Verwachtingen

Voor mijn gevoel wordt het weer tijd voor een logje. Ik had bij aanvang van dit blog eigenlijk niet bedacht dat ik voortaan zou moeten gaan voldoen aan een verwachting. De verwachting onder volgers van de regelmatige verschijning van een nieuw logje.

Hoe vaak in ons leven proberen we te voldoen aan verwachtingen? Verwachtingen die we van onszelf hebben. Verwachtingen die anderen van ons hebben. En hoe vaak gaat het daarbij om verwachtingen die nooit worden uitgesproken, maar die we wel voelen? Die reëel zijn, of die we ons inbeelden.

Van de vele vormen van vrijheid, waarnaar we kunnen streven, is vrij zijn van verwachtingen er één van.

PS: Het kunstwerk hierboven is een watervalletje op zijn kant, gefotografeerd door de eigengereide camera van mijn smartphone, die zelf zijn ding doet wanneer hij daar zin in heeft.

Vrouwen in een reisgezelschap

Blijkbaar moet ik nog iets met die vrouw van die groepsreis in Madagaskar, waar ik gisteren over schreef. De komst van mijn oude vriendin is de trigger geweest. Zij was geen deelnemer, maar er was wel een vergelijkbaar voorval met onze zzp’ende collega, een andere vrouw. Mijn conclusie is dat ik iets had, wat die andere vrouwen ook wilden hebben. Wat mij nu interesseert, terugkijkend na zestien jaar en met de mensenkennis van nu, is wat er toen feitelijk is gebeurd.

Ik haal het fotoalbum van die rondreis in Madagaskar tevoorschijn en kijk of ik bepaalde zaken kan reconstrueren. Wie waren de spelers en wat was hun positie binnen de groep? Waren de omstandigheden zoals ik ze mij herinner? Kan ik nagaan hoe de onderlinge verhoudingen waren en welke indrukken we bij elkaar achterlieten? Er zit een volledige lijst met deelnemers in het album. Via internet heb ik ze allemaal zo getraceerd.

Ten eerste. Die rondreis was zeer zwaar. Dat is ontegenzeggelijk waar. Hij viel in de hoogste categorie: het expeditie niveau. Dat was voor vertrek niet goed duidelijk gemaakt. Reizen in ontwikkelingslanden is sowieso minder makkelijk. Daarbij was de reisleider onervaren en het programma overvol. En een achtergebleven koffer in Parijs ontregelde gelijk alles.

Ten tweede. De kamers waren op indeling. Daar was ik toen al geen voorstander meer van, maar het was de enige optie. Ik ontmoette de groep voor het eerst op Schiphol en na aankomst in Madagaskar ging het bij de kamerindeling direct mis. Op basis van geslacht werden we verdeeld over twee- en drie-persoonskamers. Er waren negen mannen en vijf alleen reizende vrouwen.

Herstel. Waarschijnlijk ging het al eerder mis. Namelijk kort voor vertrek op Schiphol. Ik wilde na het inchecken eerst nog even een rondje lopen langs de winkels. Vandaar dat ik niet meteen bij de rest aanschoof. Het is een detail, maar toch. Voordat je het weet, haalt een groepsgenoot zich van alles over zo’n soloactie in het hoofd.

Mogelijk hadden enkele vrouwen al een team gevormd voordat we aankwamen bij het eerste hotel in Madagaskar. Zo gaat dat bij groepsreizen vaker. Je drinkt samen een kop koffie en denkt: ‘Hm, misschien is zij wel iemand om straks de kamer mee te delen.’ Of je staat bij de balie, de reisleider deelt de sleutels uit en hij vraagt ‘Wie?’ Je kijkt naar een van je groepsgenoten die je wel aardig lijkt, knikt naar elkaar, en roept ‘Wij’. Of de groepsleider roept de namen in alfabetische volgorde af. Ik kan mij dit niet scherp herinneren.

In elk geval ontbrak bij aankomst die koffer. De koffer was van een vriendelijke, zij het wat aparte vrouw. Ze zag er enigszins hippie-achtig uit en ze had zeer specifieke gewoonten, zo bleek al gauw. Onderweg had ik haar nauwelijks opgemerkt en met de overstap in Parijs was het een lange heenreis geworden. Daarom was ik vooral moe. Maar zij werd dus mijn vaste kamergenote op die rondreis van 24 dagen.

Die eerste avond na aankomst was ze erg onrustig. Ik begreep dat wel. Haar koffer was achtergebleven. Daarom had ze overhaast toiletartikelen en slecht passende kleding moeten kopen, terwijl de rest van de groep in de bus wachtte. En zonder haar eigen spullen kon ze haar vaste rituelen niet uitvoeren zoals ze gewend was. Rituelen, ja. Die mij heel wat uurtjes aan nachtrust zouden gaan kosten. Alle handelingen moest ze in de juiste volgorde op gezette tijden uitvoeren. Ze was een beetje alternatief, op het zweverige af.

Mijn kamergenote was beslist aardig en we hadden zelfs enkele raakvlakken. Maar haar vaste ochtendritueel was toch wel problematisch. Misschien was dat ritueel minder storend geweest, als zij haar eigen koffer bij zich had gehad. Ik slaap licht en word wakker van ieder geluid. Terwijl haar hele bezit verpakt zat in een verzameling knisperende plastic zakken.

Het ritueel. Mevrouw stond elke ochtend stipt om 04.00 uur op. (Rinkelderinkel van de wekker.) Vervolgens ging het licht aan in de kamer (plop). Dan begon het geritsel van haar vele plastic zakjes. (Knisperde-knisperdeknisper.) Afgewisseld met het gerammel van haar metalen beker. (Klangggg. Boink.) En het geroer met haar metalen lepel. (Ggrrgggrgggrgg, pok pok.) Tussendoor moesten er ingrediënten worden gezocht. (Knisperdeknisper deden haar plastic zakjes, rrrrrr, deed een rits, plok deed de lepel wederom in haar beker.) Enzovoort.

En dat tijdens een toch al mentaal en fysiek zeer uitputtende reis.

Ze was er niet van af te brengen. Ik probeerde rede, ik probeerde zachte dwang. Ik heb boosheid geprobeerd. Maar ze kon niet anders, zei ze. En waarschijnlijk was dat zo. Zij sliep eveneens slecht, want ze was het kamerdelen niet gewend, vertelde zij.

In overleg zijn we naar de reisleider gestapt en hebben we om een oplossing gevraagd. Konden we om beurten rouleren met de andere vrouwen die een drie-persoonskamer deelden? Konden we bij sommige hotels een extra eenpersoonskamer krijgen, zodat we tussendoor meer rust zouden vinden? Was er nog een alternatief? Hij dacht erover na en ging praten met de andere vrouwen.

En jawel, er kwam een alternatief. Om en om zouden we, waar mogelijk, een eenpersoonskamer krijgen. De ander deelde op die dagen de kamer met de drie overige vrouwen. Ik weet niet meer of het dan een vierpersoonskamer betrof, of twee tweepersoonskamers. Maar gelijk bij de eerste keer ging het al mis.

Mijn vaste kamergenote zou die avond met de andere vrouwen een kamer delen, terwijl ik de eenpersoonskamer kreeg. We waren halverwege de middag bij het hotel aangekomen en ik genoot enorm van het vooruitzicht om de hele kamer voor mezelf te hebben. Dus gooide ik mijn spullen lekker overal neer, haalde mijn hele rugzak overhoop en ging heerlijk lang onder de douche. Althans, dat was waar ik stond toen er hard op de buitendeur werd gebonkt. Ik wou echt niet onder de douche vandaan, maar de reisleider eiste dat ik onmiddellijk naar buiten kwam.

Wat was het geval? Die troela’s in de andere kamer konden niet overweg met mijn vaste kamergenote en dus moest ze maar opzouten daar. Dat ik onderhand oververmoeid was, boeide hen niet. De onervaren reisleider was nauwelijks opgewassen tegen deze vrouwen en ging er in mee. Dus heb ik drie weken lang de kamer gedeeld met mijn kamergenote en haar vaste ochtendritueel. Ik ben in mijn hele leven nog nooit zo gesloopt geweest als toen.

En u raadt het al, één van die aso troela’s was zo geïnteresseerd in mijn toenmalige werkgever. Haar naam begint met een C.

Ben moe

(Nog vier dagen tot de opening.)

‘Lieve God,’ schreef ik eerder deze week in mijn schrift vol dingen die ik nog moet, ‘geef mij alstublieft sneller werkende hersenen, zodat ik mijn werk als waakhond efficiënter kan doen. U weet dat ik bezig ben met die foto-expositie. Nou, wat mij nu toch weer is overkomen …’ Hier bleef het bij, omdat ik te moe was om verder te schrijven en dan worden mijn hersenen sloom.

In mijn hoofd tolde van alles rond en dat kost veel energie. Dat heb ik altijd wanneer iemand onzalige ideeën door wil drijven en zonder overleg zijn of haar eigengereide ding gaat doen. Uiteindelijk heb ik alles af kunnen wenden en daarom gaat het nu goed.

Sta je samen sterker?

De afgelopen week raakte ik een beetje uit balans. Het had te maken met langs elkaar heen praten. Met weinig inlevingsvermogen; vermoedelijk door desinteresse voor de persoon zelf. Zoiets schuurt. Het betrof mensen met wie ik een goede verstandhouding wil hebben, hoewel ze geen grote rol in mijn leven spelen. Er stond wel iets positiefs tegenover, maar het negatieve gaf de doorslag.

In de documentaire Zweden doen het anders zag ik dat Zweden gereserveerder zijn dan wij. Daar is weinig voor nodig, want Nederlanders gedragen zich tamelijk vrij. Ik begreep dat Zweden zich al jong onafhankelijk opstellen. Ze doppen hun eigen boontjes en kunnen zich kennelijk zonder anderen goed redden. In hun eentje ingesneeuwd in een afgelegen blokhut vermaken ze zich wel. Dat werk. Misschien hebben ze daar minder ‘huidhonger’ (het nieuwe modewoord). Dan is de mate daarvan deels aangeleerd en cultureel bepaald.

Met zijn tweeën sta je steviger dan alleen, dat is bij ons het idee. Leef je samen met een zielsverwant, dan is je basis zo stabiel, dat vrijwel niets of niemand je nog uit balans brengt. (Behalve natuurlijk die zielsverwant zelf.) In goed gezelschap verwerk je tegenslagen sneller. Ik ben benieuwd hoe zielsverwantschap past binnen het Zweedse model.

Persoonlijk ben ik selectief gereserveerd. Soms denk ik: ‘Ik kan er wel over praten, maar uiteindelijk moet ik het toch zelf oplossen.’ Bij de meeste mensen, echter, komt het hier op neer: ‘Ik kan er wel met jou over praten, maar het enige wat jij gaat doen, is mijn probleem gebruiken als kapstok voor je eigen verhaal. Dus laat dan maar.’

Waarschijnlijk kan ik het heel goed uithouden in Zweden.

Een keertje apart afspreken

Binnen de vrijwilligersgroep voor werkzoekenden drop ik dat ik mij soms verveel. Een van de aanwezigen vat dit op als een teken van eenzaamheid. ‘We kunnen wel een keer samen afspreken.’, oppert zij meteen. De rest schakelt alweer over op een ander onderwerp, waardoor ik niet gelijk reageer. Onze groep heeft altijd gespreksstof in overvloed. Naderhand stelt ze het nogmaals voor. ‘Dan kunnen we ook eens wat dieper over dingen doorpraten.’ Ze wil wel bij mij thuis langskomen.

Na de vorige vergadering had ik zelf ook al aan afspreken gedacht. Zij is een slimme, vriendelijke vrouw en beiden zijn we werkloos. Eind vorig jaar gingen zij en haar vriend uit elkaar. Haar huis heeft ze verkocht. Nu woont ze voorlopig bij haar moeder in, in het ouderlijke huis. Moeder is bejaard en gaat mentaal achteruit. Daarom lijkt dit misschien een mooie oplossing, maar ideaal is hun situatie niet.

Ik wil dus best samen afspreken; en toch is er ineens een lichte twijfel. Waarom toch? Komt het door slechte ervaringen in vergelijkbare situaties? De laatste jaren heb ik vaker met mensen apart afgesproken die ik tot dan toe alleen binnen een groep had meegemaakt. En steeds bleek achteraf dat er wat aan de hand was.

Valt een afspraak tegen, dan is dat meestal geen ramp. In zo’n geval heb je het geprobeerd en kan je zonder veel gedoe afscheid nemen van elkaar. Maar met deze vrouw blijft het contact via de vrijwilligersgroep in stand.

Vooral dat ‘dieper over dingen doorpraten’ zou een omineus signaal kunnen zijn. Het kan namelijk positief of negatief uitpakken. Als je duidelijke raakvlakken en gedeelde interesses hebt, is dit prima. Maar ik heb nog niet ontdekt of wij die hebben.

In vergelijkbare situaties met andere mensen kreeg ik te maken serieuze dilemma’s. Zoals: ernstige psychische problemen, een uiterst pijnlijk gebrek aan zelfvertrouwen, spraakwatervallen, en types die mij als coach of therapeut beschouwen. Terwijl ik psychiater noch coach noch praatpaal ben. En dan was er nog een griezel die tijdens een boswandeling eindeloos over spiritualiteit doorging. Brrr.

Wellicht is het enige probleem dat deze vrouw in staccato tempo denkt en praat. Daarvan raak ik fysiek en mentaal snel buiten adem. Nou ja, we zullen zien. Met mensen omgaan blijft een uitdaging, maar alleen vermaak ik mij ook prima. Meestal dan toch.

Fysiek onderuit door een bloedneus

Rond 4:30 uur word ik wakker van vocht dat mijn keel in loopt. Dit voelt bekend aan. Snel sta ik op en loop naar de badkamer. Het is weer zover: bloedneus. Een flinke bloeding deze keer. Vorig jaar had ik daar in de winter geregeld last van. Zelfs onder de douche. Toen speelde de linkerkant op. Nu zit het rechts, voor de tweede maal binnen een week.

De klodderige details zal ik jullie besparen. Een enkel bloedbad op Raam Open is wel genoeg. Maar het bloeden valt ook nu moeilijk te stelpen. Daar sta je dan voor de spiegel in de badkamer, terwijl bijna heel Nederland nog lekker op één oor ligt. Steeds harder bibberend in je pyjamaatje. Zodra de druk op mijn neusvleugel vermindert, begint meteen het bloeden weer.

Probeer maar eens zonder bloedspatten wat warmers aan te trekken, terwijl je met een wattenschijf voortdurend tegen je neus aan moet drukken. Een dikke trui of een bh met haakjessluiting, bijvoorbeeld. Met één hand een strakke spijkerbroek dichtknopen lukt evenmin. (Hé, dat roept herinneringen op.) Er moeten nog ergens tampons rondslingeren, waarmee ik het bloeden kort zou kunnen stelpen. Maar wáár?  Nogmaals, ik zal jullie de details besparen. De badkamer is inmiddels weer helemaal schoon.

Wat ik wil zeggen, is dit. Wat kan je lichamelijk toch uit je doen raken door een simpele bloedneus. Vooral als je tot 08:00 uur wacht met de huisarts bellen, omdat de praktijk dan open gaat. En de assistente aan de telefoon zegt dat je gewoon je neusgat moet dichtduwen. Hoewel je uitsluitend wil horen dat je DIRECT mag komen. Dat mocht, na mijn reactie. Gelukkig woon ik op zeven minuten lopen afstand.

Ik heb er een uur in een behandelkamer gezeten. Oh, het bloeden hield daar natuurlijk binnen vijf minuten op. Zal je altijd zien. Maar tegen die tijd zat ik nogal te hyperventileren. Door de inspanning van de wandeling. Doordat ik voor mezelf op moest komen. En doordat ik al uren niet geweldig adem kon halen. Daarom zag ik sterretjes en werd ik er duizelig van. Trouwens, bloed in je maag heeft ook geen beste uitwerking.

Kortom: ik voelde mij zo slap als een vaatdoek. Dat schijnt normaal te zijn. Alleen komt de acceptatie van zo’n feit wat trager bij mij. Want ik had voor vandaag een wandelafspraak. En ik hield die behandelkamer in beslag, vond ik. En dat allemaal voor een bloedneus. Belachelijk. Ik wilde wel opstaan, maar ja. Je wordt vanzelf teruggefloten door je lichaam. Vandaar dat ik de rest van de dag kalm aan heb gedaan.

Effect van een straatfoto zonder mensen

‘Het zijn mensen die deze structuren construeren en gebruiken. Op jouw foto’s ontbreken die mensen, daardoor ontbreekt wellicht iets heel essentieels.’ Dit schrijft Jan Jaap als reactie op Stadsfoto’s als uitdaging met foto’s van het Liander-kantoor. Bedankt, Jan Jaap. Ik hou wel van zo’n opmerking, want je zet mij en wellicht ook anderen aan het denken. Zoals gezegd, heb ik mensen uit beeld gelaten vanwege privacyregels. Verandert daardoor ook de essentie van een tafereel? Hm. Mijn gedachten meanderen naar het volgende.

Liander kantoor Arnhem straatkunst fotografie 1De foto toont een momentopname en een uitsnede van wat we waarnemen. Het is de werkelijkheid zoals ik die daar wel vaker zie, bijvoorbeeld in het weekend. Dan lopen er doorgaans geen mensen in of uit het gebouw. Kom je hier op maandagochtend rond 08:30 uur, dan is het een levendige boel. Er passeren dan ook veel schoolkinderen en forenzen. De school en het station zijn vlakbij. Nu kan de foto in een zojuist ontruimde stad genomen zijn.

Deze foto’s zijn niet geregisseerd, maar het beeld wijzigde wel doordat ik ze nam. Een naderende man aan de overkant zag dat ik wachtte op een goed moment. Daarom stak hij de weg over. Hij was vlakbij, maar je ziet hem niet.

De foto doet mij denken aan schilderijen van Edward Hopper. Die zijn doorgaans spaarzaam bevolkt of zonder levend wezen. Als er mensen zichtbaar zijn, dan vaak alleen. Of ze stralen eenzaamheid uit, verlatenheid. Overgeleverd aan hun eigen gedachten, lezend, in hun eigen fysieke wereld.

Edward Hopper speelde in zijn schilderijen met ramen, waardoor je naar binnen of naar buiten kijkt. Misschien zit er een eenzame portier achter een raam op mijn foto. Dan blijft hij onzichtbaar door de weerspiegeling van de wolken in het glas.

Even een alternatieve gedachte. Denk aan een foto van een mensenmassa, waarop slechts één persoon recht in de lens kijkt. Dat is de enige persoon met wie we contact hebben. Of is het de fotograaf zelf, die kijkt naar de camera op een statief? Of je je wel of niet in een mensenmassa bevindt; dat maakt soms geen verschil voor hoe je een moment of situatie ervaart.

Wat gebeurt er eigenlijk wanneer mensen wel herkenbaar op foto’s staan? Vaak wordt onze blik al snel naar de gezichten van die mensen getrokken. Straten en gebouwen vormen dan slechts een achtergrond, een context. We bedenken vervolgens een verhaal: wie die mensen zijn, wat ze daar doen en waarom. Zo verschuift het perspectief en de betekenis.

[Hier stond een foto van twee mannen die met een klein meisje tussen hen in lopen en een paar dat achter hen liep.]

Vergelijk nu eens de uitsnede van deze foto bij Reiger ontdekt Arnhemse Sint Jansbeek. Dan zie je direct het effect van de aanwezigheid van deze mensen. Want op deze volledige foto is de reiger in de beek veel minder prominent dan in mijn logje.

We kijken waarschijnlijk langer naar de twee mannen met het kleine meisje links op de voorgrond. Zij trekken de aandacht. Wie zijn die mannen? Wat is hun relatie tot dit kind? Is de moeder in de buurt? Nemen ze dat meisje ergens naartoe? Of windt dat meisje juist die mannen om haar vingers? (Dat laatste was zeker het geval. Daarom glimlachen de man en de vrouw achter dit drietal.)

Nu terug naar mijn werkelijkheid. Op het moment dat ik deze foto nam, was ik gefixeerd op die reiger. Ik wilde zo dichtbij mogelijk komen, zonder het dier te storen. Dit mede om ervoor te zorgen dat hij zou blijven staan. Ik registreerde mentaal wel de aanwezigheid van die mannen en het kind. En ik merkte dat er iets grappigs voorviel. Maar ik zag hen nauwelijks. Dat kwam later, toen ik thuis de foto bekeek. Daarop zag ik pas hoe de mannen opgingen in hun spel met het meisje én dat zij toeschouwers hadden. Zonder foto had ik die toeschouwers niet opgemerkt.

Misschien kijken we allemaal wel naar iets anders wanneer we dezelfde werkelijkheid zien.

Wat zijn jouw gedachten bij straatfoto’s zonder mensen?