Over een overlijdensbericht

Terwijl ik een logje schrijf, verschijnt er een overlijdensbericht. Het komt van de organisatie waarmee ik vaak op pad ga. Een van de vrijwillige organisatoren van wandeltochten is overleden. Zijn naam klinkt mij bekend, al was de laatste van drie wandelingen met hem vier jaar geleden. Ik had toen geen idee wat er speelde.

Had ik echt geen idee? Was er niets over bekend? Of heb ik signalen en opmerkingen gemist, die een hint hadden kunnen geven?

Hoe goed ken je iemand waarmee je toevallig een dagje samen oploopt? Vaak praat je onderweg wat langer met een of twee mensen in de groep. Soms gaan die gesprekken regelrecht de diepte in, omdat je belangrijke raakvlakken deelt. Met deze man heb ik geen persoonlijke gesprekken gevoerd, denk ik. Maar helemaal zeker weet ik dat niet meer.

We hebben wel over zijn hondje gesproken. Of liever: het hondje van een oude dame dat hij die dag uit wandelen meenam. Vrijwillig, omdat zij er vanwege haar gezondheid niet meer toe kwam. Voor dat hondje was het een groot feest. Ik schreef zelfs een logje over dat beestje, waar de nu overleden man ook terloops in voor kwam. Vorig jaar heb ik dat van Raam Open gehaald. Nu is het net alsof het nooit heeft bestaan.

Bij een andere groepswandeling kwamen we hem in een heideveld tegen. Meerdere mensen uit onze groep kenden hem. We zeiden gedag tegen hem, en achteraf tegen elkaar: ‘Dat is E. Da’s een sympathieke man. En heb je S. weleens gezien? Het hondje dat hij steeds meebrengt.’ Ja, S. kenden we ook allemaal.

Hij was vier jaar ouder dan ik en geboren in Perth, Australië. Ik herinner mij niet dat die stad ter sprake kwam op onze wandelingen. Terwijl Perth wat mij betreft wel een raakvlak was. Misschien was ik tijdens de derde wandeling met mijn gedachten te veel bij mijn nieuwe woonplaats to be. Want hier, op nog geen 500 meter van mijn huidige woning, begon onze laatste gezamenlijke wandeltocht. Het was twee maanden voor de verhuizing. Wist ik veel wat er toen al bij hem speelde.

Kon ik het weten? Viel er niets aan de blik in zijn ogen af te lezen?

Ze zullen niet oud worden

Aan het begin van de film over de Engelse soldaten in de Eerste Wereldoorlog zie je dat ze zich vrijwillig aanmelden. Peter Jackson vertelt hun verhaal in They shall not grow old chronologisch. Er komen jongens aan het woord van nog geen zestien jaar oud. Het is 1914. Wat weten ze van de wereld? Maar ze willen er bij zijn en het avontuur aangaan. Ze willen goed doen voor volk en vaderland.

Er is nog een reden. De gebitten van veel jongens en jonge mannen verraden de armoede waarin ze zijn opgegroeid. Rotte tanden hebben ze en menige lacher ontbloot een mond vol zwarte gaten. Ze willen het afstompende werk in de vuile fabriek achter zich laten. Het leger biedt gewoon een andere baan.

Goh, wat was alles strak georganiseerd. Laat dat maar aan de Britten over. Je ziet de rekruten aankomen bij verzamelplaatsen. Dan hebben ze hun sjofele burgerkleding nog aan. Een man in uniform houdt de onwennige kudde met een stok driftig in het gareel. Als de rekruten over een denkbeeldige streep heen lopen, krijgen ze een tikje met zijn cane. Ze laten dat toe en gehoorzamen gedwee. In 1914 was er orde, en standsverschil.

De mannen krijgen hun bepakking. Veel is het niet aan kleding. Alleen het hoogstnoodzakelijke gaat mee. Één extra onderbroek ter verschoning, scheergerei en een stuk zeep. Marcherend over landelijke zandwegen zeulen ze loodzware kilo’s aan wapens en munitie mee.

Het strijdveld komt nu in beeld. Of beter: de loopgraven, waarin een groot deel van hun nieuwe leven zich afspeelt. Aanvankelijk lijkt het alsof ze een weekendje kamperen met de padvinderij . Ferme jongens graven gangen uit, of worden door bestaande loopgraven heen geleid. Met een gids, want het is een doolhof. Ze kunnen zich tussen de aarden wallen boven ooghoogte moeilijk oriënteren. Daarboven liggen de uitgestrekte velden. En er groeien echt rode klaprozen. Rood ja, want dit zijn beelden in kleur.

In de loopgraven gaat het dagelijkse leven door. Er wordt gekookt, gewassen en geschoren. Er zijn pennen in de wand waaraan de mannen hun jas kunnen hangen. Het zijn jonge kerels onder elkaar. Beetje pesten hier, beetje geinen daar. Zo te zien zijn ze er klaar voor. Het is wel spannend, maar ze zijn gewend om op commando te presteren. Dat is net als in de mijnen en de fabriek, eigenlijk. Bovendien cultiveren Engelsen comradeship. Daar kunnen die Duitsers nog wat van leren.

O ja, de Duitsers. Ze zijn er wel, maar je ziet ze niet. Nog niet. Ze zitten daar ergens verderop. Je ziet af en toe wat explosies en zo. Doffe uitbarstingen doen de grond van akkers en velden in duizend brokken omhoogkomen. In gefilmde slow motion. Alsof je naar de theatrale schoonheid van een balletvoorstelling kijkt.

Het wordt kil en het gaat regenen, wekenlang. De loopgraven lopen onder. Er zijn nu heel veel explosies en bombardementen. Mannen naast je worden geraakt. De grond om je heen wordt aan gort geslagen. En het gaat maar door. Je moet continu terugschieten met loeiheet materieel en dat maakt een hels kabaal. Het wordt donker en totaal miserabel. Hoe erg het allemaal is, merk je pas veel later, na afloop, als het oorverdovend stil is. Luizen jeuken en alles is goor. Gangreen en kapotgeschoten lijken. Groen/blauw, vaalgrijs/rood. In kleur. Het krioelt van de ratten die afkomen op het menselijke voer.

[Is dit een film? Nee, dit is echt.]

Wat gaat er door een man heen nadat hij het bevel hoort en er geen weg terug is? In die laatste seconde voordat hij de loopgraaf uit klimt / te paard naar voren schiet / met schild en priemende lans recht op de vijand afstormt / zijn zwaard heft en rennend en brullend ten aanval gaat?

Ik heb mij dat jarenlang afgevraagd bij het zien van films over historische strijdtonelen en, uiteraard, bij The Lord of the Rings. Wat zou je zelf doen: bevriezen, vluchten of vechten? Bij Peter Jackson zijn film en werkelijkheid één. En hij toont het antwoord. De mannen vertellen het zelf.

‘Zodra je de loopgraaf uit kruipt en het strijdtoneel op rent, verdwijnt de angst en doe je wat je moet doen.’
[Als een artiest die het podium voor een afgeladen zaal bestijgt? Als een sporter die naar de allerhoogste plaats reikt?]
‘Je denkt niet meer na.’ ‘We werden als beesten.’ ‘Bij zulke massale slachtpartijen worden gewonden een last; ze kunnen beter dood zijn.’ ‘I put him out of is misery’.

Bevriezen, vluchten of vechten. Ik maak me weinig illusies, mocht de situatie zich voordoen. Daarom hecht ik meer aan soft power als menswaardig alternatief. Met muziek van Radiohead om het mooi af te ronden. The Numbers, for consolation and a way out.

Denk aan omdenken

Denk aan omdenken, denk ik wanneer ik verstar voor de drempel. Wederom. Denk aan wat je wél kan. Daar gaat het om. Omdenken is denken in termen van mogelijkheden in plaats van problemen. De vijftien strategieën zijn absoluut zinvol. Ik kan ze iedereen aanbevelen. De hele rataplan.

Alleen blijf ik zelf eindeloos rondtollen door deze twee:

  • Strategie nummer 5. Doorzetten: door te volharden, creëer je nieuwe mogelijkheden.
  • Strategie nummer 8. Elimineren: stop met wat niet (meer) werkt.

Tja.

Afvallen: van suiker- naar vetverbranding

Als je wil afvallen, moet je lichaamsvet verbranden. Maar hoe doe je dat zonder last te krijgen van honger en trillende handjes? Eet minder koolhydraten en suikers, en meer gezonde vezels en vetten. Zo luidt het devies. Dan schakelt je lichaam over van suiker- naar vetverbranding. In praktijk is dit lastig, want suiker zit in bijna alles. En op je werk kan je braaf op noten knabbelen, maar dan zit dat spul gelijk overal tussen je tanden. Hongerklop verstoorde steevast mijn plannen. Toch is de knop nu om. Als bonus val ik vooral ’s nachts af.

In de eerste afvalweek was het een kwestie van drastisch gewoontes doorbreken. Die week ging ik herhaaldelijk met honger naar bed. Ik voelde me slap en sliep minder goed. In de tweede week begon het te wennen. Nu, in de derde week, is mijn lichaam door de moeilijke fase heen.

Sindsdien blijf ik me verbazen. Want waar blíjft dat hongergevoel? Waarom word ik niet duizelig? Nou, gewoon, omdat de boel in balans is en mijn lichaam vet verbrandt. Dit, terwijl ik nog steeds koolhydraten en wat suiker naar binnen werk. Alleen zo min mogelijk ‘s avonds.

Op een normale dag (ruim een uur wandelen, geen zware inspanning) neem ik nu dit:

  • 4 Volkoren boterhammen met margarine en hartig beleg (kaas, eiersalade, kalkoenfilet, etc.)
  • 6 Koppen koffie of thee met koffiepoedermelk en 1 zoetje per kop.
  • 1 Vol bord met circa 1/3 aardappelen/pasta/linzen, 1/3 groente, 1/3 vlees met jus/vis in saus/gevuld omelet. Dit eet ik als lunch, zodat mijn lichaam overdag al de energie benut.
  • 1 Toetje, bijvoorbeeld volle yoghurt met een eetlepel jam, totaal circa 150 gram.
  • 1 Appel en/of een paar dadels.
  • 2 Bekers halfvolle melk.
  • 1 Graancracker met kaas ’s avonds (ter vervanging van de dagelijkse bak chips).
  • Water.

Als zoethoudertje optioneel:  1 koekje óf 1 Raffaello (wafeltje, amandel met kokos) óf 1 à 2 mueslikoeken. Gebak eten mag, maar dat compenseer ik met beweging.

Geschrapt: iedere avond een volle bak chips of andere zoutjes, per week 4 glazen port of meer alcoholische drank, zeer regelmatig chocolade muffins en grote koeken, af en toe patat speciaal. (Et cetera.)

Het wonderlijke is dat ik nu vier uur lang zonder eten kan. Dat komt door de omschakeling van suiker- naar vetverbranding. Die favoriete spijkerbroek heb ik al even aangehad. Staand, want ermee zitten gaat nog niet.

De eerste kilo is er af!

De eerste kilo is er af sinds ik probeer om een beetje af te vallen. Een kilo in ruim een week tijd is een gezond resultaat. Sneller moet je het niet willen. Tot nu toe gaat het me nog redelijk makkelijk af. Bij diëten kan je het beste heel goed naar je lichaam luisteren. Daarbij heb ik mijn aanpak afgestemd op mijn dagelijkse bezigheden.

Ik hou slechts drie basisregels aan:

  1. Gezond en naar behoefte voldoende eten. Dus niet meer dan dat, maar ook nauwelijks minder.
  2. Suiker sterk beperken vanwege hypoglykemie (schommeling van bloedsuikerspiegel).
  3. Af en toe iets ‘ongezonds’ eten mag. Probeer dat te compenseren met beweging.

Gezond eten spreekt voor zich: gevarieerd en met alle benodigde voedingsstoffen om goed te kunnen functioneren.

Naar behoefte betekent dat ik eten afstem op bezigheden. Ga ik wandelen, dan eet ik vooraf extra vet (saucijzenbroodje, stukjes rookworst) en/of eiwitten (ontbijt met spekjes en omelet op volkorenbrood), want die brandstof heb ik nodig. Naast de dagelijkse vier belegde boterhammen, maak ik er dan twee extra klaar. Voor de zekerheid.

’s Avonds eet ik geen bak chips meer (en al helemaal geen refill), maar slechts een grote kaascracker. ‘Een. Ja: één. Dus geen twee. Een!’ Tenzij ik voel dat ik duizelig ga worden (zie hypoglykemie). Dan mag er een halfje bij. Of een hele als dat nodig is. Luisteren naar je lichaam houdt vooral in dat je eetmomenten afstemt op de momenten waarop je energie nodig hebt.

Hypoglykemie is voor mij het echte monster. Met een hongergevoel valt tijdelijk wel te leven, maar een flinke dip in je bloedsuikerspiegel valt niet te negeren. Daarom mijd ik suiker. Wel neem ik zoetjes in de koffie en thee (zes per dag). Als ik honger krijg en het nog te vroeg is voor een maaltijd, eet ik een appel of twee dadels. Doorlopend voorkom ik de kans op schommelingen.

Dit hou ik alleen vol als ik af en toe ook iets lekkers/ongezonds mag. Dus heb ik deze week een groot stuk appelgebak met slagroom gegeten. Maar koek en port negeer ik nu bijna instinctief, omdat mijn bloedsuikerspiegel daarvan gaat jojoën. Een enkel koekje kan wel, alleen geen grote stroopwafel of gevulde koek. Dat stuk appeltaart volgde op een wandeling van ruim twee uur. Daarna moest ik nog een uur reizen, dus was die energie nodig. 😉

Belangrijk is om ingesleten eetpatronen te doorbreken. In mijn geval was dat ’s avonds veel te veel chips eten. En voorlopig schrap ik de meeste ‘ach, dat kan toch wel’-extraatjes. (‘Nou, nog eentje dan’, ‘we hebben het verdiend vandaag’, ‘zo dik zijn we toch niet’, ‘het is tenslotte vakantie’ en ‘hm, dat smaakt wel erg lekker’.)

De eerste dagen waren het moeilijkst, omdat mijn lichaam afkick-verschijnselen had. Herhaaldelijk gaf het aan dat we meestal koek nemen bij de koffie. En ’s avonds eten we toch altijd chips bij de film? Inmiddels voel ik die gewoonte-behoefte een stuk minder en wordt volhouden makkelijker. Het bijkomende voordeel is dat gebakjes eten weer speciaal wordt. Vroeger at je die toch ook alleen bij feestelijke gelegenheden?

Het helpt om een doel te hebben, of een schrikbeeld. Voor mij draait het minder om streefgewicht dan om heupomvang. Een favoriete spijkerboek was de aanleiding. Die broek ligt al drie jaar ongedragen in de kast, omdat hij niet meer past. Bij een opruimbeurt kon ik hem niet weg doen. Dat vond ik te erg. Maar aantrekken gaat evenmin, als ik wil blijven ademhalen. Vandaar.

Nu nog een paar weken doorzetten. (En daarna.)

Een overhangende slappe plant

Niemand wil op het verkeerde moment op de verkeerde plaats zijn. Maar we kunnen allemaal in een situatie belanden waarin we een keuze moeten maken. Een keuze waarvan we niet kunnen overzien of die goed is. En soms doen we iets onbeduidends, waarvan de gevolgen verstrekkend zijn. Daarvan ben ik me bewust wanneer ik een overhangende slappe plant naar de tuin van mijn buurman duw. Want daar staat die plant met zijn wortels in.

Mijn bejaarde buurman laat zijn tuin opknappen. Dat is echt nodig, want hij verwaarloost de boel. Al jaren bladdert de verf van zijn kozijnen en de mooie tuin wordt overwoekerd. Vorig jaar heb ik geholpen met wieden, maar er is geen beginnen aan. Twee mannen doen het zware werk. Dode boom omzagen, onkruid met wortel en al uitrukken, struiken snoeien. In zijn voortuin resteren nu een paar struiken en die slungelige plant. Waarom ze die hebben laten staan, is mij een raadsel. Het is doorgeschoten onkruid dat scheef zakt.

Eerst stond die plant rechtop. Daarna boog hij richting de voorkant van de tuin van mijn buurman. Maar kennelijk is er iets gebeurd en is ‘ie gedraaid. Zo kwam die plant over mijn lage heggetje te hangen, tot zeker een halve meter mijn tuin in. En hoewel het in mijn achtertuin een ongedwongen bedoening is, ziet mijn voortuin er relatief netjes uit. Daarin is geen plaats voor onkruid.

Dus toen die plant van de buurman mijn kant op kwam, en als een slappe dronkenlap over mijn heggetje ging hangen, duwde ik hem terug. Toen viel hij languit op de grond, in de tuin van de buurman. Ik probeerde hem overeind te zetten, maar hij bleef niet staan. Uiteindelijk heb ik hem parallel aan onze tuingrens gelegd, aan zijn kant. Want daar komt ‘ie tenslotte vandaan.

Toch denk ik nu steeds aan die ene film: De aanslag. Daarin wordt een landverrader tijdens de Tweede Wereldoorlog op straat doodgeschoten. Een zoon van de buren hoort die schoten en ziet daarna het lijk voor het huis van de buren liggen. Dan komen zijn buren naar buiten en zij leggen het lijk neer voor zijn huis.

‘Verbranden’

Intermezzo van de hoofdzonden. – Hoewel? Ik zondig nu tegen mijn eigen regel. Want ik ga toch over mijn moeder schrijven. Ze is halverwege de tachtig en bezig met opruimen. Een meubelstuk, stapels boeken, kleding van mijn overleden vader en meer gaat weg. Dat lijkt me verstandig. Als je behoeften veranderen, heb je weinig aan spullen uit een vorige fase. Wel druk ik haar op het hart om mij oude voorwerpen te tonen voordat zij die wegdoet.

Want wat zij als troep beschouwt, vind ik juist bijzonder. En andersom. Ik heb de afgelopen jaren dan ook al duizend keer gezegd: ‘Neehee, hoef ik niet’, wanneer ze weer met prullaria van een rommelmarkt aankwam. In mijn ogen dan. Haar huis puilt uit. Overal staan plantjes en beeldjes en potjes en frutsels. Als je bij haar iets uit een kast wil pakken, moet je eerst andere spullen opzij schuiven.

Toch heeft ze de afgelopen decennia wel vaker opgeruimd. Alleen merkte ik daar nooit wat van. Alles stond nog even vol. Maar kennelijk ruimt ze deze keer echt grondiger op. En hoe gaat zoiets? Je trekt een schoenendoos open of een plastic tas, en komt oude papieren tegen. Waarna je even gaat zitten en drie uur later nog zit te lezen.

Ik heb dat in het verleden ook gedaan. Zo’n 25 jaar geleden moesten mijn schoolagenda’s eraan geloven. Die uit mijn pubertijd. Wat daarin stond, was gewoon te gênant voor woorden. Ik heb ze vlak voor een verhuizing weggedaan. En op mijn vorige adres dumpte ik mijn dagboek. Want in dat dagboek ging ik mooie levenservaringen opschrijven, maar vaker werd dat stoom afblazen. Stel dat je per ongeluk dood neervalt en je nabestaanden die bladzijden vol drama’s aantreffen? Echt niet.

Afijn, onlangs was ik dus bij mijn moeder. Een vrouw die ik redelijk goed denk te kennen. Maar iedereen mag geheimen hebben. Zij ook. Dus heb ik mij beheerst, toen ze in de keuken bezig was en ik op haar bureau een open envelop zag. Met ongeziene inhoud. En met haar handgeschreven opdracht op de buitenkant: ‘Verbranden’.