We gaan niet dood van de hitte

Het is bloedheet. De hitteprotocollen zijn in werking getreden en er geldt Code Oranje. We moeten goed op elkaar letten. We moeten de zwakkeren in de samenleving in de gaten houden en zelf ons hoofd koel houden. Vooral dat laatste is nodig, in dit land. Want ik noem maar wat:

  • Als vijftiger in je eentje gaan zwemmen in zee, terwijl je veertig jaar geleden je A-diploma hebt gehaald en daarna zelden nog hebt gezwommen.
  • Als hoogbejaarde vrouw de nectarines in de plantenkas van je dochter plukken. ‘Ze zijn rijp en moeten er nodig af.’ Op het heetst van de dag, wanneer die kas een oven is.
  • Als oudere thuis opgehaald worden voor een sociaal uitje in een zorgcentrum en daar een aangeboden drankje afwimpelen. ‘U moet bij deze hitte wel genoeg drinken.’, zegt een bezorgde vrijwilligster op tv. ‘Nou, ik niet, hoor, dat doe ik namelijk nooit.’, riposteert de oudere, en ze blijft weigeren. Doen ze daar al die moeite voor.
  • Als 65-plusser alle ramen in huis open zetten, terwijl het buiten 36 graden is. ‘Want ik kan er niet tegen als alles dicht zit.’ Ach, waarom ook niet. Zet er een vernevelaar bij en je hebt een sauna.

Mensen gaan hier vermoedelijk minder snel dood door de hitte, dan door stronteigenwijs gedrag.

Ach, hadden zij ook maar tropenervaring.

Onbeantwoorde vraag krijgt onaangename staart

Ik hou niet van losse eindjes, want ik geloof dat iedere daad een gevolg heeft. Losse eindjes zijn handelingen waarvan je weet dat je ze nog moet verrichten. Je denkt bijvoorbeeld: ‘Hier zal ik nog eens op terugkomen. Even wachten op een gunstiger moment.’ Terwijl je intuïtief aanvoelt dat je beter gelijk actie kan ondernemen. Maar dat schiet er al gauw bij in. Totdat de hele zaak als een boemerang bij je terugkomt. Dan is het te laat en het kwaad al geschied.

Ik weet nog precies hoe en wanneer het misverstand is ontstaan. Het gesprek heb ik namelijk vrijwel woordelijk op Raam Open gezet. Dit zijn de passages waar het om gaat:

‘Vorig jaar vroeg hij [de bejaarde buurman] om mijn telefoonnummer. Dat vond hij wel handig, voor als er eens wat was. Stel dat hij zou vallen, dan zou hij mij kunnen bellen. Ik zou ook niet willen dat hij urenlang alleen op de grond zou liggen. Dus zei ik dat hij mij in zo’n noodsituatie kon bellen.

Onlangs sprak ik hem weer. Hij wás die week gevallen en had anderhalve dag op de grond gelegen. Want zijn mobiele telefoon lag buiten handbereik. Ik opperde dat hij eigenlijk beter zo’n pieper bij zich kon dragen, waarmee je een zorgorganisatie alarmeert. Dat werd al geregeld; de zorgcoach kwam diezelfde dag nog langs.’

Hier moet ik even iets verduidelijken. Ik veronderstelde toen dat de buurman met zo’n pieper direct een hulpverlener van een nabijgelegen zorgcentrum kon oproepen. Iemand die in een noodgeval bij hem langs zou gaan. Zoals dit is geregeld bij een aanleunwoning.

Het verhaal gaat verder:

‘Gisteren belde deze buurman aan. Of ik hem mijn telefoonnummer kon geven, want dat was hij kwijt. Voor het geval hij weer op de grond lag. Ik wilde al met ‘06’ beginnen toen ik een formulier in zijn hand zag. Dus vroeg ik voor wie mijn nummer bedoeld was. Voor hem, of voor een organisatie. ‘Ja, zodat ze je kunnen bellen als ik weer op de grond lig.’’

Daarmee was de weergave van ons gesprek niet af. Want ik dacht dat hij bedoelde dat als er een zorgverlener bij hem zou komen, en hij bijvoorbeeld naar het ziekenhuis zou moeten, de zorgorganisatie een naaste contactpersoon nodig had. Dus vroeg ik enigszins in verwarring: ‘Maar daarvoor moeten ze toch bij de familie zijn?’ (Hij heeft drie kinderen.) Waarop hij monter zei: ‘Oké.’, zich direct omdraaide en zonder gedag te zeggen vertrok.

Pas later vertelden anderen hoe het systeem werkt. De buurman zocht kennelijk voor de zorginstelling (waarmee de pieper verbonden is) een contactpersoon in de buurt. Deze persoon kan als eerste bij hem polshoogte nemen zodra hij de zorginstelling alarmeert.

Ik dacht nog: ‘Ik moet eens bij hem navragen of dit is wat hij bedoelt. En ik moet nagaan om welke organisatie het gaat, want hij heeft geen naam genoemd. Ook moet ik vragen wat er na zo’n alarmering precies van mij wordt verwacht. Daarover heeft hij niets gezegd. Verder moet er een sleutel worden geregeld, anders kan ik niet eens naar hem toe. Dit alles indien ik besluit om contactpersoon te worden.’ (En waar blijven zijn drie bloedjes van kinderen in dit verhaal?)

Want ja, deze buurman is een probleemgeval. Rond die tijd speelde onder meer de rioolkwestie al, dus verliep ons contact stroef. Uiteindelijk vergat ik om navraag te doen. En zelf zweeg hij er ook over.

Per toeval ontdekte ik gisteren hoe hij het gesprek van een jaar geleden heeft geïnterpreteerd. Uit een brief van iemand die hem onlangs sprak: ‘Hij heeft aan u gevraagd om als een van de eerstehulp-oproepers te fungeren. U schijnt daar geen gehoor aan te hebben gegeven.’

Zucht …

Je eigen vrijheid eindigt waar …

‘Waar bemoei jij je mee, iedereen mag met z’n huis doen wat ie wil. Zelfs verwaarlozen. Je hebt gewoon domme pech dat je naast hem woont.’ Deze reactie komt binnen op mijn log over geldzorgen bij oudere huiseigenaren. Voor alle duidelijkheid: dat log betreft de buurman die medewerking weigert aan de vervanging van ons kapotte riool. Dit onder meer vanwege geld. Ik wil de schrijfster van genoemde reactie hartelijk danken. Volgens de film Life Of Pi doe je er namelijk goed aan om ogenschijnlijke tegenstanders te omarmen.

‘Je eigen vrijheid eindigt waar die van een ander begint.’ Ik weet niet van wie deze uitspraak komt, maar dit is zo ongeveer mijn levensmotto. Dus is het bij bovengenoemde reactie makkelijk terugkaatsen. Zo van: ‘En waar denk jíj je dan wel mee te bemoeien?’ Maar laten we liever eerst even kijken naar waar het hier om gaat.

Mevrouw meent dat iedereen met zijn huis mag doen wat hij wil. Zelfs verwaarlozen. Daar ben ik het vrijwel volledig mee eens. Zolang het een vrijstaande woning betreft, tenminste. Als de zijmuur dan instort, heeft de buurvrouw er toch geen last van. Hoewel? Hopelijk vallen de bakstenen de goede kant op en komt het dak niet in haar tuin terecht. Anders moet zij de rommel weer opruimen. De buurman doet dat namelijk niet zelf.

In ons dorp staan een paar verwaarloosde vrijstaande huizen. De tuin eromheen is een wildernis. Bij één van die panden moet je van de stoep af, omdat de boomtakken ver naar voren uitsteken. Dat is wel een beetje hinderlijk, vind ik. Hoogbejaarde mensen, zoals mijn buurman bijvoorbeeld, kunnen er onmogelijk langs met hun rollator. En jonge ouders met een kinderwagen evenmin. Een ander verkrottend pand staat al ruim een jaar leeg. Iemand vertelde dat er in dergelijke gevallen vrijwel altijd ruzie is tussen de kinderen, over de verdeling of de waardebepaling van de erfenis. Gezellig.

In feite hou ik juist erg van dit soort verwaarloosde huizen en tuinen. Hoe kan het ook anders? Als kind genoot ik al met volle teugen van de avonturen van Pippi Langkous. En bij haar thuis was het ook een bende van jewelste. Gaaf! Lekker keten!! Alhoewel. De buren vonden het wat minder, geloof ik nu, bij nader inzien.

Eigenlijk zou ik die serie eens terug moeten kijken, maar vermoedelijk waren die buren gewoon brave lieden. Doorsnee burgers, die hard voor hun huis hadden gewerkt en de boel netjes wilden houden. Zodat het er voor iedereen aangenaam toeven bleef en hun onroerend goed zijn waarde zou behouden. Dat vond de anarchistische Pipi natuurlijk verrekte saai. Maar die wens was toch ook logisch, vanuit de buren bezien?

Pipi was de uitzondering. Persoonlijk vind ik dat je uitzonderingen moet koesteren. Uitzonderingen bevestigen de regel. Uitzonderingen kunnen de boel echter ook loswrikken, mocht dat nodig zijn. Nu wordt de vraag of dat nodig wàs, in dat buurtje van Pipi Langkous. Misschien was zij wel de enige die overal problemen mee had, verscholen onder al dat gelach.

Je hebt gewoon domme pech dat je naast hem woont.’, schrijft de reageerster. Is dat zo? Of heeft de buurman gewoon domme pech dat ik naast hem ben komen wonen? Misschien is de buurman wel zo iemand die nooit in een rijtjeshuis had moeten gaan wonen. Misschien heeft hij daarom al ruim dertig jaar bonje met al zijn buren. Misschien zou de buurman van begin af aan veel gelukkiger zijn geweest in een afgelegen staande woning. Zonder al te veel mensen om hem heen.

Als dat het geval is, kan ik hem begrijpen. Ik zou dat namelijk ook wel willen. Het lijkt mij heerlijk: dat stacaravannetje bovenaan de helling, met dat uitzicht over de weides en het bos in de rug. Op mijn eigen riante lap grond. Dat zou het summum zijn. Maar bouwgrond is onbetaalbaar in dit land vol mensen en regels. Net zoals de buurman heb ik daar het geld niet voor en dus moeten we het met elkaar rooien. Of hij nu wil of niet.

Het enige wat ik voor hem kan doen, is nadenken over zaken waar hij kennelijk geen raad mee weet. Ter voorbereiding. Puur en alleen voor het geval dat hij daarvoor open mocht blijken te staan. En anders niet. Ik wil hem geen enkele financiële regeling door de strot duwen, zoals de reageerster lijkt te denken. Ik wil hem enkel bij een vrij uitzichtloze situatie helpen.

Maar goed, ik ben gewend aan de kortzichtigheid van sommige mensen. Dit kan er ook nog wel bij. En Life Of Pi indachtig, helpt de schrijfster van bovengenoemde reactie mij. Want een vergelijkbare reactie kan ik gegarandeerd van de buurman verwachten. Dus ben ik nu voorbereid.

Geldzorgen bij oudere huiseigenaren

Naast mij woont een hoogbejaarde man in een langzaam verkrottend pand. Begin vorig jaar overleed zijn zieke vrouw en nu is buurman alleen. Tweemaal per week komt de hulp van de thuiszorg; hijzelf is slecht ter been. Zonder aanvullend pensioen hij heeft weinig geld. Daarom ziet hij op tegen het noodzakelijke woningonderhoud. De boeidelen van de uitbouw zijn verrot en zijn overkapping is ingezakt. Het riool lekt en de verf op zijn kozijnen hangt er in vellen bij. Maar hij is wel verantwoordelijk als huiseigenaar en zijn pand grenst aan dat van mij.

Mijn buurman is er één van velen. Het wordt onderhand een landelijk probleem. De huidige tachtigers wonen vaak al decennia in het huis waarin ze hun kinderen zagen opgroeien. Het is er vertrouwd en het zit vol herinneringen. Kort na pensionering knapten ze de boel voor het laatst goed op. Dan konden ze nog lang blijven en oud worden in dat huis.

Maar twintig jaar later zijn ze ver in de tachtig en mankeren ze van alles. Daarom kunnen ze weinig meer zelf aan onderhoud doen. Ouderen zonder pensioen missen financiële reserves voor het inhuren van vaklieden. Dus betalen ze ook nog een torenhoge energierekening. Want ze hebben geen dubbelglas en hun pand is slecht geïsoleerd.

Voor gemeenten én voor hun naaste buren in rijtjeshuizen is het een groeiend probleem. Want met de kwaliteit daalt ook de waarde van het onroerend goed en het aanzien van de buurt. Mijn buurman beseft dat vast. Alleen sluit hij er zijn ogen voor. Het zal zijn tijd wel duren en zijn kinderen moeten het maar oplossen. Althans, dat denkt hij misschien.

Persoonlijk zou ik het nooit zover willen laten komen. Er bestaan tenslotte alternatieven. Hij en zijn vrouw konden tien jaar geleden al naar een appartement of seniorenbungalow verhuizen. Die kosten aanzienlijk minder dan onze woningen. Van de overwaarde hadden ze dan een buffer kunnen aanleggen voor toekomstig onderhoud. Plus een buitenlands reisje tussendoor. Dat is precies wat mijn andere buren na hun pensionering hebben gedaan. Daarnaast is de overstap naar huren een optie.

Nu verkeert de buurman in een intrieste situatie, omdat het zo niet langer kan. Twee buren worden direct benadeeld door het achterstallige onderhoud aan en onder zijn pand. Want daar ligt ons kapotte en verzakte riool. De eenvoudigste oplossing gaat hem al minimaal € 4.000 kosten. Terwijl hij onlangs nog beweerde dat hij geen geld had voor een insecten verdelgend middel ad € 40.

Welke opties heb je, wanneer je als hoogbejaarde toch in je vertrouwde huis wil blijven? Geld lenen van de kinderen, als zij dat hebben en kunnen missen. Je laatste spaargeld opmaken en een nieuwe tv vergeten. Je auto verpatsen en in een rolstoel verder rijden. Spullen verkopen, zoals duur gereedschap dat niet meer wordt gebruikt. Een kamer verhuren, deels te betalen met gezelligheid. (Lijkt mij in zijn geval heel handig tegen de eenzaamheid. Er zijn al bejaardenhuizen waarin ouderen met studenten een galerij delen.) Of je huis opeten met een opeethypotheek.

Zijn er alternatieven? Ik lees het graag. Want ondanks al zijn nukken en streken wil ik de buurman nog niet kwijt.

Witte muizen in het riool

Het rioolverhaal gaat nog een lang staartje krijgen. Dat zit zo. Ik deel een rioleringssysteem met de buurvrouw links en de bejaarde buurman rechts. Kort na mijn verhuizing ging ik langs bij de buren om kennis te maken. Ze nodigden mij uit voor koffie en daarbij kwamen de verhalen. Verhalen over ons straatje vroeger en over de vorige eigenaren van mijn pand. Buurman had het niet zo op mijn voorgangster.

Tijdens dat eerste bezoek vertelde hij meteen hoe het zat met de riolering. Want er was jaren geleden een verstopping geweest. Daarom hadden ze toen de put onder zijn uitbouw moeten open maken. Wat dáár uit tevoorschijn kwam? Allemaal witte muizen! Hij liet een welbewuste stilte vallen en wachtte mijn reactie af. Ik snapte er niets van. Scharrelen er behalve ratten ook muizen in een riool? Zoiets had ik nog nooit gehoord.

Buurman vond zichzelf enorm gevat. Want wat was de clou? Die witte muizen, dat waren de tampons van mijn voorgangster. Nou, nou. Uiteraard heb ik dit verhaal bij latere bezoeken nog minimaal drie keer aangehoord. Ik durf al nauwelijks op de wc te poepen. (Maar ja, waar moet ik het anders doen?) Ik hoop maar dat mijn hoopjes volledig desintegreren voordat ze zijn put bereiken. Anders moet de boel onder zijn keuken weer open.

Nu is dat laatste waarschijnlijk toch nodig. Vandaag hebben de buurvrouw en ik overleg gepleegd. Voor het geval er straks een strategie vereist is om zijn medewerking te krijgen. Gelukkig heeft de rioolmeneer ook al zijn speciale diensten aangeboden. Hij maakt deel uit van onze samenzwering. En hij is een man. Daarom heb ik er alle vertrouwen in dat het goed gaat komen.

Toch vraag ik me een ding af. Buurman is bijna 85 en mankeert van alles. Elke dag kan zijn laatste zijn. En dan? Hoe moeten wij ons hem dan herinneren? Als de man die telkens weer over zijn witte muizen begon?

Heren, vertel eens, hoe zouden jullie als man zijnde willen worden herinnerd?

Wie wordt de mantelzorger?

Mijn naaste buurman is hoogbejaard en woont zelfstandig. Vorig jaar stierf zijn vrouw, voor wie hij dag en nacht mantelzorger was. Zelf is hij mentaal scherp, maar hij loopt moeilijk en tobt met zijn gezondheid. Onlangs stond er een ambulance voor de deur. Met griep en longklachten werd hij in het ziekenhuis opgenomen, zo bleek achteraf. De kans is groot dat hij zelf binnen afzienbare tijd een mantelzorger nodig heeft. Maar wie wordt dat?

Ondersteuning kan hij regelen. Elke week maakt een hulp zijn huis schoon. Haar vraagt hij ook om uitleg over zijn smartphone. De bestelauto van de plaatselijke apotheek rijdt regelmatig voor. En de traplift van zijn overleden vrouw gebruikt hij nu zelf. De oude invalidensticker op zijn auto is handig bij het boodschappen doen. En af en toe komt er een zorgcoach langs die kijkt hoe het gaat.

Vorig jaar bood ik aan om zijn voortuin te ontdoen van welig tierend onkruid. (Het breidde zich ook naar mijn tuin uit.) Dat kan hij moeilijk zelf. Toen ik bezig was, wees hij gelijk op allerlei andere klussen die eigenlijk ook nog moesten. Een boom weghalen, struiken snoeien, enzovoort. Op mijn vraag of hij weleens een tuinhulp had ingeschakeld, keek hij moeilijk. Want ja, er kwam een keer een vrijwilliger, maar die deed het niet goed.

Mijn buurman staat niet bekend als een makkelijke man. Dat hoor ik van alle kanten en inmiddels weet ik waarom. Op zich is hij niet kwaad, alleen houdt hij nauwelijks rekening met een ander. Zijn vrouw was trouwens pas echt erg. De afgelopen twintig jaar wisselde mijn woning vier maal van eigenaar. Alle drie mijn voorgangers hadden ruzie met dat echtpaar.

Bij de bezichtiging vermoedde ik al dat er wat speelde. De makelaar wees mij toen op de bouwvallige staat van de gezamenlijke schoorsteen. Dat was vreemd. Want kort daarvoor was het hele dak aan mijn kant gerenoveerd. Dan pak je toch gelijk die schoorsteen mee? Sinds mijn komst doe ik moeite voor een normale verstandhouding en eigenlijk gaat het best redelijk.

Maar met deze buurman moet ik ook lastige kwesties bespreken. Want hij doet niets meer aan onderhoud. Zijn huis is inmiddels zo verwaarloosd dat het overal zichtbaar wordt. Vroeger kon hij alles zelf. Nu vindt hij het lastig om mannen in te schakelen. Door die trots moet ik steeds praten als Brugman voor hij instemt met gezamenlijk woningonderhoud.

Zo kom ik dus af en toe bij hem over de vloer. Hij vind bezoek gezellig. Ik vind het wat minder. En ik moet opletten, want de problemen zijn nooit veraf. Vorig jaar vroeg hij om mijn telefoonnummer. Dat vond hij wel handig, voor als er eens wat was. Stel dat hij zou vallen, dan zou hij mij kunnen bellen. Ik zou ook niet willen dat hij urenlang alleen op de grond zou liggen. Dus zei ik dat hij mij in zo’n noodsituatie kon bellen.

Onlangs sprak ik hem weer. Hij wás die week gevallen en had anderhalve dag op de grond gelegen. Want zijn mobiele telefoon lag buiten handbereik. Ik opperde dat hij eigenlijk beter zo’n pieper bij zich kon dragen, waarmee je een zorgorganisatie alarmeert. Dat werd al geregeld; de zorgcoach kwam diezelfde dag nog langs.

Gisteren belde deze buurman aan. Of ik hem mijn telefoonnummer kon geven, want dat was hij kwijt. Voor het geval hij weer op de grond lag. Ik wilde al met ‘06’ beginnen toen ik een formulier in zijn hand zag. Dus vroeg ik voor wie mijn nummer bedoeld was. Voor hem, of voor een organisatie. ‘Ja, zodat ze je kunnen bellen als ik weer op de grond lig.’

Wel opvallend, dat zijn drie kinderen in dit hele verhaal niet voorkomen.

Deur open laten staan

De bus komt er al aan, wanneer ik mij afvraag of ik de deur wel heb dichtgedaan. Het is zo’n alledaagse handeling die je bijna gedachteloos uitvoert. Daarom is het achteraf lastig bepalen wat je precies hebt gedaan. Als ik de bus nu laat passeren, dan kom ik te laat op een afspraak. Tegen beter weten in stel ik mezelf gerust met ‘vast wel’ en stap in. Maar dan zit je dus niet rustig. Ondertussen wordt met elke minuut de afstand tussen hier en huis groter.

‘Ach’, denk ik, ‘het is slechts de tuindeur.’ Al heb ik die wel wijd open gezet. Maar wil je in huis komen, dan moet je toch eerst een gesloten poort passeren. Dat kan alleen door over het dak van de schuur te klimmen. De buren links en rechts zijn thuis. Zij hebben het ook meteen door als iemand mijn poortdeur probeert te forceren. Zo’n vaart zal het niet lopen. Hoop ik.

Want ik moet er toch niet aan denken dat net nu, toevallig deze ochtend, iemand aanbelt, mij niet thuis treft, door het raam vanaf de straatkant kijkt, en die achterdeur open ziet staan. Bijvoorbeeld. De zoon van de buren kwam eens achterom, trof hun poortdeur gesloten aan, zette een vuilnisbak tegen de muur en was binnen 5 seconden binnen. Maar hij heeft in het leger gezeten. Dit kunnen doorsnee voorbijgangers heus niet. Toch?

Alleen: stel je eens voor dat er wel een gelegenheidsdief binnen komt. Wat neemt die dan mee? Als eerste mijn laptop. En daarna slaat mijn fantasie op hol. Kortom, als ik na een half uur op mijn bestemming ben, keer ik voortijdig weer om.