Streekgeluiden uit vroeger tijden

Sinds ik in de buurt van Arnhem woon, voel ik mij soms net een allochtoon. Zodra ik mijn mond open doe, horen de mensen hier meteen dat ik van elders kom. Omgekeerd is het voor mij gissen waar zij precies vandaan komen. Het Ernhems herken ik nu wel. Maar in Gelderland en Twente worden tal van dialecten gesproken. Die verschillen van dorp tot dorp. Vooral tijdens wandelingen op het platteland hoor ik van alles en nog wat.

Ook in onze straat spreken meerdere buren dialect. Zoals de schilder, die ik voor een klusje wil benaderen. Daar moet ik mij wel op voorbereiden, want een gesprek met hem is topsport. Hij praat snel en houdt van grootspraak. Omdat ik hem moeilijk versta, duurt het een paar seconden voordat ik besef wat hij bedoelt. Zijn woorden leggen een heel parcours af door mijn hersenen. Ergens onderweg gaat er dan een luikje van herkenning open. Pas daarna kan ik reageren. Tegen die tijd is hij al bij het volgende onderwerp.

Deze week gaf taalwetenschapper Marc van Oostendorp een lezing over streektalen en dialecten. Hij verwacht niet dat ze gauw zullen verdwijnen, maar wel dat ze vervlakken. Taal is continu in beweging, bijvoorbeeld doordat mensen uit verschillende regio’s woorden van elkaar over nemen. Streektalen en dialecten beschouwen we echter steeds bewuster als onderdeel van onze identiteit. Dit zie je terug in de groeiende waardering voor lokale muziek. Zo functioneert dialect eveneens als een soort Geuzentaal.

Herman Finkers is overigens een geval apart. Hij heeft van huis uit ABN geleerd, omdat zijn ouders dachten dat hij daardoor betere kansen zou krijgen. De teksten voor zijn optredens schrijft hij eerst op in het Nederlands. Vervolgens zet hij alles om in het Twents dat zijn oma sprak. Van Herman wordt dit geaccepteerd, maar westerlingen zouden dit niet moeten proberen. Zo gevoelig liggen taalkwesties wel.

De website van het Meertens Instituut bevat een goudmijn aan geluidsopnamen van streektalen en dialecten uit onder meer Nederland, België en Frankrijk. Alleen al van Leiden staan er zeventig gesprekken op uit de jaren zeventig. Vaak komen ouderen aan het woord, die over het leven van vroeger vertellen. Op de achtergrond hoor je vogeltjes zingen en kopjes rinkelen terwijl de mensen om tafel zitten.

Bij mij roepen de opnamen vooral nostalgische herinneringen op. In die tijd kon je nog spontaan bij buren, vrienden en familie langsgaan en een bakkie doen. Aan het Leids merk ik hoe de manier van praten in de afgelopen vijftig jaar is veranderd. Zelfs hoor ik dat de geïnterviewden beschaafder praten dan normaal. Er zitten tenslotte ‘deftige’ onderzoekers van de universiteit in de huiskamer.

De Dialectenbank is ideaal voor wie buiten zijn geboorteregio woont en af en toe iets vertrouwds wil horen.

Nieuwe serie: Levenslessen (1)

‘Wat is de belangrijkste les in jouw leven?’ Aldus luidde de vraag van een gezelschapsspel op kerstavond. Geen van de gasten had hierop direct een antwoord. Oh, in ruim vijftig jaar heb ik echt wel levenskennis opgedaan. Er zullen genoeg wijsheden op Raam Open staan. Maar daar aan tafel bleef het schimmig in mijn hoofd. Tot vandaag. Want in Trouw Tijd verschijnen elke zaterdag levenslessen van andere mensen. Deze week is neuroloog Steven Laureys aan het woord. En hij benoemt mijn allerbelangrijkste les: ‘Wacht niet tot je pensioen.’

Laureys vertelt waarom: ‘Mijn vader heeft zijn hele leven hard gewerkt en net voor hij met pensioen kon, diagnosticeerde ik zijn asbestkanker.’ Zo’n trieste ervaring kan je de ogen openen. Stel dat je alles opzij zet om toe te werken naar een doel in de toekomst. Je steekt er heel veel geld in. En je hebt nauwelijks tijd voor relaties of een gezin. Hoe voel je je dan als je dat doel nooit bereikt? De kans op spijt is levensgroot. Sterker, hard werken staat zelfs op nummer 2 in de top 5 redenen voor spijt.

Door zo’n ontnuchterend voorbeeld maken sommige mensen een radicale ommezwaai. Ze gaan verhuizen of ze veranderen van beroep. Of ze besteden eindelijk tijd aan iets wat ze altijd al hadden willen doen. Het mag ook minder groots. Ga in elk geval voor wat je echt belangrijk vindt en stel dit niet uit. Dat is de kern.

Voor mij kwam de ‘wacht niet tot je pensioen’– levensles op tijd. Ik was circa achttien jaar oud toen een klant van mijn werkgever drie maanden na zijn pensionering overleed. Hier schreef ik over in Prepensioen dankzij koopwoning, en eerder in Ode aan de parttime baan. Dankzij die levensles heb ik ingrijpende keuzes gemaakt. En nog steeds vormt deze les in mijn leven een leidraad.

De waarde van een leven

Na een wandeling maken we een extra ommetje over de stuwwal bij Berg en Dal. Voor een tuinhek bij een huis staat een doos vol boeken opgesteld. ‘Gratis. Neem mee.’ De bewoners hebben kennelijk opgeruimd. Matig geïnteresseerd werp ik er een blik op. Tegenwoordig lees ik nauwelijks nog een boek uit. Toch, een klein dun boekje trekt de aandacht.  >> Stil zijn is ontmoeten<<, staat er op de kaft. Het bevat een verzameling aforismen van Paul van den Bergh.

Volgers van Raam Open weten dat mijn logjes zich niet altijd makkelijk laten doorgronden. En wanneer iedereen naar links kijkt, zie ik graag wat er rechts gebeurt. Ik wil ook in 2020 eigenzinnige en tegendraadse hersenspinsels vastleggen. Gedachten waar anderen hopelijk iets aan hebben. Kronkels die je aan het denken zetten. Voor deze eerste dag leen ik er eentje uit het gevonden boekje.

‘De waarde van een leven wordt niet bepaald
door de hoogte tot waar het opklimt,
maar door de diepte tot waar het doordringt.’

Een heel goed 2020!

Een raadselachtig pand in kerstsfeer

Een foto van een oud huis in Deventer met kerstkrans aan de voordeur. Je zou er zo een wenskaart van kunnen maken. Het pand valt op door de smaakvolle rood-grijs-groene kleurencombinatie. Maar het zit ook vol raadsels. Want wat zien we hier allemaal?

De roodbruine stenen muur draagt versterkt grijs metaal als raamluiken en voordeur. Dat doet denken aan een club voor leden of een bewoner met hang naar de middeleeuwen. Boven de deur prijkt een zwarte gevelsteen met Centaurs en dames. En dan die schaatsen in de kerstkrans. Griekse mythologie meets oer-Hollands winterplezier? Hm, dit maakt nieuwsgierig. Welk karaktervol type zou hier nu wonen?

Hoe dan ook, fijne dagen toegewenst.

Twee giraffen voor de kerk

In Deventer staan twee giraffen voor de Lebuïnuskerk: een moeder met een jong. Ze hangen vol lampjes en zijn in het donker goed te zien. Overdag is dat wel anders. Dan verdwijnen ze bijna in de kleurschakering op de achtergrond. Volgens internet doen deze gracieuze dieren niet aan camouflage. Toch werken hun schutkleuren perfect.

Schoonheid in verval

Men zegt dat er schoonheid schuilt in verval, ofwel in vergankelijkheid. Dat lijkt mij nogal betrekkelijk. Was het bijwonen van de instorting van het Romeinse Rijk dan zo fraai voor de inwoners van Rome? Dat verliep tergend langzaam. Of neem een stinkend en rottend karkas waar de maden zich een weg doorheen banen. Ook dat is vergankelijkheid. Ik word een beetje obstinaat van al te kleffe uitspraken. Maar het is waar. Soms schuilt er wel degelijk schoonheid in verval.

Wat maakt nu precies het verschil tussen een mooie of lelijke vorm van verval? Misschien heeft het te maken met onze cultuur en religie, met de tijdgeest, met wie we zijn, of met onze positie in de maatschappij. Als je van de VPRO-bent, zie je waarschijnlijk schoonheid in een vervallen fabriekshal. Vooral wanneer iemand zo’n hal kunstzinnig filmt. Terwijl in de jaren zeventig hele historische binnensteden voor nieuwbouw werden platgewalst. Kijk je graag naar RTL 4, dan zie je wellicht iets moois in wrecked car races. RTL is er speciaal voor mannen, dus als vrouw herken je de schoonheid van dit soort races vast niet.

Schoonheid kan schuilen in uiterlijkheden, maar evengoed in innerlijk (karakter), functie of betekenis. Maden in een karkas zijn op het oog tamelijk goor. Toch hebben zij een zeer nuttige functie. Zij zorgen ervoor dat de weke delen efficiënt verteren en als meststof in de natuur terugkeren. Zo beschouwd, maakt oneindige recycling alles wat op natuurlijke wijze kan vervallen mooi.

In onze huidige cultuur houden de meeste mensen meer van een fris begin dan van een naderend eind. Een pasgeboren puppy, een nieuwe bloem, een rozig baby’tje: ze wekken verwondering, blijdschap en vertedering op. Is het dan een teken van vervreemding, wanneer we de schoonheid van vergankelijkheid in een mens, dier of plant niet kunnen zien?