Gevonden! De Heelsumse beek

Rondom Arnhem weet ik een heleboel mooie stukjes wandelgebied te vinden. Tenminste … als ik bij een bekend startpunt van een route kan beginnen. Ook noem ik zo de namen op van een hele serie bushaltes. Bijvoorbeeld die van lijn 352 tussen Arnhem en Wageningen. Alleen heb ik geen idee hoe je die haltes en routes aan elkaar kan knopen, terwijl ze soms parallel lopen. Ertussen ligt een waar terra incognita.

Maar nu heb ik ontdekt dat er een lijnrecht pad is van halte Kasteelweg naar de Heelsumse beek. Het werd eens tijd. Ik woon hier precies vijf jaar deze week.

Het OV; vaak valt het toch mee

Het is warm en vroeg in de nacht wanneer ik ontwaak. Ik verheug me niet zo op de komende dag. Er staat een reis van oost naar west op het programma, plus een ritje noord – zuid. Normaal gesproken is dat best te doen voor wie van treinen houdt. Maar nu ligt het streekvervoer weer grotendeels plat.

Daarom moet ik eerst de gebruikelijke drie treinen nemen. Dan bij gebrek aan busvervoer in de bloedhitte een uur heen én een uur terug wandelen. Dit alles voor een bezoekje in mijn oude dorp. Daarna met drie andere treinen een omweg maken voor een house warming party twee dorpen verderop. (Normaal is dat een busritje van dertig minuten.) Om tot besluit met vier treinen terug te keren. Het is waardeloos.

Maar vlak voor aankomst krijg ik een briljant idee. In plaats van wandelen, kan ik een OV-fiets nemen! Even lijkt het mis te gaan. Voor een OV-fiets moet je je OV-pas speciaal activeren en dat heb ik niet gedaan. Maar de beheerder is een Hindoestaan en die doet niet moeilijk over regels. Met het pasje als borg krijg ik de fiets zo mee, gratis.

Zo komt het dat ik op een toeristen ros door mijn oude leefgebied fiets. Dat heb ik al lang niet meer gedaan. Daarom neem ik gelijk de recreatieve route. Een poldergebied waar stadsmensen, sporters en honden lekker in het groen rondbanjeren. Het is een onverwacht genoegen.

De volgende omweg met drie treinen blijft weinig aanlokkelijk. Maar ook dat valt uiteindelijk mee, want sommige bussen rijden wel. Bovendien zie ik op het feest iemand terug die ik lang heb gemist. Iemand met wie ik onder allerlei omstandigheden heb gereisd. Hij is veel gewend. Toch leg ik hem maar even uit waarom ik van die lompe wandelschoenen aan heb.

Naar Wageningen op stakingsdag

In onze regio staken de chauffeurs van het openbaar vervoer. Maar op een aantal lijnen rijden ze toch. Zoals busdienst 352 naar Wageningen, waar ik vandaag heen wil. Alleen zullen er minder bussen zijn. ‘We zien wel, denk ik, en wandel naar de halte. Het is een risico.

De bus is ruim op tijd en grotendeels leeg. De heenrit gaat voorspoedig. Na een wandeling met bekenden ben ik weer bij een halte aan de rand van Wageningen. Nu wordt het afwachten. Komt de bus naar Arnhem: ja of nee. Ik zou niet graag het hele eind naar huis willen lopen.

De halte staat naast een drukke weg en er wacht al een jonge metalhead. Onderuitgezakt luistert hij naar muziek op zijn telefoon. Na verloop van tijd wordt hij onrustig; hij moet op tijd in Arnhem zijn. Ook bezorgt deze locatie ons een dubbel gevoel. Want het verkeer raast continu langs ons heen, terwijl wij niet verder komen.

Geen bus te zien op de weg. Op het elektronische informatiebord passeert trouwens wel de ene na de andere bus. ‘Nog 8 minuten’, ‘nog 6 minuten’, ‘nog 3 minuten’, nog 2, ‘bus vertrekt’, weer: ‘nog 2 minuten’, ‘nog 1 minuut’. Vervolgens verschijnt – – en schuift de bus daaronder naar boven. ‘Nog 12 minuten’, enzovoort. Daar zitten we dan.

Ik wil niet als verstekeling in Wageningen achterblijven. Dus wat is wijsheid? Hier wachten of naar het busstation lopen? Daar vertrekt lijn 88 van een andere maatschappij naar het treinstation. Als die bus rijdt, tenminste. Maar o wee als ik naar het busstation wandel en bus 352 mij passeert. En stel dat de volgende pas over drie uur gaat? Hm.

Na een half uur vraag ik aan de metalhead hoe lang hij al wacht. Tien minuten langer. Opnieuw verspringt de aangekondigde tijd van – – naar ‘Nog 12 minuten’ . Het is genoeg geweest. Hij geeft het op en haalt zijn fiets van het slot. Terwijl ik het erop waag en naar het busstation loop. Hopend dat de bus niet uitgerekend nu langs zal komen.

Het wordt een soort honkbalspel. Verderop is namelijk nog een bushalte. Even overweeg ik om er te blijven, maar ik loop toch door. Het is een gok. Daarom hou ik mijn ogen gefixeerd op het tegemoetkomende verkeer. Want als daar iets rozigs bovenuit steekt, moet ik razendsnel terug naar dit honk.

Juist wanneer ik een druk kruispunt heb gepasseerd, doemt alsnog het langverwachte roze op. Nu ben ik al een eindje voorbij de halte. Ik sprint terug, ren links en rechts kijkend door rood, dwars over een grasperk heen, al omziend naar de bus en wapperend met mijn pas, zodat de chauffeur mij niet passeert, voordat ik die laatste halte weer bereik.

Meer sport dan stress; niet slecht op een stakingsdag van het openbaar vervoer.

Op vakantie voor de massa kwam

Als je nu een verre reis maakt, ben je gewoon een van de velen. Kijk maar rond op Schiphol. Overal drukte, lange rijen en gestreste mensen. In dat opzicht was het vroeger beter. In de jaren tachtig landde Qantas hier elke vrijdag. Het was naar Australië wel dertig uur vliegen, inclusief tussenstops. Maar op de luchthaven en in het vliegtuig werd je met alle egards behandeld. Ook als economy passagier. Het toerisme veranderde sterk in de afgelopen eeuw.

Mijn grootouders konden zich geen voorstelling maken van het huidige vliegverkeer. Voor zover ik weet, zagen drie van de vier nooit een ander land. Alleen mijn vaders’ vader fietste als bedevaart vanuit Leiden naar het Duitse Kevelaer. Misschien was dat wel de reis van zijn leven. Verder waren er logeerpartijtjes bij familie. Tot de Tweede Wereldoorlog hadden veel mensen sowieso amper vakantie.

In de jaren vijftig veranderde dat. Een paar ooms droomden van emigratie (maar hun eega’s wilden niet). Met de Nederlandse koopvaardij kwam je als jonge man toch ver. Mensen kregen geleidelijk meer geld. Ze maakten uitstapjes naar de kust en naar de bollenvelden. Of ze boekten een geheel verzorgde busreis. Ik heb een reisbrochure uit 1957 van Eurovisie reisbureau Beuk uit Noordwijk, in een envelop met een postzegel van 2 cent. Geadresseerd aan mijn opa, die het jaar daarop zeventig werd.

Een zesdaags reisje langs de Rijn koste ƒ 85,–. Voor zeven dagen Voralberg en Tirol was je ƒ 165,– kwijt. Wilde je eens een flinke uitspatting maken aan de Franse Rivièra, dan telde je liefst ƒ 346,– neer. Voor dertien dagen, inclusief de busreis heen en weer. Op de zevende dag was er gelegenheid voor kerkbezoek en een wandeling.

Het geheel wordt zeer aanlokkelijk beschreven. ‘In dit reisprogramma zult u beslist een reis naar uw keuze vinden en u zult dus ook zeker een keus naar uw hart kunnen doen. Wij brengen u immers naar en door de Oostenrijkse bergenweelde, Zwitserlands Alpenpracht, Italië’s kleur en fleur, het Zwarte Woud, de Rijnlandse stemming, bekoorlijk Luxemburg, levendig Parijs, de betoverende Rivièra, de Spaanse Costa Brava en zo meer.’ Voor Lourdes, Fatima en Rome had de firma Beuk een speciaal reisaanbod. Volgens de foto’s waren de bestemmingen lieflijke plaatsjes. Moet je nu eens kijken in Lloret de Mar.

Ik troost me met de gedachte dat ik al vroeg naar Australië op vakantie ging. In de jaren tachtig was dat nog redelijk exclusief. Er hing een pittig prijskaartje aan het ticket: ƒ 3.000. Voor mij als beginnend boekhoudstertje was dat drie maanden salaris. In het vliegtuig zaten zakenlui en veel andere passagiers bezochten verwanten. Die hadden ze vaak in geen dertig jaar gezien.

In die mooie jaren kreeg je bij Qantas aan boord een heus gedrukt menu. Neem de etappe Singapore – Melbourne (7 hours) op de route Amsterdam – Sydney:

Dinner. Asparagus Vinagrette. Filet of Beef Provencale. Mille Feuille. Cheese. Coffee or Tea. Continental Breakfast. Tropical Fruit Cocktail. Hot Croissants. Coffee or Tea.’

Ah, vroeger was reizen zoveel beter dan nu.

Over hoge nood en toiletperikelen

Tja, hoe kom je er op? Het is tenslotte eerste kerstdag. We zitten met z’n allen aan een lange tafel. Het is nog ruim voor het kerstdiner. Misschien speelt de aardse omgeving mee: een stil hoekje van het uitgestrekte Drentse platteland. Duitsland ligt op vijf kilometer afstand. Ons gezelschap bestaat onder meer uit twee paarden, vier honden, twee konijnen, tientallen cavia’s, wat kippen in een plantenkas en rivierkreeften in een mortelbak. De meeste beesten lopen overigens buiten. Ineens moet ik denken aan hoge nood en toiletbezoek. Heel logisch.

Vrouwen herkennen dit vast. Je bent buiten, of lang onderweg in de bus of de trein. Of je zit tussen anderen ingeklemd tijdens een concert. En je moet erg nodig naar de wc. Maar dat komt nu even niet uit. Dus hou je het maar op. Als je dan eindelijk naar het toilet toe kan, (in de pauze, of zodra de bus na vier uur rijden stopt bij een wegrestaurant), stort de hele meute zich daar tegelijk op. Waardoor je nog langer voor de gesloten deurtjes moet wachten. En als je éindelijk zelf naar het toilet kan … dan kan je niet meer. Ongeacht wat je doet. Daar zit je dan. Verkrampt, of gewoon te veel afgeleid door alle geluiden om je heen. Soms kan één andere aanwezige al genoeg zijn.

Andere variant. Ik herinner me een bijzonder hoge nood na een strandwandeling. Het was januari 1986. Er stond storm kracht 10 en de temperatuur lag rond het vriespunt. Ik wandelde van Katwijk naar Scheveningen, tegen de wind in. Want daar lag het aangespoelde schip de Rio Grande. Van heinde en verre kwamen mensen naar de zee om dat spectaculaire fenomeen te zien. (Mind you, jaren tachtig, er was nog geen Netflix of internet.) Bij het schip stonden heuse dranghekken in het zand. Veiligheid voor alles. Alleen waren ze vergeten een paar mobiele toiletten neer te zetten.

Kort na het trotseren van de zuidwesterstorm, de zandstraling en de ijzige kou keerde ik huiswaarts. Ondertussen moest ik wel héél erg nodig. Maar bij windkracht 10 en een temperatuur van 0 graden zit je zelfs in een duinpannetje ietwat onrustig. Dus hield ik het maar op. Het was nog een hele tocht naar huis. Eerst kilometers teruglopen, daarna verkleumd wachten op een bus en vervolgens het laatste stuk fietsen.

Tegen de tijd dat ik thuis kwam, waren mijn vingers totaal verstijfd. Ik kon nog net met de grootste moeite mijn huissleutels uit mijn broekzak halen. Echt beetpakken ging niet meer. Mijn vingers wilden namelijk niet meer buigen. De sleutel moest ik tussen beide handen klemmen en dan in het slot draaien. Eenmaal bij het toilet, ontstond het grootste probleem. Want met bevroren vingers krijg je de knoop van een strakke broek niet los en geen gulp open. Moest ik dan maar naar mijn buurman gaan en hem om hulp vragen?

Eigengereide vervoersmaatschappijen

Aanstaande maandag heb ik een belangrijke afspraak in een buitenwijk van Wageningen. Ik reis met openbaar vervoer en moet op tijd zijn. De twee betrokken busmaatschappijen doen echter niet aan afstemming. Wat overstappen betreft, is het busstation van Wageningen daarom net klein Utrecht Centraal. Komende vanuit een dorp langs de N225 mis je al gauw de aansluiting door een krappe marge. Of je haalt de volgende bus nét wel en dan ben je veel te vroeg.

De vervoerders op het busstation in Wageningen zijn Breng, Arriva en Syntus. Ik vermoed dat Breng alles in en vanuit Arnhem afstemt, terwijl Syntus de wijde omtrek vanuit Utrecht benadert. Zit je aan de rafelranden van hun werkgebieden, dan heb je pech. Op het spoor rijdt in de provincie Gelderland nog zo’n verzameling eigenheimers. Namelijk de NS, Arriva en Syntus. Van mij mogen de provincie en steden wel een betere onderlinge afstemming afdwingen.

Arriva is Brits, Syntus is Frans, en de NS is evenals Breng Nederlands. Aan het hoofd van Breng staat iemand uit een oorspronkelijk Duitse familie. Zouden zij nog wel tot overeenstemming kunnen komen?

Buschauffeur met mobieltje

Wanneer de bus bij de halte stopt, is hij een paar minuten te laat. Ik stap in en neem voorin plaats; naast de rij waar de chauffeur zit. De bestuurder is een man van begin twintig. Vermoedelijk van Marokkaanse afkomst. Bij de eerstvolgende halte stapt iemand uit en blijft de bus even staan. Ik vraag mij af waarom en zie dat de chauffeur op zijn mobieltje kijkt. Nou, prima dat hij dit doet wanneer de bus aan de kant staat.

Na een minuut of zo rijden we verder. Maar dat mobieltje pakt hij steeds weer op. Hij legt het binnen zichtveld op het plateautje waar je een kaartje koopt. Bij een rood stoplicht gaat hij druk swipen. Dan springt het licht op groen en rijden we door. Hij pakt het mobieltje weer op en legt het nu recht voor zich op het dashboard. Ik kan berichtjes op het schermpje zien. Regelmatig geeft hij er met zijn ene hand een veeg over, terwijl hij zijn andere hand aan het stuur houdt. Het mobieltje wordt steeds weer ergens anders neergelegd. Dan weer op het plateautje, vervolgens op de kaartjeshouder en dan weer op zijn dashboard.

Ondertussen rijdt hij wel beheerst. Hij hoeft niet met gierende banden te remmen en schampt ook geen stoepranden. Maar toch word ik er een tikkeltje zenuwachtig van. Want ik heb als passagier vaak genoeg doodsangsten uitgestaan. Vooral in oorden waar je lot in handen van God ligt. (Volgens de lokale cultuur dan.) De gevaarlijkste situaties ontstaan als chauffeurs gefrustreerd raken of als er een leuke vrouw in de buurt is. Verder denken hele volksstammen dat keihard rijden een bewijs van mannelijkheid is. Met name in het Midden-Oosten geloven ze daar heilig in. En dan heb je nog de prinsjes, die zichzelf, hun auto en hun rijstijl geweldig vinden.

Regelmatig hoor je over ongelukken veroorzaakt door mensen die spelen met hun mobieltje. Moet ik er nu wat van zeggen of niet? Stel dat ik niets doe en er gebeurt toch wat. Is het dan mede mijn schuld? Lastig is dat je nooit weet hoe zo’n man reageert. Ik overweeg er een foto van te nemen en het aan de busmaatschappij door te geven. Maar dat voelt vals. Wat dan wel? Ook mijn handelingen zijn niet altijd rationeel. Dan krijg ik een ingeving.

Zodra hij opnieuw zijn mobieltje pakt, ga ik dichterbij hem zitten. En spreek hem zachtjes aan. ‘Meneer, zal ik dat mobieltje even bij mij houden?’ Hij legt het direct neer en kijkt mij met een mooie glimlach aan. ‘Ik zat even naar de navigatie te kijken.’, zegt hij. Maar daar heb ik geen boodschap aan. ‘Ik heb hier heel slechte ervaringen mee’, geef ik aan. Waarop hij ‘sorry’ zegt. Hij rijdt kalm verder en zegt tien seconden later nog: ‘Bedankt’. Weer met die mooie glimlach. Ik knik hem toe.

Vier haltes later moet ik eruit. Hij draait zich nogmaals naar mij om: ‘Bedankt, en tot ziens’. Het is welgemeend. En ik zeg hetzelfde. Want in tegenstelling tot die domme troela’s in de stiltecoupé, hebben hij en ik elkaar wel verstaan. Dat kan gewoon, juist ook met een Marokkaan.