Kleine meevallers geven een rijk gevoel

Geld maakt niet gelukkig; geluk schuilt in kleine dingen. Dat zeggen ze tenminste. Toch droom ik al jaren van een klapper in de Staatsloterij, want geld maakt het leven wel degelijk aangenaam. Deze week had ik enkele meevallers. Het begon op maandag. Die dag had ik een vroege afspraak bij de huisarts.

De wekker gaat en het eerste wat ik doe, is hem met een onhandige zwaai kapot gooien. Fijn. Goed begin. Hij is al vaker uit elkaar gevallen en tot nu toe kon ik hem steeds maken. Deze keer ziet het er ernstiger uit. De digitale cijfers verschijnen slechts half in beeld. Maar zodra ik de batterij eruit haal en terug stop, werkt hij weer. Echt, deze wekker is onverwoestbaar.

Die afspraak bij de huisarts zit mij trouwens dwars. Ze is nogal streng en kordaat, terwijl ik een vaag pijntje heb. Ik had hiervoor al eens eerder een afspraak gemaakt, toen het pijntje verdween. Nadat ik had afgezegd, kwam het pijntje prompt weer terug. Dus maakte ik een nieuwe afspraak. Maar nu is dat vage pijntje opnieuw weg!

Ik moet wat verzinnen. Je kan toch moeilijk ’s morgens om 08.00 uur een afspraak voor 08.20 uur afbellen. Gelukkig heb ik altijd reservekwaaltjes. Ongemakjes die de huisarts vast als aanstellerij beschouwt. Zo’n reservekwaaltje komt nu goed van pas. Ze gaat er nog wat aan doen ook. Kijk, dan voel ik opluchting.

Een ander soort verlichting ervaar ik wanneer ik overtollige spullen wegdoe. Zo bewaar ik al jaren een oud toiletkastje. Deze woning had al een compleet ingerichte badkamer, dus staat het oude kastje in de schuur. Ik wil het kwijt. Maar zonder auto kan ik het moeilijk naar het afvalstation brengen. Zojuist verscheen er een vrachtwagen in de straat om bouwafval op te halen. Ik er naar toe en nu ben ik eindelijk van dat oude kastje af.

Regelmatig voel ik me rijker worden wanneer ik spullen weg kan doen. Waarschijnlijk komt dat door de wetenschap dat er genoeg over blijft.

De les van een verloren gouden armband

Een paar weken geleden verloor ik mijn gouden schakelarmband. Dat was gouden armband nummer twee. Ik ontdekte het pas toen ik na een wandeling bij de voordeur stond. Ineens voelde mijn pols ‘kaal’ aan. Voor de zekerheid waren er al eerder vier schakels tussenuit gehaald, omdat hij anders zo van mijn hand af kon rollen. Deze armband kocht ik in 1998, kort nadat ik die eerste had verloren.

Vreemd genoeg mis ik vooral de aanwezigheid van mijn armband. Het vertrouwde gevoel van het gladde metaal op mijn huid. Bij elke beweging rolden de schakeltjes omhoog of omlaag langs mijn pols. De afgelopen twintig jaar droeg ik hem continu bij me. Alleen tijdens een half jaar in Kenia liet ik mijn gouden sieraden thuis.

Toch was er steeds het risico van verlies. Wanneer ik mijn rugtas afdeed, trok ik die armband soms tegelijk met het hengsel van mijn arm. En met handschoenen afdoen moest ik ook opletten. Een enkele keer rolde hij dan mee van mijn pols.

Na de ontdekking heb ik direct op de fiets nog eens het wandeltraject afgelegd. Maar de route lag bezaaid met opdwarrelende blaadjes en het werd vroeg donker. Nu is ook deze gouden armband verdwenen.

De pijn zit niet in de financiële waarde. Al is het een verlies, want ik heb in goud een oeroud vertrouwen. Wanneer alles instort, zijn die gouden sieraden er tenminste nog. Daarvan weet je dat ze onder alle omstandigheden een zekere waarde behouden. Je kan ze makkelijk meenemen en verkopen. Goud is ideaal bij noodtoestanden.

Het verlies van deze armband hoort wel bij een natuurlijke gang van zaken. Want vanaf onze geboorte zijn we bezig met opbouwen en vergaren. Vervolgens pieken we tijdens onze middelbare jaren. En daarna gaat het allemaal weer bergafwaarts. Denk aan de trap des ouderdoms. Alleen wij ijdele 21ste eeuwers willen de achterliggende filosofie niet accepteren. ‘Des menschen op- en nedergangh, valt d’ene soet en d’ander bangh.’ Dat is alles.

Je spullen beïnvloeden je humeur

Waarvan wordt je blijer: spullen kopen of spullen wegdoen? Onlangs haalde iemand tien loodzware grindtegels bij mij op. Daarna voelde ik me letterlijk lichter. Een kledingkast opruimen werkt net zo. In de afgelopen winter kon mijn garderobe er nog mee door. Maar nu moet het oude spul weg en wil ik wat nieuws. Bezittingen waarop je bent uitgekeken, zullen gaan irriteren. En een huis vol overtollige huisraad werkt deprimerend.

Het is frappant hoe meubels en frutsels plotseling uit de gratie kunnen raken. Jarenlang zijn ze onderdeel van het interieur en ben je er tevreden mee. Totdat je ze eens goed bekijkt. Bijvoorbeeld als je bezoek krijgt. Dan pas valt op hoezeer de bekleding van je zithoek is verkleurd. En de vaas die eerst zo leuk was, vind je nu ineens oubollig.

De staat van alles om je heen werkt psychisch op je door. Een wijk vol steen en zonder groen geeft je een armoedig en minder veilig gevoel. Puilt je kast uit met aftandse troep, dan heb je wellicht ook zelf betere tijden gekend. En in een lubberende trui voel je je al gauw slonzig. Ik tenminste wel. Vooral wanneer iemand onverwacht aanbelt.

Doe lelijke of kapotte bezittingen weg. (Of gun ze een tweede leven met een lik verf.) Je zal zien dat de overblijvende spullen daarna beter tot hun recht komen. En extra ruimte is altijd handig. Tenzij lege plekken storend worden, natuurlijk. Die kan je dan weer mooi opvullen.

Het ‘misschien is het wel wat waard’- syndroom

Ineens zie ik overal gedateerde frutsels om mij heen. Na de verhuizing kregen ze een plekje en nu staan ze maar te staan. Een plantenpot met een barst. Een melkkannetje uit de jaren negentig, gekocht met Douwe Egberts punten. Souvenirs van ruim dertig jaar geleden. Overal kleven verhalen aan, maar de gevoelsmatige band is verdwenen. Daardoor zie ik alles voor wat het werkelijk is: ballast. Dus weg ermee. Hoewel dat makkelijker is gezegd dan gedaan. Want ik ben erfelijk belast met het ‘misschien is het wel wat waard’- syndroom.

Mijn moeder ziet overal waarde in, zelfs wanneer anderen dat niet zien. Maar wil je iets verzilveren, dan moet je eerst de spreekwoordelijke gek vinden die er geld voor over heeft. Zo bewaar ik al sinds mijn kindertijd piepkleine flesjes, stenen beeldjes en houtsnijwerkjes. Ze passen in een letterbak en waren vroeger razend populair. Er zit een parfumflesje bij uit de jaren veertig of vijftig. Het dopje ontbreekt. Toch is dat glazen flesje vintage. Zal ik ermee op Marktplaats gaan leuren of niet?

Verder weet je nooit of iets nog van pas kan komen. En weg is weg. Ik kan veel spullen tamelijk rückzichtslos weggooien. Maar er zijn altijd uitzonderingen. Zo bewaar ik een set ‘Officially used playing cards from hotel Sahara, Las Vegas’ van een vakantie uit 1984. Ook heb ik een kaartspel van Hooghoudt Kalmoes Beerenburger. (Denk nu niet meteen dat ik een drankverslaafde gokker ben.) Stel dat de stroom uitvalt en de batterij van mijn laptop leeg raakt en dat ik van verveling niet meer weet wat ik moet doen. Dan komen die setjes best van pas.

Bij boeken is er weinig twijfel over de waarde. Je ziet op internet de actuele vraagprijs staan. Boeken zijn makkelijk te verhandelen. WYSIWYG, dus is er geen gedoe over maten, zoals bij kleding. En in een luchtkussenenvelop kan je een boek eenvoudig verzenden. Boeken van geringe waarde doe ik naar de kringloop of bij het oud papier.

Die boeken brengen mij toch op een belangrijk punt, want papier is als brandstof van waarde. Een flinke stapel is zeer nuttig tijdens een noodtoestand. (En God weet wat Trump en Poetin nog verzinnen.) Ik herinner me een nieuwsbericht uit de jaren negentig. Dat ging over inwoners of Georgië of Armenië tijdens een energieschaarste. Zij stopten de verzamelde werken van beroemde Russische schrijvers in de open haard en bleven daar lekker warm bij. Hele encyclopedieën gingen er in. Zal ik de afgedankte boeken dan toch maar in de kelder opstapelen, samen met het oud papier?

Misschien komt mijn onrust door alle berichten over de groeiende kans op een volgende recessie. Banken handelen als vanouds onverantwoord. Draghi heeft enorme bedragen in de EU gepompt en de huizenmarkt is een luchtballon. Straks knalt de boel weer. En dan? Wat als de waarde van de euro daalt? Wat blijft er dan over van mijn spaargeld? Kijk naar wat er in Latijns Amerika gebeurt. Daar komt de BTW-verhoging nog eens bij. Volgend jaar wordt alles weer duurder.

Een van mijn ‘assets’ is dus wel die kelder. Zal ik hem ook alvast volstouwen met toiletartikelen en lang houdbaar voedsel? Zelfs wanneer al die goederen niet nodig zijn, kan ik nog een ruilhandeltje beginnen.

Kijk, dit komt er nou van als ze steeds maar met die vliegtuigen uit WO II boven mijn hoofd blijven vliegen.

Heb jij veel oude ballast in huis?

Brokstukken van een tijdperk

Toen die ekster mijn mooie Franz porseleinen lepeltje in tweeën brak, kon ik de brokstukjes niet weggooien. Misschien waren ze nog te lijmen. Zo lagen ze een paar maanden los te wachten op de vensterbank. Na het stoffen legde ik ze telkens weer tegen elkaar. Maar de breuk zit precies op het smalste deel. Zelfs met secondelijm zal alles bij het eerste stootje weer uit elkaar vallen. Bovendien wil ik mij niet omringen met spullen die kapot zijn. Want bij ons brengen scherven geluk, maar in andere culturen trekken kapotte spullen juist ongeluk aan.

Het lepeltje hoort bij een tijdperk. Uit elk tijdperk bewaar ik tastbare herinneringen. Dierbare bezittingen die elke opruimsessie hebben doorstaan. Daarom alleen al zijn ze bijzonder, want ik geloof sterk in traveling light. Ook in het alledaagse bestaan.

Na woelige perioden verkeer ik al een tijdje in kalmer vaarwater. Het is zo’n periode waarin je een tussenbalans opmaakt. Er komt nu weinig nieuws bij, tastbaar en mentaal. Onderwijl tikt de tijd verder, continu. Die aandenkens worden even snel als ik ouder. We verkeren in een statische toestand. Dit is zo’n moment waarop je om je heen kijkt en denkt: ‘ga ik hiermee oud worden, of gaat er nog een keer de bezem door?’

De helft van het lepeltje heeft in de tuin een tweede leven gekregen. Dat is het risico als je verkast naar een groter perceel. Dan heb je nog meer ruimte om de brokstukken te bewaren. Voor de zekerheid doe ik dat buiten. Stel dat ze worden overwoekerd en vergeten. Laat een volgende bewoner dan maar raden wat die scherven daar doen.

Een schoteltje van de rommelmarkt

Zaterdag. Wanneer we tegen het eind van de middag Maartensdijk binnen lopen, wordt daar net een rommelmarkt opgebroken. Het is op een pleintje bij een buurtgebouw of school. Mij ontgaat dat. Ik wordt afgeleid door het delicate geluid van brekend glas. Het komt van bij de eerste kraam aan linkerzijde. De planken kreunen onder stapels serviesgoed uit diverse perioden. Er loopt een grote, verveelde man bij. Zonder blikken of blozen gooit hij achteloos handen vol van het spul in een blauwe container. Die is kennelijk met voorbedachten rade bij de servieskraam opgesteld.

Met elke worp hoor je drinkglazen en borden en schalen en koppen en schotels breken. Het heeft wel wat, dat geluid. Vooral voor wie tweedehands aardewerk toch maar als ouwe zooi beschouwt. Snel scan ik de opgetaste waar en zie dan een glazen schoteltje met handgeschilderd bloemmotief. De stijl herken ik. Mijn moeder heeft een groter exemplaar in gebruik als fruitschaal. Waarschijnlijk was dat een van haar vondsten op een andere rommelmarkt elders in het land. Al kan haar schaal evengoed een familiestuk zijn. Dat zal ik navragen, want verder heb ik nergens zoiets gezien.

De markt is gesloten.’, bast de man wanneer ik het schoteltje pak. Ik vraag hem of ik het mag redden van de ondergang. De man is alles behalve enthousiast. Waarschijnlijk heeft hij een lange dag achter de rug. Vroeg opgestaan, gevolgd door gezeul met al die rotzooi. Dan het opbouwen van de kraam. En daarna de godganse dag mensen voor je neus die zeuren of het ook voor minder weg kan. Terwijl alles al bijna gratis is en de opbrengst voor een goed doel bestemd is. Ik weet ervan.

’50 cent’, is zijn antwoord. Wanneer ik een euro geef, bromt hij dat hij geen wisselgeld heeft. Het zal wel, laat die 50 cent maar zitten. Mijn wandel-genoten spreken daar schande van. Maar ik heb het schoteltje gered van de ondergang.

Eigenlijk is het nogal een oude dametjes ding. Normaal gesproken zou ik het nooit kopen. Soms ben ik echt bang dat ik toch op mijn moeder lijk.

Zondag. Omroep Gelderland houdt een sessie Schatgraven bij Musis in Arnhem. Net als bij Kunst en Kitsch kan je daar spullen laten taxeren. Twintig jaar geleden kreeg ik als afscheidscadeau een oud parfumflesje uit China. Mijn werkgever bracht het mee van zijn zakenreis naar Hong Kong of Singapore. ‘Het is echt oud, volgens de verkoper.’, vertelde hij na een bezoek aan een winkel vol snuisterijen. Ik weet het niet. Zulke mannen laten zich in dergelijke situaties van alles in handen duwen. Voor mijn werkgever in de offshore-industrie waren antieke damesflesjes geen bekend terrein.

Dus wil ik eindelijk weten of het flesje antiek is. Ook neem ik een foto van het schoteltje mee. Het kan gewoon een toeristen ding zijn, uit de jaren vijftig of zo. Wellicht gemaakt in Duitsland of de Balkan, of in Portugal. Op internet is het onvindbaar, welk trefwoord ik ook intyp.

Nu weet ik hoe het zit met dat Chinese flesje. Maar het glazen schoteltje herkende de taxateur niet. Het leven zit vol raadsels.

Het bijzondere van een fotoblog

Het lijkt zo gewoon. Je pakt je smartphone en loopt ermee naar de tuin. Je maakt een paar foto’s van mooie blaadjes en zet die op je blog. Even wat woorden toevoegen en hup, publiceren maar. Vergeleken hiermee is een blad volschrijven met een weldoordachte tekst soms een heel gezwoeg.

Zowel in woord als beeld proberen we iets vast te leggen wat vluchtig is. Een zeldzame vogel, een moment in tijd, een ervaring, een dierbare zoals hij of zij nu is. We willen het vangen, vasthouden en meedragen of veilig bewaren. We willen het bezitten.

Een lens legt soms taferelen vast die er  ogenschijnlijk niet zijn. Zoals de speling van het licht, wat een menselijk oog slechts beperkt ziet. Ook het niet tastbare verandert door fotografie in een bestaande entiteit, digitaal of op papier. Waarna het ‘is’.