Zo logisch als een kronkeling

weg met onbekende bestemming

Er zit een vast element in de verhalen van The Lord of the Rings, Harry Potter en The Life of Pi. Groot of klein, elk wezen speelt een rol die bijdraagt aan het uiteindelijke doel van de hoofdpersoon. Veel ontmoetingen en handelingen lijken bijzaak. Ook worden er enorme omzwervingen gemaakt. Maar tegen het eind wordt de ware betekenis daarvan duidelijk. Je zou denken dat wij in ons leven wel wat efficiënter bezig zijn. Dit is een illusie.

Vanmorgen heb ik na een lange omweg iets geregeld wat ik al in maart 2018  probleemloos had kunnen doen. En had ik dat toen maar gedaan. Dan had ik mezelf veel gedoe en kopzorgen bespaard. Maar achteraf is het altijd makkelijk praten. Want op het beslissingsmoment zelf maak je met de beschikbare informatie de beste keuze. Meen je.

Waren we helderziend, dan zouden we veel levenservaring en zelf geleerde wijze lessen ontberen. Ik twijfel wat beter is. En ik vraag mij af wat nu eigenlijk de bedoeling is. Tenslotte zijn wij ook weer een schakeltje in een oneindige keten.

Een vorm van beknibbelen

Als ik ergens geen zin in heb, kan ik prima smoezen bedenken waarom iets niet hoeft. Geld besparen is hierbij een perfect excuus. Voor vandaag stond er een lezing gepland bij een gerenommeerd instituut in Amsterdam. Bij aanmelding leek het onderwerp mij echt interessant. Er liggen al NS-dagkaartjes klaar à € 14,50. De reis is dus goedkoop en vooruitbetaald. Daarnaast is Amsterdam af en toe best een bezoek waard.

De dag van de lezing breekt aan en dan begint het. ‘Eigenlijk kan ik net zo goed op internet lezen over dit onderwerp. Dan hoef ik niet helemaal naar Amsterdam. Scheelt ook financieel, want dat NS-kaartje is vanwege de reistijd doordeweeks toch onhandig. Met een OV-kaart ben ik alsnog € 25 kwijt. En dat instituut zit in het Red Light District. Dat is geen buurt waar ik graag rondloop te midden van ranzige wietwalmen en het achenebbisj volk dat er op afkomt.’ 

Uiteindelijk valt het besluit en blijf ik thuis. Maar dan begint de ellende pas echt. Want weinig ondernemen bezorgt mij zo’n ontevreden gevoel. Dus ga ik compenseren. Eerst het hele huis schoonmaken. Dat geeft tenminste voldoening. Daarna afspraken maken. Want het is altijd fijn wanneer er weer wat zaken geregeld zijn.

Dus: CV-ketel onderhoud à € 65: check. (Hoeft eigenlijk niet, maar doe maar voor de zekerheid.) En dat college à € 15 volgende week in Arnhem: check. (Hier komen nog wel consumpties en reisgeld bij.)

Om nu te zeggen dat ik zo geld heb bespaard …

Een heel weekend lang kiespijn

Heb je Tom Hanks in de film Cast Away bezig gezien met zijn rotte kies? Dan weet je dat je niet moet doorlopen met kiespijn. Maar net zoals hij, geef ik daar geen prioriteit aan wanneer ik een zeurende pijn voel. De pijn verdwijnt af en toe weer, dus misschien valt het mee. Tot donderdagavond lukt het om mezelf dit wijs te maken. Dan bijt ik in een stuk chocola. Een scherpe pijnscheut trekt – letterlijk – door het merg en been van een kies en mijn kaak heen. Na flink spoelen gaat het een beetje beter.

Ik wil geen kiespijn. Het komt nu niet goed uit. De klusser is net weer begonnen en ik wil dat hij door kan gaan. Daarom geef ik er geen prioriteit aan, hoewel het weekend voor de deur staat. Maar als het misgaat, verrek ik straks het hele weekend lang van de pijn. Toch laat ik het er bij. Even voor alle duidelijkheid: ik ben niet de enige die zulke stomme beslissingen neemt. Tom Hanks deed dat ook.

Het betreft de achterste kies linksonder. Daarop zit een kroon. Vier maanden geleden werd de verstandskies ernaast getrokken. Dat was nogal een drama, dus alle mogelijke oorzaken spoken door mijn hoofd: kaakontsteking, wortelinfectie, rotte kies, zenuwpijn, beschadigd tandvlees, een breuk, etc.

In het weekend slik ik meer pijnstillers dan ooit. Vooral ’s nachts. Ik val al moeilijk in slaap en word steeds wakker van de pijn. De paracetamol in mijn toiletkastje smaakt naar vergif. Daarvan verliep de uiterste houdbaarheids-datum in mei 2016. Een doosje ibuprofen is wel tot september 2020 bruikbaar, maar dat ligt er onaangetast bij. Bang als ik ben voor de waslijst aan ernstige bijwerkingen. Toch moet ik eraan geloven.

Op zaterdag vertelt een wandelgenootje dat je van ibuprofen maagkanker kan krijgen. Zij heeft net zo’n vermogen aan tandartsrekeningen uitgegeven als ik. ‘Ik heb een hele auto in mijn mond’, is hoe zij het verwoordt. Daar krijg ik een wat vreemde gedachte bij. Zelf meet ik dit soort dingen af aan prijzen voor reisbestemmingen. Zes weken Australië, bijvoorbeeld. Of: genoeg om een half jaar van te leven. Dat komt aardig in de buurt van mijn realiteit.

Op zondag spreek ik de buurvrouw over de herdenking van Operatie Market Garden, die op een steenworp afstand plaatsvindt. Thuis kunnen we de muziek horen. We praten over de mannen, vaak jongens nog, die hun leven hebben gegeven voor onze vrijheid. En we beseffen hoe goed we het hier nu hebben; dat we onszelf gelukkig mogen prijzen. Dus: ‘Dank u, God, voor deze kiespijn, want daardoor voel ik dat ik tenminste leef.’

Op maandag bel ik om 08:01 uur de tandarts. Tegen die tijd straalt de pijn uit van halverwege mijn onderkaak naar mijn oor tot bij mijn oog. Waarschijnlijk ben ik de eerste klant aan de lijn. De assistente hoort mij aan, voert overleg en spreekt dan de verlossende formule uit. Om 11:15 uur mag ik komen.

Bij de tandarts. Ze kijkt eens goed naar mijn beet, voelt het scharnieren van mijn kaak, en trekt dan haar conclusie: een overbelaste kies. Wie verzint er nou zoiets?

Over een overlijdensbericht

Terwijl ik een logje schrijf, verschijnt er een overlijdensbericht. Het komt van de organisatie waarmee ik vaak op pad ga. Een van de vrijwillige organisatoren van wandeltochten is overleden. Zijn naam klinkt mij bekend, al was de laatste van drie wandelingen met hem vier jaar geleden. Ik had toen geen idee wat er speelde.

Had ik echt geen idee? Was er niets over bekend? Of heb ik signalen en opmerkingen gemist, die een hint hadden kunnen geven?

Hoe goed ken je iemand waarmee je toevallig een dagje samen oploopt? Vaak praat je onderweg wat langer met een of twee mensen in de groep. Soms gaan die gesprekken regelrecht de diepte in, omdat je belangrijke raakvlakken deelt. Met deze man heb ik geen persoonlijke gesprekken gevoerd, denk ik. Maar helemaal zeker weet ik dat niet meer.

We hebben wel over zijn hondje gesproken. Of liever: het hondje van een oude dame dat hij die dag uit wandelen meenam. Vrijwillig, omdat zij er vanwege haar gezondheid niet meer toe kwam. Voor dat hondje was het een groot feest. Ik schreef zelfs een logje over dat beestje, waar de nu overleden man ook terloops in voor kwam. Vorig jaar heb ik dat van Raam Open gehaald. Nu is het net alsof het nooit heeft bestaan.

Bij een andere groepswandeling kwamen we hem in een heideveld tegen. Meerdere mensen uit onze groep kenden hem. We zeiden gedag tegen hem, en achteraf tegen elkaar: ‘Dat is E. Da’s een sympathieke man. En heb je S. weleens gezien? Het hondje dat hij steeds meebrengt.’ Ja, S. kenden we ook allemaal.

Hij was vier jaar ouder dan ik en geboren in Perth, Australië. Ik herinner mij niet dat die stad ter sprake kwam op onze wandelingen. Terwijl Perth wat mij betreft wel een raakvlak was. Misschien was ik tijdens de derde wandeling met mijn gedachten te veel bij mijn nieuwe woonplaats to be. Want hier, op nog geen 500 meter van mijn huidige woning, begon onze laatste gezamenlijke wandeltocht. Het was twee maanden voor de verhuizing. Wist ik veel wat er toen al bij hem speelde.

Kon ik het weten? Viel er niets aan de blik in zijn ogen af te lezen?

Ze zullen niet oud worden

Aan het begin van de film over de Engelse soldaten in de Eerste Wereldoorlog zie je dat ze zich vrijwillig aanmelden. Peter Jackson vertelt hun verhaal in They shall not grow old chronologisch. Er komen jongens aan het woord van nog geen zestien jaar oud. Het is 1914. Wat weten ze van de wereld? Maar ze willen er bij zijn en het avontuur aangaan. Ze willen goed doen voor volk en vaderland.

Er is nog een reden. De gebitten van veel jongens en jonge mannen verraden de armoede waarin ze zijn opgegroeid. Rotte tanden hebben ze en menige lacher ontbloot een mond vol zwarte gaten. Ze willen het afstompende werk in de vuile fabriek achter zich laten. Het leger biedt gewoon een andere baan.

Goh, wat was alles strak georganiseerd. Laat dat maar aan de Britten over. Je ziet de rekruten aankomen bij verzamelplaatsen. Dan hebben ze hun sjofele burgerkleding nog aan. Een man in uniform houdt de onwennige kudde met een stok driftig in het gareel. Als de rekruten over een denkbeeldige streep heen lopen, krijgen ze een tikje met zijn cane. Ze laten dat toe en gehoorzamen gedwee. In 1914 was er orde, en standsverschil.

De mannen krijgen hun bepakking. Veel is het niet aan kleding. Alleen het hoogstnoodzakelijke gaat mee. Één extra onderbroek ter verschoning, scheergerei en een stuk zeep. Marcherend over landelijke zandwegen zeulen ze loodzware kilo’s aan wapens en munitie mee.

Het strijdveld komt nu in beeld. Of beter: de loopgraven, waarin een groot deel van hun nieuwe leven zich afspeelt. Aanvankelijk lijkt het alsof ze een weekendje kamperen met de padvinderij . Ferme jongens graven gangen uit, of worden door bestaande loopgraven heen geleid. Met een gids, want het is een doolhof. Ze kunnen zich tussen de aarden wallen boven ooghoogte moeilijk oriënteren. Daarboven liggen de uitgestrekte velden. En er groeien echt rode klaprozen. Rood ja, want dit zijn beelden in kleur.

In de loopgraven gaat het dagelijkse leven door. Er wordt gekookt, gewassen en geschoren. Er zijn pennen in de wand waaraan de mannen hun jas kunnen hangen. Het zijn jonge kerels onder elkaar. Beetje pesten hier, beetje geinen daar. Zo te zien zijn ze er klaar voor. Het is wel spannend, maar ze zijn gewend om op commando te presteren. Dat is net als in de mijnen en de fabriek, eigenlijk. Bovendien cultiveren Engelsen comradeship. Daar kunnen die Duitsers nog wat van leren.

O ja, de Duitsers. Ze zijn er wel, maar je ziet ze niet. Nog niet. Ze zitten daar ergens verderop. Je ziet af en toe wat explosies en zo. Doffe uitbarstingen doen de grond van akkers en velden in duizend brokken omhoogkomen. In gefilmde slow motion. Alsof je naar de theatrale schoonheid van een balletvoorstelling kijkt.

Het wordt kil en het gaat regenen, wekenlang. De loopgraven lopen onder. Er zijn nu heel veel explosies en bombardementen. Mannen naast je worden geraakt. De grond om je heen wordt aan gort geslagen. En het gaat maar door. Je moet continu terugschieten met loeiheet materieel en dat maakt een hels kabaal. Het wordt donker en totaal miserabel. Hoe erg het allemaal is, merk je pas veel later, na afloop, als het oorverdovend stil is. Luizen jeuken en alles is goor. Gangreen en kapotgeschoten lijken. Groen/blauw, vaalgrijs/rood. In kleur. Het krioelt van de ratten die afkomen op het menselijke voer.

[Is dit een film? Nee, dit is echt.]

Wat gaat er door een man heen nadat hij het bevel hoort en er geen weg terug is? In die laatste seconde voordat hij de loopgraaf uit klimt / te paard naar voren schiet / met schild en priemende lans recht op de vijand afstormt / zijn zwaard heft en rennend en brullend ten aanval gaat?

Ik heb mij dat jarenlang afgevraagd bij het zien van films over historische strijdtonelen en, uiteraard, bij The Lord of the Rings. Wat zou je zelf doen: bevriezen, vluchten of vechten? Bij Peter Jackson zijn film en werkelijkheid één. En hij toont het antwoord. De mannen vertellen het zelf.

‘Zodra je de loopgraaf uit kruipt en het strijdtoneel op rent, verdwijnt de angst en doe je wat je moet doen.’
[Als een artiest die het podium voor een afgeladen zaal bestijgt? Als een sporter die naar de allerhoogste plaats reikt?]
‘Je denkt niet meer na.’ ‘We werden als beesten.’ ‘Bij zulke massale slachtpartijen worden gewonden een last; ze kunnen beter dood zijn.’ ‘I put him out of is misery’.

Bevriezen, vluchten of vechten. Ik maak me weinig illusies, mocht de situatie zich voordoen. Daarom hecht ik meer aan soft power als menswaardig alternatief. Met muziek van Radiohead om het mooi af te ronden. The Numbers, for consolation and a way out.

Denk aan omdenken

Denk aan omdenken, denk ik wanneer ik verstar voor de drempel. Wederom. Denk aan wat je wél kan. Daar gaat het om. Omdenken is denken in termen van mogelijkheden in plaats van problemen. De vijftien strategieën zijn absoluut zinvol. Ik kan ze iedereen aanbevelen. De hele rataplan.

Alleen blijf ik zelf eindeloos rondtollen door deze twee:

  • Strategie nummer 5. Doorzetten: door te volharden, creëer je nieuwe mogelijkheden.
  • Strategie nummer 8. Elimineren: stop met wat niet (meer) werkt.

Tja.

Afvallen: van suiker- naar vetverbranding

Als je wil afvallen, moet je lichaamsvet verbranden. Maar hoe doe je dat zonder last te krijgen van honger en trillende handjes? Eet minder koolhydraten en suikers, en meer gezonde vezels en vetten. Zo luidt het devies. Dan schakelt je lichaam over van suiker- naar vetverbranding. In praktijk is dit lastig, want suiker zit in bijna alles. En op je werk kan je braaf op noten knabbelen, maar dan zit dat spul gelijk overal tussen je tanden. Hongerklop verstoorde steevast mijn plannen. Toch is de knop nu om. Als bonus val ik vooral ’s nachts af.

In de eerste afvalweek was het een kwestie van drastisch gewoontes doorbreken. Die week ging ik herhaaldelijk met honger naar bed. Ik voelde me slap en sliep minder goed. In de tweede week begon het te wennen. Nu, in de derde week, is mijn lichaam door de moeilijke fase heen.

Sindsdien blijf ik me verbazen. Want waar blíjft dat hongergevoel? Waarom word ik niet duizelig? Nou, gewoon, omdat de boel in balans is en mijn lichaam vet verbrandt. Dit, terwijl ik nog steeds koolhydraten en wat suiker naar binnen werk. Alleen zo min mogelijk ‘s avonds.

Op een normale dag (ruim een uur wandelen, geen zware inspanning) neem ik nu dit:

  • 4 Volkoren boterhammen met margarine en hartig beleg (kaas, eiersalade, kalkoenfilet, etc.)
  • 6 Koppen koffie of thee met koffiepoedermelk en 1 zoetje per kop.
  • 1 Vol bord met circa 1/3 aardappelen/pasta/linzen, 1/3 groente, 1/3 vlees met jus/vis in saus/gevuld omelet. Dit eet ik als lunch, zodat mijn lichaam overdag al de energie benut.
  • 1 Toetje, bijvoorbeeld volle yoghurt met een eetlepel jam, totaal circa 150 gram.
  • 1 Appel en/of een paar dadels.
  • 2 Bekers halfvolle melk.
  • 1 Graancracker met kaas ’s avonds (ter vervanging van de dagelijkse bak chips).
  • Water.

Als zoethoudertje optioneel:  1 koekje óf 1 Raffaello (wafeltje, amandel met kokos) óf 1 à 2 mueslikoeken. Gebak eten mag, maar dat compenseer ik met beweging.

Geschrapt: iedere avond een volle bak chips of andere zoutjes, per week 4 glazen port of meer alcoholische drank, zeer regelmatig chocolade muffins en grote koeken, af en toe patat speciaal. (Et cetera.)

Het wonderlijke is dat ik nu vier uur lang zonder eten kan. Dat komt door de omschakeling van suiker- naar vetverbranding. Die favoriete spijkerbroek heb ik al even aangehad. Staand, want ermee zitten gaat nog niet.