Schurende gesprekken

Tien jaar geleden, een eerste groepswandeling op de Utrechtse Heuvelrug.
J is een van de wandelaars en spreekt mij aan. Ik ben nieuw en hij wil van alles weten. Al snel weet hij ons gesprek richting spiritualiteit te buigen. Daar heb ik niet uitgesproken veel mee. Ik geloof wel in iets, heel vaag. Dat de natuur en gebieden bezield kunnen zijn. En in Australië moedigde ik mijn motor soms aan, wanneer de tank bijna leeg was. Alsof hij me kon verstaan.

J weet het zeker: ik ben spiritueel. Hij brandt los. Het is duidelijk zijn favoriete onderwerp. Hij praat erg bevlogen, kijkt daarbij indringend en gaat maar door. We raken steeds verder achter op de groep. Eerlijk gezegd verveelt hij me al gauw. Want zoals ik hem aan het begin duidelijk heb gezegd, ben ik niet zo spiritueel.

Maar J weet het zeker. ‘Neem het nu maar van mij aan; je bent wél spiritueel.’, bezweert hij. Mij bekruipt het unheimische gevoel dat hij me een sekte in wil trekken. Daar maak ik korte metten mee: ‘Je krijgt nog vijf minuten en daarna wil ik geen woord meer horen over spiritualiteit.’ Tegelijk zet ik alvast wat ferme stappen vooruit. Op een holletje volgt hij me, verwoede pogingen doend om me te overtuigen. En hij blijft uitweiden over spiritualiteit. Wanneer de vijf minuten om zijn, snoer ik hem alsnog de mond. Daar is weinig spiritueels aan.

Ik voldoe niet altijd aan verwachtingen die anderen van vrouwen hebben. Want als vrouw schijn je bepaalde onderwerpen interessant te moeten vinden. Ik hoef bijvoorbeeld niet continu over kinderen te praten. Ook met ziektes, psychische klachten, cup cakes en de laatste mode heb ik weinig. Wel leef ik met mijn naasten mee.

De trend is dat we steeds persoonlijkere zaken tot in de kleinste details delen met iedereen. Hoewel ik de heilzame werking van praten en schrijven onderken, heb ik soms moeite met de manier waarop dit gebeurt. Ik vermoed dat sommigen hun identiteit aan hun probleem ontlenen. En het gaat recht ‘in your face’. De ellende wordt je zowat door de strot geduwd. Feitelijk zoals J dat met spiritualiteit doet. Mensen die je niet of nauwelijks kent, confronteren je ermee. Wie leeft zich nu eigenlijk in in wie?

Misschien ligt het aan mij en heb ik wat mannelijke trekjes. Want mannen zijn vaak minder breedsprakig over de dingen waar ze echt mee zitten. Die zeggen gewoon: ‘Het is zwaar klote’ en dat is het dan. Hun maten weten zo precies wat ze bedoelen. Vrouwen niet. Die willen alles tot in detail uitgelegd krijgen. Sterker, je móet het toelichten, anders ontstaat er gedoe.

Ergens in het midden ligt een mooie tussenvorm van communicatie. Wat mij betreft waken we ervoor dat de feminisering van het discours doorslaat.

Raadsels uit de couveuse van mijn vroegste jeugd

Jaren geleden. Een collega geeft een afscheidsfeestje. Het is aan de vooravond van haar vertrek naar Afrika, waar ze al eerder heeft gewerkt. De meeste aanwezigen zijn ook expat geweest. Zoals een andere vrouwelijke collega, die van onze leeftijd is. Alle drie staan we tamelijk onafhankelijk in het leven, hoewel ik niet precies kan aangeven waar dat ‘m in zit. Op het feestje ontdekken we dat we nog iets delen. We zijn alle drie in de vroege jaren zestig couveusekinderen geweest.

Voor mij is het nog altijd een raadsel of, en zo ja, welk effect die periode heeft gehad. Bij mijn geboorte was ik (waarschijnlijk) gezond, maar veel te licht. Daarom moest ik eerst op gewicht komen. In die jaren mochten ouders hun kinderen op de couveuse-afdeling niet vasthouden. Ze konden alleen door glas naar de ruimte kijken waarin de couveuses stonden. Ik heb er bijna twee maanden doorgebracht.

De couveuses waren toen een soort veredelde broedmachines. Er brandden voortdurend warmtelampen. Ook stond er apparatuur te zoemen en de deurtjes gingen met een klap dicht. Zo’n couveuse moet een helverlicht, lawaaiig ding zijn geweest. Ik heb een bloedhekel aan herrie en aan schel licht. Maar in tropische warmte voel ik me juist helemaal geborgen. Dat zal wel uit die periode stammen.

Toch blijf ik met vragen zitten over het verblijf van een pasgeborene in zo’n couveuse. Heeft die periode fysieke en mentale sporen achtergelaten? Kan er later nog een specifieke lichamelijke klacht te voorschijn komen? Wat betekent het voor het hechtingsproces tussen ouders en kind? En werkt het door op andere relaties? Of is het toeval dat mijn vroegere collega’s en ik ons zo vrij en onafhankelijk opstellen?

Experiment: 3 dagen zonder tv en internet

Op vrijdag zet ik om 11 uur ’s ochtends mijn laptop aan om op internet te gaan. Maar de vaste netwerkverbinding doet het niet meer. Al gauw blijkt dat de tv evenmin werkt; ook die ontvangt zenders via internet. Daar zit ik dan, afgesloten van de rest van de wereld. De monteur komt pas maandag tussen 8.00 en 10.00 uur. Maar dit is wel een perfect moment voor een beschouwend experiment.

Drie Hele Dagen Zonder Tv en Internet
Even voor het effectbejag: Drie Hele Dagen Zonder Tv en Internet! Hoe lang is dat geleden? Ik heb internet via werk sinds 2000 en thuis sinds 2006. Mijn oudste Hotmailadres stamt uit 2001. Daarvoor moest ik tijdens vakantie of in het weekend naar internetcafés of de openbare bibliotheek. Een mobiele telefoon gebruik ik niet voor internetbankieren of e-mails. Da’s me te veel gepriegel. En de vaste verbinding op mijn laptop is veiliger.

Experiment
Hoe kom je het leven door tijdens drie hele dagen zonder tv en internet? (Ook mijn mobieltje gaat in de ban.) Dit wordt een sociaalwetenschappelijk experiment. Zoiets als Big Brother, maar dan omgekeerd. Ik waag het erop zonder deskundige begeleiding van een psycholoog. Want dat er afkick-verschijnselen zullen volgen, is zeker.

Verslaafd aan internet
Thuis zit ik vaak urenlang op internet. Sowieso voor talloze praktische zaken. Verder schrijf of lees ik voortdurend e-mails en logjes. Staat er iets boeiends in de krant, dan zoek ik online naar meer informatie. Wordt er veel gekletst op de radio, dan wijk ik uit naar muziek op YouTube. En documentaires zie ik graag op een zelfgekozen moment via internet. Er valt dus nogal wat weg.

Afkickverschijnselen
Drie dagen lang betrap ik mezelf om de haverklap op ‘schijngedachten’. Dan denk ik: ‘Even een e-mailtje sturen/iets opzoeken/logjes lezen’. Direct gevolgd door: ‘Oh nee, kan niet.’ Ook heb ik vaste gewoonten, zoals kijken naar het NOS journaal om 20.00 uur. Daarom ervaar ik rond dat tijdstip een licht gemis. Maar Radio Gelderland zendt ook NOS-nieuws uit om 20.00 uur. Dat is prettig bondig, dus pijnlijk wordt het niet. Dit geldt voor meer zaken. Ik check de schrijfwijze van woorden doorgaans op internet, maar in de kast staat een driedelig woordenboek. Voor dit gemis bestaat nog een analoog alternatief.

Alternatieven voor contact en vertier
Ik hoef mezelf niet in eenzaamheid af te zonderen. Ik kan ter afleiding bij de buren aanbellen of naar de plaatselijke kroeg gaan. Ik kan naar de stad gaan of met vrienden afspreken. Bovendien komt er via Raam Open een leuk aanbod. (Ja, ik heb gespijbeld en later gespiekt via mijn mobiele telefoon.) Maar dergelijke uitwegen voelen als valsspelen. Ik wil het gemis aan tv en internet wezenlijk ondergaan.

Bloggen op mobiele telefoon
Ik kan het toch niet laten om op vrijdag een kort bericht op Raam Open te plaatsen. Als om mijn bestaan te bevestigen. Het is nog net geen SOS. Bloggen op een mobiele telefoon gaat trouwens tergend traag en moeizaam. Daarop kan ik slechts met één vinger typen, tegen met tien tegelijk op mijn laptop.

Alternatieven voor internet
Deze drie dagen zonder tv en internet mis ik mijn blog het meest. Plus You Tube en de logjes van andere bloggers die ik volg. Kortom, precies het creatief-interactieve deel van mijn internetbestaan. Veel andere ‘behoeften’ zijn te omzeilen met analoge alternatieven of alternatieve bezigheden. Zoals de krant lezen, vrienden bellen, via de radio luisteren naar muziek of het weerbericht. En het scheelt dat dit geen drie werkdagen zijn.

Bankieren zonder internet
Hopelijk staat er intussen nog voldoende saldo op mijn ING-rekening. Want de automatische afschrijvingen en pinpasbetalingen gaan door. En stel dat ik nu snel een factuur moet betalen. Ergens achterin de kast ligt nog een mapje overschrijvingskaarten van de ‘Postbank’. Zou men het daarop vermelde 7-cijferige rekeningnummer kunnen verwerken zonder IBAN?

App 9292
Op zaterdag smokkel ik nogmaals. Ik zoek via een app welke trein ik moet halen voor een afspraak. Dat had ook analoog gekund met een telefoontje naar 9292. Maar welk nummer toets je in voorafgaand aan ‘9292’? In een papieren telefoongids kan ik het niet opzoeken. Die is lang geleden weggedaan. Want alles staat op internet, nietwaar? En zonder tv-signaal werkt zelfs teletekst niet meer (als dat nog bestaat).

Conclusies

  • Internet heeft ons onafhankelijker gemaakt. We hoeven bij niemand aan te kloppen als we een vraag hebben of iets willen regelen.
  • Internet vergroot de afstand tussen ons en organisaties. Zelfs als je een helpdesk belt omdat je geen internet hebt, krijg je via een ingesproken bandje eerst de vraag of je een chatsessie wenst.
  • Paradoxaal zorgt internet tegelijk voor extra persoonlijke contactlijnen.
  • We zitten in een overgangssituatie. Er bestaan nog analoge alternatieven, maar we beseffen amper wat er al verdwenen is. Jongeren hebben daarvan geen idee.
  • Voor 95% van de tijd is het goed toeven zonder internet. Just get a life.

Op maandag om 08.00 uur staat de monteur voor de deur. ‘Er zat een draadje los in de lokale centrale.’, luidt zijn conclusie na een uur. Internet doet het weer. Het voelt alsof de vakantie voorbij is.

Transformatie van patiënt naar mens

In drie jaar tijd ben ik twee keer van tandarts veranderd. Tussen specialist en patiënt luistert het namelijk nogal nauw. Bovendien delen mijn gebit en ik een hele geschiedenis. We hebben al het nodige moeten ondergaan. Deze tandarts was mij aanbevolen door een goede bekende. Ik geloof direct dat ze kundig is, maar haar manier van doen is minder. Dus toen vooraf werd gemeld dat iemand haar vandaag verving, vond ik dat prima.

Het is een heel jonge man. Terwijl de assistente achter mij staat, komt hij binnen en vraagt hoe het met mij gaat. Het klinkt bijna alsof hij bedoelt hoe het met mij persoonlijk gaat. Ik antwoord ‘goed’ en maak daarna toch maar gewoon een opmerking over mijn tanden. Zijn manier van doen is relaxed. Tijdens de controle informeert hij ook belangstellend naar het welzijn van de assistente. Zij is ziek geweest, moest overgeven, en nu gaat het beter. Gelukkig maar.

Bij mij is alles in orde. Na afloop van de controle stel ik een vraag over mijn verstandskies. De jonge tandarts vertelt dat ik hem beter kan laten zitten. Je weet nooit of die kies later nodig is voor een brug of zo. Dit klinkt heel anders dan de dreigende taal van mijn vaste tandarts. Die begon meteen over de boel open laten snijden door een kaakchirurg.

Ik mag deze tandarts wel. Daarom zeg ik dat hij wat mij betreft voortaan wel mijn vaste tandarts mag worden. Hij vraagt waarom. De assistente, die met haar rug naar mij toe staat, draait zich om. Nu moet ik het vertellen. Dat mevrouw M altijd zo gejaagd is. Dat ik haar aanrakingen ruw vind. Het is prettig dat hij rustiger werkt.

Een moment lang is het stil. Aan hun gezichten valt geen emotie af te lezen. Maar onmiskenbaar voel ik een zucht van verlichting door die kamer gaan. Loyaal zeggen ze dat mevrouw M kundig is en ze erkennen dat zij ‘soms’ wat ruw kan werken. Waarna de hele sfeer omslaat en we zomaar in gesprek raken. Over het werk van de tandarts. Over het vierjarige dochtertje van de assistente. En over hoe het wonen mij hier bevalt.

Gedrieën zijn we getransformeerd. Van tandarts, assistente en patiënt naar mens.

Levenslessen van andere mensen

Soms denk ik: ‘Stel dat die reorganisatie er niet was geweest. Dan had ik ook niet …’ Gevolgd door allerlei zaken die ik niet had willen missen. Zoals het leven in mijn huidige woonplaats. En de gesprekken met deelnemers in de groep voor werkzoekenden. Regelmatig leer ik nog van deze mensen. Omdat zij een ander leven leiden dan ik. Omdat zij ook van alles meemaken, maar daar anders mee omgaan. Of omdat ze andere beroepen en interesses hebben. Zonder die reorganisatie hadden we elkaar waarschijnlijk nooit ontmoet.

Werkloos raken schudt de meest stabiele personen door elkaar. Vooral na een lange carrière. Je hele toekomst wordt onzeker. En vaak moet je voor het eerst in jaren je zelfbeeld herzien. Als daarbij het pantser eenmaal wegvalt, kom je tot de kern. Ik als lotgenoot tenminste wel. Dan kunnen we praten over zaken die er werkelijk toe doen. Ik kan slechts raden hoe zij zich in een werksituatie gedragen. Maar vermoedelijk weet ik na een gesprek al beter wat hen beweegt, dan hun vroegere collega’s na een jaar.

Gesprekken met mensen die anders in het leven staan, vind ik eveneens boeiend. Ze trekken me uit mijn eigen beperkte denkwereld en bieden alternatieve zienswijzen. Daarbij moet ik wel moeite doen om ze goed te begrijpen. Want ik denk toch vanuit mijn eigen referentiekader. Te snel of verkeerde conclusies trekken, is zo gebeurd. Als ik me daarvan bewust ben, blijf ik doorvragen. Hoe, wat, waarom, … en toen? Tot alles helder is. Zij zetten mij vaak aan het denken. En ik hen.

‘Sorry voor de overlast’

Regelmatig ontvang ik verkeerd bezorgde post. Nu is het alweer raak. Drie identieke brochures liggen op de mat. Een voor mij en twee voor geadresseerden aan een uitvalsweg verderop. Ze zijn van een sympathieke organisatie en het is zonde om ze weg te gooien. Ik leg de brochures op tafel en wacht tot de postbode langskomt. Dan kan ik ze teruggeven en de gebrekkige bezorging aankaarten. Alleen mis ik die man steeds op zijn ronde. Daarom besluit ik de brochures zelf weg te brengen.

Na een boswandeling bereik ik de betreffende weg. Er staan allemaal grote villa’s. Hm, ineens voelt het wat ongemakkelijk aan, zo zonder postbode uniform. Je betreedt toch een duidelijk omheind privéterrein. ‘Oké’, denk ik, ‘die brochures bezorg ik alleen als de postbussen dicht bij de weg staan.’ Maar ze staan meters verder. ‘Ach, waarom ook al die moeite doen. Ik stop ze wel in de brievenbus van PostNL.’

Maf, zo’n wending. Want de vorige keer betrad ik bij een rijtjeshuis wel zonder gêne andermans tuin. Maar daar hingen geen camera’s.

Terug in mijn straat zie ik toevallig de postbode lopen. Dit is mijn kans! Het is een logge, trage man. Ik roep hem, maar hij hoort me niet. Ondertussen loopt hij verder; ik moet nog achter hem aan ook. Eindelijk draait hij zich om. Voor het eerst zie ik zijn vlezige gezicht van dichtbij. Hij ziet eruit als iemand die door de laatste bezuiniging zijn baan in een sociale werkplaats heeft verloren. En nu loopt hij hier rond met de post.

Ik pak de brochures uit mijn tas, wijs naar mijn huis en zeg dat ze onlangs verkeerd zijn bezorgd. ‘Zou hij het vreemde van deze situatie inzien?’, vraag ik me intussen af. Want normaal gesproken, als je de postbode langs je huis ziet lopen, ren je toch niet naar buiten met je jas aan en een tas op je rug. Een tas waarvan je de ritssluiting nog moet openen om de post eruit te halen.

Met een ernstige blik neemt hij de brochures van me over. Hij vertelt dat hij ze naar het depot zal terugbrengen. ‘Sorry voor de overlast’, zegt hij er welgemeend achteraan. Het is al geen probleem meer. De rest van mijn commentaar verzwijg ik maar.