Duel op het spoor

Langzaam nadert hij de rivier. In de verte komt de spoorbrug in beeld. Het is een riskante oversteek en misschien wacht hem een hinderlaag. Hier stoppen is ook gevaarlijk. Aarzelend komt hij tot stilstand. Een langgerekte sis ontsnapt hem.

Turend naar de overkant voorbij de brug ontwaart hij iets geels. Dus toch!
Is zijn tegenstander langer en zwaarder dan hijzelf? Het is van hieraf niet te zien.

Wat nu? Terug gaan of vooruit? Wie beweegt het eerst?

Seconden lang gebeurt er niets; dan neemt hij een besluit.
Traag tilt hij een voorwiel op, buigt zijn kop en schraapt met zijn stalen hoef over de rail.

Zijn tegenstander ontgaat het gebaar, maar voelt de trilling wel in het metaal. Een siddering gaat door hem heen.

Dan vermant hij zich, zet zich schrap en komt geruisloos in beweging …

 

(Geïnspireerd door ‘Duel’, blockbuster graffiti onderop de brugpijler.)

Een tube crème aangesmeerd

Je verwacht dat iemand met levenservaring wel weet hoe zich te gedragen, maar er blijven van die twijfelmomenten bestaan. Neem nu de volgende situatie.

Enkele jaren geleden deelde mijn kapster tubetjes crème uit aan vaste klanten. Deze handcrème beviel mij bijzonder goed. Daarom wilde ik bij het volgende bezoek een tube kopen. Helaas, de tube kwam uit een eenmalige partij en nabestellen ging niet. Toch zou de kapster mijn wens onthouden. Bij een volgend bezoek had ze een andere crème in de aanbieding. Die zou mij vast bevallen. Ze smeerde er wat van op mijn hand, maar deze crème kon mij minder bekoren.

Enkele jaren passeerden, tot de kapster afgelopen november weer een tube tevoorschijn haalde. Ze had toch nog één tube uit die eerste partij gevonden! Ik blij. Ze draaide al gelijk de dop van de tube af en wilde de crème op mijn hand smeren. Vanwege de hygiëne in coronatijd zei ik gauw: ‘Het is wel goed zo, ik neem hem.’, waarna zij er vijf euro voor rekende.

Eenmaal thuis dacht ik dat deze tube er anders uitzag: zwart met een soort accolade als versiering. De tube uit die eerste partij had toch een kleurtje? Hoe dan ook; er stond nog een open pot crème en de tube ging voorlopig de kast in.

Een lockdown volgde en het werd februari. De pot raakte leeg en ik haalde de tube tevoorschijn. Ik schroefde de dop er af en deed wat crème op mijn hand. De substantie voelde veel gladder aan dan ik mij kon herinneren. Vervolgens rook ik er eens aan. Prompt drong er een loodzware muskusgeur in mijn neusgaten. Gètver! Wat bleek? Die accolade was een snor! Ik had mij een mannencrème laten aansmeren door de kapster.

Nu kan je denken: ‘Ach, wat maakt het uit. Dan geef je die tube toch gewoon aan een man.’ Maar de mannen in mijn wereld zijn geen types voor crèmes. Die willen zo’n tube hooguit hebben als je er een machine mee kan invetten. Ook kan je denken: ‘Wat is vijf euro nou helemaal?’ Niet veel, inderdaad. Maar vanwege een langdurig gebrek aan inkomen, vind ik het toch weggegooid geld.

Vandaag had ik weer een afspraak bij de kapster en ik wilde die tube terugbrengen. Nu moet je weten dat deze kapster zich bij confrontaties doorgaans als eerste reactie ergens onderuit probeert te praten. Bovendien kon ik vooraf wel raden wat er zou gebeuren, want kappers hebben het financieel zwaar gehad en dat zou zij mij zeker gaan vertellen. En ja, als andere klanten om die reden extra fooitjes uitdelen, ontstaat er toch een ongemakkelijke situatie.

Vrouwen in een reisgezelschap

Blijkbaar moet ik nog iets met die vrouw van die groepsreis in Madagaskar, waar ik gisteren over schreef. De komst van mijn oude vriendin is de trigger geweest. Zij was geen deelnemer, maar er was wel een vergelijkbaar voorval met onze zzp’ende collega, een andere vrouw. Mijn conclusie is dat ik iets had, wat die andere vrouwen ook wilden hebben. Wat mij nu interesseert, terugkijkend na zestien jaar en met de mensenkennis van nu, is wat er toen feitelijk is gebeurd.

Ik haal het fotoalbum van die rondreis in Madagaskar tevoorschijn en kijk of ik bepaalde zaken kan reconstrueren. Wie waren de spelers en wat was hun positie binnen de groep? Waren de omstandigheden zoals ik ze mij herinner? Kan ik nagaan hoe de onderlinge verhoudingen waren en welke indrukken we bij elkaar achterlieten? Er zit een volledige lijst met deelnemers in het album. Via internet heb ik ze allemaal zo getraceerd.

Ten eerste. Die rondreis was zeer zwaar. Dat is ontegenzeggelijk waar. Hij viel in de hoogste categorie: het expeditie niveau. Dat was voor vertrek niet goed duidelijk gemaakt. Reizen in ontwikkelingslanden is sowieso minder makkelijk. Daarbij was de reisleider onervaren en het programma overvol. En een achtergebleven koffer in Parijs ontregelde gelijk alles.

Ten tweede. De kamers waren op indeling. Daar was ik toen al geen voorstander meer van, maar het was de enige optie. Ik ontmoette de groep voor het eerst op Schiphol en na aankomst in Madagaskar ging het bij de kamerindeling direct mis. Op basis van geslacht werden we verdeeld over twee- en drie-persoonskamers. Er waren negen mannen en vijf alleen reizende vrouwen.

Herstel. Waarschijnlijk ging het al eerder mis. Namelijk kort voor vertrek op Schiphol. Ik wilde na het inchecken eerst nog even een rondje lopen langs de winkels. Vandaar dat ik niet meteen bij de rest aanschoof. Het is een detail, maar toch. Voordat je het weet, haalt een groepsgenoot zich van alles over zo’n soloactie in het hoofd.

Mogelijk hadden enkele vrouwen al een team gevormd voordat we aankwamen bij het eerste hotel in Madagaskar. Zo gaat dat bij groepsreizen vaker. Je drinkt samen een kop koffie en denkt: ‘Hm, misschien is zij wel iemand om straks de kamer mee te delen.’ Of je staat bij de balie, de reisleider deelt de sleutels uit en hij vraagt ‘Wie?’ Je kijkt naar een van je groepsgenoten die je wel aardig lijkt, knikt naar elkaar, en roept ‘Wij’. Of de groepsleider roept de namen in alfabetische volgorde af. Ik kan mij dit niet scherp herinneren.

In elk geval ontbrak bij aankomst die koffer. De koffer was van een vriendelijke, zij het wat aparte vrouw. Ze zag er enigszins hippie-achtig uit en ze had zeer specifieke gewoonten, zo bleek al gauw. Onderweg had ik haar nauwelijks opgemerkt en met de overstap in Parijs was het een lange heenreis geworden. Daarom was ik vooral moe. Maar zij werd dus mijn vaste kamergenote op die rondreis van 24 dagen.

Die eerste avond na aankomst was ze erg onrustig. Ik begreep dat wel. Haar koffer was achtergebleven. Daarom had ze overhaast toiletartikelen en slecht passende kleding moeten kopen, terwijl de rest van de groep in de bus wachtte. En zonder haar eigen spullen kon ze haar vaste rituelen niet uitvoeren zoals ze gewend was. Rituelen, ja. Die mij heel wat uurtjes aan nachtrust zouden gaan kosten. Alle handelingen moest ze in de juiste volgorde op gezette tijden uitvoeren. Ze was een beetje alternatief, op het zweverige af.

Mijn kamergenote was beslist aardig en we hadden zelfs enkele raakvlakken. Maar haar vaste ochtendritueel was toch wel problematisch. Misschien was dat ritueel minder storend geweest, als zij haar eigen koffer bij zich had gehad. Ik slaap licht en word wakker van ieder geluid. Terwijl haar hele bezit verpakt zat in een verzameling knisperende plastic zakken.

Het ritueel. Mevrouw stond elke ochtend stipt om 04.00 uur op. (Rinkelderinkel van de wekker.) Vervolgens ging het licht aan in de kamer (plop). Dan begon het geritsel van haar vele plastic zakjes. (Knisperde-knisperdeknisper.) Afgewisseld met het gerammel van haar metalen beker. (Klangggg. Boink.) En het geroer met haar metalen lepel. (Ggrrgggrgggrgg, pok pok.) Tussendoor moesten er ingrediënten worden gezocht. (Knisperdeknisper deden haar plastic zakjes, rrrrrr, deed een rits, plok deed de lepel wederom in haar beker.) Enzovoort.

En dat tijdens een toch al mentaal en fysiek zeer uitputtende reis.

Ze was er niet van af te brengen. Ik probeerde rede, ik probeerde zachte dwang. Ik heb boosheid geprobeerd. Maar ze kon niet anders, zei ze. En waarschijnlijk was dat zo. Zij sliep eveneens slecht, want ze was het kamerdelen niet gewend, vertelde zij.

In overleg zijn we naar de reisleider gestapt en hebben we om een oplossing gevraagd. Konden we om beurten rouleren met de andere vrouwen die een drie-persoonskamer deelden? Konden we bij sommige hotels een extra eenpersoonskamer krijgen, zodat we tussendoor meer rust zouden vinden? Was er nog een alternatief? Hij dacht erover na en ging praten met de andere vrouwen.

En jawel, er kwam een alternatief. Om en om zouden we, waar mogelijk, een eenpersoonskamer krijgen. De ander deelde op die dagen de kamer met de drie overige vrouwen. Ik weet niet meer of het dan een vierpersoonskamer betrof, of twee tweepersoonskamers. Maar gelijk bij de eerste keer ging het al mis.

Mijn vaste kamergenote zou die avond met de andere vrouwen een kamer delen, terwijl ik de eenpersoonskamer kreeg. We waren halverwege de middag bij het hotel aangekomen en ik genoot enorm van het vooruitzicht om de hele kamer voor mezelf te hebben. Dus gooide ik mijn spullen lekker overal neer, haalde mijn hele rugzak overhoop en ging heerlijk lang onder de douche. Althans, dat was waar ik stond toen er hard op de buitendeur werd gebonkt. Ik wou echt niet onder de douche vandaan, maar de reisleider eiste dat ik onmiddellijk naar buiten kwam.

Wat was het geval? Die troela’s in de andere kamer konden niet overweg met mijn vaste kamergenote en dus moest ze maar opzouten daar. Dat ik onderhand oververmoeid was, boeide hen niet. De onervaren reisleider was nauwelijks opgewassen tegen deze vrouwen en ging er in mee. Dus heb ik drie weken lang de kamer gedeeld met mijn kamergenote en haar vaste ochtendritueel. Ik ben in mijn hele leven nog nooit zo gesloopt geweest als toen.

En u raadt het al, één van die aso troela’s was zo geïnteresseerd in mijn toenmalige werkgever. Haar naam begint met een C.

Maatschappijles over een spotprent

Alles van waarde is weerloos, schreef Lucebert in zijn gedicht. Daarom benadruk ik nog eens hoe belangrijk onze vrijheid van meningsuiting is. Vrijheid van meningsuiting is één van de allergrootste verworvenheden die we in de westerse wereld hebben bereikt. Bereikt, want in de afgelopen eeuwen heeft menigeen zijn leven hiervoor gegeven. De vrijheid om te zeggen wat je denkt, is nooit een vanzelfsprekendheid geweest.

Ons laagje beschaving is kwetsbaar en flinterdun. Beschaving betekent in mijn optiek: respectvol omgaan met al wat er leeft. Do no harm. Dat idee. We berokkenen sneller schade dan we zelf denken, want onze visie is beperkt. Om te beseffen wat we doen, moeten we ons in de ander inleven en nagaan welke gevolgen onze handeling heeft. Dat is moeilijker dan gewoon maar wat naar eigen goeddunken doen.

Niet nadenken is een vorm van zelfbevestiging en verdoving. Veilig in je eigen kringetje blijven is dat eveneens.

Het woordje ‘we’ hierboven omvat de hele wereldbevolking. Niemand is daarvan uitgezonderd, wat mij betreft. Alleen word ik nu wel even geconfronteerd met mijn eigen westerse manier van denken, zodra ik Charlie Hebdo, alsnog uit 2015 herlees.

Begin 2015 was ik planner bij een bureau dat debattrainingen op middelbare scholen gaf. Een maatschappijleraar vroeg mij toen om aan de trainer door te geven dat hij beter geen ‘gevoelige’ onderwerpen kon behandelen in zijn klas. Ik beschreef dit voorval in de Armeense genocide, ook al zo’n onderwerp waarover je in bepaalde kringen niet spreken mag.

Is er dan niets veranderd? Is de radicalisering inderdaad toegenomen en is de verharding in de wereld een feit? In Frankrijk lijkt de benadering van hogerhand nog even autoritair en ongenaakbaar als altijd. Dat is precies wat mensen onderaan de maatschappelijke ladder tot wanhoop drijft. Frankrijk meent strategisch slim te zijn, maar is geen beste gezien de handels-belangen van de eigen wapenindustrie. En Frankrijk trekt zich weinig aan van haar onderdanen, dat is al tientallen jaren zo.

Wat kan een maatschappijleraar veranderen aan frustraties over een spotprent? Weinig, als de focus op een religie blijft liggen. Onze vrijheid van meningsuiting wordt veel meer in gevaar gebracht door leiders die zich voor het karretje van de zakenwereld laten spannen. Want zo blijven gewone mensen een speelbal van andermans belangen. En mind you, ook religieuze leiders hebben hun zakelijke belangen. Zolang dit doorgaat, zullen boze burgers hun idealen en overtuigingen gefnuikt zien worden.

Dus als ik maatschappijleraren een gouden tip mag geven: always follow the money. Dat zal studenten leren om zelf na te denken.

Even het hoofd laten luchten

Bij schurende gesprekken en stroef verlopende processen is het aangenaam om je hoofd te laten luchten. Stap de deur uit, zoek een open ruimte op, bij voorkeur met vergezicht, en haal diep adem. … Je voelt nu de irritatie uit je lichaam verdwijnen en je rondtollende gedachten kalmeren.

Op hete dagen (het is momenteel in de schaduw 32 graden), lukt dat moeilijk buiten. Voor dergelijke situaties heb ik enkele toepasselijke foto’s in de aanbieding. Neem bovenstaande foto van de Waal en de Ooijpolder.

Stel je nu even voor dat het 25 graden is, terwijl er een zacht briesje waait. Je wandelt over een pad door de uiterwaard. Aan weerszijde bloeien zoet geurende wilde planten en tussen het hoge groen door stroomt de rivier. Je hoort nu weinig meer dan zoemende bijtjes en zacht tuffende schepen die traag door het oneindige laagland glijden.  …

Terugblik op Israël, ruim 30 jaar later

Het is opmerkelijk hoeveel zaken vaag blijven, na herlezing van de brieven en mijn reisverslag. Wel zie ik het volunteershuisje zo weer voor me, evenals het boerenerf, de velden en de woestijn. Ik kan de winterwind voelen onder de strak blauwe hemel. De zonnestralen worden al warm. Ook hoor ik de enorme stilte, af en toe onderbroken door het geluid van een motor, een rammelend hek of de stoffige kuch van een koe.

Ik weet nog in welke richting de velden buiten het dorp lagen. Op de achtergrond was een heuvelrug. En rechts, voorbij de doorgaande weg, waren de wijngaarden. Plus de nabijgelegen bergen van Jordanië. Vele jaren later stond ik erbovenop, ter hoogte van Petra, en zag ik het vertrouwde woestijnlandschap terug. Bijna aanraakbaar, slechts gescheiden door een grens.

Ook herinner ik mij het gehotsebots op de oude tractor. Om bij de akker met tomaten te komen, moest je eerst dwars over een greppel rijden. Die tractor was een vaalrode krachtpatser. Daarmee kon ik vlot door het rulle woestijnzand heen rauzen.

Maar de gezichten zie ik nauwelijks nog voor me. Zwart haar, middelbruine ogen, gebronsde huid. Dat is wat ik nog weet. Een zachtaardige man. Zo anders dan de meesten in dat land. Hoewel die anderen onder hun rauwe imago soms ook een mildere kant verborgen hielden. Je moet daar hard en sterk zijn. Zijn vrouw leek ongelukkig op een boerderij in dat afgelegen dorp. Zouden ze nog bij elkaar zijn? Hun kinderen zijn inmiddels volwassen.

De brieven schreef ik aan familie tijdens een anderhalf jaar durende reis, ruim dertig jaar geleden. Nu lees ik ze terug, hopend op aanvullende details die ik sindsdien ben vergeten.

Het overvalt me hoezeer ik stilsta bij die (tweede) periode in Israël. Gaf het programma van Frans Bromet en Raoul Heertje soms een aanleiding? Zij onderzoeken daarin hun haat-liefde verhouding met dat land. Mijn eigen gevoelens zijn minstens even tegenstrijdig.

Zal er ooit sprake zijn van iets anders dan extremen? De taferelen en de schurende gesprekken in hun documentaire zijn zo herkenbaar. Bovendien is na ‘mijn’ tijd die monsterlijke muur gebouwd. Een splijtzwam, die de bevolkingsgroepen nog verder uiteen drijft. Een open wond in dierbare grond. Ik zou wel terug willen gaan, maar ik kan die muur niet aanzien.

In 1987, aan het begin van mijn eerste verblijf, wist ik nauwelijks iets van Israël af. Ik was 24 jaar oud, wilde op wereldreis gaan, en het liefst de winter doorbrengen in een warm oord. Onderweg ging ik in diverse landen werken, zoals backpackers dat al decennialang doen. Praktische informatie haalde ik uit Work Your Way Around The World van Susan Griffith. En de Bijbel ging naar Israël mee als geschiedenisboek en reisgids.

Israël stond in de jaren zeventig en tachtig qua werk bekend als makkelijke bestemming. Je hoefde maar langs een kantoortje in Tel Aviv te gaan en je had een baan. Bijvoorbeeld in de agrarische sector, kinderopvang of horeca. Veel reizigers waren pas afgestudeerd of ze hadden een tussenjaar. Het idee was om afwisselend een poosje te werken en dan weer wat van de wereld te zien. Op die manier kan je het rondreizen lang volhouden.

Ik had niets met politiek. Wel kwam Israël toen regelmatig in het nieuws. Maar ik had meer interesse in busdiensten naar toeristische trekpleisters, dan dat de Palestijnse kwestie mij aanging. Bovendien moet je daar echt moeite doen om zaken van meerdere kanten te zien. Veel mensen kennen slechts een kant. Als je aan de Joodse kant terecht komt, heb je nauwelijks contact met Palestijnen of Arabieren. En omgekeerd is dat dito eender.

Door mijn besluit belandde ik automatisch aan Joodse zijde. Maar dat bepaalde mijn positie niet, vond ik. Want ik ben zelf Nederlands en van oorsprong katholiek. En ik sloot mij niet af voor Palestijnen. Alleen duurde het maanden voordat ik met zo iemand sprak. Met een representant van ‘de anderen’. Op straat vond ik Arabische mannen wat opdringeriger, terwijl veel Joden zich meer als westerlingen gedroegen. Dat was in mijn beleving het voornaamste verschil.

Heel soms gedurende twee verblijfsperiodes daar, viel mij meer op. Ik schreef erover aan mijn familie.

In een brief over een uitstapje naar Akko. ‘Dat ligt ten noorden van Haifa aan de kust. Er is een oud gedeelte, wat nu een Arabische wijk is. De huizen zijn kris-kras gebouwd op een heuveltje en er zijn veel trapjes en doorkijkjes. Er lopen veel kinderen rond, die blijkbaar (in tegenstelling tot Joodse kinderen) niet naar school gaan. Eromheen, aan het water, is een enorme muur die door kruisvaarders is gebouwd.’ En zo gaat de beschrijving van het pittoreske stadje verder. Die kinderen liepen buiten op een woensdag en bij mijn weten was het geen feestdag.

En over een bezoek aan het oude deel van Jericho, waar ik een Amerikaanse vrouw ontmoette bij de opgravingen: ‘Met die Amerikaanse ben ik langs het refugeekamp naar een paleis van de één of andere sheik gelopen. We liepen langs de hoofdweg en nu tuuterden echt alle automobilisten. Ook Joden en militairen. (…) Terug naar Jerusalem kwamen we weer door het berggebied. Ik zag verschillende Bedouïnen-tentenkampen en schapenkuddes. Eigenlijk wel gek. Die mensen leven nog zowat in het stenen tijdperk terwijl boven hun hoofd militairen in supersonische straaljagers aan het oefenen waren.’

Aansluitend in de volgende alinea:
‘Wat het gevaar van rellen betreft. Dat is maar betrekkelijk. Het zijn meer incidenten en alle onlusten worden razendsnel de kop ingedrukt omdat er óvérál bewaking is. Bijvoorbeeld de toegangen naar de Klaagmuur. Daar staan op verschillende plaatsen minstens vijftig politieagenten en militairen. Iedereen die het terrein wil betreden wordt gefouilleerd.
De afgelopen dagen in Jerusalem zijn er verschillende relletjes geweest op nog geen twee kilometer afstand van mijn herberg, maar ik heb niets gemerkt. Ik heb de Dome of the Rock bezocht (Koepel van de Rots).’
Gevolgd door meer heilige en toeristische bezienswaardigheden. Yad Vashem maakte veel indruk.

Militairen waren inderdaad overal; ze hoorden bij het straatbeeld. Door hun aanwezigheid voelde ik mij veilig. In de woestijn keek niemand van zijn werk op wanneer er achter de heuvelrug militaire oefeningen waren. Dan was er een dof gerommel hoorbaar. Explosies in de verte maken hetzelfde geluid als onweer. Maanden later, toen ik al in Nederland terug was, dacht ik nog steeds bij onweer: ‘Oh, ze zijn zeker aan het oefenen.’ Zozeer was ik eraan gewend geraakt. In retrospectief vraag ik mij af of het wel altijd ‘oefeningen’ waren.

Dat ‘ik heb niets gemerkt’ in die brief was trouwens niet helemaal waar. (Mijn ouders lazen mee, vandaar.) Ik verbleef tijdens de eerste intifada enkele dagen in de christelijke wijk van Jeruzalem. Waar die intifada over ging, was mij globaal wel verteld. De traditionele winkeltjes in de oude binnenstad bleven uit protest gesloten. Dat vond ik jammer. En op een avond zei de Armeense herbergier dat het beter was om binnen te blijven. Achter de hoge muren en de gesloten poortdeur hoorde ik mensen rennen in het naastgelegen steegje.

Het heeft jaren geduurd voordat ik mij realiseerde dat je onmogelijk in zo’n land neutraal kan zijn. Bij iedere handeling maak je feitelijk keuzes tussen partijen. Ook al gebeurt dat onbewust.

Na lezing van de brieven en het reisjournaal haal ik mijn reisfotoboek tevoorschijn. En via internet zoek ik naar de twee plaatsen waarin ik verbleef. Voor het eerst zie ik er luchtfoto’s van. De omgeving rond de dorpjes is wat droger geworden; verder lijkt alles hetzelfde gebleven.

Tegelijk leer ik iets over de ontstaansgeschiedenis van beide plaatsen. De eerste ligt in het noorden en ‘was founded in 1949 by the movement on land that had belonged to the depopulated Arab village.’ Pardon? Dus dat betekent … ?

De tweede plaats ligt in de Negev-woestijn en staat vermeld in het Oude Testament. Tijdens mijn verblijf daar geniet ik vooral van de eenvoudige leefstijl. Even is mijn wereld klein. Ik ervaar er geborgenheid aan het eind van een lange reis op drie continenten. Zo wordt het een uitgelezen moment en plek voor bezinning.

Israël is geen makkelijk land om in te wonen. Iedereen betaalt een hoge prijs en de lontjes zijn kort. Pas nu vallen de passages op over inflatie en geldzorgen bij de gemeenschap in de woestijn. En ongemerkt is er altijd die dreiging. Zelfs op de luchtfoto is van grote afstand de omheining zichtbaar rond het dorp in die afgelegen vallei. De omheining is zes rijen dik en bestaat uit zes parallel geplaatste metalen hekken. Elk hek afzonderlijk is voorzien van meerdere rollen prikkeldraad boven elkaar. Dat was vast niet alleen om ’s nachts de rondzwervende woestijnwolven buiten te houden.

Desondanks voelde ik mij goed thuis in Israël. Het leven is er paradoxaal ook plezierig ongedwongen. Veel mensen zijn pragmatisch ingesteld. Het klimaat is aangenaam. Het openbaar vervoer is goed en je kan overal lekker eten. Daarbij was ik in Israël zeer welkom. (Heeft mijn nationaliteit nog altijd een streepje voor?)

Verder was het prettig en grappig dat ik er onopvallend als een local over straat kon gaan. Werkelijk iedereen dacht dat ik joods was. Qua haarkleur had het gekund, maar verder? Mijn vermeende ‘joodse’ trekken zijn eerder Frans. Wel schept de vluchtgeschiedenis van mijn Hugenoten-voorouders een soort lotsverbondenheid. Dus mogelijk is standvastigheid een gedeelde karaktertrek.

Israël heeft een belangrijke vormende rol gespeeld in mijn leven. Ik ben er mentaal gegroeid en wereldwijzer geworden. Desondanks duidt in 1989 nog weinig op een ontwakend maatschappelijk bewustzijn. Ik benoem dan vooral wensen qua concerten, werkrichting en relaties. Wel schemert er al een verlangen door naar een meer verstilde leefstijl.

Wat Israël betreft, zal ik nooit stelling nemen. Twee partijen menen evenveel recht te hebben op hetzelfde lapje grond. Grond die ook mij zeer dierbaar is. Mede daarom is het hartverscheurend om te zien waar zo’n uitzichtloze patstelling toe leidt.

De klokkenluider staat in de kou

Vanavond komt om 23:05 uur 2Doc: Never Whistle Alone over klokkenluiders op NPO2. Begin dit jaar trok ik zelf aan de bel over een onrechtmatige situatie. ‘De meeste klokkenluiders die hij sprak onderschatten de emotionele impact die hun aangifte zou hebben, zegt Ferrari’, (de regisseur), in een interview voor de VPRO Gids. ‘Het is heel vreemd,’ zei een klokkenluider, ‘alsof je wordt aangevallen, en op een gegeven moment heb je zoiets van: wow, was het dan mijn fout? Je krijgt iets van spijt, gaat aan jezelf twijfelen, je voelt je schuldig.’

Ferrari sprak twintig klokkenluiders en ziet een aantal overeenkomsten. Ten eerste: ‘Wat meespeelt is dat de rechter ze in hun gelijk bevestigt. Dat is ontzettend belangrijk voor ze, dat iemand officieel zegt: je had gelijk, je was geen idioot. Ten tweede: ‘Het zijn echte professionals […] Ze zoeken eerst grondig uit hoe het in elkaar zit voor ze aangifte doen. […] Ze willen zeker zijn dat ze het bij het juiste eind hebben.’ Ten derde: ‘Bij al die klokkenluiders die ik sprak bleek het ontzettend belangrijk om anderen erbij te betrekken, voor emotionele steun, voor advies op strategisch gebied als het gaat om wetskennis.’ Dat laatste is zeker belangrijk, want de kans is groot dat klokkenluiders binnen hun eigen kring als verraders worden gezien. Ferrari benoemt ook waarom ze desondanks aan de bel trekken: ‘Ze zijn consciëntieus, geven echt om hun werk. In hun eigen ogen hebben ze geen keuze.’

Ik herken vrijwel alles in deze uitspraken. Dit gaat over de strijd met mijn liegende en bedriegende buurman. Degene die eerst een officieel bouwvoorschrift heeft genegeerd en vervolgens zijn buren voor duizenden euro’s wilde laten opdraaien toen daardoor de gezamenlijke riolering kapot ging. Er ligt nu een nieuwe riolering. Toch is van een goede afloop concreet en gevoelsmatig geen sprake. Details laat ik achterwege, maar één punt uit bovenstaande citaten wil ik wel belichten.

Don’t shoot the messenger. Ofwel, verwijt de boodschapper niet datgene, wat door toedoen van jouwzelf of van derden misgaat.

Toch was dit de houding van de buurman. In plaats van zijn eigen daden en houding onder ogen te komen, ging buurman vol in de slachtofferrol. Slim van hem. Als je hoogbejaard en fysiek zwak bent, heb je de goedgelovigen al snel op je hand. Zo snel, dat ze geen moeite meer doen om te verifiëren of het wel klopt wat je beweert. Ook mensen die uit hoofde van hun functie echt beter zouden moeten weten, trappen daar in. Ik ben hier driemaal mee geconfronteerd. In één geval heb ik een ambtenaar binnen een uur tijd als een blad aan de boom van houding zien veranderen. Het bleek dat buurman valse lasterpraat niet schuwde. (En ja, daarvan kan ik schriftelijk bewijs overleggen.)

Ook was er duidelijk sprake van framing. Denk aan beeldvorming in de trant van ‘dat mens dat niet zo moeilijk moet doen’, of ‘dat vijandige kreng van hiernaast’ tegen ‘die arme hulpbehoevende oudere man’, of ‘die man die toch zo vriendelijk is’. Toen ik tegen de zwaar getatoeëerde meneer van de rioolservice vertelde in welke bewoordingen de buurman ongetwijfeld tegen hem over mij had staan uitvaren, moest zelfs hij blozen. Dat had ik dus goed geraden.

Nogmaals: don’t shoot the messenger. Maar mannen als de buurman kunnen geen fouten erkennen. En ‘verliezen’ van een vrouw is voor hen al helemaal ondenkbaar. Dus gaan ze wild om zich heen slaan als je hen nood-gedwongen confronteert. Want dan voelen ze zich bedreigd. Met als gevolg dat ze zelf gaan dreigen.

Heb ik mij, zoals in het citaat, aangevallen gevoeld? Jazeker, nota bene door de vrijwillig werkende juriste van de buurman. Mijn achting voor de plaatselijke rechtswinkel is dan ook tot het absolute nulpunt gedaald. Want waarom zo vijandig doen tegen iemand die aantoonbaar ernstig door haar buurman wordt benadeeld? (Ik moet toch eens uitzoeken of de rechtswinkel gemeentesubsidie krijgt.) Maar goed, ik heb wel vaker bedenkingen bij mensen die zich als ‘hulpverlener’ voordoen.