Pas op! Geverfd

Doe het zelf verven

Vandaag is het zover. Eindelijk ga ik aan de slag met de verf. Volgens het etiket wacht die verf daar al op sinds 21 maart 2019. Toen werd de inhoud van dat blik gemengd. Sindsdien had ik last van uitstelgedrag. Daar waren goede redenen voor.

Eerst wilde ik net beginnen toen de mannen kwamen voor de dakkapel van de buurvrouw. Die gingen bij haar in de tuin planken zagen en daardoor vloog het zaagsel in het rond. Ik dacht: ‘Laat ik nog maar even wachten met die verf.’  Het staat ook zo uitsloverig wanneer je als vrouw toevallig in de tuin gaat werken als die mannen daar bezig zijn. Plausibele reden voor uitstel, toch?

Daarna zou het gaan regenen, daarna scheen de zon te fel, daarna zou er een buitje vallen, en daarna was er te veel wind. Bij wind verven is onhandig. Dat zorgt voor opwaaiend stof. En stoffig is het hier, want het regent al twee jaar veel te weinig. Afijn. Op een gegeven moment waren de condities ideaal, maar toen had ik even geen zin. Kan gebeuren, toch?

Wat er daarna was, weet ik niet meer, maar op de een of andere manier kwam het er steeds niet van. Daar stonden die blikken dan. Elke week moest ik er omheen stoffen, terwijl ze op de eettafel stonden. Ik ben niet zo ver gegaan dat ik de blikken en het schuurpapier bij het afstoffen meenam. Maar dat scheelde weinig. Belachelijke situatie, toch?

Nou ja, vandaag had ik in de ochtend al gewandeld en ’s middags wilde ik nog wat doen. Dat was dus een mooie gelegenheid en een perfect moment om eindelijk met verven te beginnen. En het rare is dat ik verven ontzettend leuk vind. Echt waar. Alleen vergeet ik dat steeds weer. Maf, toch?

Maar nu even wat anders. Hebben jullie enig idee hoeveel insecten er momenteel rondvliegen en op een pas geverfde vensterbank kunnen landen?

Het ultieme uitstelgedrag

Er kunnen een heleboel redenen zijn waarom je een bepaalde activiteit steeds uitstelt. Bijvoorbeeld:

  • Je hebt er geen zin in, het is moeilijk.
  • Het líjkt je moeilijk. Je vindt het spannend en een beetje eng.
  • Het is een rotklus.
  • Je doet het altijd al en nu moet een ander het maar doen.
  • Je hebt de juiste spullen niet in huis.
  • Het regent, de zon schijnt, het waait, het is koud, het is ver weg.
  • Je hebt net de bus gemist en nu hoeft het voor jou ook niet meer.
  • Je voelt je een beetje zwakjes, je bent moe.
  • Je bent eindelijk thuis (mag jij ook eens lekker op de bank hangen?)
  • Je wil eerst nog even dit doen en je moet ook nog even dat andere doen, en verder …
  • (Waarom lost het zich trouwens niet vanzelf op?)
  • En nee, je doet het nu niet, want anders gaat je humeur naar de knoppen.
  • Je moet er voor in de stemming zijn, Echt, je merkt vanzelf wel wanneer de tijd daar rijp voor is. (Nu nog even niet, dus.)
  • Et cetera, et cetera, ad invinitum.

Uitstelgedrag, daar ben ik soms extreem goed in.

Vandaag was het weer zover. Eigenlijk moet ik een stukje raamkozijn verven. De verf staat al twee maanden op tafel. De kwast ligt ernaast. Er ligt zelfs al een krantje bij, om een paar tegels mee te bedekken. Maar ja.

Voor vandaag had ik het in mijn agenda gezet. Met potlood, dat wel. Ik had deze activiteit namelijk al twee keer eerder verschoven en als ik het dan met pen in mijn agenda heb gezet, wordt het zo’n zooitje.

Vandaag wou ik dus weer niet. Mijn ‘geen zin hebben’ was zo erg dat ik mij in allerlei bochten begon te wringen. Zo erg zelfs, dat ik iets heb gedaan wat ik al twee jaar lang heb afgehouden. Zo’n klus waarvoor ik mezelf letterlijk aan de haren naar mijn laptop moet slepen en waarbij ik tegen mezelf moet zeggen: ‘Zo, en nú ga jij die brief schrijven. En je mag niet van je plek af voordat die brief klaar is.’

Vandaag heb ik niet geverfd, maar wel gebeld. Want ik zag zowaar iets aardigs. Ik heb zelfs de brief geschreven en verstuurd. De sollicitatiebrief. De eerste weer in ruim twee jaar tijd.

Zó ontzettend erg was mijn ‘geen zin hebben’ in die verfklus dus.

Bloggen over gevoelige onderwerpen

Zijn er gevoelige onderwerpen die je op een blog beter kan mijden? Of kan je gerust over alles schrijven? Dit vraagstuk duikt steevast op voordat ik gedachten publiceer over hete hangijzers en specifieke groepen. Op Raam Open blijven enkele privé-onderwerpen taboe. Maar verder passeert hier werkelijk alles de revue. Dus zelfs uiterst gevoelige of controversiële onderwerpen die makkelijk tot felle reacties kunnen leiden. En hoewel ik soms zeer stevige opvattingen uit, gaat het vrijwel altijd goed.

Waarom lukt dit op Raam Open wel, terwijl het elders razendsnel uit de hand kan lopen? De verklaring is eenvoudig.

  1. Raam Open heeft een klein lezerspubliek en dat vind ik prima.
  2. Ik mijd ongenuanceerde bloggers, zodat zij evenmin via mijn gravatar naar dit blog worden gelokt.
  3. Bij delicate onderwerpen doe ik extra mijn best om evenwichtig en op feiten gebaseerd te schrijven.
  4. Er gelden reactieregels en die worden gehandhaafd.

Zoals de radiopresentator uit het vorige logje over confrontaties rekening houdt met haar luisterpubliek, zo hou ik rekening met de gevarieerde groep volgers van Raam Open. Ik probeer zelfs met de hele wereld rekening te houden. Dat lijkt een grote uitdaging, maar het werkt in praktijk eenvoudig. Namelijk: benader je blog als een wetenschappelijke of een journalistieke publicatie. Als je daarin slechts één kant van een verhaal belicht, of de feiten niet checkt, wordt je werk afgeserveerd. En terecht. Daarom komen deze ethische regels voor journalistiek van pas.

Wat voor logjes geldt, gaat evengoed op voor reacties van lezers. De reactie van de één, kan zeer kwetsend zijn voor de ander. Dat is voor mij een extra reden om publiekelijk in te grijpen. Iedereen mag zich welkom voelen op Raam Open, ongeacht geloof, aard of afkomst. En voor iedereen moet dit blog een veilige plek zijn om te reageren. Vandaar dat ik soms dwingend op de reactieregels wijs.

Mijn weerzin tegen ongefundeerde of ongenuanceerde meningen heeft een duistere oorsprong. Je hoeft ook in onze tijd niet ver te zoeken om te zien hoeveel kwaad vooroordelen en ongenuanceerde vijandbeelden kunnen aanrichten. Dictators, volksmenners en totalitaire regimes gebruiken ze om onnadenkende mensen als marionetten tegen ‘de ander’ op te zetten.

Dus ben je geen dictator van beroep en schrijf je toch: ‘Die vuile asielzoekers pikken onze woningen in.’, Alle homo’s weg.’, ‘Iedere Marokkaan is crimineel.’, of ‘Bij elke religie draait alles om macht.’, dan bestaat de kans dat ik aan je sociale intelligentie ga twijfelen.

Toch heb ik zelf uitgesproken meningen over specifieke asielzoekers. Daarbij heb ik pittige opvattingen over Afrikanen, wanneer zij mij als mzungu wegzetten. Verder denk ik aan van alles bij het woord ‘Marokkanen’, zoals ik dat ook bij ‘Nederlanders’ doe. Homo’s kwamen hier onlangs nog ter sprake. Zij mogen blijven. En het geloof? Nou, breek me de bek niet open over sommige machthebbers en wantoestanden. Mijn meningen staan al jaren op internet. Gewoon op Raam Open.

Maar over delicate onderwerpen schrijf ik dus wel zo feitelijk en evenwichtig mogelijk. Dat maakt het hele verschil. En deze aanpak heeft nog een voordeel. Want als je grondig vooronderzoek doet en groepen als geheel respectvol behandelt, kan geen mens je argumentatie weerleggen.

Komt er dan nooit wat ongenuanceerds op Raam Open? Oh jazeker. Bijvoorbeeld als ik schrijf over persoonlijke belevenissen en mijn grote liefde voor Ticketmaster. Grrr.

Over confrontaties en onuitgesproken verwachtingen

‘Een goede reden om iemand te onderbreken is wanneer die de vraag niet beantwoordt. Dat komt geregeld voor: mensen zijn uitgenodigd, ze gaan er eens lekker voor zitten, en draaien hun eigen verhaal af, want dat is ze verteld door communicatiespecialisten: ‘blijf bij je boodschap’. Daar heb ik weinig geduld meer mee, … Dat mag ook best hoorbaar zijn op de zender.’ NPO Radio 1 presentator Lara Rense vertelt in Sir Edmund van 19 januari 2019 over het perfecte onderbreken. Ze somt haar tactieken op, variërend van charmant hinten tot keihard ingrijpen. Over dat laatste: ‘Je kunt dat prima doen, vooral omdat de luisteraars het ook horen. Luisteraars vertellen geregeld dat ze in de auto tegen de radio zitten te schreeuwen: Hij geeft geen antwoord! Afkappen!’

Een van mijn doelen met Raam Open is lezers aanzetten tot nadenken met mijn ideeën en waargebeurde anekdotes. Ik zie dat inderdaad weleens gebeuren. Of ze mijn opvattingen delen, is niet het belangrijkste. Ik wens vooral dat lezers mentaal in beweging komen. Vaak gaat het om iets wat ze tot dan toe vanzelfsprekend vonden. Een onderwerp of handelswijze waar ze nooit bewust bij stilstonden. Als ze dan een keer van focus veranderen, gaat er een Raam Open. In praktijk komt dit soms neer op iemand een spiegel voorhouden. Dat kan leuk en verrassend uitpakken, maar ook confronterend werken.

Misschien wil ik toch enige invloed hebben. Niet per sé op bepaalde mensen, maar meer op het grotere geheel. Ik kan het als realistische wereldverbeteraar niet laten om het te proberen. In het klein, want het moet wel haalbaar blijven. Een enkel steentje in de rivier kan al genoeg zijn.

Wel vraag ik mij af of sociale media daarvoor het goede instrumentarium zijn. Want we kennen elkaar niet of nauwelijks. En er bestaan al zo veel onuitgesproken verwachtingen. Die hebben we allemaal en dat zijn de echte killers in communicatie. Wat je vindt mag je houden, schreef Jan van Koert. Hij heeft daarmee een punt, vind ik. 😉

Bovendien: welke pet hebben we als blogger op achter de laptop? Die van een journalist? Die van een vriendin? Die van een deskundige/adviseur? Of die van iemand die oefent met een communicatiestijl? Wanneer ik blog, heb ik afwisselend één van deze petten op. En soms alle vier tegelijk.

Kijk je naar het soort reacties dat bloggers ontvangen, dan zie je grote verschillen. Een van mijn favorieten in dat opzicht is het blog Mainzer Beobachter van oudheidkundige Jona Lendering. Dan heb ik het over een wetenschappelijk blog van een man die oneindig veel kennis heeft en die soms ook nog iets persoonlijks schrijft. Over zijn belevenissen met het openbaar vervoer bijvoorbeeld. Hij ontvangt hoofdzakelijk reacties die echt ter zake doen, waarschijnlijk vooral van vakbroeders en andere kenners. Ofwel: van lezers die de pet van deskundige op hebben.

Bij anderen zie je vooral de petten van maten of vriendinnen onder elkaar. Bij dergelijke blogs is het wel een vraag wie nu echt een goede vriend of vriendin is. Volgens mij bestaat een vriendschappelijke relatie altijd uit min of meer gelijkwaardig tweerichtingsverkeer. Dat betekent dat de een zich inleeft in de ander en de ander in de een. Dit is dus zo’n onuitgesproken verwachting waarbij het zomaar mis kan gaan.

Helaas zie ik vaak dit: ‘Oh meid, dat heb ik ook allemaal moeten doorstaan. Want toen ik …’ Die reactie vind ik uitermate tricky. Want voordat je het weet, wals je met je eigen verhaal over dat van de ander heen. Met reden luidt een oude etiquetteregel dat je de eerste zin van een brief never nooit begint met ‘ik’. Zelfs geen eerste zin in een brief aan een vriendin. Wordt deze regel tegenwoordig eigenlijk nog onderwezen? Of hebben docenten dat vanwege de invloed van sociale media maar opgegeven?

Wat je vooral ziet, is dat vriendinnen herkenning zoeken bij elkaar. Hier doe ik zelf ook aan mee. Het is een vorm van binding en dit kan je beschouwen als een verkapte behoefte aan bevestiging. Vooral bij mensen die iets naars doormaken (ziekte, ontslag, et cetera) lees je in de reacties veel medeleven.

Daarnaast zie ik dat in vriendschappelijke reacties op blogs dingen worden verzwegen. (Hier is mijn pet van de journalist/onderzoeker/medewerker communicatie weer.) Dat zijn soms dingen die ik wel uit zou willen schreeuwen. Omdat het zo zichtbaar is wat er werkelijk speelt, terwijl niemand de vinger op de zere plek durft te leggen. Uit angst de ander te kwetsen. Of omdat de ander advies als een klap in het gezicht kan ervaren. Met de mantel der liefde wordt veel toegedekt. Terwijl ik mij serieus afvraag of je iemand daar echt mee helpt.

Welke pet draag jij wanneer je logjes leest van mij?

Afrekening in de horeca

Je hoort mensen wel klagen over de hoge prijzen in de horeca. Vergeleken met Duitsland betaal je hier inderdaad flink voor een cappuccino. Al sinds mijn eerste baan bij een accountantskantoor weet ik dat cafés een zeer royale winstmarge hanteren op koffie en thee. Tenminste, als je puur naar de ingrediënten kijkt en een paar centen rekent voor energie. Waar je de klagers echter nooit over hoort, zijn de wanbetalers. Degenen die per ongeluk de rekening vergeten en weglopen omdat ze de bus moeten halen. Of zo.

Ik maak het regelmatig mee tijdens wandelingen in groepsverband. Zo’n groep is een allegaartje dat op een georganiseerde tocht intekent. Vaak verzamelen we bij een café of restaurant. Onderweg en na afloop volgt er doorgaans nog meer horeca. Jarenlang was het gangbaar om de bon te vragen en het geld op tafel bijeen te leggen. Soms ontbrak er dan een bedrag. Wat sowieso raar was, want diverse mensen hadden er ook al fooi bij gedaan. Maar dan legden we allemaal, of een persoon afzonderlijk, geld bij en dan was dat ook weer klaar.

Trouwens, ooit zal ik hier misschien nog in alle geuren en kleuren een tafereel beschrijven van een drie kwartier durende uiterst gênante heisa over welgeteld ƒ 0,25 in een restaurant op Malta in september 1993, in Valletta om precies te zijn, met bij hoge uitzondering de persoonsnaam er bij van die ene troela uit Utrecht, die ons zelfs de volgende ochtend in de hotellobby met haar berekeningen opwachtte, waar ze kennelijk de hele nacht mee bezig was geweest, en er toen alwéér over begon, maar nu even niet.

Oké, waar waren we gebleven?

De laatste jaren is het gangbaar geworden om allemaal apart af te rekenen. Zelfs als we met zijn vijftienen zijn. Nu hebben wij Nederlanders (vooral de Hollanders onder ons) een vrij slechte reputatie als je kijkt naar uitdrukkingen in de Engelse taal met ‘Dutch’ erin. Dat komt natuurlijk omdat wij eeuwenlang de grootste rivalen waren van de Britten op het koloniale wereldtoneel. Maar toch, dat apart afrekenen in restaurants is echt wel een dingetje. Ik ben er geen fan van.

Als je maar vaak genoeg meemaakt dat er een tekort is, of dat de serveerster naar de tafel komt om te zeggen dat er nog een cappuccino en appeltaart met slagroom ‘open staan’, dan leer je vanzelf om wie het gaat. In Zundert gebeurde het, en in Hoevelaken. En daar op die kersenboerderij aan het water bij Utrecht. En later opnieuw, in een bezoekerscentrum bij Veenendaal. Dat is H. dus, uit Amsterdam. Ja jongen, we weten het wel. Maar ik doe net alsof ik niets in de gaten heb en roep in de groep, terwijl hij zijn jas al aantrekt, ‘Hebben we allemaal afgerekend?’ ‘O ja,’ zegt hij dan, ‘bijna vergeten.’, en dan gaat hij toch maar betalen.

Brokstukken van een burn-out (3)

Oké, blijkbaar heb je dus een burn-out gehad en ben je weg bij de organisatie waar je vastgelopen bent. En dan zit je zonder werk thuis. En dan? Wat zijn de gevolgen? Hoe ga je verder? Pak je na verloop van tijd je oude beroep weer op of moet je carrière op de schop? Kan en ga je door alsof er niets is gebeurd?

Sinds mijn vertrek in 2009 heb ik tientallen mensen ontmoet die in vergelijkbare situaties zaten. Voor ieder van hen was ontslag en/of een burn-out een serieuze wake-up call. Zeker als ze ergens lang hadden gewerkt. De meesten doorlopen daarna een heel rouwproces vol confrontaties voordat ze zichzelf weer hervinden. Wie ben ik? Wat kan ik? Wat wil ik? Sommigen hebben echt geen idee meer. Na coaching en een persoonlijke zoektocht slaat bijna iedereen een nieuwe richting in. De een gaat dit beter af dan de ander.

Voor mij had en heeft die burn-out zowel positieve als negatieve gevolgen. Hoe het in sommige van onderstaande opzichten afloopt, is nog onbekend. Beschouw het als een avontuur, een zoektocht naar een ‘eigenlijke bestemming’. Wederom een zoektocht, want hetzelfde heb ik al eerder gedaan tijdens een reisperiode.

Loopbaan
Qua werk is mijn vooruitzicht nog uiterst onzeker. Leeftijd (55 jaar), automatisering, outsourcing, verouderende diploma’s en werkervaring hinderen het vinden van een baan. Toen ik weer tijdelijke functies kreeg, liep ik in stresssituaties tegen mijn nieuwe grenzen aan. Of het nu de leeftijd is of het gevolg van een burn-out, er is een stukje elasticiteit verdwenen. (Zie het voorgaande logje Brokstukken van een burn-out (2) voor mentale gevolgen.) Daarom wil ik definitief breken met mijn vorige beroepen en broed ik nu op een alternatief.

Hulp vragen
Had ik mij tien jaar geleden toch ziek moeten melden? Was ik dan beter af geweest? Misschien zag ik onterecht te veel beren op de weg van een begeleid hersteltraject. En in retroperspectief is het bizar dat ik nooit bij een arts ben geweest. Wellicht had het weinig uitgemaakt, maar de les is helder. Ik had hulp moeten vragen. Nu signaleer ik zoiets veel sneller. Hulp vragen gaat mij inmiddels beter af. Zelfs als het om geld gaat.

Financieel
Want ja, financieel gezien zijn de gevolgen echt zeer groot. Mijn inkomsten schommelden flink de afgelopen tien jaar. Door een samenloop van omstandigheden en als voormalige zzp’er heb ik nu geen recht op een uitkering. Vandaar dat mijn inkomen tot het absolute nulpunt is gedaald. Hier moet ik nog iets mee.

Relaties
De gevolgen op het gebied van relaties zijn zowel positief als negatief. Ik mis collega’s met wie ik bij de koffieautomaat kan praten. Wel ontmoet ik via workshops en bijeenkomsten voor werkzoekenden veel aardige mensen, zoals hartelijke lotgenoten die welgemeende steun en inzichten bieden. Bovendien is de afgelopen jaren duidelijk geworden wie mijn echte vriendinnen zijn. 2019 ga ik gebruiken voor ontmoetingen met mensen buiten mijn vertrouwde kring.

Persoonlijke en professionele ontwikkeling
Grote voordelen zie ik op het vlak van persoonlijke en professionele ontwikkeling. Allereerst heb ik nu genoeg tijd voor verdieping. Ik stort me met liefde op uiteenlopende onderwerpen en verwerk mijn analyses onder andere in logjes. Zo hou ik de geest scherp en mijn schrijfvaardigheid op peil.
In verband met rioolperikelen heb ik me vastgebeten in alles wat daar bouwtechnisch en juridisch mee te maken heeft. Desnoods pleit ik zelf voor onze zaak ten overstaan van een rechter.
Bovendien weet ik nu goed wie ik ben en wat ik kan, mede dankzij workshops en een persoonlijk balanstraject. Dit geeft rust en duidelijkheid. En ik weet op welke vlakken ik mij nog verder kan ontwikkelen. Daar is voldoende tijd voor.

Vrije tijd. Yes!
De tijd hebben is een mega gezonde en ontspannende factor! Ik leef low-budget. Met openbaar vervoer ben je langer onderweg dan met een auto, maar dat maakt voor mij weinig uit. Zelf een knoop aan een jas zetten, doe ik gelijk. Zo’n klusje zou voorheen blijven liggen tot het weekend. De kast staat altijd vol eten, want ik wandel elke dag op mijn gemak naar de supermarkt. Spontaan bij iemand langsgaan of bezoek ontvangen kan gewoon. Verder kan ik uitslapen en bij rotweer de hele dag op de bank hangen. Oh, en dan de wandelingen die ik maak … Voor werkende buren neem ik trouwens pakketjes aan. Zij zijn ook blij met mijn vrije tijd.

Conclusie en toekomst
Ondanks het gebrek aan inkomen voel ik mij vaak een spekkoper. Ik ben verhuisd naar een mooi dorp met lommerrijke omgeving waar ik volledig tot rust kan komen. Deze stap dank ik aan de nasleep van die burn-out. Het is zonder meer een van mijn betere keuzes geweest.

Na de burn-out heb ik geprobeerd mezelf weer in het harnas van de arbeidsmarkt te proppen. Maar in sommige functies lukt dat gewoon niet meer. Word ik in een toch al hectische situatie onverwachts voor het blok gezet, dan bestaat de kans dat ik heftig negatief zal reageren. Ik had juist geleerd hier mentaal en verbaal soepel mee te dealen. Assertiviteit, het op een goede manier naar anderen toe voor jezelf opkomen, is een levenslang traject. Dat blijkt weer. Een burn-out overkomt je namelijk met reden.

Dit erkennen en hiernaar handelen ervaar ik als een soort coming-out. Want wil je aan alle absurde verwachtingen van ons economische systeem voldoen, dan moet je soms wel de schijn ophouden.

Mijn grote-reizenfase (1986 – 2001) was een onconventionele vorm van assertiviteit. In die periode maakte ik al keuzes die van de stroom afweken. En dat zijn de beste keuzes in mijn leven geweest. Ook qua werk voel ik dat de oplossing in het onconventionele zit. In het alternatieve alternatief. In die stacaravan waar ik van droom. Spreekwoordelijk dan. Daarom eindigt dit verhaal met een fragment uit een gedicht dat ik koester sinds 1995 (het jaar van de Stille-Zuidzee-reis):

Two roads diversed in a wood, …

Brokstukken van een burn-out (1)

Allereerst: was het wel een burn-out? Opeens had iedereen een burn-out, dus ik misschien ook. Het blijft tot op de dag van vandaag een vraag. Ik ben er namelijk nooit voor naar de dokter geweest. Tuurlijk niet. Wat denk je nou? Een Oegandese dagvoorzitter meldt zich toch ook niet ziek vanwege een malaria-aanval? Ik ging volhouden en regelde het zelf wel. Maar goed. 2019 is het jubileumjaar van een verstrekkende consequentie. Een gevolg van een ‘keuze’.

Mentale uitputting is de kern van een burn-out, schrijven Ianthe Sahadat en Margreet Vermeulen in hun beschouwing Opgebrand (Sir Edmund, 5 januari 2019). Volgens de richtlijn van huisartsen hoort hier bij ‘dat mensen het gevoel hebben dat ze de controle over hun leven kwijt zijn en dat ze minder functioneren in het dagelijks leven. … Sommige patiënten hebben daarbij veel lichamelijke klachten.’ En ‘Burn-out is een veelkoppig monster. … Bij een burn-out heb je geen energie meer. Daar word je niet vrolijk van, maar tussendoor kun je toch een leuke avond hebben. Bij een burn-out word je in de loop van de dag steeds vermoeider, bij een depressie is het andersom.’

Voor mezelf is glashelder waar het vandaan kwam. De eerste twintig jaar van mijn loopbaan had ik werk dat ‘best aardig’ was, maar dat mij zelden echte voldoening gaf. Dat veranderde radicaal toen ik in de internationale ontwikkelingssector terecht kwam. Hier viel alles samen: mijn reisverleden en interesse voor culturen, mijn kennis, praktische vaardigheden en ervaring. En mijn nieuwe collega’s hadden werkelijk iets boeiends te melden. Ik kon bovendien van een ondersteunende naar een inhoudelijke functie doorgroeien. Na veel wisselingen van vorige banen was het alsof ik ‘het’ eindelijk gevonden had. Hier zou ik blijven tot mijn pensioen.

Maar alles verandert. Kort samengevat: er kwam een reorganisatie. De werkzaamheden werden complexer en de werkkamers rumoeriger. Eisen werden opgeschroefd. Aanvankelijk zat ik zonder vaste positie, waardoor ik steeds meer onrust ervoer. Terwijl het oorspronkelijke doorgroeitraject voor mij al pittig genoeg was, werd de druk versneld nog verder opgevoerd. Bij mijn nieuwe teamleider, zelf een autoritaire lakei van een zichzelf bewijzende manager, stuitte ik op onbegrip.

Het moest een keer spaak lopen, maar wat was het alternatief? Terug naar een functie die nu vooral bureaucratisch van opzet was? En dan toekijken hoe anderen mochten doen wat ik wilde doen? Buiten deze organisatie maakte ik door bezuinigingen en outsourcing ook weinig kans. En in crisistijd krijg je een eenmanszaak (naast een 32-urige werkweek) evenmin snel van de grond. Dus probeerde ik alles bij te benen en vol te houden.

Dat ik inmiddels vier dagen per week barstende hoofdpijn had, kwam natuurlijk omdat ik zo veel met mijn hoofd werkte en mij ondanks alle omringende onrust goed moest concentreren. Sowieso ben ik enigszins gevoelig voor prikkels van buitenaf. Daar heb je mee te leren leven als je mee wilt komen. En de hele dag naar een computerscherm staren, is minder goed voor je ogen. Alleen hoorde dat nu eenmaal bij het werk. Dus dan maar sterkere lenzen en brandende ogen.

Die hoofdpijn was wel erg. Ik was er regelmatig letterlijk misselijk van en ging bijna scheel zien. Soms werd ik nog duizelig ook. Terug in de trein van Den Haag naar Leiden zat ik steevast met mijn ogen dicht. Om ze een beetje rust te geven. Dat doen wel meer forenzen, trouwens. Niks bijzonders dus.

En dan ff snel boodschappen halen, tegenover het station. Meestal had ik zo’n honger dat het meerdere keren per week een magnetronmaaltijd werd. Niet verkeerd hoor, tegenwoordig zit er minder zout in. Daarna een beetje lezen, tv kijken of nog de deur uit en met vrienden een film zien. Maar tegen het eind van de week voelde ik mij soms zo gesloopt, dat ik al om 21.00 uur naar bed ging.

En dan de spanning in mijn lichaam. Die was continu voelbaar. Een dag wandelen in de buitenlucht hielp. Maar als ik aan mijn werk en alle stressfactoren dacht, dan schoot het er meteen weer in.

Verder is het niet gek dat je in de Randstad een beetje opgefokt raakt. Dat krijg je met al dat gekrioel om je heen. En waar ik woonde, was het nooit rustig. Nou ja, even dan, tussen 02.00 en 05.00 uur ’s nachts. Als mijn onderburen tenminste geen was deden en de twee ziekenhuizen in de buurt geen ambulancedienst hadden. (Slapeloosheid, nog zo iets.) Soms waren mijn reacties toch wat abnormaal. Dan kon ik plotseling als gebeten reageren. Om niks. En dan vroeg ik me achteraf wel af waar dát nou weer vandaan kwam.

Ik werd een beetje labiel. Ik trok het niet meer helemaal. Maar ach, dit was vast het begin van de overgang. Of zo. Alleen begonnen de maagklachten weer. En daarvan wist ik dondersgoed waar ze vandaan kwamen. Want dat had ik eerder meegemaakt. In een vergelijkbare uitzichtloze werksituatie. Eindelijk gingen de alarmbellen af.

Mijn ‘keuze’ maakte ik pas nadat ik bij mijn ouders vandaan kwam en onderweg naar huis op de fiets zomaar midden op de Korevaarstraat ter hoogte van de Hoogvliet spontaan in janken uitbarstte. Dat was het dan.