Niets te verbergen

Het cliché luidt dat de werkelijkheid vaak vreemder is dan je zelf kan bedenken. Dat is waar. Een ander cliché is dat als iets geheim moet blijven, je moet zwijgen. Ik beleefde onlangs een bizarre samenkomst van mensen. Dat leverde een soort ‘I know what you did last summer’– situatie op. Een nogal nadrukkelijk ‘Oeps’– moment. Dit toch zonder dat ze van elkaar wisten wat ze van elkaar weten. (Of wel? Hm.)

Afijn, de eerste persoon weet van de tweede persoon niet wat de tweede persoon kan weten over de derde persoon. Terwijl persoon drie inmiddels wel weet wat persoon één en persoon twee onafhankelijk van elkaar weten. Die derde persoon weet ook dat die andere twee elkaar oppervlakkig kennen. Zij kennen elkaar pas vrij kort (voor zover bekend). De eerste persoon is een collega van iemand met wie de derde persoon te maken heeft gehad. Die link was voor persoon drie nogal een verrassing, toen dat bekend werd.

De derde persoon heeft maanden geleden iets verteld waarbij persoon twee aanwezig was. Dat verhaal is interessant voor die collega. Maar of de tweede persoon toen naar details heeft geluisterd, is de vraag. Die persoon is doorgaans uitsluitend geïnteresseerd in zichzelf. Nu echter, weet persoon drie dat persoon één en twee een liefdesrelatie hebben. Dat werd ineens gemeld.

Het wachten is op het moment dat het verhaal van persoon drie tussen die twee aan de orde komt. Of misschien is dat al gebeurd, want er was nog iemand bij. En die vierde persoon roept van alles, zelfs als dat ongewenst is. Maar de realiteit ís bizar. En bepaalde onwaarschijnlijke combinaties verzin je niet zelf.

Gisteren werden op Raam Open 220 keer berichten weergegeven. De meeste berichten één keer. Dit duidt er op dat iemand heel veel berichten heeft doorgespit. Ik heb even gecheckt of ik iets moet verbergen. Maar nee hoor. Ik ben hier zorgvuldig en discreet geweest. Met voorbedachten rade, dat wel. Verder mogen ze ook alles weten. Dus ik zou zeggen: veel leesplezier.

Levenslessen van andere mensen

Soms denk ik: ‘Stel dat die reorganisatie er niet was geweest. Dan had ik ook niet …’ Gevolgd door allerlei zaken die ik niet had willen missen. Zoals het leven in mijn huidige woonplaats. En de gesprekken met deelnemers in de groep voor werkzoekenden. Regelmatig leer ik nog van deze mensen. Omdat zij een ander leven leiden dan ik. Omdat zij ook van alles meemaken, maar daar anders mee omgaan. Of omdat ze andere beroepen en interesses hebben. Zonder die reorganisatie hadden we elkaar waarschijnlijk nooit ontmoet.

Werkloos raken schudt de meest stabiele personen door elkaar. Vooral na een lange carrière. Je hele toekomst wordt onzeker. En vaak moet je voor het eerst in jaren je zelfbeeld herzien. Als daarbij het pantser eenmaal wegvalt, kom je tot de kern. Ik als lotgenoot tenminste wel. Dan kunnen we praten over zaken die er werkelijk toe doen. Ik kan slechts raden hoe zij zich in een werksituatie gedragen. Maar vermoedelijk weet ik na een gesprek al beter wat hen beweegt, dan hun vroegere collega’s na een jaar.

Gesprekken met mensen die anders in het leven staan, vind ik eveneens boeiend. Ze trekken me uit mijn eigen beperkte denkwereld en bieden alternatieve zienswijzen. Daarbij moet ik wel moeite doen om ze goed te begrijpen. Want ik denk toch vanuit mijn eigen referentiekader. Te snel of verkeerde conclusies trekken, is zo gebeurd. Als ik me daarvan bewust ben, blijf ik doorvragen. Hoe, wat, waarom, … en toen? Tot alles helder is. Zij zetten mij vaak aan het denken. En ik hen.

Onvoltooid voltooid verleden

In mijn hoofd is het nog een gesuis en geruis. Net terug van even terug zijn geweest. Trein in, trein uit, tram in, tram uit, Randstedelijke drukte en geluid. Gebaande paden, welbekende short cuts. De eettentjes in Haagse achterafstraatjes, van Istanbul tot Hanoi. Ze zijn mij zo vertrouwd. Stoïcijns gebleven op dezelfde locaties. Terwijl ik ondertussen een totaal ander leven heb opgebouwd. Rust, waar alles rondom doorraast. Pas op de plaats.

Ontmoetingen in gebouwen uit een gedeeld verleden. Ze zijn nooit verdwenen. Wel even uit beeld, maar altijd onderdeel gebleven van een doorlopend verleden. Tot in de toekomst van het heden.

Verhalen. Over een collega met een verloren kind. Een andere baan in Afrika. Om vroeger achter te laten? Tevergeefs misschien. In weinig gebieden wordt je identiteit zo sterk bepaald door je kinderen, als daar. Wat zeg je als ze je vragen hoeveel kinderen je hebt?

Verleden. Onverwachts terug in een gebouw waar ik 9,5 jaar heb gewerkt. De belangrijkste periode uit mijn carrière. Voor het eerst na 8,5 jaar blijft mijn gevoel neutraal. Nog bijna wekelijks krijg ik de vraag wat mijn beroep is. Pas sinds kort kan ik het antwoord in een enkele zin samenvatten.

Het is allemaal zo lang geleden. Wat draag ik nu nog mee dat er toen al was? Heel weinig, vrijwel alles is van daarna. Slechts een wollen sjaal met Noorse sterren was er toen ook al bij. De tastbare rest is achtergelaten, ergens onderweg naar het heden. En de ontastbare rest is verdwenen. Omgezet in kennis en een doorlopende levensles.

Kleding voor binnen het glazen hokje

Zoals elk normaal mens draag ik hooguit 50% van wat er in mijn kledingkast hangt. Bepaalde kledingstukken zitten nu eenmaal lekkerder dan andere. Los van de mindere goden heb ik een verzameling kleding voor het geval dat. Zoals voor het geval ik naar de tropen ga én voor het geval de temperatuur ver onder nul zakt. Plus voor het geval er een feestje is, of voor wanneer ik naar kantoor toe moet. Want dan moet je iets passends dragen. Verder heb ik kleding voor sportieve uitstapjes; pyjama’s en nachtjaponnetjes; een hele rij jassen voor alle weersoorten, en nog wat ongeregeld spul. Daarom is het nogal krap in mijn kledingkast.

Zojuist heb ik een poging gedaan om een beetje ruimte te maken. Het viel weer niet mee. Ik kwam allerlei jasjes tegen, die ik nog nooit heb gedragen. Zonde om weg te doen, nietwaar? En dan die mooie broeken waar ik niet langer in pas. Eigenlijk al vijf jaar niet meer. Daarom liggen ze helemaal onderin de kast. Maar ze staan me aanzienlijk beter dan wat er de afgelopen jaren in de mode was. Vandaar. Als ik die broeken toch wil dragen, moet ik blijven staan om adem te kunnen halen. Lastig hoor, bij zittend werk. En even wat kilootjes afvallen is natuurlijk te veel gevraagd.

Met veel pijn en moeite heb ik drie stapeltjes gemaakt. Een stapeltje compleet verwassen kleding voor de vuilnisbak. In ons kakkineuze dorp mag je namelijk geen lompen in de kledingbak deponeren. Dan nog een stapeltje dat wel in de kledingbak kan voor het goede doel. Het derde stapeltje wil ik via een tweedehandswinkel verpatsen.

Je zou denken dat een paar nieuwe pyjama’s uit een vorig logje aanleiding zijn voor deze opruimactie. Maar nee, de dresscode bij mijn aanstaande werkgever zorgt voor enige twijfel. Gelukkig hoef ik slechts een dag per week op kantoor te komen. Daardoor kan ik eenvoudig verhullen dat mijn best zittende kleren uit C&A-winkels komen. Toen ik nog vast werk had, kocht ik wel vaker in boetieks. Bovendien valt de overgang van de zomer naar de herfst precies in die werkperiode. Dit verkleint de kans dat ik steeds hetzelfde nette vestje ga dragen.

Schoenen vormen wel een dilemma. Ik heb heerlijke zwarte laarsjes. Die kunnen bij vrijwel al mijn broeken. Alleen droeg ik ze zes jaar geleden ook al, toen ik bij dezelfde werkgever rondliep. Degene die mij inhuurt, zal ze zeker herkennen, want zij had ze toen ook. Ander passend schoeisel is voor kantoor toch te bloot of te plat, of kraakt gênant bij het lopen. Ik heb keurige schoenen met een klein hakje voor dames van zekere leeftijd. Eigenlijk val ik zelf binnen die categorie, qua leeftijd dan. Maar gevoelsmatig horen ze helemaal niet bij mij. Zo heb ik nog twee paar ongedragen ‘professionele’ schoenen in de kast staan. Het liefst zou ik comfortabele stadswandelschoenen dragen.

Oh, en dan nog een tas. Onlangs was ik bij een netwerkbijeenkomst voor kleine ondernemers. We deden een oefening. Op basis van elkaars uiterlijk (kleding, schoenen, stijl) vertelden we hoe de ander op ons over kwam. Ik had mijn nette, donkerblauwe rugtas bij me, maar die vond iemand toch te informeel. Maar als ik straks vier uur reistijd heb, wil ik wel graag van alles meenemen voor onderweg. Daarvoor is mijn beschaafdere zwarte leren tas te klein.

Op kantoor zou ik best bedrijfskleding of een uniform willen dragen. Dat zou het leven veel aangenamer maken. Helaas. In Nederland moeten we zo nodig individualistisch zijn en onze identiteit via kleding uitdragen. Blabla. Want ondertussen zitten we nog altijd met die glazen hokjes, vooral op kantoor. We kunnen nog lang niet overal kleding naar eigen keuze aan doen.

Een petitie pro uniform dan maar?

Communiceren met de fotograaf

Op een dag verschijnt er een onbekende man op de wekelijkse bijeenkomst voor en door werkzoekenden. Omdat hij alleen staat in de pauze, knoop ik met hem een praatje aan. Hij komt erg dicht bij me staan en kijkt mij nogal indringend aan. Aandacht. Dat eist hij van mij.  Al direct overschrijdt hij de grens van mijn comfort zone. En daarbij: hij heeft een slechte adem. Ik doe onmerkbaar een stapje achteruit, maar hij volgt mij.

En hij praat, hè. Hij praat. Heel dwingend. Over zijn werk. Hij is fotograaf. Aan een stuk door ratelt hij over de pech die hem achtervolgt. Geen werk, scheiding, huis verkocht. Nu zit hij in de bijstand en is hij veel geld aan huur kwijt. Hij vraagt niet naar mijn verhaal, dat begrijp je vast wel.

Ik weet genoeg en loop hem vervolgens steeds mis. Gelukkig zijn er genoeg anderen bij wie hij zich kan beklagen. Want dat doet hij continu. Als hij geen luisterend oor vindt, doet hij zijn eigen ding en houdt hij zijn mond.

Enige tijd later werpt hij zich op als vrijwillig fotograaf. Daarom brengt hij zijn fotoapparatuur mee. Grote toestellen met telelenzen. ‘P. maakt vandaag foto’s, onder andere voor de website’, wordt er medegedeeld. Mijn haren staan nog net niet overeind. Dit is een bijeenkomst waar mensen zich veilig moeten voelen. Niemand wil ermee te koop lopen dat hij geen werk heeft. Ik weet dat meer dan een persoon hiertegen bezwaar heeft. En wacht af. Maar niemand zegt er iets van, terwijl de gespreksleider al met haar verhaal aanvangt. De fotograaf gaat zijn gang.

Ik maak een mentale aantekening om dit aan te kaarten. Aangezien ik zelf de websitebeheerder ben, zal er geen foto op komen zonder toestemming. In de pauze vertelt de fotograaf aan iemand van de kerngroep hoe hij opereert. ‘Ik werk altijd onopvallend. Eerst maak ik foto’s en eventueel vraag ik daarna pas om  toestemming. Dan heb ik zeker de foto die ik hebben wil.’ En: ‘Ik kan erg goed met mensen omgaan en ik ben heel soepel.’ Iets dergelijks staat ook op zijn website.

vergeetmijnietjeEnkele dagen later ontvang ik een bestand met zijn foto’s. Het gaat om 53 MB aan voornamelijk onbruikbaar materiaal. Slechte belichting, onscherpe stukken, verkeerde compositie, tegenlicht, mensen die er niet flatteus op staan, en ga zo maar door. Als amateur maak ik met mijn mobieltje betere foto’s dan hij. Al zeg ik het zelf.

Maar ja, enkele leden van de kerngroep zijn toch enigszins over de foto’s te spreken en willen ze voor de website hebben. We maken een selectie waarbij een flink deel af valt. De rest gaat nog wel. Ook al had ik voor onze website wat beters gewenst.

En dan begint het gesteggel. Want iemand van de kerngroep mailt hem dat hij zelf mag aangeven hoe zijn naam overal bij zijn foto’s op de website moet worden vermeld. Tuurlijk. Geef een narcist de vrije hand en hij zal je hele website vol kalken. Ik spreek uit ervaring met mensen, websites en geurvlaggen. En ja hoor, dat is precies wat hij wenst. Zijn logo moet pontificaal in de hele rechterhoek van elke foto worden getoond. Als ik hem op andere gedachten probeer te brengen, blijft hij op zijn strepen staan. Want: ‘dit is de beste reclame’. Voor hemzelf, denkt hij. Het is maar hoe je dat bekijkt.

Gabriëlla P. blijft onvindbaar

Je zou denken dat iedereen nu wel op internet staat. Toch is Gabriëlla P., een vroegere collega van mij, onvindbaar. Volgens het CBS hadden in 2015 bijna 1,2 miljoen Nederlanders van 12 jaar of ouder nog nooit internet gebruikt. Van haar kan ik mij dat echter moeilijk voorstellen. Er moet iets anders spelen.

We namen 22 jaar geleden afscheid vanwege een aanstaande fusie. Daarna heb ik Gabriëlla niet meer gezien. Een paar jaar geleden informeerde ik naar haar bij voormalige teamgenoten. Iemand repte over een verhuizing, maar niemand wist precies waar ze uithing. En juist bij haar is alles denkbaar. Gabriëlla is de leukste manager die ik ooit heb gehad én ze bood kansen voor professionele ontwikkeling.

Soms speur ik het internet nog af naar Gabriëlla. LinkedIn biedt echter geen aanknopingspunt, ondanks haar taalstudies. Beheert ze nu soms een Bed & Breakfast in het buitenland? Ik zie het haar zo doen. Vooralsnog blijft het een raadsel waar ze uithangt.

Jubileumboekje

Voor mijn plan zoek ik naar een jubileumboekje van een vroegere werkgever. Ik weet vrij nauwkeurig waar het stond. In mijn vorige huis. Na een speurtocht langs allerlei logische en minder logische plekken slaat de twijfel toe. Het zal toch niet dat … Want ik ken mezelf. Wanneer ik ten prooi val aan opruimwoedes, vliegt alles wat ook maar enigszins overbodig lijkt, onherroepelijk de deur uit.

Meestal is het geen punt om spullen weg te doen. Vaak heb je die toch nooit meer nodig. En anders kan je altijd wat nieuws kopen. Een aantal persoonlijke bezittingen zal elke opruimbui overleven. Die zijn gewoon te belangrijk. Zoals briefjes van collega’s en semi-serieuze interne nieuwsbrieven, die rondgingen wanneer ik weer eens afscheid nam. Bij sommige bedrijven ben ik nog steeds beroemd om mijn Heintje Davids terugkeerbeleid. Daar bléven ze maar afscheidscadeautjes kopen.

Bij het zoeken kom ik van alles tegen. Stripverhalen van een collega debiteurenbewaker die zichzelf zag als Batman. Een interne telefoonlijst; veel gezichten van de mensen daarop ben ik na twintig jaar vergeten. Een briefje van Jack (geen idee meer welke), die schreef: ‘Karin mag boos zijn wanneer en op wie zij maar wil.’ Oh, oh. En foto’s waarop mijn collega’s tijdens een feestje quasi laveloos over het koffiekastje hangen. Het bovenblad ligt vol omgevallen flesjes van een lokale bierbrouwerij. Dat was anders nooit zo, hoor.

Verder kom ik de kostenramingen tegen voor mijn trip naar Australië in 1986. Plus een geplande route voor een wereldreis tussen 1987 en 1989. Erg leuk is ook een kopie van mijn brief aan de ambassade van Australië. Daarmee probeer ik een working holiday visum los te peuteren. Ik besluit met: ‘Trusting to have informed you delightfully.’ Jullie begrijpen zeker wel dat ik die werkvergunning per kerende post ontving.

Bij de parafernalia zit nog een kopie-oprichtingsakte uit 1850 van een wollendekenfabriek in Leiden. Ook vind ik een Handboek E-commerce optimalisatie en cursusmateriaal van de Kamer van Koophandel. Kijk, daar heb je tenminste wat aan. Maar dat jubileumboekje kan ik nergens vinden. Het zal toch niet waar zijn … ?