Vrouwen in een reisgezelschap

Blijkbaar moet ik nog iets met die vrouw van die groepsreis in Madagaskar, waar ik gisteren over schreef. De komst van mijn oude vriendin is de trigger geweest. Zij was geen deelnemer, maar er was wel een vergelijkbaar voorval met onze zzp’ende collega, een andere vrouw. Mijn conclusie is dat ik iets had, wat die andere vrouwen ook wilden hebben. Wat mij nu interesseert, terugkijkend na zestien jaar en met de mensenkennis van nu, is wat er toen feitelijk is gebeurd.

Ik haal het fotoalbum van die rondreis in Madagaskar tevoorschijn en kijk of ik bepaalde zaken kan reconstrueren. Wie waren de spelers en wat was hun positie binnen de groep? Waren de omstandigheden zoals ik ze mij herinner? Kan ik nagaan hoe de onderlinge verhoudingen waren en welke indrukken we bij elkaar achterlieten? Er zit een volledige lijst met deelnemers in het album. Via internet heb ik ze allemaal zo getraceerd.

Ten eerste. Die rondreis was zeer zwaar. Dat is ontegenzeggelijk waar. Hij viel in de hoogste categorie: het expeditie niveau. Dat was voor vertrek niet goed duidelijk gemaakt. Reizen in ontwikkelingslanden is sowieso minder makkelijk. Daarbij was de reisleider onervaren en het programma overvol. En een achtergebleven koffer in Parijs ontregelde gelijk alles.

Ten tweede. De kamers waren op indeling. Daar was ik toen al geen voorstander meer van, maar het was de enige optie. Ik ontmoette de groep voor het eerst op Schiphol en na aankomst in Madagaskar ging het bij de kamerindeling direct mis. Op basis van geslacht werden we verdeeld over twee- en drie-persoonskamers. Er waren negen mannen en vijf alleen reizende vrouwen.

Herstel. Waarschijnlijk ging het al eerder mis. Namelijk kort voor vertrek op Schiphol. Ik wilde na het inchecken eerst nog even een rondje lopen langs de winkels. Vandaar dat ik niet meteen bij de rest aanschoof. Het is een detail, maar toch. Voordat je het weet, haalt een groepsgenoot zich van alles over zo’n soloactie in het hoofd.

Mogelijk hadden enkele vrouwen al een team gevormd voordat we aankwamen bij het eerste hotel in Madagaskar. Zo gaat dat bij groepsreizen vaker. Je drinkt samen een kop koffie en denkt: ‘Hm, misschien is zij wel iemand om straks de kamer mee te delen.’ Of je staat bij de balie, de reisleider deelt de sleutels uit en hij vraagt ‘Wie?’ Je kijkt naar een van je groepsgenoten die je wel aardig lijkt, knikt naar elkaar, en roept ‘Wij’. Of de groepsleider roept de namen in alfabetische volgorde af. Ik kan mij dit niet scherp herinneren.

In elk geval ontbrak bij aankomst die koffer. De koffer was van een vriendelijke, zij het wat aparte vrouw. Ze zag er enigszins hippie-achtig uit en ze had zeer specifieke gewoonten, zo bleek al gauw. Onderweg had ik haar nauwelijks opgemerkt en met de overstap in Parijs was het een lange heenreis geworden. Daarom was ik vooral moe. Maar zij werd dus mijn vaste kamergenote op die rondreis van 24 dagen.

Die eerste avond na aankomst was ze erg onrustig. Ik begreep dat wel. Haar koffer was achtergebleven. Daarom had ze overhaast toiletartikelen en slecht passende kleding moeten kopen, terwijl de rest van de groep in de bus wachtte. En zonder haar eigen spullen kon ze haar vaste rituelen niet uitvoeren zoals ze gewend was. Rituelen, ja. Die mij heel wat uurtjes aan nachtrust zouden gaan kosten. Alle handelingen moest ze in de juiste volgorde op gezette tijden uitvoeren. Ze was een beetje alternatief, op het zweverige af.

Mijn kamergenote was beslist aardig en we hadden zelfs enkele raakvlakken. Maar haar vaste ochtendritueel was toch wel problematisch. Misschien was dat ritueel minder storend geweest, als zij haar eigen koffer bij zich had gehad. Ik slaap licht en word wakker van ieder geluid. Terwijl haar hele bezit verpakt zat in een verzameling knisperende plastic zakken.

Het ritueel. Mevrouw stond elke ochtend stipt om 04.00 uur op. (Rinkelderinkel van de wekker.) Vervolgens ging het licht aan in de kamer (plop). Dan begon het geritsel van haar vele plastic zakjes. (Knisperde-knisperdeknisper.) Afgewisseld met het gerammel van haar metalen beker. (Klangggg. Boink.) En het geroer met haar metalen lepel. (Ggrrgggrgggrgg, pok pok.) Tussendoor moesten er ingrediënten worden gezocht. (Knisperdeknisper deden haar plastic zakjes, rrrrrr, deed een rits, plok deed de lepel wederom in haar beker.) Enzovoort.

En dat tijdens een toch al mentaal en fysiek zeer uitputtende reis.

Ze was er niet van af te brengen. Ik probeerde rede, ik probeerde zachte dwang. Ik heb boosheid geprobeerd. Maar ze kon niet anders, zei ze. En waarschijnlijk was dat zo. Zij sliep eveneens slecht, want ze was het kamerdelen niet gewend, vertelde zij.

In overleg zijn we naar de reisleider gestapt en hebben we om een oplossing gevraagd. Konden we om beurten rouleren met de andere vrouwen die een drie-persoonskamer deelden? Konden we bij sommige hotels een extra eenpersoonskamer krijgen, zodat we tussendoor meer rust zouden vinden? Was er nog een alternatief? Hij dacht erover na en ging praten met de andere vrouwen.

En jawel, er kwam een alternatief. Om en om zouden we, waar mogelijk, een eenpersoonskamer krijgen. De ander deelde op die dagen de kamer met de drie overige vrouwen. Ik weet niet meer of het dan een vierpersoonskamer betrof, of twee tweepersoonskamers. Maar gelijk bij de eerste keer ging het al mis.

Mijn vaste kamergenote zou die avond met de andere vrouwen een kamer delen, terwijl ik de eenpersoonskamer kreeg. We waren halverwege de middag bij het hotel aangekomen en ik genoot enorm van het vooruitzicht om de hele kamer voor mezelf te hebben. Dus gooide ik mijn spullen lekker overal neer, haalde mijn hele rugzak overhoop en ging heerlijk lang onder de douche. Althans, dat was waar ik stond toen er hard op de buitendeur werd gebonkt. Ik wou echt niet onder de douche vandaan, maar de reisleider eiste dat ik onmiddellijk naar buiten kwam.

Wat was het geval? Die troela’s in de andere kamer konden niet overweg met mijn vaste kamergenote en dus moest ze maar opzouten daar. Dat ik onderhand oververmoeid was, boeide hen niet. De onervaren reisleider was nauwelijks opgewassen tegen deze vrouwen en ging er in mee. Dus heb ik drie weken lang de kamer gedeeld met mijn kamergenote en haar vaste ochtendritueel. Ik ben in mijn hele leven nog nooit zo gesloopt geweest als toen.

En u raadt het al, één van die aso troela’s was zo geïnteresseerd in mijn toenmalige werkgever. Haar naam begint met een C.

Wat vrouwen soms uithalen

We hebben al driekwart afgelegd van mijn favoriete landgoedwandelroute, mijn oude vriendin en ik. Wanneer zij haar smartphone tevoorschijn haalt en mij de zojuist afgelegde route op het scherm laat zien. Dat zij ons traject heeft getrackt, komt voor mij als een verrassing. Op dat moment voel ik er weinig bij. Maar veel gidsen van wandelgroepen vinden het minder prettig als meelopers hun zelfbedachte routes vastleggen.

Heb ik een fout begaan? Tenslotte heb ik ook jarenlang aan iedereen verteld hoe geweldig ik Australië vind. Daar begon ik mee in 1986, toen er nog amper iemand voor vakantie heen ging. En kijk nu eens. Onderhand viert bijna elke student een tussenjaar in dat land. Ik had mijn mond moeten houden, want zo heb ik aan een enorme CO2-uitstoot bijgedragen.

Of neem die rondreis in Madagaskar, zestien jaar geleden. Het was een groepsreis van SNP en daar zaten een paar vinnige meiden bij. De ‘leukste’ (te merken aan de reacties van de mannen) was behoorlijk bijdehand. Als Brabantse droeg ze een aura van gezelligheid mee. En ze had uitzonderlijk veel interesse voor het werk wat ik toen deed.

Geleidelijk schakelde ze van een belangstellend vraaggesprek over op een vorm van uithoren. En twee jaar later dook zij als nieuwe kracht op bij mijn toenmalige werkgever, in een sector waar je moeilijk tussen komt. Kennelijk was mijn informatie haar goed van pas gekomen. Ze kwam binnen op een andere afdeling en heeft nooit meer met mij contact opgenomen.

Mijn oude vriendin en ik kennen elkaar twintig jaar. Tien jaar geleden voerde ik via payrolling een project uit bij haar werkgever. Daar werkte ook een Brabantse vrouwelijke collega als zzp’er, die bijzonder geïnteresseerd was in ons gedeelde verleden. De oude vriendin en ik hebben allebei veel gereisd en een enigszins alternatieve kijk op het leven. Steeds wanneer ik voor een pauzewandeling naar buiten ging, wilde die collega mee.

Dat zij later een vergelijkbaar geintje ging uithalen als haar provinciegenoot van die groepsreis, zag ik dus al aankomen. En daar zit ik niet mee.

Alleen vind ik het nu toch wat minder dat ik mijn oude vriendin heb laten zien waar de mooiste paddenstoelen langs de route groeien. Het is er sinds coronatijd al druk genoeg.

Over vrijwillig werk, salaris en een booreiland

Allerlei herinneringen borrelen op na die opmerking over wie ‘financieel de grootste bijdrage’ aan de expositie heeft geleverd. Ik heb al het werk verricht en ‘vrijwillig’ betekent niet ‘gratis’. Daarom stuur ik onze fondsen-werver de componenten toe voor een rekensom: aantal weken x aantal uren x mijn oude zzp-tarief. Als voorbeeld. Zodat het tot hem doordringt wat mijn vrijwillige inzet waard is.

Natuurlijk speelt er meer. Veertig jaar geleden betrad ik de arbeidsmarkt met een waardeloze startkwalificatie, zoals dat nu heet. Vervolgens bleef mijn salaris jarenlang achter bij dat van collega’s die hetzelfde werk deden. Gewoon, omdat zij hoger waren opgeleid of al meer werkervaring hadden. Je kan om- en bijscholen zoveel als je wilt. Meestal begin je toch op een lagere salaristrede dan collega’s van dezelfde leeftijd. Het maakt weinig uit of je beter bent in je werk dan zij. In veertig jaar tijd heb ik, op enkele korte periodes na, nooit de hoogste trede van de functieschaal bereikt.

Vandaag hebben de fondsenwerver en ik elkaar weer ontmoet. Ondanks onze verschillende standpunten en communicatiestijlen, komt het wel goed.

Ineens schiet mij een ‘situatie’ bij een vroegere werkgever te binnen. Dat was een uitzendbureau voor wereldwijd inzetbaar offshore personeel. Vrijwel altijd zijn dit mannen en ze verdienen geld als water. (Ik werkte op de financiële administratie.) Voor dat geld moeten ze wel keihard werken, op elk moment inzetbaar zijn en velen leven permanent uit een koffer. Het is eenzaamheid troef en menig huwelijk gaat er aan.

Zo’n man (een Engelsman) werd ingehuurd voor een opdracht op een booreiland voor de kust van Zuid-Amerika. De planner op ons Nederlandse kantoor had het er maar druk mee. Hij moest de reis telefonisch simultaan in goede banen leiden. Want de technicus moest direct bij aankomst op het vliegveld in zijn kraag worden gevat en naar een taxi worden gebracht, zodat hij linea recta naar de haven toe reed waar het bevoorradingsschip klaarlag dat eens in de veertien dagen naar het booreiland voer. Anders zou hij meteen het eerste het beste café in duiken. Dat heb je met sommige mannen die geld verdienen als water.

Levenslessen van andere mensen

Soms denk ik: ‘Stel dat die reorganisatie er niet was geweest. Dan had ik ook niet …’ Gevolgd door allerlei zaken die ik niet had willen missen. Zoals het leven in mijn huidige woonplaats. En de gesprekken met deelnemers in de groep voor werkzoekenden. Regelmatig leer ik nog van deze mensen. Omdat zij een ander leven leiden dan ik. Omdat zij ook van alles meemaken, maar daar anders mee omgaan. Of omdat ze andere beroepen en interesses hebben. Zonder die reorganisatie hadden we elkaar waarschijnlijk nooit ontmoet.

Werkloos raken schudt de meest stabiele personen door elkaar. Vooral na een lange carrière. Je hele toekomst wordt onzeker. En vaak moet je voor het eerst in jaren je zelfbeeld herzien. Als daarbij het pantser eenmaal wegvalt, kom je tot de kern. Ik als lotgenoot tenminste wel. Dan kunnen we praten over zaken die er werkelijk toe doen. Ik kan slechts raden hoe zij zich in een werksituatie gedragen. Maar vermoedelijk weet ik na een gesprek al beter wat hen beweegt, dan hun vroegere collega’s na een jaar.

Gesprekken met mensen die anders in het leven staan, vind ik eveneens boeiend. Ze trekken me uit mijn eigen beperkte denkwereld en bieden alternatieve zienswijzen. Daarbij moet ik wel moeite doen om ze goed te begrijpen. Want ik denk toch vanuit mijn eigen referentiekader. Te snel of verkeerde conclusies trekken, is zo gebeurd. Als ik me daarvan bewust ben, blijf ik doorvragen. Hoe, wat, waarom, … en toen? Tot alles helder is. Zij zetten mij vaak aan het denken. En ik hen.

Onvoltooid voltooid verleden

In mijn hoofd is het nog een gesuis en geruis. Net terug van even terug zijn geweest. Trein in, trein uit, tram in, tram uit, Randstedelijke drukte en geluid. Gebaande paden, welbekende short cuts. De eettentjes in Haagse achterafstraatjes, van Istanbul tot Hanoi. Ze zijn mij zo vertrouwd. Stoïcijns gebleven op dezelfde locaties. Terwijl ik ondertussen een totaal ander leven heb opgebouwd. Rust, waar alles rondom doorraast. Pas op de plaats.

Ontmoetingen in gebouwen uit een gedeeld verleden. Ze zijn nooit verdwenen. Wel even uit beeld, maar altijd onderdeel gebleven van een doorlopend verleden. Tot in de toekomst van het heden.

Verhalen. Over een collega met een verloren kind. Een andere baan in Afrika. Om vroeger achter te laten? Tevergeefs misschien. In weinig gebieden wordt je identiteit zo sterk bepaald door je kinderen, als daar. Wat zeg je als ze je vragen hoeveel kinderen je hebt?

Verleden. Onverwachts terug in een gebouw waar ik 9,5 jaar heb gewerkt. De belangrijkste periode uit mijn carrière. Voor het eerst na 8,5 jaar blijft mijn gevoel neutraal. Nog bijna wekelijks krijg ik de vraag wat mijn beroep is. Pas sinds kort kan ik het antwoord in een enkele zin samenvatten.

Het is allemaal zo lang geleden. Wat draag ik nu nog mee dat er toen al was? Heel weinig, vrijwel alles is van daarna. Slechts een wollen sjaal met Noorse sterren was er toen ook al bij. De tastbare rest is achtergelaten, ergens onderweg naar het heden. En de ontastbare rest is verdwenen. Omgezet in kennis en een doorlopende levensles.

Kleding voor binnen het glazen hokje

Zoals elk normaal mens draag ik hooguit 50% van wat er in mijn kledingkast hangt. Bepaalde kledingstukken zitten nu eenmaal lekkerder dan andere. Los van de mindere goden heb ik een verzameling kleding voor het geval dat. Zoals voor het geval ik naar de tropen ga én voor het geval de temperatuur ver onder nul zakt. Plus voor het geval er een feestje is, of voor wanneer ik naar kantoor toe moet. Want dan moet je iets passends dragen. Verder heb ik kleding voor sportieve uitstapjes; pyjama’s en nachtjaponnetjes; een hele rij jassen voor alle weersoorten, en nog wat ongeregeld spul. Daarom is het nogal krap in mijn kledingkast.

Zojuist heb ik een poging gedaan om een beetje ruimte te maken. Het viel weer niet mee. Ik kwam allerlei jasjes tegen, die ik nog nooit heb gedragen. Zonde om weg te doen, nietwaar? En dan die mooie broeken waar ik niet langer in pas. Eigenlijk al vijf jaar niet meer. Daarom liggen ze helemaal onderin de kast. Maar ze staan me aanzienlijk beter dan wat er de afgelopen jaren in de mode was. Vandaar. Als ik die broeken toch wil dragen, moet ik blijven staan om adem te kunnen halen. Lastig hoor, bij zittend werk. En even wat kilootjes afvallen is natuurlijk te veel gevraagd.

Met veel pijn en moeite heb ik drie stapeltjes gemaakt. Een stapeltje compleet verwassen kleding voor de vuilnisbak. In ons kakkineuze dorp mag je namelijk geen lompen in de kledingbak deponeren. Dan nog een stapeltje dat wel in de kledingbak kan voor het goede doel. Het derde stapeltje wil ik via een tweedehandswinkel verpatsen.

Je zou denken dat een paar nieuwe pyjama’s uit een vorig logje aanleiding zijn voor deze opruimactie. Maar nee, de dresscode bij mijn aanstaande werkgever zorgt voor enige twijfel. Gelukkig hoef ik slechts een dag per week op kantoor te komen. Daardoor kan ik eenvoudig verhullen dat mijn best zittende kleren uit C&A-winkels komen. Toen ik nog vast werk had, kocht ik wel vaker in boetieks. Bovendien valt de overgang van de zomer naar de herfst precies in die werkperiode. Dit verkleint de kans dat ik steeds hetzelfde nette vestje ga dragen.

Schoenen vormen wel een dilemma. Ik heb heerlijke zwarte laarsjes. Die kunnen bij vrijwel al mijn broeken. Alleen droeg ik ze zes jaar geleden ook al, toen ik bij dezelfde werkgever rondliep. Degene die mij inhuurt, zal ze zeker herkennen, want zij had ze toen ook. Ander passend schoeisel is voor kantoor toch te bloot of te plat, of kraakt gênant bij het lopen. Ik heb keurige schoenen met een klein hakje voor dames van zekere leeftijd. Eigenlijk val ik zelf binnen die categorie, qua leeftijd dan. Maar gevoelsmatig horen ze helemaal niet bij mij. Zo heb ik nog twee paar ongedragen ‘professionele’ schoenen in de kast staan. Het liefst zou ik comfortabele stadswandelschoenen dragen.

Oh, en dan nog een tas. Onlangs was ik bij een netwerkbijeenkomst voor kleine ondernemers. We deden een oefening. Op basis van elkaars uiterlijk (kleding, schoenen, stijl) vertelden we hoe de ander op ons over kwam. Ik had mijn nette, donkerblauwe rugtas bij me, maar die vond iemand toch te informeel. Maar als ik straks vier uur reistijd heb, wil ik wel graag van alles meenemen voor onderweg. Daarvoor is mijn beschaafdere zwarte leren tas te klein.

Op kantoor zou ik best bedrijfskleding of een uniform willen dragen. Dat zou het leven veel aangenamer maken. Helaas. In Nederland moeten we zo nodig individualistisch zijn en onze identiteit via kleding uitdragen. Blabla. Want ondertussen zitten we nog altijd met die glazen hokjes, vooral op kantoor. We kunnen nog lang niet overal kleding naar eigen keuze aan doen.

Een petitie pro uniform dan maar?

Communiceren met de fotograaf

Op een dag verschijnt er een onbekende man op de wekelijkse bijeenkomst voor en door werkzoekenden. Omdat hij alleen staat in de pauze, knoop ik met hem een praatje aan. Hij komt erg dicht bij me staan en kijkt mij nogal indringend aan. Aandacht. Dat eist hij van mij.  Al direct overschrijdt hij de grens van mijn comfort zone. En daarbij: hij heeft een slechte adem. Ik doe onmerkbaar een stapje achteruit, maar hij volgt mij.

En hij praat, hè. Hij praat. Heel dwingend. Over zijn werk. Hij is fotograaf. Aan een stuk door ratelt hij over de pech die hem achtervolgt. Geen werk, scheiding, huis verkocht. Nu zit hij in de bijstand en is hij veel geld aan huur kwijt. Hij vraagt niet naar mijn verhaal, dat begrijp je vast wel.

Ik weet genoeg en loop hem vervolgens steeds mis. Gelukkig zijn er genoeg anderen bij wie hij zich kan beklagen. Want dat doet hij continu. Als hij geen luisterend oor vindt, doet hij zijn eigen ding en houdt hij zijn mond.

Enige tijd later werpt hij zich op als vrijwillig fotograaf. Daarom brengt hij zijn fotoapparatuur mee. Grote toestellen met telelenzen. ‘P. maakt vandaag foto’s, onder andere voor de website’, wordt er medegedeeld. Mijn haren staan nog net niet overeind. Dit is een bijeenkomst waar mensen zich veilig moeten voelen. Niemand wil ermee te koop lopen dat hij geen werk heeft. Ik weet dat meer dan een persoon hiertegen bezwaar heeft. En wacht af. Maar niemand zegt er iets van, terwijl de gespreksleider al met haar verhaal aanvangt. De fotograaf gaat zijn gang.

Ik maak een mentale aantekening om dit aan te kaarten. Aangezien ik zelf de websitebeheerder ben, zal er geen foto op komen zonder toestemming. In de pauze vertelt de fotograaf aan iemand van de kerngroep hoe hij opereert. ‘Ik werk altijd onopvallend. Eerst maak ik foto’s en eventueel vraag ik daarna pas om  toestemming. Dan heb ik zeker de foto die ik hebben wil.’ En: ‘Ik kan erg goed met mensen omgaan en ik ben heel soepel.’ Iets dergelijks staat ook op zijn website.

vergeetmijnietjeEnkele dagen later ontvang ik een bestand met zijn foto’s. Het gaat om 53 MB aan voornamelijk onbruikbaar materiaal. Slechte belichting, onscherpe stukken, verkeerde compositie, tegenlicht, mensen die er niet flatteus op staan, en ga zo maar door. Als amateur maak ik met mijn mobieltje betere foto’s dan hij. Al zeg ik het zelf.

Maar ja, enkele leden van de kerngroep zijn toch enigszins over de foto’s te spreken en willen ze voor de website hebben. We maken een selectie waarbij een flink deel af valt. De rest gaat nog wel. Ook al had ik voor onze website wat beters gewenst.

En dan begint het gesteggel. Want iemand van de kerngroep mailt hem dat hij zelf mag aangeven hoe zijn naam overal bij zijn foto’s op de website moet worden vermeld. Tuurlijk. Geef een narcist de vrije hand en hij zal je hele website vol kalken. Ik spreek uit ervaring met mensen, websites en geurvlaggen. En ja hoor, dat is precies wat hij wenst. Zijn logo moet pontificaal in de hele rechterhoek van elke foto worden getoond. Als ik hem op andere gedachten probeer te brengen, blijft hij op zijn strepen staan. Want: ‘dit is de beste reclame’. Voor hemzelf, denkt hij. Het is maar hoe je dat bekijkt.