We gaan niet dood van de hitte

Het is bloedheet. De hitteprotocollen zijn in werking getreden en er geldt Code Oranje. We moeten goed op elkaar letten. We moeten de zwakkeren in de samenleving in de gaten houden en zelf ons hoofd koel houden. Vooral dat laatste is nodig, in dit land. Want ik noem maar wat:

  • Als vijftiger in je eentje gaan zwemmen in zee, terwijl je veertig jaar geleden je A-diploma hebt gehaald en daarna zelden nog hebt gezwommen.
  • Als hoogbejaarde vrouw de nectarines in de plantenkas van je dochter plukken. ‘Ze zijn rijp en moeten er nodig af.’ Op het heetst van de dag, wanneer die kas een oven is.
  • Als oudere thuis opgehaald worden voor een sociaal uitje in een zorgcentrum en daar een aangeboden drankje afwimpelen. ‘U moet bij deze hitte wel genoeg drinken.’, zegt een bezorgde vrijwilligster op tv. ‘Nou, ik niet, hoor, dat doe ik namelijk nooit.’, riposteert de oudere, en ze blijft weigeren. Doen ze daar al die moeite voor.
  • Als 65-plusser alle ramen in huis open zetten, terwijl het buiten 36 graden is. ‘Want ik kan er niet tegen als alles dicht zit.’ Ach, waarom ook niet. Zet er een vernevelaar bij en je hebt een sauna.

Mensen gaan hier vermoedelijk minder snel dood door de hitte, dan door stronteigenwijs gedrag.

Ach, hadden zij ook maar tropenervaring.

Dat zal hem leren!

Onderweg, in de bus van Arnhem CS naar een oerlelijk industriegebied. De buschauffeur en een collega zitten voorin. De collega begint over een feestje vanavond, stapt daarna over op familiebijeenkomsten en belandt dan bij een zwager. Vorig jaar hadden ze flink mot. ‘Hoe hij haar behandelt, ik kan daar niet tegen. Maar ik heb hem dat wel even laten weten. Ik heb hem helemaal in elkaar geramd. Zal hem leren!’

De chauffeur humt begripvol. ‘Je kreeg een taakstraf, toch?’, vraagt hij. ‘Ja, 20 uur. Ik heb 2,5 dag gewerkt bij die manege op de Schelmseweg.’ (Goh, denk ik, is dat een taakstraf?) De collega zit zich nog steeds op te vreten. ‘Liegen dat ‘ie deed, tegenover de rechter.’ Even blijft hij in gedachten verzonken. ‘Maar ja, je mag daar in de rechtbank niks zeggen, hé.’

Wanneer de chauffeur speciaal voor hem bij het busdepot stopt, zie ik het gezicht van de geweldenaar. Hij draagt een vrolijk gekrulde snor en heeft iets weg van een grootformaat tuinkabouter. Uiterlijk de gemoedelijkheid zelve, innerlijk misschien ook wel. Normaal gesproken.

Tachtig procent van al onze gedachten bestaat uit angsten, zorgen en oordelen. (Marci Shimoff) Zo las ik in een oude Happinez. Dit kan ons blikveld aardig vertroebelen.

Ik herken wel iets in die man met de snor. Ronduit feiten benoemen kan al confronterend genoeg zijn. Helemaal als er een oordeel achter schuil gaat. Dat oordeel kan best zijn ingegeven door serieuze angsten of zorgen. Maar je mag hier niet met de beste bedoelingen op een kwalijke manier voor iets of iemand opkomen. Dit is verwarrend. Met name wanneer je denkt dat je legitiem bezig bent en dus niets kwalijks onderneemt.

Buschauffeur met mobieltje

Wanneer de bus bij de halte stopt, is hij een paar minuten te laat. Ik stap in en neem voorin plaats; naast de rij waar de chauffeur zit. De bestuurder is een man van begin twintig. Vermoedelijk van Marokkaanse afkomst. Bij de eerstvolgende halte stapt iemand uit en blijft de bus even staan. Ik vraag mij af waarom en zie dat de chauffeur op zijn mobieltje kijkt. Nou, prima dat hij dit doet wanneer de bus aan de kant staat.

Na een minuut of zo rijden we verder. Maar dat mobieltje pakt hij steeds weer op. Hij legt het binnen zichtveld op het plateautje waar je een kaartje koopt. Bij een rood stoplicht gaat hij druk swipen. Dan springt het licht op groen en rijden we door. Hij pakt het mobieltje weer op en legt het nu recht voor zich op het dashboard. Ik kan berichtjes op het schermpje zien. Regelmatig geeft hij er met zijn ene hand een veeg over, terwijl hij zijn andere hand aan het stuur houdt. Het mobieltje wordt steeds weer ergens anders neergelegd. Dan weer op het plateautje, vervolgens op de kaartjeshouder en dan weer op zijn dashboard.

Ondertussen rijdt hij wel beheerst. Hij hoeft niet met gierende banden te remmen en schampt ook geen stoepranden. Maar toch word ik er een tikkeltje zenuwachtig van. Want ik heb als passagier vaak genoeg doodsangsten uitgestaan. Vooral in oorden waar je lot in handen van God ligt. (Volgens de lokale cultuur dan.) De gevaarlijkste situaties ontstaan als chauffeurs gefrustreerd raken of als er een leuke vrouw in de buurt is. Verder denken hele volksstammen dat keihard rijden een bewijs van mannelijkheid is. Met name in het Midden-Oosten geloven ze daar heilig in. En dan heb je nog de prinsjes, die zichzelf, hun auto en hun rijstijl geweldig vinden.

Regelmatig hoor je over ongelukken veroorzaakt door mensen die spelen met hun mobieltje. Moet ik er nu wat van zeggen of niet? Stel dat ik niets doe en er gebeurt toch wat. Is het dan mede mijn schuld? Lastig is dat je nooit weet hoe zo’n man reageert. Ik overweeg er een foto van te nemen en het aan de busmaatschappij door te geven. Maar dat voelt vals. Wat dan wel? Ook mijn handelingen zijn niet altijd rationeel. Dan krijg ik een ingeving.

Zodra hij opnieuw zijn mobieltje pakt, ga ik dichterbij hem zitten. En spreek hem zachtjes aan. ‘Meneer, zal ik dat mobieltje even bij mij houden?’ Hij legt het direct neer en kijkt mij met een mooie glimlach aan. ‘Ik zat even naar de navigatie te kijken.’, zegt hij. Maar daar heb ik geen boodschap aan. ‘Ik heb hier heel slechte ervaringen mee’, geef ik aan. Waarop hij ‘sorry’ zegt. Hij rijdt kalm verder en zegt tien seconden later nog: ‘Bedankt’. Weer met die mooie glimlach. Ik knik hem toe.

Vier haltes later moet ik eruit. Hij draait zich nogmaals naar mij om: ‘Bedankt, en tot ziens’. Het is welgemeend. En ik zeg hetzelfde. Want in tegenstelling tot die domme troela’s in de stiltecoupé, hebben hij en ik elkaar wel verstaan. Dat kan gewoon, juist ook met een Marokkaan.

Op straat slapen

Ik heb drie nachten in mijn leven noodgedwongen op straat doorgebracht. Twee keer na afloop van het Rock Torhout festival in België. Daar miste ik de laatste trein. En een keer op het station van Lille in Frankrijk. Toen miste ik ’s avonds door vertraging in België mijn aansluiting naar Sedan.

In de laatste aflevering van het EO-programma Arm in Nederland? Eigen schuld! brengen twee vrouwelijke deelnemers ook een nacht op straat door. Ze hebben dan al veel mee- gemaakt: steeds minder te besteden, huis leeggehaald door de deurwaarder, huis kwijt en illegaal in een caravan slapen. Elke dag spreken ze mensen die in een vergelijkbare situatie zitten. Zo ervaren ze hoe het is, wanneer je volledig berooid bent nadat alles in het leven misgaat.

1985_torhoutDe eerste keer in Torhout was mijn eigen fout. Het festival ging door tot middernacht. Ik besefte niet dat de laatste trein naar Brugge, waar mijn hotel was, al om 21.30 uur vertrok. (Wie verzint zoiets nou bij een popfestival waar tienduizenden mensen op af komen?)

De tweede keer was ik dus gewaarschuwd en verliet ik tijdig het terrein. Althans dat was ik van plan. De bewaking hield mij echter tegen. Er liep al zo’n massa via die route naar het station, dat de rest een omweg moest volgen. Dat koste geen half uur, maar vijf kwartier. En dus miste ik wederom de trein.

Beide nachten in Torhout heb ik in en voor het station doorgebracht. Zo lang mogelijk binnen, totdat de boel werd ontruimd en de deuren dicht gingen. De eerst keer waren er ook andere festivalgangers gestrand. Het werd toen een gezellige, studentikoze nacht. Er was een Amerikaanse vrouw waar ik urenlang mee heb gepraat.

Maar de tweede keer zat ik alleen voor de deur. Er kwamen regelmatig dronken mensen langs. Met het verstrijken van de tijd werd het steeds kouder, onaangenamer en onveiliger. Ik probeerde de gure wind met een plastic tas voor mijn jas tegen te houden en moest hoognodig naar de wc. Uiteindelijk ben ik opgekruld bij de deur ingedommeld. Tot ik ruw opzij werd geschoven door de portier. Die duwde met de punt van de deur tegen mij aan, alsof ik een hoopje afval was. Als je op straat slaapt, ben je niets.

Mijn nacht in Lille (notabene een voorouderlijke stad) was weinig beter. Per toeval strandde ik er tijdens de Grande Braderie. Die braderie is zo ongeveer het equivalent van koningsdag in Amsterdam. Teruggaan naar huis was te ver, als ik nog naar Sedan wilde doorreizen. En in relatief nabij gelegen steden wist ik niet de weg. Het was het pre-internet tijdperk en ik had geen mobieltje. Bovendien sprak ik toen nauwelijks Frans en kon ik moeilijk informatie krijgen. Ik heb overal geprobeerd een hotelkamer te vinden, tevergeefs.

Na een lange omzwerving met mijn koffertje door de feestende massa, keerde ik uiteindelijk terug naar het station. Ook hier gingen de deuren dicht en werden de taferelen rondom het gebouw tamelijk chaotisch. Eerst waren er nog de vertrekkende feestgangers. Daarna kreeg een schimmiger en luidruchtiger publiek de overhand. Inclusief zwervende probleemgevallen, zoals je in elke grote stad bij stations ziet.

Ik heb urenlang in een bushokje gezeten terwijl politieauto’s regelmatig passeerden.
Rond 02.00 uur kreeg ik gelukkig gezelschap van een hele grote dikke zwarte vrouw. Zij plantte haar African Samsonites pontificaal voor ons beider voeten neer. Of ik mee wilde helpen opletten. Ook zij was gestrand en moest naar Parijs. Ze zat knus en stevig tegen mij aan op het kleine bankje. Ik blij, want met haar erbij voelde ik mij helemaal veilig.

De deelnemers aan het programma over armoede hebben uitgesproken en tegengestelde opvattingen. Ze zijn en blijven overtuigd van hun eigen gelijk. Daar verandert meedoen aan het programma niets aan. Volgens twee jonge mannen is het een kwestie van eigen schuld. ‘Had hij maar geen foute beslissingen moeten nemen.’ ‘Had ze maar alles aan moeten pakken’. Volgens een andere deelneemster kan het door omstandigheden misgaan. Zoals door ziekte of pech. Toch plaatst ook zij soms vragen bij de keuzes die armen maken.

Uitgerekend de drie mannen weigeren de dramatische eindfase: op straat slapen. De één zou zich nog liever van kant maken, als zijn leven zo uitzichtloos zou worden. De twee anderen, van de school ‘eigen schuld, dikke bult’, zijn ervan overtuigd dat het bij hen nooit zo ver zal komen. Zij zullen er alles aan doen om niet zo diep te zinken. Jammer.

Ruim achttien jaar sinds die nacht in Lille kijk ik terug op mijn nachtelijke avonturen. Zeker, nu zou ik andere keuzes maken. Maar ik ben dan ook pas laat assertief geworden. Buitenstaanders kunnen makkelijk oordelen. Ik ben door die paar nachten op straat vooral rijker geworden.

(Bron foto: http://www.oosterlincknet.be/concerts/1985_torhout.jpg)

Slachtofferrol zonder zelfreflectie

‘Nou man, ik moet trainen voor m’n fucking woedeaanval.’ Je zal er maar last van hebben. Van je eigen of andermans slachtofferrol, of gebrek aan zelfreflectie. Enige rust is je in Nederland dan niet gegund. Eraan werken zal je. Want je zal participeren, of je wil of niet.

Vastklampen
Bovenstaand citaat komt uit de documentaire Document: Joan’s Boys. Daarin staan een Marokkaans-Nederlandse tweeling en hun kinderpsycholoog centraal. Vader is gewelddadig en een zoon met autisme kan zijn gevoelens moeilijk verwoorden. Bij Marokkaanse probleemgezinnen zie je iets, wat ik in meer Afrikaanse culturen herken. De vader is zijn traditionele rol kwijt geraakt in een snel moderniserende samenleving. Hij blijft zich maar vastklampen aan oude rechten, waarden en zijn afbrokkelende gezag. Hij is in verwarring, voelt zich bedreigd en voor schut staan. De moeder heeft altijd al de meeste verantwoordelijkheid voor haar gezin gedragen. Zij heeft jong geleerd zich te schikken in haar lot. En als dat lot haar toevallig nieuwe kansen biedt, dan grijpt zij die meestal met beide handen aan. Vaak zijn het daar vrouwen die het hardst werken om de toekomst voor hun gezin te verbeteren.

Verandering overleven
Veel mensen zijn bang voor verandering. Dat zie je overal nu ons land en een deel van de wereldeconomie in crisis verkeert. Door de eeuwen heen hebben mensen die zich kunnen aanpassen steeds de beste overlevingskansen gehad. Het is een kwestie van flexibiliteit en open staan voor nieuwe kansen. Want die komen er altijd. De een is er snel bij en anderen doen vervolgens mee. Maar er zijn altijd mensen die achterblijven. Omdat ze vanwege een lichamelijke handicap of psychische reden echt niet mee kunnen doen. Zij verdienen een menswaardige opvang. En er zijn mensen die maar blijven hangen in zelfmedelijden. Zij weigeren zichzelf onder ogen te komen. Zulke mensen, daar kan ik helemaal niets mee.

Degenen die toch aan zichzelf willen werken, kan ik een professioneel bureau als Van Ede hartelijk aanbevelen.

Gelukzoekers in een meritocratie

Deze week kwam het begrip ‘meritocratie’ driemaal voorbij. Ik was bezig met een tekst over asielzoekers en werkgelegenheid in onze maatschappij. Daarbij stuitte ik op de vraag of ongeluk en armoede verwijtbaar zijn. Je hebt je leven toch zelf in de hand? Een eerder geplaatst, maar onduidelijk bericht hierover heb ik verwijderd. Er zijn al genoeg misverstanden over ‘gelukzoekers’ uit Afrika, Azië en het Midden-Oosten. Nu doe ik  een nieuwe poging.

Asielzoekers worden nogal eens verwisseld met gelukzoekers. Gelukzoekers zijn mensen die slechts een beter leven wensen. (Doen we dat niet allemaal?) Veel mensen, die in gammele bootjes de Middellandse Zee oversteken, worden gelokt door rooskleurige verhalen. Verhalen die gaan over sociale, educatieve en medische voorzieningen in Europa. Wat geld hebben ‘gelukzoekers’ wel, want de tocht naar Europa is tamelijk duur. Vaak is hun keuze voor Europa gebaseerd op onvolledige informatie. Omdat geen van hun voorgangers het thuisfront wil vertellen dat hij of zij hier eigenlijk niet slaagt. Een aantal ‘arme’ immigranten is trouwens wel succesvol. Maar daar horen wij in Europa nou juist weer zo weinig over.

Mensen met een gewilde opleiding of ervaring kunnen via bedrijven al relatief eenvoudig Europa binnenkomen. En een groeiend aantal ‘gelukzoekers’ verdient geld in opkomende economieën. Denk aan Nigerianen in China, Congolese vrouwelijke handelaren in Dubai, en de nieuwe lichting Indiërs in Kenia.

In onze economie en samenleving spelen afkomst, aanleg, gezondheid en intelligentie een rol. Veel Nederlanders hebben moeite om mee te komen. In Afrika, Azië en het Midden-Oosten vind je gewoonlijk werk via familienetwerken. Desnoods ‘koop’ je een diploma. Daar zijn kennis en capaciteiten minder van belang om een baan te krijgen. Toch wonen er uiteraard ook genoeg ondernemende, intelligente en inventieve mensen. Zij zijn degenen die juist in eigen land alle steun voor verdere ontplooiing kunnen gebruiken. Steun door aanbod van modern onderwijs en een gunstig ondernemersklimaat voor iedereen. Zodat zij hun land zelf kunnen opbouwen. En de bevolking daar een betere toekomst krijgt. Dat geeft meer voldoening dan lusteloos rondhangen in een asiel­zoekers­centrum en de procedure eindeloos oprekken. Lijkt mij.

Maar wat begin je in een land waar wordt gevochten om grondstoffen en bronnen of gewoon om de macht? Zoals in Syrië, waar nu relatief veel asielzoekers vandaan komen. Ik heb er geen pasklaar antwoord op. Nu vangen relatief arme landen in de regio ruim twee miljoen vluchtelingen op. Zo gaat het meestal bij conflicten. Libanon bezwijkt er bijna onder. Bij mijn weten heeft Europa niet gereageerd op een beleidsvoorstel van de UNHCR voor opvang. Zowel rijke Arabische als westerse landen sturen geld. Maar geen van beide partijen neemt veel Syrische vluchtelingen op. Het zou logisch zijn als de 25 rijkste landen ter wereld hiervoor worden benaderd. Dan nemen we ook landen buiten Europa serieus en kunnen zij laten zien wat zij nu waard zijn.

Stel dat 25 rijke landen, en wellicht ook anderen in de wereld, Syrische vluchtelingen willen opnemen. Wat kunnen wij deze mensen dan bieden? Eerst een plek om zich weer een beetje veilig en thuis te voelen. En dan iets om te doen. Elk land stelt een verlanglijst op van professionals en vaklieden waar een tekort aan is. Het mogen ook ondernemers met een zeker kapitaal zijn. Australië werkt al jaren met dergelijke lijsten voor reguliere immigratie. Elk land geeft aan hoeveel vluchtelingen het wil opnemen. Daarna gaan de uitnodigingen voor sollicitanten via de UNHCR naar vluchtelingenkampen. Van elke 100 genodigden, bestaat 85% uit mensen met gewenst beroep of kansrijk ondernemingsplan. Zij mogen hun eigen gezin meebrengen. De overige 15% bestaat uit kwetsbare personen met begeleiders voor wie elders geen goede opvang is. Henk en Ingrid zijn vast tegen. Tenzij hier mensen bij zitten die de economie weer op gang kunnen krijgen.