Brokstukken van een burn-out (1)

Allereerst: was het wel een burn-out? Opeens had iedereen een burn-out, dus ik misschien ook. Het blijft tot op de dag van vandaag een vraag. Ik ben er namelijk nooit voor naar de dokter geweest. Tuurlijk niet. Wat denk je nou? Een Oegandese dagvoorzitter meldt zich toch ook niet ziek vanwege een malaria-aanval? Ik ging volhouden en regelde het zelf wel. Maar goed. 2019 is het jubileumjaar van een verstrekkende consequentie. Een gevolg van een ‘keuze’.

Mentale uitputting is de kern van een burn-out, schrijven Ianthe Sahadat en Margreet Vermeulen in hun beschouwing Opgebrand (Sir Edmund, 5 januari 2019). Volgens de richtlijn van huisartsen hoort hier bij ‘dat mensen het gevoel hebben dat ze de controle over hun leven kwijt zijn en dat ze minder functioneren in het dagelijks leven. … Sommige patiënten hebben daarbij veel lichamelijke klachten.’ En ‘Burn-out is een veelkoppig monster. … Bij een burn-out heb je geen energie meer. Daar word je niet vrolijk van, maar tussendoor kun je toch een leuke avond hebben. Bij een burn-out word je in de loop van de dag steeds vermoeider, bij een depressie is het andersom.’

Voor mezelf is glashelder waar het vandaan kwam. De eerste twintig jaar van mijn loopbaan had ik werk dat ‘best aardig’ was, maar dat mij zelden echte voldoening gaf. Dat veranderde radicaal toen ik in de internationale ontwikkelingssector terecht kwam. Hier viel alles samen: mijn reisverleden en interesse voor culturen, mijn kennis, praktische vaardigheden en ervaring. En mijn nieuwe collega’s hadden werkelijk iets boeiends te melden. Ik kon bovendien van een ondersteunende naar een inhoudelijke functie doorgroeien. Na veel wisselingen van vorige banen was het alsof ik ‘het’ eindelijk gevonden had. Hier zou ik blijven tot mijn pensioen.

Maar alles verandert. Kort samengevat: er kwam een reorganisatie. De werkzaamheden werden complexer en de werkkamers rumoeriger. Eisen werden opgeschroefd. Aanvankelijk zat ik zonder vaste positie, waardoor ik steeds meer onrust ervoer. Terwijl het oorspronkelijke doorgroeitraject voor mij al pittig genoeg was, werd de druk versneld nog verder opgevoerd. Bij mijn nieuwe teamleider, zelf een autoritaire lakei van een zichzelf bewijzende manager, stuitte ik op onbegrip.

Het moest een keer spaak lopen, maar wat was het alternatief? Terug naar een functie die nu vooral bureaucratisch van opzet was? En dan toekijken hoe anderen mochten doen wat ik wilde doen? Buiten deze organisatie maakte ik door bezuinigingen en outsourcing ook weinig kans. En in crisistijd krijg je een eenmanszaak (naast een 32-urige werkweek) evenmin snel van de grond. Dus probeerde ik alles bij te benen en vol te houden.

Dat ik inmiddels vier dagen per week barstende hoofdpijn had, kwam natuurlijk omdat ik zo veel met mijn hoofd werkte en mij ondanks alle omringende onrust goed moest concentreren. Sowieso ben ik enigszins gevoelig voor prikkels van buitenaf. Daar heb je mee te leren leven als je mee wilt komen. En de hele dag naar een computerscherm staren, is minder goed voor je ogen. Alleen hoorde dat nu eenmaal bij het werk. Dus dan maar sterkere lenzen en brandende ogen.

Die hoofdpijn was wel erg. Ik was er regelmatig letterlijk misselijk van en ging bijna scheel zien. Soms werd ik nog duizelig ook. Terug in de trein van Den Haag naar Leiden zat ik steevast met mijn ogen dicht. Om ze een beetje rust te geven. Dat doen wel meer forenzen, trouwens. Niks bijzonders dus.

En dan ff snel boodschappen halen, tegenover het station. Meestal had ik zo’n honger dat het meerdere keren per week een magnetronmaaltijd werd. Niet verkeerd hoor, tegenwoordig zit er minder zout in. Daarna een beetje lezen, tv kijken of nog de deur uit en met vrienden een film zien. Maar tegen het eind van de week voelde ik mij soms zo gesloopt, dat ik al om 21.00 uur naar bed ging.

En dan de spanning in mijn lichaam. Die was continu voelbaar. Een dag wandelen in de buitenlucht hielp. Maar als ik aan mijn werk en alle stressfactoren dacht, dan schoot het er meteen weer in.

Verder is het niet gek dat je in de Randstad een beetje opgefokt raakt. Dat krijg je met al dat gekrioel om je heen. En waar ik woonde, was het nooit rustig. Nou ja, even dan, tussen 02.00 en 05.00 uur ’s nachts. Als mijn onderburen tenminste geen was deden en de twee ziekenhuizen in de buurt geen ambulancedienst hadden. (Slapeloosheid, nog zo iets.) Soms waren mijn reacties toch wat abnormaal. Dan kon ik plotseling als gebeten reageren. Om niks. En dan vroeg ik me achteraf wel af waar dát nou weer vandaan kwam.

Ik werd een beetje labiel. Ik trok het niet meer helemaal. Maar ach, dit was vast het begin van de overgang. Of zo. Alleen begonnen de maagklachten weer. En daarvan wist ik dondersgoed waar ze vandaan kwamen. Want dat had ik eerder meegemaakt. In een vergelijkbare uitzichtloze werksituatie. Eindelijk gingen de alarmbellen af.

Mijn ‘keuze’ maakte ik pas nadat ik bij mijn ouders vandaan kwam en onderweg naar huis op de fiets zomaar midden op de Korevaarstraat ter hoogte van de Hoogvliet spontaan in janken uitbarstte. Dat was het dan.

Toiletjuffrouw

Soms doe of laat ik iets en dan heb ik daar achteraf spijt van. Zo deed ik vorig jaar een mooie broek weg die te strak werd. Nu ben ik afgevallen en zou hij weer prima passen. Erger is dat ik niet heb doorgezet toen ik een carrière switch overwoog. Ik wilde namelijk gaan voor het beroep van toiletjuffrouw. Want als rondreizende juffrouw op een mobiel toiletblok kom je nog eens ergens. Bijvoorbeeld tijdens 3 oktober op de Leidse kermis.

Vier jaar geleden schreef ik al dat ik dit beroep overwoog. Waarom heb ik er toen toch geen werk van gemaakt? Je kan het net zo leuk organiseren als je zelf wil. Kijk maar naar de Pipiwagen. Elke keer als ik die huifkar zie, voel ik een steek van jaloezie. Nu loopt daar een andere vrouw bij. Op elk festival kom ik haar tegen. Dan word ik weer op pijnlijke wijze aan mijn keuze herinnerd.

Ík had daar moeten staan, en niet zij.

Plog – Denk aan omdenken

Denk aan omdenken, denk ik wanneer ik verstar voor de drempel. Wederom. Denk aan wat je wél kan. Daar gaat het om. Omdenken is denken in termen van mogelijkheden in plaats van problemen. De vijftien strategieën zijn absoluut zinvol. Ik kan ze iedereen aanbevelen. De hele rataplan.

Alleen blijf ik zelf eindeloos rondtollen door deze twee:

  • Strategie nummer 5. Doorzetten: door te volharden, creëer je nieuwe mogelijkheden.
  • Strategie nummer 8. Elimineren: stop met wat niet (meer) werkt.

Tja.

Zwart geld

Binnenkort heb ik een familiereünie. Dat is erg leuk. Er komen allemaal mensen die ik goed ken. En er komen mensen die ik normaal gesproken straal voorbij zou lopen. Gewoon, omdat ik geen idee heb wie het zijn. Hoe dan ook, ik verheug mij op de ontmoeting. Alleen is er een klein probleem en dat is die ene vraag. Een vraag die mij al honderdduizend keer is gesteld. Een vraag die ik, afhankelijk van de toestand der zaken, meestal háát.

Het is een heel onschuldige vraag, hoor. Namelijk: ‘Wat doe jij eigenlijk?’ En dan bedoelen ze: voor de kost. Nou, momenteel niet zo veel. Maar dat kan ik natuurlijk niet zeggen. Of in elk geval: niet tegen iedereen. Sommigen weten af van mijn ‘toestand’. Dat zijn de intimi die er (vermoedelijk, hopelijk) begrip voor hebben. Daarnaast zijn er mensen van wie het mij weinig kan schelen wat ze denken. Maar nu gaat het om de diffuse groep er tussenin.

Uiteraard heb ik geoefend op antwoorden. Ze veranderen continu, afhankelijk van de actuele situatie, de vraagsteller en mijn humeur. Meestal heb ik mijn antwoord dus klaar. Sterker, ik kan kiezen uit een heel repertoire. Deze keer is er een complicerende factor. Want familie, daar is niets vrijblijvends aan. Voordat je het weet, gaan er verhalen rond waar je niet meer van af komt.

Dus wat moet ik nou? Het beste is een antwoord dat dicht bij de waarheid blijft. Daarmee loop ik weinig risico dat ik door een verspreking de mist in ga. En dat antwoord moet ik goed afstemmen op die onbekende neven van mij.

Ik moet zeggen, als de nood het hoogst is, is de redding echt nabij. Want vandaag er kwam een berichtje binnen van het organiserende comité. Dat zit in Brabant. U weet wel, the narco state of the Netherlands. En wat staat er in dat bericht? Jazeker, iets over zwart geld.

Nou, ik ben er uit hoor. Als ze mij vragen wat ik doe, dan zeg ik: ‘Iets met zwart geld. En dat ik verder geen details geef, dat begrijp je zeker wel.’ Blink, blink. Goed he?

Verspilling van jeugd op de middelbare school

‘Youth is wasted on the young’, schrijft Thomas van Luyn in Volkskrant magazine nr 863. Dit naar aanleiding van een open dag bij een middelbare school waarin zijn 11-jarige zoon is geïnteresseerd. ‘Ik wil overnieuw beginnen, weer 12 zijn en ditmaal bij de astronomieclub gaan of zoiets sufs.’ Voor hem komt het nu allemaal te laat, en voor mij ook. Want welk deel van mijn huidige kennis heb ik eigenlijk via school opgedaan? Bijna alles stamt uit de tijd daarna.

Misschien komt dit door mijn geboortejaar. Toen ik zes was en voor het eerst naar de lagere school ging, belandde ik in een klas met 48 leerlingen. We hoorden bij het staartje van de naoorlogse geboortegolf, vandaar. De juf van de eerste klas kon onze grote groep niet aan en de leerlingen werden opgesplitst. Zij hield er dertig over en de resterende achttien kinderen werden in de lerarenkamer geperst. Dat was evenmin ideaal.

Mijn lagere-schoolvriendinnetje gelooft nog steeds heilig dat wij het kleinere ‘probleemklasje’ waren. Daarin zat het groepje kinderen waar die juf geen raad mee wist. Wellicht heeft het feit dat ik op die prille leeftijd al een dag van school spijbelde er iets mee te maken. Het was buiten zo’n aanlokkelijke zomerse dag. Verder was ik heel braaf, hoor. Braver dan goed voor me was, waarschijnlijk. Want ik kan mij niet herinneren dat er in die tijd veel aandacht voor individuele leerlingen was.

Ik vond de lagere school toch leuk. Taal, rekenen, biologie, aardrijkskunde, geschiedenis, tekenen, gym en handenarbeid. Het was boeiend en op dat dorpsschooltje zaten we beschermd tegen de grote boze buitenwereld. De overgang naar de middelbare school, ook in een dorp maar dan aan de andere kant van de stad, was enorm. Ik moest ineens 45 minuten door druk verkeer fietsen, terwijl de lagere school op 5 minuten loopafstand zat. En er liepen allemaal veel gehaaidere en wijsneuzige stadskinderen rond.

Bovendien was dit een school waar relatief veel echte probleemgevallen terechtkwamen. Meer omfloerst: kinderen die wat moeilijker konden leren of een strak regime nodig hadden. Ik voelde me vooral erg verloren in die grote massa. Het liep dan ook niet goed af. Nog twee middelbare scholen later stond ik op straat met een volkomen waardeloos diploma. In huidige termen had ik de allerlaagste ‘startkwalificatie’.

Pas daarna ben ik gaan leren. Zelfs toen ik al twintig was, kon ik amper fatsoenlijk Nederlands schrijven. In teksten uit die tijd krioelt het van de d/t-fouten. Moeilijke woorden schreef ik fonetisch op, zonder dat ik besefte dat die schrijfwijze onjuist was. Mijn Engels was evenmin best. Dat heb ik uiteindelijk later in Australië geleerd. En voor ik naar dat land ging, had in nauwelijks besef van hoe dat er geografisch uitzag. Goed uit mijn hoofd rekenen, kan ik nog steeds niet, al heb ik wel gevoel voor cijfermatige verhoudingen. Ik had nooit mijn Praktijkdiploma Boekhouden kunnen halen zonder calculator.

En wat resteert er van geschiedenisles? Een paar jaartallen en een vaag begrip van grote gebeurtenissen. (Uitgezonderd de Leidse geschiedenis. Die kan ik dromen, dankzij het genealogische onderzoek van jaren later.) Aardrijkskunde, dito eender. Het meeste over aardlagen heb ik pas tijdens vakanties en reizen geleerd. Biologie, nog zoiets. Ik herinner mij mooie tekeningen van cellen en nerven. Die heb ik vooral onthouden, omdat ik de tekeningen mooi vond, niet vanwege de leerstof.

Sinds Wikipedia bestaat, beschouw ik die hele middelbareschooltijd als een totale verspilling. Veel liever had ik buiten gewandeld en met uiteenlopende mensen en beroepsgroepen kennis gemaakt. Dat had gegarandeerd aanzienlijk meer blijvende inzichten opgeleverd.

Optie: zzp’er worden

Op het ogenblik zit ik ziek thuis. Ik voel mij te goed om overdag naar bed te gaan. Maar ik ben te grieperig om mij lang te concentreren. Omdat de computer van mijn werkgever hier toch staat, heb ik wat urgente mailtjes afgehandeld. Dat geeft gemoedsrust. Personeel thuis laten werken heeft voor werkgevers onverwachte voordelen. Als ik naar kantoor had gemoeten, had ik nu niets gedaan. Was ik zzp’er geweest, dan had ik voor een lastige keuze gestaan. Want na een half uur krijgt grieperigheid weer de overhand.

In Sir Edmund van de Volkskrant stond onlangs een interview met José Kerstholt, hoogleraar psychologische besliskunde. Ze vertelt daarin over intrinsieke motivatie en persoonlijke overtuiging. ‘Stel jezelf de vraag waar jij gelukkig van wordt, wat je belangrijk vindt.’ Het is de eerste stap naar een mooie toekomst. Ik weet het antwoord inmiddels wel. Het knelpunt zit in de vraag naar specifieke beroepen en ideaalbeelden van gewenste kandidaten op de arbeidsmarkt. Daar sluit een en ander slecht bij aan.

Over ideaalbeelden gesproken. Het is dat ik geen allochtoon ben, anders zou ik onderaan de ladder bungelen. Uit recent onderzoek blijkt dat de meeste armoede bij oudere werkzoekenden zit. Zelfs gepensioneerden hebben meer te besteden. En minder vrouwen dan mannen van boven de 35 vinden een baan die past bij hun opleidingsniveau. Intussen doemt er een nieuwe uitdaging op. Steeds meer werkgevers vragen van sollicitanten een videopresentatie. Uh … met mijn grieperige kop? In dat licht is de geluksvraag een luxe en moeten we misschien nemen wat we kunnen krijgen.

Mijn gevoel zegt dat ik qua leeftijd en werkervaring als zzp’er meer gewenst ben dan als werknemer op contractbasis. Sterker, mijn werkgever wil dat ik voor minder uren (en weinig geld) als zzp’er verder ga. Dit is in vijf jaar tijd de tweede keer dat ik voor zo’n keuze sta.

Eerder betrof het een goed betaalde vervolgopdracht van drie maanden bij een andere tijdelijke werkgever. Het was midden in de crisis en ik durfde het financiële risico niet aan. Want dan had ik eerst een netwerk van (potentiële) klanten moeten opbouwen. Zoiets kost tijd en de uitkomst was ongewis. O ja: en een heel geniepig stemmetje vroeg of ik wel goed genoeg was. Was het een goede beslissing? Na afloop van dat contract bleef ik 2 ½ jaar werkloos. ‘Gelukkig ben ik nu geen zzp’er’, dacht ik vaak. Maar wellicht was het dan toch anders gelopen.

Realistisch gezien verwacht ik weinig van solliciteren naar een reguliere baan. Moet ik daarom toch voor zelfstandigheid gaan? Ook nu zou ik vanuit het niets een netwerk moeten opbouwen. Waar te beginnen en wat bied ik aan? Weinig anders dan wat veel concullega’s al bieden: de boekhouding doen, facturering, secretarieel werk, planning en correspondentie, en webredactie natuurlijk. De concurrentie is enorm en het zegt weinig over mijn interesses. Bovendien blijft mijn meerwaarde onbenut. Die schuilt in een unieke combinatie van kennis en vaardigheden dankzij levenservaring. Zie daar eens een beroep van te maken dat voldoende inkomsten genereert.

Er zitten beslist voordelen aan werken als zelfstandige. Zelf beslissingen nemen, eigen baas zijn, je tijden bepalen, vanuit huis werken, ga maar door. Als ik een beroep met perspectief had, zou ik er direct voor gaan. Wel moet je als zzp’er bruisen van energie en steeds nieuwe opdrachten binnen halen. Dat lijkt mij behoorlijk zwaar.

Zonder overdrijven krijg ik vaak bewonderende reacties van mensen vanwege keuzes die ik eerder heb gemaakt. Zoals de recente verhuizing van het westen naar het oosten. Persoonlijk vind ik het wel meevallen. In die situaties had ik tenslotte het meeste in eigen hand. Zzp’er worden; dat is pas werkelijk een enorme stap.

Oom M. is overleden

Mijn oom is deze week overleden. Hij was een broer van mijn moeder en werd 89 jaar. Telkens wanneer er iemand overlijdt, overdenk ik zijn of haar leven. En vraag ik mij af wat ik er eigenlijk van weet. Heel weinig, waarschijnlijk.

Hij werd in 1925 geboren. Niet lang daarna brak de crisis uit en vervolgens de Tweede Wereldoorlog. Als student moest hij uitkijken dat hij niet door de Duitsers werd opgepakt. Mijn familie aan moederszijde heeft een uitgesproken joods uiterlijk.

Mijn oom is opgeleid tot scheepswerktuigbouwkundige en dat heeft hem ver gebracht. In zijn jonge jaren voer hij voor de Nederlandse koopvaardij de hele wereld rond. Dat waren nog eens tijden, toen eind jaren veertig, begin jaren vijftig.

Daarna volgde een huwelijk, met vaste baan aan wal. Plus een koophuis, twee dochters en een auto voor de deur. Nooit meer ervoer hij de financiële onzekerheid die zijn jeugd bij vlagen had overschaduwd. Het ging hem goed. Elk jaar waren er fijne vakanties, soms wel vier achter elkaar.

Zijn vrouw was geen doorsnee huisvrouw. Als enige van mijn tantes had zij een kantoorbaan. Zij bleef niet thuis voor de kinderen. Anders was ze vast van verveling tegen de muren opgevlogen. En hij begreep haar.

Mijn oom is altijd een man van de wereld geweest. Hij wist wat er speelde en wilde daar best over vertellen. Praten doen ze graag, daar aan die kant van mijn familie.

Natuurlijk ben ik een beetje verdrietig. Maar de laatste jaren waren voor hemzelf niet leuk meer. Hij broos en kwetsbaar na een herseninfarct, zij inmiddels volledig dement. Gescheiden wonen, elk op een andere afdeling in hetzelfde verzorgingshuis. Nog op hoge leeftijd voor haar willen zorgen, maar het niet meer kunnen.

Ik voel een soort weemoed vanwege verlies. Van lieverlee brokkelt er een gezin af dat ooit jong, hoopvol en compleet was. Het gezin van mijn opa en oma. Langs wier huis ik vaak rijd en dat ik dan altijd groet. En soms even aanraak.

Er is ontzettend veel wat ik over zijn ouders niet weet. En nooit meer te weten komen zal. Terwijl zij aan hem en mij het leven hebben doorgegeven. Met alle genen en familietrekken die in eeuwen zijn gevormd.

Soms is onze familie net los zand. Het is typerend dat er een tekst van Frank Sinatra op de kaart van oom M. staat: I did it my way.