Drukwerk

Vrijdag viel het 3-jaarlijkse tijdschrift van de plaatselijke heemkundekring op de mat. Daar staat mijn artikel in over de geschiedenis van onze straat. Na de expositie vorig jaar, had een redactielid mij gevraagd of ik een artikel wilde schrijven voor hun blad.

Het is mijn eerste echte officiële publicatie in de vorm van drukwerk. Althans, gerekend buiten de zes onderzoeksverslagen over mijn familiegeschiedenis in eigen beheer. En gerekend buiten het tijdschrift dat ik met korte stukjes en artikelen vulde voor een ministerie. Dat laatste onderging echter een uitvoerige redactieronde. De eindversie was gevoelsmatig mijn tijdschrift niet meer.

Het is best apart, zo’n publicatie in een tijdschrift waarvan je zelf geen abonnee bent, over een straat waarvan je de geschiedenis pas relatief kort kent, in een dorp waar je import bent. Mijn naam staat onder het artikel, alleen weet bijna niemand wie ik ben. In de buurt weet men wel hoe ik er uit zie, maar de meeste mensen kennen mijn naam niet.

Eind augustus stond er een vooraankondiging over het artikel in onze straatnieuwsbrief. Ik vermoed dat meerdere buren belangstelling hebben. Toch is de aankondiging weer snel in vergetelheid geraakt; want nog niemand heeft erover gerept.

Nu ligt het tijdschrift met mijn artikel dus thuis, en bij allerlei onbekenden om mij heen in huis. Ik stel mij voor dat het tussen de kranten is beland, of rondslingert in een stapel papier op een bureau. Waarschijnlijk is het eveneens verkrijgbaar in de plaatselijke boekhandel. Ik heb geen idee wat men er van vindt. Van de redactie kreeg ik geen inhoudelijke vragen, opmerkingen of feedback. ‘Het zal dan wel goed zijn’, dacht ik.

Een artikel in een gedrukt tijdschrift publiceren, is een afstandelijk gebeuren. Als auteur mis ik nu de mogelijkheid voor lezers om te liken en te reageren.

De verlossende leugen

‘Olivier Locadia heeft onlangs de hulp van een diëtist ingeschakeld. Zijn ongezonde relatie met eten is terug te voeren op zijn jeugd. Hij werd door zijn verslaafde moeder soms dagen alleen thuisgelaten zonder eten. Nu hij zelf jonge kinderen heeft, merkt hij dat hij geen idee heeft hoe hij ze moet leren met eten om te gaan.’, schrijft Katja de Bruin in ‘Als de maat vol is’, in de VPRO Gids.

Ik citeer nog even verder, omdat het volgende zo waarachtig mooi is: ‘Ik wil niet eindeloos blijven zeggen: ik heb het als kind niet geleerd. Op een gegeven moment had ik het mezelf moeten leren en dat heb ik niet gedaan.’

Respect, man.

Vooruit, nog één stukje dan. ‘Ik zie ook wel dat het meer gevolgen voor me had dan ik dacht. […] Toen kwam ik erachter dat ik niet helemaal eerlijk was tegen mezelf. Niet dat ik echt aan het liegen was, maar ik bleef gewoon een beetje weg bij de waarheid.’

Ik lees het wanneer ik voor de derde maal met iemand heb geprobeerd om het gesprek aan te gaan. De laatste keer wat mij betreft. Omdat er wederom keihard tegen mij gelogen is. Aangezien die ander zelfs de eenvoudigste feiten niet onder ogen komen wil, of kan.

Dan ga je wild om je heen slaan. Dan ga je ontkennen. Dan ga je zeggen ‘dat je je er niet bewust van bent geweest.’ Terwijl het al zo vaak is voorgevallen, met negatieve reacties tot gevolg, dat dat echt godsonmogelijk is. Maar negatieve reacties zijn ook aandacht.

En uitgesproken vanaf een zekere leeftijd, in combinatie met de juiste blik en toon, kom je er vaak wel mee weg. Vooral bij degenen die vanwege hun professie of hun relatie met jou van goede wil zijn. Bovendien geloof je het zelf, wanneer je het vaak genoeg zegt.

Een nichtje vertelde onlangs hoe zij nog weleens kan terugverlangen naar haar onbevangenheid van toen ze twintig was. Dat je dan nog niet alles weet van wat er in de wereld speelt.

In een ander opzicht heb ik een vergelijkbare weg als Olivier afgelegd. Mijn pubertijd herinner ik mij als een grote waas. Als een periode waarin er nog zo veel onduidelijk en raadselachtig was. Sociale contacten, waarom mensen op bepaalde manieren reageerden, welke invloed ik daar zelf mogelijkerwijs op had.

Maar ik verlang echt niet terug naar die tijd. En die laatste leugen, die voor mij nu zo kristalhelder een onwaarheid was, die bevrijdde mij. Waarna de situatie niet beter werd, maar het wel direct lichter was in mijn hoofd.

Mijn lens in vier delen

Gisteren is mijn ooglens vervangen door een intra-oculair exemplaar. Kortom, ik ben geopereerd aan staar. Nu draag ik voor de rest van mijn leven een lichaamsvreemd stukje plastic mee. Er hoort zelfs een paspoortje bij: een ‘Patient Lens Implant Identification Card’. Dus als ze weer vragen of ik een prothese heb, dan zeg ik voortaan ‘ja’. Zouden kronen op kiezen ook tot de gebitsprotheses worden gerekend?

De lijst met dingen die ik moet noemen wordt langer met het jaar. Heeft u allergieën? Jazeker. Voor een bepaald soort penicilline, maar welke weet ik niet. Het werd veertig jaar geleden toegediend en nu valt niet meer te achterhalen om welk middel het ging. Daarom is het telkens spannend of een antibioticum bijwerkingen geeft. Vreemd eigenlijk. Bij elke behandeling worden allerlei gegevens genoteerd, behalve feedback over welke antibiotica iemand verdraagt of niet. Dat zou ik wel in een paspoortje willen zien.

Bij een operatie zonder narcose kan je precies volgen wat er gebeurt en de oogarts vertelde steeds met welke handeling hij bezig was. Mijn lens is voor verwijdering in vier delen geknipt en daarna werd de nieuwe lens ingebracht. Ik vind het wonderbaarlijk wat er mogelijk is op medisch gebied. Een staaroperatie is overigens wel minder spectaculair dan een operatie van een makulagat. Dat vond ik pas echt razend interessant.

Waarschijnlijk kom ik nooit meer helemaal van een lichte vervorming in mijn blikveld af. Maar de nieuwe lens heeft mijn bijziendheid verminderd, dus dat is een voordeel. Nu nog drie weken oogdruppels toedienen en dan moet het goed zijn. Hoop ik. Want in de lijst met bijwerkingen staat onder meer dit: ‘kans op verkalking van het hoornvlies’, ‘risico op toegenomen oogdruk’, ‘verhoogd risico op opportunistische ooginfecties’, ‘kans op ontwikkeling van cataract’.

Cataract? Da’s toch een ander woord voor ‘staar’?

Onzichtbare vooruitgang

Dit is zo’n week van hele kleine stapjes. Ik doe wel wat en het leidt ook ergens toe, maar ogenschijnlijk verandert er weinig. Ik stuur een mailtje en geef een antwoord. Ik pleeg een telefoontje en doe navraag voor een afspraak. Iemand belt mij steeds vanaf een privé-nummer wanneer ik net in een andere kamer ben, waar de ringtoon onhoorbaar is.

De oogarts van het ene ziekenhuis wacht op een brief van de oogarts in het andere ziekenhuis. Die brief is een maand geleden geschreven en in het systeem gezet. De volgende stap is nu: de verzending. Maar door wie? En wanneer?

Ik bel naar het ene ziekenhuis, waar iets in gang wordt gezet. En ik bel naar het andere ziekenhuis, waar de brief in het systeem wordt ontdekt. De brief zal door een medewerkster in het universitaire ziekenhuis op de fax worden gezet. We schrijven donderdag 25 maart in het jaar des Heren 2021.

Ach, de natuur neemt ook de tijd. We zetten allemaal onbeduidende stapjes op weg naar vergankelijkheid. Als ze dan maar voor even ergens toe dienen.

Writer’s block opgelost

Had ik al verteld dat ik bezig ben met het schrijven van een boek? Ja, echt. Ik heb genoeg materiaal verzameld tijdens het onderzoek. Non-fictie schrijven is alleen wel wat anders dan vrije stijl stukjes publiceren op een blog.

Om te beginnen helpt het als je boven de materie staat. Dat vergt kennis van zaken op basis van betrouwbare informatie. In mijn geval betreft het een klein deelonderwerp uit het grote geschiedenisverhaal over de Tweede Wereldoorlog. Nu zijn er nogal wat mensen (99% mannen) die zich expert wanen op dat gebied. Dus moet alles kloppen en verifieerbaar zijn.

Verder moet je een logische structuur kunnen aanbrengen in een massa informatie. Dat ben ik bij uitstek goed in. Check. Eerst heb ik een globale indeling gemaakt op basis van de tijdlijn. Hierdoor kwamen als vanzelf de belangrijkste hoofdstukken tevoorschijn. Vervolgens ben ik twee weken zoet geweest met het verdelen van alle brokstukken informatie, die uit tientallen bronnen afkomstig zijn. (En nog dagelijks volgen er nieuwe feiten.)

Dan kan eindelijk het echte schrijfproces beginnen.

Uhm, ja.

Zoals gezegd: je moet boven de materie staan en daarvoor moet je een kenner zijn. Ik daarentegen, was er niet bij in 1944/’45. Ik moet mijn verhaal baseren op wat anderen hebben geschreven. Vaak geven zij verschillende versies van dezelfde situaties met allemaal wat extra’s er bij. Dat hoeft geen probleem te zijn. Zij het dat ik hun stemmen uit mijn hoofd moet krijgen, voordat ik in mijn eigen woorden en in mijn eigen stijl over precies die zaken kan vertellen waaruit mijn eigenste verhaal ontstaat.

De afgelopen anderhalve week ben ik met andere dingen bezig geweest en dat is funest gebleken. Want als je iets schrijft op pagina 8, dan moet je uit je hoofd weten wat er volgt op pagina 83. Zo niet, dan raak je de draad van je verhaal kwijt of ga je dingen dubbel schrijven. Terwijl hier nu juist een heleboel losse feiten samenhangen en nauwkeurig in elkaar moeten grijpen.

Een paar uur lang zag ik het heel somber in. Dit ging mij toch niet weer gebeuren, hè? Dat ik aan iets was begonnen, wat te groot voor mij zou worden. Of dat ik aan iets was begonnen, wat ik niet goed af kon ronden. Om welke reden dan ook.

Uiteindelijk heb ik de imminente blokkade zelf losgewrongen. Door afstand te nemen. Door terug te keren naar de structuur. Door aan te vangen met een logisch detail. Een detail dat precies paste op pagina 8 in het verhaal. Waarna de rest vanzelf kwam.

Als je weinig mensen spreekt

Mijn vermoeden is dat de verbindingen tussen onze hersencellen verschrompelen en uiteindelijk loslaten als we te weinig meemaken of mentaal worden uitgedaagd. Menselijke interactie is een uitdaging. Kennis opdoen ook. Doorgaans kan ik prima alleen zijn en mij best vermaken. Ik heb geen enorme behoefte om dagelijks met iemand te praten. Sinds de coronamaatregelen bestaan, ontmoet ik echter minder mensen dan ik gewend ben.

Wanneer je een hele dag niemand spreekt, kan je je zomaar ineens gaan afvragen of je nog wel normaal bent. Tenslotte laat je mentale staat zich alleen goed testen in het contact met andere mensen.

Ontspannen de operatiekamer in

Bij die binnenoogpretjes van vorige week heb ik jullie op het verkeerde been gezet. Een heerlijk droog stukje over een medische ingreep; zo werd het getypeerd. Wat ik er niet bij heb verteld, is dat ik ternauwernood een aanval van hyperventilatie heb onderdrukt. Beter gezegd: zelfs dat is niet gelukt. De hele behandeling duurde hooguit een minuut en ik heb de injectie met het gas in mijn oog niet eens gezien of gevoeld. Maar het idée, terwijl je volledig aan anderen mensen overgeleverd bent.

Dus toen ik gisteren weer voor controle in het ziekenhuis was, en bleek dat mijn oog toch moest worden geopereerd, en de oogarts meteen een opdracht tot reserveren gaf, en ik bij de balie te horen kreeg: ‘Er is misschien vanmiddag een plekje vrij, maar met zekerheid kunt u morgen om 8.30 uur worden geopereerd.’, toen voelde ik direct weer een paniekvlaag door mijn lichaam gaan. Zo een die acuut misselijk maakt. [Rustig blijven ademhalen nu. Kalm nou.] Ik zei: ‘Doe die van morgen maar.’

Ik ken mezelf, want ik heb al eerder een paar bijna-paniekaanvallen gehad. Een keer in Sevilla, toen ik dacht dat er een inbreker op het balkon van mijn hotelkamer stond. En een keer toen het water van de badkamer recht door het plafond van mijn woonkamer naar beneden kwam. De resterende voorvallen heb ik verdrongen, want in geen van die situaties reageerde ik adequaat. Dus God mocht weten wat ik zou doen als ik in de operatiekamer door een paniekaanval zou worden overmand.

Trouwens, zo’n oogarts wil liever ook geen gedoe. Die staat daar met zijn operatieteam klaar en dan doet een patiënt ineens raar. Maar om een narcose vraag je in tijden van corona ook niet zomaar. Daar zijn wachtlijsten voor. En ‘iedereen’ ondergaat zo’n operatie gewoon bij volle bewustzijn. Bovendien is het lopendebandwerk, dus waar maak je nou zo’n heisa van. Dat hield ik mezelf voor.

Van ellende heb ik een hele avond lang aan alle ontspanningsoefeningen gedacht, die ik ooit heb geleerd. Ogen sluiten, naar je ademhaling luisteren, je van je hele lichaam gewaar worden en alles goed vinden. Dus geen oordelen vellen. Maar op de operatietafel moet je je ogen juist open houden en als ik aan andere dingen denk, hou ik ze niet stil.

Daarna heb ik aan de meest ontspannen momenten in mijn leven gedacht. Op het strand van een tropisch eiland mijn haren wassen in een enorme regenbui. Op een warme rots liggen in een Australische rivier terwijl het lauwwarme water langs mijn lichaam stroomde. De ultieme stilte in de krater van de Pico del Teide, toen ik nog geen tinnitus had. Op een bankje genieten van de eerste warme voorjaarszon. De rustgevende muziekjes die je in elk zweverig toeristenwinkeltje op Bali hoort. Enzovoort. Maar daaraan denken in een operatiekamer hou ik nog geen drie seconden vol.

Daarna kwam er een andere gedachte in mij op. Want waarom zou je zo’n ingreep met hartkloppingen en gierende zenuwen moeten doorstaan? Daar bestaan toch kalmerende middelen voor. Half Nederland is aan de pijnstillers, kalmerende middelen, drugs en alcohol. Dan mag je bij uitzondering toch ook wel eens een pilletje slikken. Zo gezegd, zo gedaan. Ik heb oxazepam gekregen en daarna werd ik al gauw kalm.

Echt, dat calvinistische gedoe is nergens goed voor. Bij de eerstvolgende oogoperatie vraag ik er weer om.