Onderweg naar de tandarts

Het regent en ik moet extra vroeg op vanwege een tandartsafspraak.
Reden genoeg voor een baaldag. Maar dat is buiten de route gerekend. Want hoeveel mensen kunnen naar de tandarts via een Lange Afstand Wandelpad? Er loopt bovendien een Streekpad langs de praktijk. Dus mag ik kiezen. Wordt het deze keer het Veluwe Zwerfpad, of het Maarten van Rossumpad?

Uhm, … nou, … weet je wat? Doe ze allebei maar!

De watermolen.

Het pad in het Sonsbeek park.

Langs een vijver met uitzicht op de stadsrand.

En een stukje van de Burgemeesterswijk.

Het Arnhemse park Sonsbeek is een ideaal beginpunt voor uitstapjes. Vandaar dat hier altijd twijfel ontstaat. Want is dit nu een wandeldag, of ben ik op weg naar de tandarts?

Zicht vanaf de Waalbrug op Arnhem

Als blogger moet je wel je verantwoordelijkheid nemen. Zo mag je je volgers niet in gevaar brengen. Dus als één van hen (Mack) achter het stuur van zijn auto zit, en midden op de Nijmeegse Waalbrug in de verte Arnhem probeert te ontwaren (naar aanleiding van onze reacties op het logje over bruggen in Nijmegen), dan voel ik mij wel geroepen om in te grijpen. De situatie op die brug is namelijk verre van ideaal vanwege werkzaamheden.

Daarom plaats ik nog liever bovenstaande te vage foto. Wanneer je op die foto klikt, krijg je een vergroting.

En kijk je vervolgens héél goed naar de horizon boven de rood-witte wegafzetting, dan ontwaar je precies ter hoogte van de middelste rode streep de blauw-groene torenflats bij station Arnhem Centraal. Plus de TenneT-toren rechts van de lantaarnpaal.

Volgende keer zal ik wel een betere foto maken.

Domweg gelukkig in eigen huis

Wanneer de dakdekker halverwege de middag klaar is en ik de poortdeur achter hem dicht trek, overvalt het me. Het gevoel dat ik had toen ik hier nog maar net woonde, nu een kleine vijf jaar geleden. Ik ken het ook van vakanties en van verre reizen: wanneer je na een lange rit eindelijk aangekomen bent op de plaats van bestemming.

Moe, maar intens tevreden. Bijna vlinders in je buik. Alsof de wereld voor je open ligt en het allemaal staat te beginnen. In het besef hoe bevoorrecht je bent. Omdat je hier kunt wonen. Omdat het eind van de lijst is bereikt. Ondanks dat je weet: dit gevoel duurt misschien slechts even. Het kan zo weer verdwijnen.

Vitesse-vlaggen op de Nelson Mandelabrug

Tot mijn vroegste herinneringen aan Arnhem behoort een autorit met mijn zus langs het station, over de Nelson Mandelabrug, naar U2 in het GelreDome. We arriveerden ruimschoots op tijd voor het concert. Daarom liepen we over de brug terug en zaten we een uurtje op een terras bij het water aan de Rijnkade. Dat stukje Arnhem doet mij altijd denken aan Frankrijk. Misschien door de ongedwongen sfeer, de kade en de kasseitjes. De fly-overs dragen ook bij aan dat buitenlandgevoel.

Het heeft wel iets stoers, die fly-overs, zo vlak bij het centrum. Ze bezorgen mij een grote-stadgevoel dat ik niet van andere Nederlandse steden ken. Behalve Rotterdam, natuurlijk. Die stad blijft de uitzondering.

Als automobilist ben je op een fly-over vooral bezig met netjes op de rijbaan blijven tussen de brugleuningen in. Zelf rij ik er alleen als buspassagier overheen. Dan biedt de brug een mooi uitzicht over de stad en de rivier. Maar vaker kijk ik als voetganger vanaf straatniveau tegen het bouwwerk aan. Daar geldt de menselijke maatstaf en die blaast de proporties van al dat beton flink op. Lopend aan de linkerkant over het Nieuwe Plein zie je goed hoe imposant de kronkels van de rijbanen zijn.

Deze locatie heeft iets onwerkelijks. Hier is sprake van meer dan een gewone tegenstelling. Dit betreft een regelrechte clash, een botsing. Want aan de ene kant staan statige oude huizen langs wat ooit een boulevard moet zijn geweest. En aan de andere kant is er het geweld van grove bouwmaterialen en het voortrazende verkeer.

Afgelopen woensdag kwam ik er weer. Donkergrijze regenwolken naderden vanuit het zuidwesten, terwijl de zon de wapperende Vitesse-vlaggen fel bescheen. Ik heb er in de schaduw van een boom recht tegen het licht in foto’s genomen.

Hemelse kroonluchters in Eusebius

Januari 2020. Aan het eind van een dagje Arnhem wil vriendin J nog even snel de Eusebiuskerk bezichtigen. We staan al bij de ingang aan de balie. Voor de eerst zie ik de kerkzaal van binnen, waarin grote gouden lampen hangen … En weiger.

Dit is geen gebouw om af te raffelen. Die lampen alleen al verdienen de volle aandacht.

Gisteren ben ik er voor een uitgebreide fotoshoot terug geweest. Nu heb ik ontdekt hoe de kroonluchters heten: Macchina della Luce. Ze zijn Italiaans. Uiteraard. Ik had het kunnen weten.

Contrast: Arnhemse gebouwen met lijnen en krullen

De Arnhemse binnenstad telt veel contrasterende gebouwen en structuren. Oud staat naast nieuw, groen naast beton, enzovoort. Vandaag passeerde ik deze wenteltrap. Met elke volgende stap die ik zette, veranderde het perspectief. Ik ben langzaam op mijn schreden teruggekeerd, tot de trap van het witte gebouw met het bruine gebouw samenviel. Strakke lijnen verbonden door sierlijke krullen.

‘Je gaat het pas zien als je het doorhebt.’, zei Johan. Ja, meneer Cruijff.
(Hij had eens moeten weten dat ik hier naartoe werd gelokt door de felgele Vitesse-vlaggen op de Nelson Mandelabrug tegen de achtergrond van een donkergrijze wolkenlucht. Dat was trouwens ook een mooi contrast.)

Op verkenning in voorouderlijk gebied

Via de familiewebsite ontvang ik een bericht van een onbekende man. Hij schrijft dat we een voorouderlijke familie delen. En hij heeft nog drie oudere generaties ontdekt. Ons voorgeslacht leefde 300 jaar geleden in De Liemers en mijn nieuwsgierigheid is direct gewekt.

In de jaren negentig woonde ik in Leiden en daar bezocht ik wekelijks het archief. Ik vond er toen een huwelijksregistratie uit 1725 van een ‘jongeman van ’t Tolhuys int Land van Cleef’. Bedoeld werd de landsheerlijke burcht bij Lobith. Daar waar Lodewijk XIV in rampjaar 1672 de Rijn overstak. Sindsdien staat die regio hoog op mijn verlanglijst als wandelgebied.

In februari 2019 kwam ik er voor het eerst in de buurt. Onze wandelroute liep vanuit Zevenaar richting de oude Rijnstrangen en onderweg passeerden we Herwen. Ik moet de kerktoren hebben gezien. Een paar maanden later maakte ik een boottochtje naar Fort Pannerden. Onwetend dat er ook in Herwen en Pannerden voorouderlijke sporen en wortels liggen.

Al zijn het wel hele kleine worteltjes, want waar hebben we het over? Mijn voorvader uit het Tolhuis bij Lobith behoort tot de negende generatie. Dus even rekenen: twee ouders, vier grootouders, acht overgrootouders, enzovoort. Dan komen we bij generatie negen uit op 512 voorouders.

Nou ja, er wonen nog altijd nazaten daar. Ik ga binnenkort toch mooi op verkenning op mijn nieuw ontdekte voorouderlijke territoir.