Zoektocht naar herkenning

Bij aanmelding voor een wandeling vanuit Geldrop, maak ik mezelf wijs dat ik wil wandelen in onbekend gebied. ‘Toevallig’ is Geldrop ook de plaats waar een verre verwant woont. We weten pas sinds kort van elkaars bestaan af. Het contact kwam via mijn familiewebsite tot stand. Ik ben mild nieuwsgierig, maar wil zij mij wel ontmoeten? Terloops vermeld ik mijn geplande bezoek en ja hoor: zij reageert direct enthousiast. We spreken af in een restaurant.

Wat verwachten we eigenlijk? Dat we uiterlijk op elkaar lijken? Dat we iets in elkaars gedrag herkennen? Dat we overeenkomstige normen en waarden hebben? Onze verwantschap gaat acht generaties terug. Acht generaties boven ons trouwden twee mensen in het jaar 1732. Vervolgens kregen zij zestien kinderen. Mijn verre verwant en ik stammen elk van een andere zoon af.

We delen weinig genen. Want gerekend vanaf onszelf hebben we allebei 2 (ouders) + 4 (grootouders) + 8 (overgrootouders) + 16 + 32 + 64 + 128 + 254 = 508 voorouders tot in de achtste generatie. Dus samen 1.016 voorouders minus onze 2 gezamenlijke voorouders = 1.014 andere voorouders. Wat heb je dan nog gemeen? Toch is het aardig om deze vrouw en haar man te ontmoeten. Haar nog levende familie is klein.

Zoekt zij daarom zo hard naar iets herkenbaars in mij? Foto’s komen tevoorschijn. Mijn rechte neus, die ziet zij terug bij haar dochter. Vind ik dat nu ook niet? Ze toont een foto op haar smartphone. Bij haar zitten er veel dansliefhebbers in de familie. Heeft mijn kant ook gevoel voor ritme? Uhm, nou … En zijn wij ondernemend? Een paar verwanten wel, ja. (Maar wat zegt dat?)

De meeste herkenning komt wanneer zij vertellen over hun vroegere leven als expats. Dat ken ik. Zij verkeerden in het welvarende wereldje van de oliewinning. Haar man deed aan ‘gaatjes boren’ in Oman. Sinds kort zijn ze terug in Nederland, met pensioen en aangewezen op elkaar. Vooral dat laatste valt haar zwaar, is mijn indruk. Misschien ervaart zij nu een leegte. Ook dat is mij namelijk bekend uit oliekringen. Keek ze daarom hoopvol uit naar onze ontmoeting?

Misschien heb ik hem gevonden

Zou het karma zijn? Mijn zoektocht naar een goede, betaalbare bouwvakker die tijd heeft en multi-inzetbaar is, verloopt moeizaam. Eigenlijk word ik er een beetje wanhopig van. Mijn ervaringen van de laatste jaren waren vaak ontmoedigend. Terwijl er toch diverse klusjes wachten en een boeideel dringend moet worden vervangen. Dat boeideel heb ik al zeven maanden uitgesteld. Dit omdat het rioolgedoe eerder ook nog speelde.

Op goed geluk kies ik een timmerman en vraag een offerte aan. Die pakt hoger uit dan verwacht. Daarna plaats ik een oproep in de buurtapp en een aanbevolen man komt langs. Hij maakt er een zeer ingewikkeld verhaal van. In gedachten zie ik de totaalprijs verdubbelen. Gelukkig heeft er nog iemand gereageerd. Volgens LinkedIn is het een verkoper en hij prijst zijn broer aan.

De broer komt langs. Er is iets met hem aan de hand. Hij heeft alle tijd en dat is tegenwoordig verdacht. Via Google word ik niets wijzer, maar ik zie iets in hem. Hij is van goede wil en iemand die graag aanpakt. Een beetje onzeker komt hij over. Beschadigd, misschien, op de een of andere manier. ‘Afgekeurd’, zegt hij zelf. Waarom, hoef ik nog niet te weten. Want hij geeft concreet genoeg aan wat hij wel en niet kan. En heldere communicatie, daar hou ik van.

Vandaag kwam hij even langs. In een half uur tijd heeft hij al drie problemen opgelost. Vond hij leuk om te doen. Nu is het wachten op een droge dag. Dan kan hij met de buitenklussen aan de slag.

Onbeantwoorde vraag krijgt onaangename staart

Ik hou niet van losse eindjes, want ik geloof dat iedere daad een gevolg heeft. Losse eindjes zijn handelingen waarvan je weet dat je ze nog moet verrichten. Je denkt bijvoorbeeld: ‘Hier zal ik nog eens op terugkomen. Even wachten op een gunstiger moment.’ Terwijl je intuïtief aanvoelt dat je beter gelijk actie kan ondernemen. Maar dat schiet er al gauw bij in. Totdat de hele zaak als een boemerang bij je terugkomt. Dan is het te laat en het kwaad al geschied.

Ik weet nog precies hoe en wanneer het misverstand is ontstaan. Het gesprek heb ik namelijk vrijwel woordelijk op Raam Open gezet. Dit zijn de passages waar het om gaat:

‘Vorig jaar vroeg hij [de bejaarde buurman] om mijn telefoonnummer. Dat vond hij wel handig, voor als er eens wat was. Stel dat hij zou vallen, dan zou hij mij kunnen bellen. Ik zou ook niet willen dat hij urenlang alleen op de grond zou liggen. Dus zei ik dat hij mij in zo’n noodsituatie kon bellen.

Onlangs sprak ik hem weer. Hij wás die week gevallen en had anderhalve dag op de grond gelegen. Want zijn mobiele telefoon lag buiten handbereik. Ik opperde dat hij eigenlijk beter zo’n pieper bij zich kon dragen, waarmee je een zorgorganisatie alarmeert. Dat werd al geregeld; de zorgcoach kwam diezelfde dag nog langs.’

Hier moet ik even iets verduidelijken. Ik veronderstelde toen dat de buurman met zo’n pieper direct een hulpverlener van een nabijgelegen zorgcentrum kon oproepen. Iemand die in een noodgeval bij hem langs zou gaan. Zoals dit is geregeld bij een aanleunwoning.

Het verhaal gaat verder:

‘Gisteren belde deze buurman aan. Of ik hem mijn telefoonnummer kon geven, want dat was hij kwijt. Voor het geval hij weer op de grond lag. Ik wilde al met ‘06’ beginnen toen ik een formulier in zijn hand zag. Dus vroeg ik voor wie mijn nummer bedoeld was. Voor hem, of voor een organisatie. ‘Ja, zodat ze je kunnen bellen als ik weer op de grond lig.’’

Daarmee was de weergave van ons gesprek niet af. Want ik dacht dat hij bedoelde dat als er een zorgverlener bij hem zou komen, en hij bijvoorbeeld naar het ziekenhuis zou moeten, de zorgorganisatie een naaste contactpersoon nodig had. Dus vroeg ik enigszins in verwarring: ‘Maar daarvoor moeten ze toch bij de familie zijn?’ (Hij heeft drie kinderen.) Waarop hij monter zei: ‘Oké.’, zich direct omdraaide en zonder gedag te zeggen vertrok.

Pas later vertelden anderen hoe het systeem werkt. De buurman zocht kennelijk voor de zorginstelling (waarmee de pieper verbonden is) een contactpersoon in de buurt. Deze persoon kan als eerste bij hem polshoogte nemen zodra hij de zorginstelling alarmeert.

Ik dacht nog: ‘Ik moet eens bij hem navragen of dit is wat hij bedoelt. En ik moet nagaan om welke organisatie het gaat, want hij heeft geen naam genoemd. Ook moet ik vragen wat er na zo’n alarmering precies van mij wordt verwacht. Daarover heeft hij niets gezegd. Verder moet er een sleutel worden geregeld, anders kan ik niet eens naar hem toe. Dit alles indien ik besluit om contactpersoon te worden.’ (En waar blijven zijn drie bloedjes van kinderen in dit verhaal?)

Want ja, deze buurman is een probleemgeval. Rond die tijd speelde onder meer de rioolkwestie al, dus verliep ons contact stroef. Uiteindelijk vergat ik om navraag te doen. En zelf zweeg hij er ook over.

Per toeval ontdekte ik gisteren hoe hij het gesprek van een jaar geleden heeft geïnterpreteerd. Uit een brief van iemand die hem onlangs sprak: ‘Hij heeft aan u gevraagd om als een van de eerstehulp-oproepers te fungeren. U schijnt daar geen gehoor aan te hebben gegeven.’

Zucht …

Misschien valt het tegen

Af en toe ervaar ik een sociaal ongemak. Neem als voorbeeld dat logje van gisteren. De titel luidt: ‘Trouwfeest op het strand’. Er zijn vast lezers die een uitgebreide trouwreportage verwachten. Dus foto’s van het echtpaar, de ceremonie met de trouwambtenaar en de gasten in hun mooie kleding. Plus sfeerfoto’s van de locatie en het feest in volle gang. Kijk je echter, gelokt door die titel, naar de inhoud van het logje, dan valt dit waarschijnlijk tegen. Vermoedelijk val ik zelf ook weleens tegen in het echte leven. Omgekeerd gebeurt dat evengoed.

Er kleeft een risico aan het weerzien met iemand waarmee je eerder een leuke kennismaking hebt gehad. Dat schept namelijk verwachtingen. Hoe leuker het was de eerste keer, hoe beter het wordt in je herinnering. Maar misschien liep het toevallig zo goed door een gunstig moment of een bepaalde omstandigheid.

Bijvoorbeeld omdat jullie er allebei voor in de juiste stemming waren. Of je was in een jolige bui en vond alles grappig bij de eerste ontmoeting. Terwijl je later inziet hoe flauw het toen was en de volgende keer denkt: ‘Oh, nee hè?’ Het kan ook gebeuren dat alles wat jullie delen, al gelijk tijdens de eerste keer is gezegd. Dan heb je elkaar daarna weinig meer te vertellen.

Het kan pijnlijker. Soms betreft het iemand die je jarenlang uit het oog hebt verloren, maar heel graag nog wil zien. Als je die persoon dan weer ontmoet, is dat geweldig. In sneltreinvaart praten jullie bij over wat jullie in de tussentijd hebben gedaan en meegemaakt. Mogelijk ontdek je daarbij wel dat jullie uit elkaar zijn gegroeid, een ander pad zijn ingeslagen, en hooguit for old times’ sake nog wat samen hebben. Komen jullie elkaar vervolgens weer tegen … tja, dan is dat best ongemakkelijk.

Maar goed, ik vrees dat ik soms ook een beetje tegenval. Zo ben ik niet altijd even energiek. Tref je mij op een minder gunstig moment, dan kan het gebeuren dat ik weinig oprechte interesse opbreng. Terwijl ik een vorige keer nog met zoveel belangstelling geluisterd heb. Daarnaast sluit mijn imago (of datgene wat iemand in mij wil zien) niet helemaal aan bij wie ik ben. Dat wordt dan duidelijk bij een volgende ontmoeting. Ach ja.

Over een overlijdensbericht

Terwijl ik een logje schrijf, verschijnt er een overlijdensbericht. Het komt van de organisatie waarmee ik vaak op pad ga. Een van de vrijwillige organisatoren van wandeltochten is overleden. Zijn naam klinkt mij bekend, al was de laatste van drie wandelingen met hem vier jaar geleden. Ik had toen geen idee wat er speelde.

Had ik echt geen idee? Was er niets over bekend? Of heb ik signalen en opmerkingen gemist, die een hint hadden kunnen geven?

Hoe goed ken je iemand waarmee je toevallig een dagje samen oploopt? Vaak praat je onderweg wat langer met een of twee mensen in de groep. Soms gaan die gesprekken regelrecht de diepte in, omdat je belangrijke raakvlakken deelt. Met deze man heb ik geen persoonlijke gesprekken gevoerd, denk ik. Maar helemaal zeker weet ik dat niet meer.

We hebben wel over zijn hondje gesproken. Of liever: het hondje van een oude dame dat hij die dag uit wandelen meenam. Vrijwillig, omdat zij er vanwege haar gezondheid niet meer toe kwam. Voor dat hondje was het een groot feest. Ik schreef zelfs een logje over dat beestje, waar de nu overleden man ook terloops in voor kwam. Vorig jaar heb ik dat van Raam Open gehaald. Nu is het net alsof het nooit heeft bestaan.

Bij een andere groepswandeling kwamen we hem in een heideveld tegen. Meerdere mensen uit onze groep kenden hem. We zeiden gedag tegen hem, en achteraf tegen elkaar: ‘Dat is E. Da’s een sympathieke man. En heb je S. weleens gezien? Het hondje dat hij steeds meebrengt.’ Ja, S. kenden we ook allemaal.

Hij was vier jaar ouder dan ik en geboren in Perth, Australië. Ik herinner mij niet dat die stad ter sprake kwam op onze wandelingen. Terwijl Perth wat mij betreft wel een raakvlak was. Misschien was ik tijdens de derde wandeling met mijn gedachten te veel bij mijn nieuwe woonplaats to be. Want hier, op nog geen 500 meter van mijn huidige woning, begon onze laatste gezamenlijke wandeltocht. Het was twee maanden voor de verhuizing. Wist ik veel wat er toen al bij hem speelde.

Kon ik het weten? Viel er niets aan de blik in zijn ogen af te lezen?

Effect van een straatfoto zonder mensen

‘Het zijn mensen die deze structuren construeren en gebruiken. Op jouw foto’s ontbreken die mensen, daardoor ontbreekt wellicht iets heel essentieels.’ Dit schrijft Jan Jaap als reactie op Stadsfoto’s als uitdaging met foto’s van het Liander-kantoor. Bedankt, Jan Jaap. Ik hou wel van zo’n opmerking, want je zet mij en wellicht ook anderen aan het denken. Zoals gezegd, heb ik mensen uit beeld gelaten vanwege privacyregels. Verandert daardoor ook de essentie van een tafereel? Hm. Mijn gedachten meanderen naar het volgende.

Liander kantoor Arnhem straatkunst fotografie 1De foto toont een momentopname en een uitsnede van wat we waarnemen. Het is de werkelijkheid zoals ik die daar wel vaker zie, bijvoorbeeld in het weekend. Dan lopen er doorgaans geen mensen in of uit het gebouw. Kom je hier op maandagochtend rond 08:30 uur, dan is het een levendige boel. Er passeren dan ook veel schoolkinderen en forenzen. De school en het station zijn vlakbij. Nu kan de foto in een zojuist ontruimde stad genomen zijn.

Deze foto’s zijn niet geregisseerd, maar het beeld wijzigde wel doordat ik ze nam. Een naderende man aan de overkant zag dat ik wachtte op een goed moment. Daarom stak hij de weg over. Hij was vlakbij, maar je ziet hem niet.

De foto doet mij denken aan schilderijen van Edward Hopper. Die zijn doorgaans spaarzaam bevolkt of zonder levend wezen. Als er mensen zichtbaar zijn, dan vaak alleen. Of ze stralen eenzaamheid uit, verlatenheid. Overgeleverd aan hun eigen gedachten, lezend, in hun eigen fysieke wereld.

Edward Hopper speelde in zijn schilderijen met ramen, waardoor je naar binnen of naar buiten kijkt. Misschien zit er een eenzame portier achter een raam op mijn foto. Dan blijft hij onzichtbaar door de weerspiegeling van de wolken in het glas.

Even een alternatieve gedachte. Denk aan een foto van een mensenmassa, waarop slechts één persoon recht in de lens kijkt. Dat is de enige persoon met wie we contact hebben. Of is het de fotograaf zelf, die kijkt naar de camera op een statief? Of je je wel of niet in een mensenmassa bevindt; dat maakt soms geen verschil voor hoe je een moment of situatie ervaart.

Wat gebeurt er eigenlijk wanneer mensen wel herkenbaar op foto’s staan? Vaak wordt onze blik al snel naar de gezichten van die mensen getrokken. Straten en gebouwen vormen dan slechts een achtergrond, een context. We bedenken vervolgens een verhaal: wie die mensen zijn, wat ze daar doen en waarom. Zo verschuift het perspectief en de betekenis.

Als voorbeeld plaats ik alsnog een foto met passanten. (Hopelijk word ik niet aangeklaagd. 😉 )

Reiger in de Jansbeek centrum Arnhem3

Vergelijk nu eens de uitsnede van deze foto bij Reiger ontdekt Arnhemse Sint Jansbeek. Dan zie je direct het effect van de aanwezigheid van deze mensen. Want op deze volledige foto is de reiger in de beek veel minder prominent dan in mijn logje.

We kijken waarschijnlijk langer naar de twee mannen met het kleine meisje links op de voorgrond. Zij trekken de aandacht. Wie zijn die mannen? Wat is hun relatie tot dit kind? Is de moeder in de buurt? Nemen ze dat meisje ergens naartoe? Of windt dat meisje juist die mannen om haar vingers? (Dat laatste was zeker het geval. Daarom glimlachen de man en de vrouw achter dit drietal.)

Nu terug naar mijn werkelijkheid. Op het moment dat ik deze foto nam, was ik gefixeerd op die reiger. Ik wilde zo dichtbij mogelijk komen, zonder het dier te storen. Dit mede om ervoor te zorgen dat hij zou blijven staan. Ik registreerde mentaal wel de aanwezigheid van die mannen en het kind. En ik merkte dat er iets grappigs voorviel. Maar ik zag hen nauwelijks. Dat kwam later, toen ik thuis de foto bekeek. Daarop zag ik pas hoe de mannen opgingen in hun spel met het meisje én dat zij toeschouwers hadden. Zonder foto had ik die toeschouwers niet opgemerkt.

Misschien kijken we allemaal wel naar iets anders wanneer we dezelfde werkelijkheid zien.

Wat zijn jouw gedachten bij straatfoto’s zonder mensen?

Hij denkt dit en zij denkt dat

Ruim twee maanden geleden koos ik voor vertrouwen. Wat kon ik anders? Ik had al getekend. Maar die angst, dat voorgevoel, is zo terecht gebleken. Want hoe gaat zoiets?

Hij denkt: Die opdracht is binnen, ze heeft getekend. En die planning? Nou dat zien we nog wel. Ze wacht maar, en als ze moeilijk gaat doen, dan moet ze maar effe dimmen. Ik heb duidelijk genoeg gezegd dat ik geen datum kan noemen. In ons werk zijn we nu eenmaal weersafhankelijk. En verder heb ik nog kans op andere klussen. Alleen hoeft zij dat niet te weten. Ze wacht maar, ook als het later wordt dan eind mei. Dit ga ik wel fiksen. Particuliere klanten moeten gewoon niet aandringen.

Zij denkt: Ik heb getekend, maar het zit mij niet lekker dat er geen uiterste datum van uitvoering is vermeld. Dit is geen SMART-afspraak. Je weet toch dat er nu een kans op problemen ontstaat. Ik hou gewoon niet van losse eindjes. Als planner zorg je altijd dat alles geregeld is met afspraken die voor iedereen helder zijn. En deze man, dat is nogal een baas zeg. Er kan geen lachje af, en redelijke argumenten werken evenmin.

[Weken gaan voorbij.]

Hij denkt: Druk, druk, druk. Oh, en die vrouw? Nou die wacht maar.

Zij denkt: Ik hoor niets. Ik zal maar eens gaan bellen.

[Zij belt.]

Hij denkt: Daar heb je dat gezeik al. Wil ze weer globaal weten wanneer je de klus uitvoert. Ik heb toch gezegd dat dat weersafhankelijk is.

Zij denkt: Zie je wel, dit gaat mis. Ik voel het aan alles. Die houding van hem deugt gewoon niet. Meteen van zich af blazen, meteen zich groot maken en alle ruimte innemen. Jij moet naar hem luisteren. Jij moet voor hem begrip opbrengen. Naar jou luistert hij niet. En jouw situatie interesseert hem niet. Dit is echt weer zo’n man die een vrouw wel even op haar plaats zet.

[Maar zij denkt terug aan die van angst doordrenkte algemene voorwaarden, en ze praat op hem in. En ze toont begrip. Ze doet dat geruststellend, net zo lang tot hij kalmeert. Alles om hem maar het gevoel te geven dat hij de touwtjes in handen heeft. Want anders gaat dit mis. En hij geeft een globale planning.]

[Nog meer weken gaan voorbij en de datum van de voorlopige planning nadert. Hij heeft het druk en hij weet dat zij nog wacht. Maar hij mailt haar niet en hij belt evenmin.]

Zij denkt: Ik wist het wel, hier moet ik weer achteraan. Hij doet niks. Ik moet een berichtje schrijven, want bellen is waarschijnlijk al te confronterend. Gevoelig als hij is voor het woord ‘planning’. Als ik dat uitspreek, slaat hij meteen op tilt. En het woord ‘afspraak’ gebruik ik liever helemaal niet.

[Dus is ze zeker een half uur bezig met het vinden van de juiste formulering in een e-mailtje van twee zinnen.]

Ze drukt op ‘send’ en denkt: Ik ben benieuwd.

Hij leest haar bericht en denkt: Heb je haar weer. Nu moet ik wel reageren. Nou, ze wacht maar, ik ben bezig met belangrijke zaken. Later pak je de planning er wel bij. Wat had je ook al weer tegen haar gezegd? Ach, maakt ook niet uit. Je zegt gewoon dat de jongens vrijdag komen. Wel onder uitdrukkelijk voorbehoud, want ze zijn nog bezig. Dat is die extra klus van die goede klant van je (de aannemer). Die gaat voor. Dat dit niks met de weersvoorspelling te maken had, geeft niet. Dat gaat haar geen moer aan.

Hij belt, en zij denkt: Zie je, het komt toch goed. Alleen kan je vanwege dat uitdrukkelijke voorbehoud en je eigen afspraak beter een andere datum voorstellen. Een maandag. Kijk eens aan. Het lukt nog ook!

[In de week voor de betreffende maandag geeft de weersvoorspelling voor die volgende week regen aan. Dat is echt waardeloos. Maar hoe verder de week vordert, hoe beter de weersvoorspelling wordt. Het is weekend. Ze heeft niets gehoord. Het gaat door.]

[Het is nog de donderdag in de week ervoor en hij krijgt een telefoontje van zijn goede vriend de aannemer. Of hij begin volgende week nog ff dat klusje wil afmaken. ‘Kan toch wel hé, ouwe makker?’ En hij zegt: ‘Ja joh, tuurlijk. Doen we.’]

Terwijl hij praat met de aannemer, denkt hij bij zichzelf: Ze wacht maar. En die materialen voor haar opdracht, die ga ik mooi niet bestellen. We zien wel wanneer er tijd is voor haar klus. Met de bouwvak in aantocht, voorlopig ff niet dus. Anders ligt dat materiaal hier maar en ik moet het vooruit betalen. Wel balen dat de weersvoorspelling beter wordt, want ik heb haar steeds gezegd dat de uitvoering van haar klus weersafhankelijk is. En nu blijft het droog. K.t! Maar dat regel ik wel met haar.

[Het is zondagochtend. Vandaag is hij de hele dag op stap.]

Alleen denkt hij: Ze weet nog van niets, ik moet haar nu wel mailen. Gewoon eerlijk zeggen dat je geen materiaal hebt besteld. Moet ze maar begrijpen. De weersvoorspelling leek toch de hele week slecht? Wat kan ze daar tegen inbrengen? En dat gezeur van haar over afspraken hoef ik niet. Ze weet toch dat dit werk weersafhankelijk is? Dat heb ik steeds gezegd. Nou dan. En ze moet vooral niet gaan aandringen en zaniken over ‘planning’. Ze went er maar aan dat ik bepaal wanneer het werk wordt gedaan. Ergens volgende week of de week daarna, of zo. Misschien. Als het weer het toelaat. Alles onder uitdrukkelijk voorbehoud.

[Het is zondagochtend rond half elf. Ze opent haar e-mailprogramma en leest zijn bericht.]

Nee zeg, denkt ze. Het kan niet anders of hij wist dit vrijdag al, of donderdag zelfs. Nu valt er niks meer te regelen voor maandag, want hij heeft zijn mannen al lang ergens anders ingepland. En dan doodleuk geen materiaal bestellen, terwijl de offerte is getekend. Neemt hij mijn opdracht niet serieus, soms?

[Ze mailt, laat enige ergernis blijken, en doet nog een alternatief voorstel.]

Constructief blijven, denkt ze, als hij nu alsjeblieft volgende week die klus kan doen. Dan zijn we er van af. God mag weten wat me nog te wachten staat als blijkt dat er meerwerk nodig is en hij gaat dicteren wat ik moet accepteren. Normaal overleg is onmogelijk met deze man en ik hou het bijna niet meer vol om nog langer redelijk te blijven.

[Zondagavond. Hij leest haar bericht en belt haar.]

[Naschrift:]

Ze had nooit mogen laten blijken dat ze niet blij was. Ze had al helemaal niet mogen zien dat hij zich vergist had. Dat kan niet, bij dit soort mannen. Want dit soort mannen zijn de baas en vrouwen moeten maar luisteren. Het ligt nooit aan hen. Het ligt aan vrouwen, die niet moeten aandringen over een planning. Hij had toch gezegd dat het werk weersafhankelijk was? Zij moet maar begrip opbrengen, voor hem.

Het werd een onaangenaam gesprek.

Dus toen hij zei dat hij dacht dat het aan botsende karakters lag (wat een inzicht!), en hij zei dat zij de opdracht desgewenst kon intrekken, en zij daarna een seconde stil was en zei dat haar dit een goed idee leek, en hij vervolgens een seconde stil was, omdat hij dit niet verwacht had, en hij daarna weer op een nogal aanvallende manier met verwijten kwam … toen zei zij, zonder dat ze nog langer hoorde wat hij zei: ‘U heeft gelijk, u heeft gelijk, u heeft gelijk.’

Want dat willen zulke mannen horen. Toch? Anders krijgen ze weer last van hun emoties.