Depeche Mode, waardering na 40 jaar

Onlangs zag ik Depeche Mode: SPiRiTS In The Forest, een concertfilm van Anton Corbijn. Eigenlijk had ik weinig op met die band en hun elektropop. Neem het nummer ‘Just can’t get enough’. Da’s typisch zo’n gangmaker voor feesten en partijen. Het vrolijke deuntje ligt makkelijk in het gehoor en is mij te gelikt. Maar Anton Corbijn staat garant voor kwaliteit. En als hij een film aan een band wijdt, dan moet die groep wel speciaal zijn. Dus nieuwsgierig geworden keek ik toch. Het werd een openbaring.

Depeche Mode bestaat al veertig jaar en krijgt nog altijd hele stadions vol. De film toont tegelijk een portret van enkele fans die desnoods de halve wereld over reizen om hun idolen te zien. De songteksten hebben een diepere, bijna spirituele betekenis voor hen. Het weerzien, de sfeer, de muziek en veertig jaar levenservaring: dit alles maakt elk concert intens.

Live speelt Depeche Mode rauwer en anders dan ik van hun hits gewend ben. Dit is één van die bands die er altijd al waren, maar die ik onvoldoende heb opgemerkt. Gewoon, omdat ik volledig in de ban was van U2. In werkelijkheid is Depeche Mode beter dan ik al die jaren heb gedacht.

Frappant genoeg valt in diverse nummers een uitwisseling van invloeden te bespeuren. Bij I feel you van het album Songs of Faith and Devotion uit 1993 hoor ik zang van Oasis en kort gitaarspel van The Edge. Barrel of a gun van het album Ultra uit 1997 roept bij aanvang associaties op met Miami van U2. Dat nummer stamt eveneens uit 1997. En mijn favoriet, Never Let Me Down Again, herinnert vagelijk aan een concert van Siouxsie and the Banshees.

Dit is best logisch, want Siouxsie and the Banshees heeft Depeche Mode beïnvloed. Sterker, Siouxsie had daarvoor al Joy Division beïnvloed. En Joy Division kennen ze allemaal. Van die groep loopt er een regelrechte lijn naar U2, Depeche Mode, Oasis én Anton Corbijn.

De nostalgie van een concerttijdperk

Het wordt tijd om te erkennen dat mijn jeugdige jaren voorbij zijn. Het ontgaat mij namelijk al langer welke artiesten nu ‘in’ zijn. Of zeg je: hip, te gek, cool, awesome, vet ziek, of zoiets? Zelfs het jargon versta ik niet meer. Een muziekrecensent schrijft lyrisch over het concert van FKA Twigs. ‘FKA who?’, denk ik dan. Géén idee. Ze is geboren in 1988. Dat zegt alles.

En dan ben ik nu naar L.A.vation en The Masterplan geweest. Twee tribute bands van respectievelijk U2 en Oasis. (Je moet wat als U2-kaartjes kopen via Ticketmaster onmogelijk blijft.) Zij geven concerten waar vooral leeftijdsgenoten op afkomen, want die groeien met de originele bandleden mee. Oasis is van begin jaren negentig en U2 begon al in de jaren zeventig. Dan weet je het wel.

De tribute bands speelden overigens heel aardig. Toch, wat The Edge en zijn gitaarsolo’s betreft: die blijven ongeëvenaard. En het was in Stompwijk, of all places. Oude tijden herleven. Ik zeg je: het is afgelopen. Schluss, finito, The End, basta. Mijn tijdperk èn dat van de grootste rockconcerten is definitief voorbij. Veertig jaar concertbezoek-geschiedenis ligt achter mij.

Vroeger, in de begintijd, zo rond mijn zestiende, was ik nog zwaar onder de indruk van al die beroemdheden. Daar kwamen ze dan, in levende lijve. Stipjes waren het, ver weg op het podium. Op het veld zag ik meestal weinig van een optreden. Daar stonden altijd lange slungels voor me met hun grote lijven. Maar op de tribune was het prima uit te houden. Kon je lekker blijven zitten tot de band ging optreden. Later kwamen er enorme beeldschermen aan weerszijde van het podium.

Plus natuurlijk indrukwekkende lichtshows en showelementen. Zoals de hellehonden van de Rolling Stones, het zwevende stoeltje van David Bowie, en Prince met zijn entourage. In die tijd was Rotterdam de stad waar je moest zijn. Kon je met de U2-express van de NS tot aan de poorten van de Kuip rijden. De Kuip zal voor mij voor eeuwig verbonden blijven met balanceren op de bovenste rij tijdens Bullet the blue sky. Geen enkel ander stadion haalt het daar bij. Oh, nostalgie.

Die tijd is voorbij. Knappe zangers worden sloom en grijs. Ze krijgen een buik en hun stem is niet meer zoals in hun glorietijd. Dergelijke pijnlijke situaties kan je beter vermijden. Dus geen Night of the Proms meer voor mij. Als vijftiger heb je al genoeg decepties te verwerken.

En de normen veranderen. Als je nu naar een concert gaat, is iedereen druk met zijn mobieltje. Zelfs tijdens een optreden. Dat bezoekers filmopnamen maken, kan ik wel begrijpen. Maar dat ze met elkaar gaan bellen en hele gesprekken staan te voeren, met hun rug naar de band toe … Nou echt zeg! Waar is het heilige ontzag voor beroemdheden gebleven? Een beetje eerbied graag. Jong en oud doet dat, hè. Ik vind dit maar rare tijden.

Die ontwikkeling is best lastig, want er resteren twee bands die ik nog live wil zien. Dat zijn U2 en Radiohead. Maar oh wee, als mensen door hun muziek heen durven te praten. Zulke heiligschennis kan ik echt niet verdragen. Misschien is het toch maar beter om voortaan thuis te blijven. Dan moet ik met cd’tjes genoegen nemen. Voor zolang als dat nog kan, want de tijd van de cd’tjes is ook al bijna passé.

Over Boy – October – War en U2

U2 nagetekende hoezen Boy en War

De eerste dag van oktober, de regen en twee van mijn tekeningen uit 1985 leiden mij naar de vroege jaren van U2. Ik moet zoeken naar woorden en hou het daarom bij hun muziek. Een selectie van drie nummers die je bijna nooit meer hoort. Onterecht, vind ik.

Van het album Boy (tekening links) het mysterieuze The Ocean.

Van het album October het titelnummer.

And kingdoms rise / And kingdoms fall / But you go on …

En van War (tekening rechts) het nummer Drowning man, waarin Ierse muziek doorklinkt.

Verlangen naar de jaren tachtig

Al de hele week zit New Gold Dream van Simple Minds in mijn hoofd. Eén van de meest iconische nummers uit de jaren tachtig, als je het mij vraagt. Een plaat die staat voor een gevoel van een komende omwenteling. Een jeugdige onbevangen positieve verwachting. Een verlangen naar nog te ontdekken horizonten, en meer van dergelijk lyrisch gedoe.

Steeds wanneer ik New Gold Dream hoor, bezorgt het me hartkloppingen. Letterlijk. Alsof je op zaterdagavond klaar staat om uit te gaan en uitkijkt naar wat komen gaat. Alleen al de woorden New Gold Dream en de upbeat melodie zijn  genoeg.

Er staan perfect geremixte studio-opnamen van dit nummer op YouTube. Voor mij moet het echter een versie uit 1984 zijn. Compleet met lelijke jaren tachtig kleding, technodeuntjes, rommelige opnamen en gebrekkige geluidskwaliteit. Dat hoorde er ook bij in die tijd. De eerste vier minuten zijn het beste.

Even iets gemist

Voor veel dingen in het leven bestaan logische momenten. Ze hebben met leeftijd te maken of vallen met bepaalde fases samen. Ik doe weleens wat in omgekeerde volgorde of pas wanneer iedereen al drie stappen verder is. Zo heb ik vijfentwintig jaar lang een fenomeen uit de jaren negentig gemist.

Ze waren er wel degelijk. De broertjes Gallagher van Oasis. Ze kwamen op radio en tv. Ik wist van hun bestaan af. Maar naar hun concerten gaan of een cd kopen kwam er niet van. Dan ontdek ik ze alsnog via internet, als ik zoek naar een liedje waarvan ik de titel mis (Acquiesce). En stuit daarbij op een hele serie akoestische versies van hun hits, gezongen door Noel Gallagher. Hij is een artiest die wellicht te lang in de schaduw van zijn obstinate broer heeft gestaan. Luister maar naar de demo van Everybody’s on the run (vanaf 0.30).

Ben jij een laatbloeier of gaat er aan jou ook weleens een moment suprême voorbij?

Jan Vayne en Petra Berger

Met mijn zus ga ik naar een zondagochtend concert van Jan Vayne en Petra Berger. Het is nog een cadeau voor mijn verjaardag. Eigenlijk ken ik hun muziek niet en ik laat mij verrassen. Mijn zus en ik hebben een lange geschiedenis van gezamenlijk concertbezoek. Het zal dus wel goed zijn. Maar wachtend bij de deur, bekruipt mij toch een verontrustend gevoel. Wat ik binnen zie komen, is bepaald geen U2-publiek.

Ze zingt best mooi hoor, die Petra. Zoals liedjes van Barbara Streisand en een nummer over Rooie Sien. Plus iets uit Jesus Christ Super Star en ‘Imagine’ van John Lennon. Haar stem komt werkelijk tot zijn recht bij liedjes uit de Italiaanse opera. Alleen is het grootste deel van het repertoire mij te gezapig.

Jan speelt aardig op de piano. Hij lijkt een bijrol te hebben in het geheel. Net wanneer ik mij afvraag of hij liever op de voorgrond wil treden, komt zijn moment. Petra neemt pauze en Jan grijpt zijn kans. Hij vraagt ons, het publiek, of we verzoeknummers willen horen. Ja hoor, de Bolero, Bohemian rapsody en Bach.

Hij loopt naar een soort kerkorgel en breit alles ingenieus aan elkaar. Mijn zus herkent zelfs een fragment uit Pirates of the Caraïben, namelijk die scene met die enorme draaikolk. Mijn fantasie echter, laat het afweten. Ik denk slechts: ‘wat een takke geluid’. En hij blijft maar doorgaan, hè, op dat orgel. Die pokke Bolero ook, duurt gewoon veel te lang. Is het nou nog niet afgelopen? Mijn zus en ik kijken elkaar aan en proesten het uit.

Overigens, niets ten nadele van Jan en Petra, hoor. Maar als het op instrumentale muziek aankomt, kies ik liever een intermezzo van Abba. Wat een monumentaal mystiek geluid.

Concertkaartjes nu en toen

Misschien komt het door de jongens tegenover ons in het bedrijvenpand waar ik werk. Ineens moet ik denken aan hoe je in de jaren tachtig aan concertkaartjes kwam. ’s Morgens vroeg in regen en wind voor het VVV-kantoor in de rij gaan staan. Uren wachten achter de mensen in slaapzakken, die daar een hele nacht met bier en chips hebben doorstaan. En dan het gedrang als de deur om negen uur eindelijk open gaat. De bewakers staan klaar en laten hooguit vijf mensen tegelijk naar binnen gaan.

Soms ging het er chaotisch aan toe. Ik heb meegemaakt dat de hele voorste rij zo door de etalageruit werd geduwd. De eerstvolgende wachtenden klauterden gewoon over gevallenen en glasscherven heen, om doodgemoedereerd bij de kassa kaartjes te kopen.

Ook werkte ze eens met een systeem van genummerde bonnetjes voor een U2-concert. De bonnetjes werden aan de eerste wachtende om middernacht gegeven. Hij deelde ze in volgorde van aankomst aan volgende wachtenden uit. Ik was om 06.00 uur al te laat. De nummertjes waren op. Hopend op een wonder ben ik nog uren gebleven, tot de verkoop begon. Toen bleek dat ze maximaal zes kaartjes per persoon verkochten. Meer dan het meisje voor mij had verwacht. Haar vriend had al voldoende kaartjes bemachtigd, dus gaf zij haar bonnetje aan mij. Ik heb het tot op de dag van vandaag bewaard.

Wat was ik steeds blij als ik eindelijk die felbegeerde kaartjes had. Dan haalde ik onderweg naar huis gebak om de goede afloop te vieren. Hoe anders gaat het nu. Je doet alles makkelijk via internet en hoeft geen ontberingen meer te doorstaan. Maar een druk op de knop levert nooit dezelfde intense tevredenheid op als zo’n strijd voor kaartjes. Zegt deze semi-ouwe taart.

Die gasten bij ons op de gang maken video’s en zien soms grote artiesten. Zelf zijn ze daar nog van onder de indruk. Dan hoor ik iemand een beetje verbouwereerd zeggen dat hij Afrojack aan de telefoon had.

Ze lopen er allemaal cool bij. De Aziaat van het stel draagt steeds teenslippers. Het Afro-type verschijnt met afgezakte broek en baseballpetje op. De Latino met armen vol tattoos loopt immer in zwart T-shirt en spijkerbroek. En regelmatig komen er meiden met ellenlange benen voor een fotoshoot.

Vergaderen doen ze met de benen op tafel. Ontspannen doen ze met een voetbal op de gang. En tussendoor vliegen ze voor opdrachten naar het buitenland. Maar deze week staat er een beursdeelname op het programma. Overal liggen stapels posters, promotietasjes en andere spullen klaar. ’s Avonds zie ik het nieuws en begint het mij te dagen. Amsterdam Dance Event is aan de gang. Aha, dat zal het zijn. Zij hebben nu de tijd van hun leven in dit hippe, professionele bestaan.