Over bevlogenheid en bedrijfscultuur

Bij bevlogenheid denk ik aan werksituaties waarin ik helemaal in mijn element ben. En ik herinner me voorvallen waarbij dat werd tegengewerkt. Zoals het absurde voorbeeld van gisteren. Uit België komt een verbaasde reactie: ‘En dat in Nederland.’ Tja, dit is net een gewoon land. Ik heb op meerdere continenten bij internationale organisaties gewerkt en collega’s van allerlei nationaliteiten gehad. Soms denk je dat je de nationale cultuur wel een beetje kent. Maar per persoon en per organisatie kan daar flink verschil in zitten.

Er gaat weinig boven zelfstandig met passie en concentratie aan interessante klussen werken. Daar krijg je energie van. Ondanks de werkdruk en alle regeltjes doen Nederlandse werkgevers moeite om het bevlogen werknemers naar de zin te maken. Dat is economisch gezien ook in hun belang. Ons land telt zelfs het hoogste aantal bevlogen werknemers. Veel meer dan Frankrijk, bijvoorbeeld.

Daar is een simpele verklaring voor. Frankrijk is bij uitstek een hiërarchisch land. Terwijl werknemers in Nederland niet voor elk wissewasje toestemming hoeven vragen. Zij kunnen vaak zelf bepalen hoe ze hun tijd indelen en hun werk aanpakken. En ze hebben inspraak. In Nederland overheerst het pluriforme protestantisme en in Frankrijk het universalistische katholicisme.

De uitzonderingen zitten vaak precies waar je ze niet verwacht. Zo dacht ik vroeger dat Amerikaanse bedrijven vooruitstrevend zijn. Maar ze zijn vooral bezig met risico’s uitsluiten. Voor innovatiekracht kan je beter naar Oost-Afrika kijken. ‘Originele’ Amerikaanse filmscripts worden regelmatig gejat uit Frankrijk. Van een Nederlandse hippe start-up had ik nooit verwacht dat de jonge eigenaar zeer star was. Sommige commerciële bedrijven zijn trouwens socialer dan hulporganisaties. En de hartelijkste zakenrelatie die ik ooit heb ontmoet, was een Rus.

Even terug naar het stukje van gisteren. Een gerenommeerde universiteit kan uitblinken in wetenschap en innovatie, maar tegelijkertijd haar organisatiestructuur verwaarlozen. Dat is een kwestie van prioriteit en helaas geen zeldzaamheid. Dan kan een manager komen met een dooddoener als ‘Zo gaat dat hier nu eenmaal’. Maar dit zegt soms meer over zijn eigen belang (of gebrek aan wilskracht en oplossingsvermogen), dan dat het staat voor de cultuur van een hele organisatie.

Voordelen van de zeven hoofdzonden – 4 Woede

Van alle hoofdzonden ken ik Ira (woede) het best. Woede, toorn en wraakzucht pakken doorgaans destructief uit. Zowel voor degene waarop de woede is gericht, als voor de woedende persoon zelf. Logisch dat woede bij de zeven hoofdzonden hoort. Maar het geeft ook een enorme kracht die constructief kan werken. Wat je hiervoor moet doen, is woede kanaliseren.

De oorzaken voor woede zijn legio. Gepasseerd of genegeerd worden. Respectloos worden behandeld. Bestolen of bedrogen worden. Minder krijgen dan je rechtmatig toekomt. Verliezen. In gevaar worden gebracht door andermans rijstijl. Enzovoort. Zit je slecht in je vel, dan drijft een haperende printer je al tot razernij. Mij tenminste wel. Want je eigen gemoedstoestand heeft invloed op de mate waarin je kwaad wordt.

Sociale intelligentie, normen en waarden bepalen vervolgens hoe je met woede omgaat. De een is assertief opgevoed en kan altijd ad-rem reageren. De ander weet slechts zijn vuisten te gebruiken en ramt erop los uit machteloze frustratie. Bij bepaalde mensen lijkt het wel alsof ze leven op woede. Ook zijn er de binnenvetters en de vertwijfelden. Vaak leer je pas na veel vallen en opstaan hoe je woede goed en effectief kan aanwenden.

In Amerikaanse gevechtsfilms wordt woede verheerlijkt. De verongelukte held neemt het dan in zijn eentje op tegen de rest. Maar in het gewone leven kunnen anderen woede meestal niet waarderen. Dit maakt het extra frustrerend. Want ben je eens ontzettend kwaad, dan moet je je emoties verbergen. Omdat uiting van woede een zwaktebod zou zijn. Daar geloof ik niet in.
De emotie mag worden gezien; die is er omdat je je bedreigd voelt. Ik schaam mij niet voor woede. Wel wil ik bij een confrontatie uitspraken vermijden waar ik later spijt van krijg. De ander in zijn waarde laten terwijl je zelf kwaad bent, vergt al genoeg zelfbeheersing.

Gevoelens van onmacht zorgen voor venijn en agressie. Maar laat je bij woede niet meesleuren door irreële en negatieve gedachten. Focus op de feiten. Bij woede komt adrenaline vrij. Die energie kan je gebruiken om scherp en creatief te denken. Zodat je gericht vervolgstappen kan zetten. Dankzij woede bereik je soms meer dan normaal. Dus zelfs deze hoofdzonde heeft een voordeel.

Hoe ga jij met woede om?

Ouderdom komt met gebreken

Werkgevers denken dat oudere werknemers vaak ziek zijn. Dat kan ik eenvoudig weerleggen. Overal waar ik heb gewerkt, meldden jongere collega’s zich vaker ziek dan ik. Als ze gewoon verkouden zijn, noemen zij dat griep. Toch begrijp ik dit wel. De huidige prestatiedruk laat geen ruimte voor kwaaltjes toe. Mijn kwaaltjes zijn niet ernstig, maar ze kunnen wel hinderlijk zijn bij enkele beroepen. En het worden er met de jaren meer. Ik zal de vier invloedrijkste noemen.

Een sterk schommelende bloedsuikerspiegel. Ik heb geen diabetes, maar ik MOET op tijd eten. Al is een vergadering nog zo belangrijk, ik eet tussendoor. Alles om een inzinking te voorkomen. Want die is gênant. Heel gênant. Het zweet breekt me dan letterlijk uit en mijn blouse raakt doordrenkt. Ik word duizelig en slap. Ook krijg ik van die bibberhandjes, terwijl ik al een lichte tremor in mijn vingers heb. Nooit kan ik zeker zijn van mijn energieniveau. Het voordeel van zo’n inefficiënte stofwisseling is wel dat ik straffeloos kan eten als een dijkwerker.

Een halfdicht linkeroor. De laatste twintig jaar komt dat steeds vaker voor. Toen ik vorige keer mijn oor liet uitspuiten, kwam er een flinke oorontsteking achteraan. Nu twijfel ik of ik weer naar de huisarts zal gaan. Dat oor piept namelijk al weken irritant. Ook door gehoorschade en tinnitus hoor ik niet optimaal. Daarom wandel ik in groepjes meestal links en achteraan. Anders mis ik de helft van wat anderen zeggen. Soms komt dat wel goed uit, trouwens.

Aan mijn stem mankeert niets, alleen praat ik van nature zacht. Daardoor denken mensen gewoonlijk dat ik timide ben. (Een vergissing.) Als ik veel of hard moet praten, word ik snel hees. En als ik verkouden ben, verdwijnt mijn stem soms helemaal. Toen het vorig jaar weer zover was, werd ik gebeld voor een baan bij een callcenter. De recruiter en ik waren gauw klaar.

Tot besluit heb ik een beetje last van holvoeten. Klinkt raar, maar mijn voeten zijn wel mooi. Alleen kan ik geen schoenen met hoge hakken meer dragen. Als ik lang moet staan, raakt een zenuw in mijn rechtervoet bekneld. Nu heb ik op maat gemaakte inlegzooltjes, die dat gedeeltelijk opvangen. Maar een staand beroep hou ik niet lang vol. Vandaar al die kantoorbanen. Je moet toch wat, nietwaar?

Meid, het is vreselijk

Toevallig dacht ik deze week aan een tekening van Peter van Straaten. Bij de werkgroep voor en door werkzoekenden heeft iemand van ons een flinke dip. Dat kan gebeuren. We maken het vroeg of laat allemaal mee. Ze zoekt al jaren naar werk. Het wil maar niet lukken en haar dochter is deze week erg nukkig. Dan moet ze ook nog fris en fruitig werkgevers benaderen. ‘Je moet er steeds maar op af gaan. Je moet jezelf telkens over de drempel krijgen. Je moet iedere keer weer bellen.’, verzucht ze.

‘Ja,’ beaam ik ‘af en toe word je er doodmoe van. Steeds weer die lijsten met vacatures doorspitten en pakkende brieven schrijven.’ Want als werkzoekende kan je makkelijk zwelgen in zelfbeklag. En dat mag. Alleen helpt het je niet verder. Ik wil haar graag een beetje oppeppen. Daarom vertel ik over diverse strategieën om jezelf te motiveren. Bijvoorbeeld: niet plichtmatig solliciteren, maar eerst dingen doen die je leuk vindt. Dat geeft namelijk inspiratie en energie. In mijn geval werkt bloggen goed. Daarna kan ik ook wel weer zo’n sollicitatie aan.

Ik vertel haar over mijn gebruikelijke werk ter relativering. ‘In mijn functies als secretaresse, planner en programmamedewerker werkt het net zo. Dan moet ik er ook steeds op af. Mensen achter hun vodden aan zitten, zorgen dan dingen gedaan worden, keer op keer nabellen en alles zelf regelen. Want daar werd ik juist voor aangenomen. Als ik daaraan denk, is solliciteren slechts een klusje op mijn takenlijst. Na gedane arbeid streep ik dat tevreden af.’

Toch baalden ik en mijn collega’s soms evenzeer van zulk werk. De management assistente van een vroegere werkgever had een toepasselijk plaatje gevonden. Een tekening van Peter van Straaten waarop twee rokende en koffie leutende vrouwen aan een bureau zijn te zien. Waarin de ene vrouw tegen de andere verzucht: ‘O meid, het is vreselijk. Je moet hier alles zelf doen.’ Het hing ter ooghoogte op haar deur. Toen ik later het secretaressehandboek voor onze afdeling schreef, scande ik het prominent op het voorblad.

Peter, bedankt!

Wisselend energieniveau

Sterke en gezonde mensen staan zelden stil bij het voordeel dat ze van hun conditie hebben. Meestal nemen ze voor lief dat ze geen pijn voelen en altijd energiek zijn. Mijn ervaring is dat zij zich soms moeilijk kunnen voorstellen hoe het voor anderen is die minder fit en krachtig zijn. Zeker wanneer er aan de buitenkant niets te zien valt.

Ik ben gezond en (waarschijnlijk) vooral mentaal redelijk sterk. Maar ik heb wel te maken met een wispelturig energieniveau. Afgezien van voldoende slaap, spelen enkele andere zaken een rol. De belangrijkste is dat ik op tijd moet eten. Daar kan ik niet omheen.

Als ik op vakantie ga, heb ik voor minstens een week aan noodrantsoenen bij me. Die bestaan uit broodjes voor de eerste dag, fruit, pakken mueslikoeken, nootjes, en dergelijke. Ik moet opletten met suiker en maaltijden goed plannen. Anders word ik slap en duizelig en breekt het klamme zweet mij uit. Daar hoef je echt geen diabetespatiënt voor te zijn. Volgens de huisarts is alles in orde.

Toch kan ik zo vreselijk moe worden van mensen die meer energie hebben dan ik. Mensen die meer praten, beweeglijker zijn en meer uithoudingsvermogen hebben. Mensen die korter pauzeren, sneller lopen en harder tegen een heuveltje op fietsen dan ik. Dat is bijna iedereen dus. Ik word continu overtroffen door mensen die vijftien jaar ouder zijn dan ik. Vreemd genoeg zijn ze meestal niet jonger, overigens.

Kom ik na een zware wandeltocht thuis, dan mailt een oudere vriendin: ‘Had je nog last van spierpijn?’ ‘Nou,’ schrijf ik terug ‘ik was wel behoorlijk stijf, hoor.’ Schrijft zij: ‘Eerlijk gezegd had ik nergens last van. ‘s Avonds moest ik nog lang in de keuken staan om eten voor bezoekers te bereiden.’ Echt, het mag dan een vriendin zijn, maar soms kan ik zulke mensen niet uitstaan. Nooit hebben ze ergens last van. Het gaat altijd goed. Bah.

Schrijven en schrappen

Wil je goed schrijven, dan moet je kunnen schrappen. Daarom krijgt dit bericht nu een totaal andere wending. Het bericht van gisteren heb ik ook geschrapt, want iets vergelijkbaars schreef ik al een paar maanden geleden. Ach, een mensengeheugen is nu eenmaal niet zo feilloos als dat van Google.

Weet je wat? Laten we wereldwijd jaarlijks een ‘internet-schrap-dag’ organiseren. Op die dag verwijdert elke webmaster, Facebooker en Twitteraar zijn verouderde websites, berichten of gegevens. Google gaat dan vriendschappelijk meewerken.

Nog liever zie ik in alle softwareprogramma’s een vakje met ‘publiceren tot [datum]’-optie. Sommigen systemen hebben dat al. Daarmee kan je de publicatieperiode zelf bepalen en verlengen. Als dit standaard op een jaar na dato staat, verdwijnt er automatisch veel van internet. Dat scheelt een hoop overbodige zoekresultaten. En het bespaart energieverbruik van geheugensystemen in kolossale gebouwen. Wat wil je nog meer?

Is generatie Y een eliteclub?

In de Volkskrant van 29 april staat een interessant betoog over de drijfveren en zoektocht van generatie Y. Rianne Phillipsen, geboren in 1991 en masterstudente filosofie aan de Rijksuniversiteit Groningen, is daar lid van. Zij stelt dat haar generatiegenoten zijn opgevoed met het besef dat zij dankzij hun ouders alle kansen krijgen en daarom moeten excelleren. Dat maakt hen niet besluiteloos of ongemotiveerd. Deze generatie heeft wel moeite om aan alle ingeprente verwachtingen te voldoen. En voelt zich moe en eenzaam.

Generatie Y is tussen 1982 en 2001 geboren. Het is riskant om hier kenmerken aan te verbinden. Zo ervaart generatie Y stress bij de gedachte lang bij hetzelfde bedrijf te moeten werken. Begin jaren tachtig gingen veel jonge werknemers hier juist wel van uit. Toch betwijfel ik of dat toen de wens van twintigers was. Volgens mij is het logisch dat starters verschillende bedrijven of sectoren willen verkennen, en zich verder ontplooien.

In Amerika wordt sinds de jaren zestig onderzocht hoe jongeren daar in het leven staan. Op Wikipedia staat een samenvatting van dit onderzoek. In vergelijking met babyboomers (1945-1960) en generatie X (1961-1981) hecht generatie Y meer aan geld, is minder geïnteresseerd in politiek en het ontwikkelen van een levensfilosofie, en wil weinig doen voor maatschappij en milieu.

Rianne Phillipsen komt deels met een tegengesteld geluid: We zien een generatie [babyboomers en generatie X] die een uitputtingsslag heeft gevochten voor onhaalbare idealen. Idealen die niet per se de onze zijn. Dus zijn wij op zoek naar nieuwe rol- modellen, nieuwe inspiratiebronnen. We zijn op zoek naar een manier van leven die ons gelukkig maakt, zonder onszelf, onze bronnen of de wereld om ons heen uit te putten. Duurzaamheid is voor ons niet alleen belangrijk wanneer het gaat om energie en kleding, maar we hechten bovenal belang aan ons eigen lichaam en geest: we willen onszelf niet kapot maken met een druk tot presteren […] We kiezen een studie die we leuk vinden, laten een slopende baan met de belofte op een hoog salaris schieten of zoeken een manier om geld te verdienen zonder de bevestiging van een diploma.

Er is een duidelijk verschil tussen jonge mensen uit opkomende landen en de VS/Europa. Wikipedia: Bij generatie Y in de BRIC-landen staat geld verdienen met stip op de eerste plaats. Bij generatie Y in Europa en de VS moet het werk uitdagend en belangrijk zijn en het salaris marktconform.

Hoe zit het nu precies? Ik denk dat kenmerken per generatie voor een groot deel afhangen van het eigen welvaartsniveau. Als je de huur niet kan betalen, heb je wat anders aan je hoofd dan inspiratie in je werk zoeken en wachten op de ideale baan. Socio-economische omstandigheden en afkomst spelen een rol. Zelfs binnen een land. In de VS is er verschil tussen blanke Amerikanen en jongeren van Afrikaanse of Latijns-Amerikaanse afkomst. Iets vergelijkbaars zie je bij ons. Daarnaast scheelt het of je uit progressieve of behoudende kringen komt. Wat Rianne beschrijft, is wat ik al 35 jaar wil. Het is ook wat hippies voor mijn tijd al zochten. Dat is niet typerend voor haar generatie.

Waarin haar generatie vermoedelijk anders is, is dat zij sneller een eigen bedrijf start. Dat gaat qua regels nu makkelijker dan 35 jaar geleden. Ook vanwege de toegang tot kennis en netwerken via internet. Haar generatie is als kind veel meer geprezen, gestimuleerd en serieus genomen dan generatie X en de babyboomers. Hierdoor staan zij steviger in het leven dan kinderen die bescheidenheid werd aangeleerd.

Toch, dat haar generatie zich moe en eenzaam voelt en te hoge verwachtingen vreest, begrijp ik wel. Zij leeft in een competitiever land dan Nederland 35 jaar geleden was. Toen was een deel van de banen nog redelijk zeker. In diverse sectoren kwam er nog weinig concurrentie vanuit het buitenland. Efficiëntie was door reorganisatie op reorganisatie nog niet tot het uiterste opgevoerd. Of door bemoeizucht van managers gesloopt. Leuke banen in de creatieve en non-profit sectoren waren nog niet wegbezuinigd. Plus: er werden minder waanzinnige eisen aan sollicitanten gesteld. Nu moet je zo ongeveer een alles kunnende tv-ster zijn.

Is het voor een deel gewoon angst om het veilige nest te verlaten en op eigen benen te staan? Algemeen gesteld is deze generatie meer gepamperd dan hun voorgangers, maar de maatschappij is wel harder geworden. Haar toekomst is net zo onzeker als die voor de twee voorgaande generaties was. Sinds 1945 is er vrijwel geen jaar geweest zonder dreiging uit het oosten en/of milieudoemscenario’s. Alles verandert voortdurend en keert met een golfbeweging terug. Ook de groeiende vermogenskloof. Ik vestig mijn hoop deels op de innovatiekracht en opvattingen van jongeren. Er lijkt al wat op gang te komen.