderwijzer leefde in de negentiende eeuw. Het artikel ging over zijn antisemitische spotprentjes, die nu niet meer door de beugel kunnen. En terloops kwam Zwarte Piet in het artikel voor. Wat blijkt? Die Schenkman heeft onze Zwarte Piet in 1850 gewoon uit zijn duim gezogen!

Nou ja. Nu heb ik er eindelijk vrede mee, dat Sinterklaas dus wel bestaat, maar Zwarte Piet niet.

Depeche Mode, waardering na 40 jaar

Onlangs zag ik Depeche Mode: SPiRiTS In The Forest, een concertfilm van Anton Corbijn. Eigenlijk had ik weinig op met die band en hun elektropop. Neem het nummer ‘Just can’t get enough’. Da’s typisch zo’n gangmaker voor feesten en partijen. Het vrolijke deuntje ligt makkelijk in het gehoor en is mij te gelikt. Maar Anton Corbijn staat garant voor kwaliteit. En als hij een film aan een band wijdt, dan moet die groep wel speciaal zijn. Dus nieuwsgierig geworden keek ik toch. Het werd een openbaring.

Depeche Mode bestaat al veertig jaar en krijgt nog altijd hele stadions vol. De film toont tegelijk een portret van enkele fans die desnoods de halve wereld over reizen om hun idolen te zien. De songteksten hebben een diepere, bijna spirituele betekenis voor hen. Het weerzien, de sfeer, de muziek en veertig jaar levenservaring: dit alles maakt elk concert intens.

Live speelt Depeche Mode rauwer en anders dan ik van hun hits gewend ben. Dit is één van die bands die er altijd al waren, maar die ik onvoldoende heb opgemerkt. Gewoon, omdat ik volledig in de ban was van U2. In werkelijkheid is Depeche Mode beter dan ik al die jaren heb gedacht.

Frappant genoeg valt in diverse nummers een uitwisseling van invloeden te bespeuren. Bij I feel you van het album Songs of Faith and Devotion uit 1993 hoor ik zang van Oasis en kort gitaarspel van The Edge. Barrel of a gun van het album Ultra uit 1997 roept bij aanvang associaties op met Miami van U2. Dat nummer stamt eveneens uit 1997. En mijn favoriet, Never Let Me Down Again, herinnert vagelijk aan een concert van Siouxsie and the Banshees.

Dit is best logisch, want Siouxsie and the Banshees heeft Depeche Mode beïnvloed. Sterker, Siouxsie had daarvoor al Joy Division beïnvloed. En Joy Division kennen ze allemaal. Van die groep loopt er een regelrechte lijn naar U2, Depeche Mode, Oasis én Anton Corbijn.

Een aanvulling en een ontdekking

Vaak schiet mij nog wat te binnen nadat ik een log heb gepubliceerd. Dan pas ik het aan. Meestal verandert er weinig, maar soms is de ingreep drastisch. Zoals bij een recent log over asfalt in Duitsland. Ook deed ik een leuke ontdekking dankzij een log waarin een link naar Persepolis staat. Daarom gaan beide logjes in de herkansing.

De wonderlijke band tussen Duits asfalt en een straatmozaïek in de Leidse binnenstad

Eergisteren verscheen het log ‘Duits asfalt met kunst van Mondriaan’. Ik wilde het daarin genoemde logo van kunsttijdschrift De Stijl tonen. Dat durfde ik echter niet vanwege de regels rond het auteursrecht. Uiteindelijk plaatste ik slechts een link naar een foto op Wikipedia, met als gevolg dat mijn associatieve gedachte nauwelijks uit de verf kwam.

Ook ontdekte ik dat het logo aan het begin, en de figuren in de weg aan het eind van dezelfde lange-afstands-wandelroute zijn te zien. Dat verband vond ik frappant en een vermelding waard. Daarom kreeg dit log een nieuwe titel én een flinke aanvulling.

Ben jij nu benieuwd naar de bijzondere link tussen een weg in Duitsland en een Leids straatmozaïek? Lees dan Duits asfalt met kunst van De Stijl.

De eerste westerse vandaal in Persepolis was een Nederlander!

En hier komt de ontdekking. In ‘De keerzijde van de fotografie‘, schreef ik onder meer dit: ‘Al begin negentiende eeuw krasten rijke westerlingen hun namen in de monumentale panden van Persepolis. Ik heb de beschadigingen met eigen ogen gezien.’

Het stoorde mij dat ik bij ‘Persepolis’ naar een eigen logje had gelinkt dat matig relevant was. Dus moest er een link komen naar een pagina van Wikipedia. Eenmaal op die pagina beland, wakkerde een naam mijn nieuwsgierigheid aan. ‘Sketch of Persepolis from 1704 by Cornelis de Bruijn.’ Die krabbels van vroege reizigers … daar had ik toch foto’s van? Stond zijn naam er misschien bij?

En jawel hoor. Wellicht gaat zijn naam alleen nog rond in kringen van geschiedkundigen, maar zijn handtekening staat duidelijk linksonder op de Gate of All Nations: ‘C.D. Bruijn 1704’. Dé Nederlandse ‘ontdekker’ van Persepolis!