Het hart als symbool

Op een zonnige, warme lentedag staat een hart symbool voor de liefde. Zo’n lentedag kan misleidend zijn. Want hoe veel mensen hebben hartzeer, zonder dat we het zien?

Twee dagen geleden stierf de ‘liefste’ buurvrouw in ons straatje. ‘Liefste’ is hier een raar woord. Maar toch. Zij was voor mij van alle buren de meest dierbare persoon. Een stukje uit de tekst op haar kaart:

‘… En zag
Dat ik ook in dit leven hoor
Bij het grote geheel,
Bij de oorsprong van alle natuur
En dat ik elk uur
De rest van dit bewuste leven
Liefde ga zijn en liefde ga geven
Schoonheid ga zoeken
In alle gaten en hoeken …’

Zoals ik haar in korte tijd heb meegemaakt, is dit precies hoe zij in het leven stond.

(Bron citaat: Jochem Myjer.)

Een vorm van vrouwenhaat

Qua kennis en kunde worden vrouwen standaard lager ingeschat dan mannen; zowel door mannen als door vrouwen. Een gevolg hiervan is dat vrouwen zich veel nadrukkelijker moeten bewijzen om serieus genomen te worden. Dat blijkt uit een onderzoek waarnaar eind vorig jaar werd verwezen in een krantenartikel over de positie van Nederlandse vrouwen. Het artikel heb ik niet bewaard. Wel herinner ik mij, dat er elders in die tekst het woord ‘vrouwenhaat’ staat.

Het heeft lang geduurd, maar eindelijk is bij mij het kwartje gevallen. Dat artikel werd een openbaring en het werd een verlate gewaarwording. Want sinds dat artikel besef ik pas, dat het stelselmatig minder serieus nemen van vrouwen feitelijk één van de subtielere gedaanten vormt van vrouwenhaat. Daar moest ik dan bijna 58 jaar oud voor worden.

Vrouwenhaat heb ik altijd geassocieerd met de extremere uitwassen, zoals ik die voornamelijk ‘ken’ uit een aantal ontwikkelingslanden. Het woord riep bij mij ook beelden op van zwaar gefrustreerde blanke Amerikaanse mannen. Bepaalde ultra-conservatieve Trump-stemmers, bijvoorbeeld. Maar vrouwenhaat als fenomeen in Nederland? Daar had ik zelf geen ervaring mee, dus daar kon ik mij minder makkelijk iets bij voorstellen.

Tot dat artikel. Ineens vielen diverse raadselachtige puzzelstukjes op hun plek. En ineens verscheen daar die rode draad tussen de losse voorvallen.

Liefdewerk oud papier

Buren vragen wat er straks gebeurt met de collages, nu de einddatum van de foto-expositie nadert. Een bewoonster informeerde twee weken geleden al naar de lijsten. Ze schildert en noemt zichzelf ‘kunstenaar’. Zelf heeft ze de expositie nog niet bezocht en evenmin daarvoor fotomateriaal ingeleverd. Onze fondsenwerver vindt dat we de hele expositie aan de sponsor moeten overdragen. Als dankbetuiging en donatie. Want, zo meent hij, ‘die stichting heeft financieel de grootste bijdrage geleverd aan de expositie.’

Gisteren bracht hij het voor de tweede keer ter sprake. Deze keer tijdens een bijeenkomst waar leden van de feestcommissie en andere bezoekers bij zaten. Het bezorgde mij nogal een kater.

Want ik beschouw de collages als het gezamenlijke ‘erfgoed’ van de huidige en toekomstige bewoners van onze straat. Daarom moeten ze voor iedereen toegankelijk blijven. Gaan de collages naar de sponsor toe, dan verdwijnt alles uit beeld. Het Gelders Archief is naar mijn mening een veel betere bewaarder.

Bovendien rust er copyright op alle foto’s en collages. Daarom kan niets worden overgedragen zonder voorafgaande toestemming van alle makers of eigenaren. Zeker twintig mensen hebben materiaal aangeleverd, maar veruit de meeste foto’s heb ik zelf genomen of verzameld. De volledige organisatie en samenstelling van de expositie lag bij mij. En dan zou de sponsor de ‘grootste bijdrage’ hebben geleverd? Er zit een zee aan tijd in van mij.

Sommige mannen uit de bestuurderswereld beseffen pas werkelijk wat je vrijwillig hebt bijgedragen, wanneer je je werk voorziet van een prijskaartje. Daarom heb ik onze fondsenwerver een e-mail gestuurd met mijn plan voor de toekomstige bestemming van de expositiematerialen. Ik heb er een rekensommetje in opgenomen van al mijn uren x mijn vroegere zzp-tarief. Dit voor het geval de sponsor ‘eigenaar’ van de expositie wil worden.

De minder zichtbare scheidslijn

Bij de voorbereiding van de expositie stel je je voor hoe het zal lopen na de opening. Je denkt na over de inhoud en de vorm van de presentatie. En je schrijft teksten die van de collages een samenhangend geheel maken. Maandenlang bekijk je foto’s door de ogen van denkbeeldige bezoekers. Je ziet hen voor je. Hoe ze halt houden bij elke collage. Hoe ze daar naar wijzen en zeggen: ‘Goh, kijk, daar staat Marietje.’ Of: ‘Weet je nog …?’

Je verwacht trouwens dat er verschillende belangstellenden zullen verschijnen. Huidige en vroegere buurtbewoners. Evenals mensen van wie hier familie heeft gewoond. Zij zijn benieuwd naar hoe hun straat zal worden getoond. Daarnaast verwacht je andere dorpsbewoners en bezoekers die in geschiedenis geïnteresseerd zijn. En je hebt mensen uitgenodigd van wie je foto’s hebt gekregen, zoals makelaars en archiefmedewerkers.

Je weet dat bepaalde zaken onzichtbaar zullen blijven. De dieper liggende onderlinge relaties en de onbenoemde situaties. Dus kleur je zorgvuldig binnen de lijntjes om overal buiten te blijven.

Je creëert voldoende publiciteit en het resultaat mag er zijn.

Toch blijft het op de eerste dagen rustig. Heel rustig. Geleidelijk aan begin je het onzichtbare te zien. Ouderen durven niet langs te komen uit angst voor corona. En de ‘arbeiders’ uit de oorspronkelijke bevolking moeten de kost verdienen. Zij hebben meer te doen. Diverse buren zijn schuchter of verlegen. Zij komen zelden buiten hun vertrouwde kring. Sommigen van hen moet je persoonlijk uitnodigen, anders komen ze niet.

Maar er speelt nog iets. Vandaag sprak ik iemand van de sportclub, die hier geboren en getogen is. Zij woont aan de overzijde van de weg die het dorp door midden snijdt. Zij woont in het welvarende deel.

De weg is een N-zoveel, met zebrapaden en stoplichten. Je kan er makkelijk oversteken. Alleen niet als je bent opgegroeid in het welvarende deel. Want dan blijft de overzijde een gebied waar je niets te zoeken hebt. Te rauw. Althans, dat is nog steeds het heersende idee.

‘Wat is er eigenlijk zo bijzonder aan jullie straat?’, vroeg zij aan mij. Nou, precies dit: ‘Dat er van oudsher arbeiders wonen en die komen hier nooit in beeld.’

Gered door de scanner

Vandaag ben ik de hele dag zoet geweest met het digitaliseren van foto’s. Zes foto’s, welgeteld. In de feestcommissie heb ik namelijk geroepen dat ik heel goed ben in het fotograferen van oude foto’s. Eigenlijk wil ik die klus gewoon aan niemand anders toevertrouwen. Tenslotte ben ik de contactpersoon voor de expositieruimte. Dan wil je natuurlijk wel dat je straat er een beetje knap op staat.

De eerste bijdrage bestaat uit zes foto’s van begin jaren negentig. In die tijd werden hele rijen huizen gerenoveerd en dat is een belangrijke gebeurtenis in onze straatgeschiedenis. Daarom is het mooi dat er scherpe foto’s van zijn. Maar wanneer ik er zelf mee aan de slag ga, valt het scherpstellen nogal tegen. Na honderd pogingen, met twee verschillende toestellen, ben ik nog steeds ontevreden.

Kan ik nou werkelijk geen fatsoenlijke, scherpe foto’s meer maken? Moet ik dan echt met hangende pootjes naar de feestcommissie gaan, en vertellen dat het mij niet lukt? Juist dan komt er een verlossend e-mailtje binnen. ‘Je scant ze, neem ik aan?’, schrijft iemand van de commissie.

Oh ja … scannen … da’s waar ook … Er staat al vijf jaar een printer met scan-functie in mijn werkkamer. Nooit gebruikt, die scan-functie, want ik weet niet waar het juiste knopje zit. Er is wel een handleiding van 261 pagina’s, alleen staat die ergens op internet. Dat wordt mij dus te ingewikkeld. Geen zin in. Ik wil per sé een handleiding op papier.

Gelukkig komt er hulp uit onverwachte hoek. Want ik sluit toch maar het kabeltje aan, waarna de printer tegen mijn computer zegt dat die de printer moet toelaten. Dus ga ik naar Windows-instellingen, dan naar apparaten, dan naar printers en scanners, waar staat dat mijn printer offline is, wat niet waar is, maar ergens zie ik ook een knopje ‘Scan maken’. En dat is precies wat ik zoek.

Zelfredzaamheid versus hulp accepteren

Door die bloedneus denk ik ineens terug aan de laatste dagen van mijn vader. Toen hij al in het ziekenhuis lag en heel zwak was, maar nog geen delier had. In zo’n situatie wordt je leven zo ongeveer door anderen overgenomen. Oh, iedereen praat nog wel met je. En ze vragen je wat je wilt. Alleen ben je te slap, te moe, te duf, of te veel van slag om alert te reageren. Toch moet dat wel, want de wereld blijft in het gangbare hectische tempo doordraaien. Ook in een ziekenhuis. Ook al zeggen ze dat je de tijd mag nemen. Alles moet doorgaan. Eigenlijk wil je alleen maar zo snel mogelijk naar huis terugkeren.

Na die bloedneus. In de behandelkamer van de huisartsenpost duurt het even voordat de duizeligheid over gaat. Ik wil wel opstaan, maar kan beter wat langer blijven zitten. Na een paar pogingen informeert de assistente of er iemand is die mij zou kunnen komen ophalen. Zoals ik daar zit, wil ze mij niet laten gaan. (Staat vast in het protocol: patiënt niet laten gaan indien: optie 1, 2, of 3.) Nu voel ik mij wel verplicht om iemand te noemen. Dus zeg ik: ‘De buurvrouw.’ Terwijl ik dat eigenlijk niet van plan ben.

Op de heenweg ben ik lopend en alleen naar de huisartsenpost gekomen. Dan kan ik ook wel weer zelf naar huis teruggaan. Gewoon stapje voor stapje, kalm aan. In vergelijkbare situaties heb ik dit al vaker gedaan. Soms is er namelijk geen andere mogelijkheid. Bijvoorbeeld wanneer je door voedselvergiftiging geveld bent en toch het vliegtuig in moet. Bovendien ben ik graag zelfredzaam. Als het even kan, vraag ik niet om hulp.

Zelfredzaamheid hangt nauw samen met onafhankelijkheid. En onafhankelijkheid vind ik uitermate belangrijk. Maar om hulp kunnen vragen is evengoed een vorm van zelfredzaamheid. Ergens ligt het omslagpunt tussen zelfredzaam zijn en eigenwijsheid.

Alles heeft echter zijn prijs. Altruïsme of behulpzaamheid is vaak een vorm van eigenbelang. Bewust of onbewust zoeken we daarbij steeds naar een balans. Dit in de trant van: ‘Doe ik wat voor jou, dan doe jij een volgende keer wat voor mij.’ En mijn buurvrouw? Haar maak ik maar wat blij met een hulpvraag van mij.

Contactadvertentie tussen de gevonden voorwerpen

In de dagelijkse feed van onze buurtapp verschijnt een enigszins ongebruikelijk bericht. Meestal staan hier gevonden voorwerpen en spullen te koop of gratis af te halen. Plus oproepjes voor klussers of gezamenlijke maaltijden en aankondigingen van culturele evenementen. Deze keer gaat het om een contactadvertentie. Een man met foto, (‘Ik ben een mooie jongen’), zoekt 50+ vrouwen voor een seksuele relatie. ‘Reacties graag via privé-bericht.’

Dat laatste is jammer, want ik ben nieuwsgierig. Naar hoe hierop wordt gereageerd, bedoel ik. Zal zijn contactadvertentie wel goed vallen? Zijn adres duidt op iemand met een ernstige lichamelijke of meervoudige handicap. De contactadvertentie is zichtbaar in zeventien buurten, maar vooralsnog blijft het ogenschijnlijk stil. Is dan niemand geïnteresseerd? Of houden mijn buren de adem in? Een dag later staan er achttien reacties onder zijn bericht.

Een kleine analyse. De eersten die reageren zijn zonder uitzondering boze mannen. ‘Het lijkt me duidelijk dat … niet voor sex advertentie,s is. Haal je oproep aub weg. Op de site van novamora kan je terecht voor je sexoproep.’ Goh, Novamora. Zo lees je nog eens wat, meneer De Moraalridder.

De man van de contactadvertentie reageert beheerst en de boze meneer gaat aan de organisatie van de buurtapp vragen of de oproep kan worden gewist. ‘Ik heb hier geen behoefde aan. Ook kinderen kijken hier naar de oproepen of advertentie ,s.’ Dat de boze meneer hier geen behoefde aan heeft, is duidelijk. Hij heeft trouwens wel een serieus probleem met spelling en interpunctie. Dit in tegenstelling tot de adverteerder. Die is zelfs bereid om zijn advertentie te controleren op aanstootgevende bewoordingen.

Na deze schriftelijke schermutseling tussen heren onderling, stromen de reacties van dames binnen. Aanvankelijk zijn die wisselend van aard. Totdat een vrouw (50-) onder andere dit schrijft: ‘waarom mag een mens wel vragen om iemand die hem/haar helpt met klussen of tuinwerkzaamheden en niet voor lichamelijk contact…? Is ook een legitieme en wezenlijke menselijke behoefte hoor, kom op mensen het is bijna 2020… ;).’ Zij krijgt wel twintig digitale bossen bloemen, hartjes en andere bedankjes.

Een paar uur geleden schreef een vrouw (die te jong is voor de doelgroep) nog dit: ‘Hi N. Dapper van je dat je zo eerlijk bent. Ik hoop dat je zoekt wat je wilt. Het is in nette woorden beschreven. Jammer dat mensen er stom, grappig of negatief op reageren.’ Hier ben ik het helemaal mee eens. Opvallend is dat zij ‘Ik hoop dat je zoekt wat je wilt.’ heeft geschreven. Dat vraag ik mij namelijk eveneens af.