Als een landvrouwe

Lichtenbeek oranje koraalzwam

Waarom is er een mannelijk woord voor de eigenaar van een landgoed (‘landheer’) en komt ‘landvrouwe’ niet voor? Vrouwen kunnen toch al eeuwen landgoederen bezitten? ‘Landfreule’ bestaat wel. Dit woord staat voor een freule die op het platteland woont. Dat maakt toch wat minder indruk dan de eigenaresse van een landgoed zijn.

‘Landjonker’ komt eveneens voor. Dat is een landedelman. Een ‘landjuffer’, echter, is wederom een juffer die slechts op het land woont. En is zij wel edel? Verder heb je een ‘landarbeider’ (mannelijk woord), een ‘landbouwer’ (hij die voor zijn bestaan de akker bebouwt), een ‘landdrost’ (dat waren vroeger altijd mannen), en een ‘landmeisje’ (een meisje op het platteland). Ja, duh.

Ik vind het maar belachelijk. Op sommige landgoederen hier in de buurt ken ik elk paadje en ieder weggetje. Zelfs weet ik tot op de vierkante meter precies waar de paddenstoelen groeien. Als ze groeien, tenminste.

Het jonge koraalzwammetje hierboven, bijvoorbeeld, zou geen ‘landheer’ weten te vinden. Want zo’n ‘landheer’ inspecteert zijn landgoed natuurlijk uitsluitend te paard. Terwijl ik als ‘landvrouwe’ gewoon mijn laag-bij-de-grondse wandelingetjes zou maken. Dan zie je zo’n één centimeter groot koraalzwammetje wel staan. Als je goed oplet, tenminste. Dus vind ik dat die titel mij veel meer toekomt.

Vrouwendag – Vaders dag

Het was me bijna ontgaan dat het Vrouwendag is. Dat komt omdat 8 maart de verjaardag van mijn overleden vader was. Zijn foto staat op tafel. Vanachter de laptop gezien is hij altijd dichtbij. Mijn vader was niet nadrukkelijk met zijn man-zijn bezig. Ik betwijfel of hij mij wezenlijk anders zou hebben behandeld indien ik een zoon was geweest. Waarschijnlijk vond mijn vader het vooral belangrijk dat ik mezelf kon zijn. Het vrouwen-bewustzijn komt van mijn moederskant. En dan met name het daaraan verbonden onrecht.

Ik doe mijn eigen ding en wat een ander daar van vindt, moet die ander maar weten. Mijn vader accepteerde mij meer zoals ik ben. Dit in tegenstelling tot mijn moeder, die van alles van mij vindt.

Mannen hebben mij zelden in de weg gezeten; vrouwen daarentegen vaker. Neem econome Heleen Mees, die maar blijft drammen dat vrouwen fulltime moeten willen werken. Of neem feministen, die het belachelijk vinden dat een man van mij best kostwinnaar mag zijn. Alsof je rol als vrouw dan per definitie minder voorstelt. Vrouwen die zo doorschieten in hun mening, nemen dezelfde houding aan als ouderwetse, belerende mannen doen.

Volgens mij is slechts één opvatting belangrijk, namelijk dat vrouwen binnen de algemene grenzen van vrijheid ongehinderd zichzelf mogen zijn.

De emancipatie ging aan mij voorbij

Bovenstaande titel heb ik in gedachten als de Volkskrant op de mat valt. Groot op de voorpagina staat ‘Generatie huisvrouw zwaait af’. Voor het eerst hebben de meeste 45-plusvrouwen een baan. Het gaat om een nipte meerderheid van 50,1%. Als alleenstaande kostwinnaar vind ik een betaalde loopbaan echter niet zaligmakend.

Tot in de jaren zestig kregen vrouwen hun ontslag zodra ze trouwden. Hun levensinvulling bestond uit het moederschap, vond men. Naast hun rollen van liefhebbende echtgenote en degelijke huisvrouw. Zo werden ze automatisch financieel afhankelijk van hun man. De kerk en het patriarchaat hielden dit graag in stand. Mannen waren trots dat ze voldoende verdienden voor hun gezin. Werkte een echtgenote toch, dan was dat eigenlijk gênant, voor haar man. En was ze wel een goede moeder dan?

Mijn moeder had voor haar huwelijk een administratieve baan. Vervolgens zat ze veertien jaar thuis. Met kleine kinderen was dat handig, want er waren geen crèches in de buurt. Maar regelmatig verveelde ze zich. Toen ik tien jaar werd, ging ze op zoek naar parttime werk. Het was net oliecrisis. Ze was blij met een bijbaantje in de supermarkt. ‘Dan was ik er tenminste even uit.’, vertelde ze onlangs.

Mijn beeld van haar leven in die tijd was tamelijk positief. Ik herinner me zomers met fietstochtjes naar het zwembad en de Wassenaarse Slag. Lekker ontspannen. En ik zie mijn moeder nog zitten in de tuin. Even een bakkie doen en de Libelle lezen, een praatje maken met de buurvrouw, of aardappels schillen in de zon. Op woensdag ging mijn moeder naar de stad en langs bij oma. En ‘s middags haalde ze groenten van onze volkstuin. Het ging er heerlijk relaxed aan toe. Zo’n leven wilde ik ook wel.

Al deed mijn moeder het huishouden, ze had genoeg tijd voor hobby’s. Zoals zich verdiepen in kunst- en cultuurgeschiedenis. En lezen over de verzorging van haar tuin- en kamerplanten. Wijs een plant aan en zij noemt de Latijnse naam. In de jaren zeventig kwam de VOS-cursus: Vrouwen Oriënteren zich op de Samenleving. Mijn vader vond het allemaal best. Hij legde haar geen strobreed in de weg. Maar als stadse kon mijn moeder slecht wennen aan de traditionele dorpscultuur van dat moment. Terwijl ik als kind het buitenleven daar heerlijk vond.

De meeste klasgenootjes op mijn basisschool kwamen van boerderijen. Die school was een katholiek instituut met een autoritair hoofd. Nog in 1975 stuurde hij meisjes door naar de lagere huishoudschool. ‘Want ze gaan later toch trouwen.’ Zelfs al hadden die meisjes volgens de CITO-toets atheneumniveau. Bij een reünie in 2003 bleek dat veel vroegere klasgenootjes eenvoudig werk deden in de zorg. En bijna alle jongens hadden een technisch beroep gekozen.

Ook ik leek voorbestemd voor het huisje-boompje-beestje-leven. Mijn moeder drong wel aan op goede scholing, maar als puber kon mij dat niet boeien. Ik wilde het liefste jong trouwen en daarna kinderen krijgen. Daar rekende ik op en opleiding was minder belangrijk.

Maar toen ik zeventien was en met een LHNO-diploma van school kwam, had ik nog steeds geen vaste verkering. Die zomer begon het tot mij door te dringen dat het misschien een beetje anders zou lopen dan gedacht. Na een week in een slagerij had ik wel door dat dat het ook niet was. Misschien kon ik toch maar beter iets gaan leren.

Zo belandde ik in een schakelklas van een streekschool voor vergelijkbare gevallen. Hier voelde ik mij helemaal thuis en eindelijk ging het ergens over. Ik koos de kantoorrichting. Sommige klasgenootjes woonden al samen en de leraren namen ons serieus. Halverwege het schooljaar vertrok ik vanwege een baan als receptioniste en aankomend boekhoudster naar een accountantskantoor.

En daar, ik was nog steeds zeventien jaar, begon het lange aftellen tot mijn pensioen. Het kantoor stond vlakbij het station. Als ik naar buiten keek, zag ik mensen wandelen en fietsen in de zon. Zij waren onderweg ergens naartoe, een plek aanlokkelijker dan hier. Ze stapten op de trein en gingen op reis … naar een ander werelddeel?

Intussen zat ik maar vast in dat muffe kantoor. Veertig uur per week, van maandag tot en met vrijdag. Dan even een kort weekend of een paar weekjes vakantie tussendoor. En daar gingen we weer. Goedemorgen, goedemorgen. Eerst koffie. Wel tien koppen per dag dronk ik toen. Alles om de sleur te doorbreken van dat saaie kantoorbestaan. Later kwamen er banen die veel boeiender waren. Maar dat gevoel van onvrijheid op het werk is nooit meer weggegaan.

De noodzaak van een betaalde baan maakt mensen afhankelijk. Dat is mijn volle overtuiging. De campagne Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid heeft daar geen verandering in gebracht. Want de financieel ‘almachtige’ echtgenoot werd ingeruild voor de grillen van de baas. De bovenbaas is trouwens vaak een door mannen bestuurde grootaandeelhouder.

Ik heb altijd zelf de kost moeten verdienen. Er was geen partner die dat tijdelijk van mij overnam of die mij als vanzelfsprekend onderhield. Ik heb geen andere keuze gehad. Moet ik dan nu trots zijn op mijn betaalde 35-jarige loopbaan? Ik ben ver gekomen. Maar ik had de helft van die tijd graag anders en beter willen besteden.

Het maakt daarbij niet uit dat ik jarenlang avondstudie deed en bijscholing kreeg. Of dat ik een flinke persoonlijke en professionele groei doormaakte. Al kan werk voldoening geven en inhoudelijk aantrekkelijk zijn; in mijn situatie blijft het gedwongen. En op kantoor kun je je dus ook te pletter vervelen.

Vluchten naar Turkije

Tienduizenden Syrische Koerden zien door fanatici de dood in de ogen en kloppen radeloos bij Turkije aan. Op tv zie ik iets in kleur verschijnen wat ik tot dan toe alleen in zwart/wit had gezien. Die andere vluchtelingenstroom in omgekeerde richting. Toen in 1915. Armeniërs.

Turkije. Je zal het er maar van moeten hebben, als lid van een minderheid zijnde. Dat land zou nu eindelijk iets goed kunnen maken. Noem het boetedoening, noem het schuld inlossen, noem het wat je wil volgens de Islam. Maar wat doen de heldhaftige Turkse mannen? Zij smijten de deur dicht in het gezicht van hulpeloze vluchtelingen en zetten waterkanonnen in.

Ach Turkije, met je fraaie opgepoetste straten in contemporain Istanbul.
De emancipatie van jouw volk staat al een eeuw stil.

Nou ja, op die ene vooruitstrevende burgemeester na dan. Een vrouw. Uiteraard. Zij helpt gevluchte Iraakse Jezidi’s huisvesten in spookdorpen op Turks grondgebied. Precies de dorpen die hun voorouders 55 jaar geleden moesten ontvluchten. Dat is al de derde verdreven minderheid in dit verhaal. En dan zwijg ik nog over de verjaagde Grieken.

Way to go, Turkey. Wees een vent en kom toch eens tot inkeer.