TV5 wordt node gemist, KPN

Terwijl half Nederland vorig jaar zomer in Frankrijk zat, heeft KPN slinks TV5 geschrapt. Het is barbaars. TV5 Monde is een Franstalige zender met Nederlandse ondertiteling. Zo’n zender uit een ander taalgebied zorgt voor een verfrissende variatie in het aanbod. Want de bijbehorende cultuur krijg je er vanzelf bij. Van mij mag de EU uitwisseling van dergelijke zenders stimuleren, want meer inzicht in elkaars cultuur kan volken verbroederen.

TV5 is een kwaliteitszender waaraan ik al sinds 2002 verknocht ben. Dat jaar bracht ik een winter door in Montpellier en keek ik dagelijks naar TV5 op tv. Het was een goede aanvulling op de Franse taalles die ik daar volgde. Wat was ik blij toen deze zender ook thuis eindelijk in het tv-pakket verscheen.

TV5 biedt onder andere nieuws, films en documentaires. Die komen uit het hele Franse-taalgebied. En dat is groot. Op vrijwel elk continent zijn er Franstalige landen. Deze zender zorgt voor diversiteit qua programmering en tempert de Angelsaksische overmacht op de Nederlandse tv. Bovendien roept TV5 vaak zoete vakantieherinneringen op die aan de jaren zeventig doen terugdenken.

Voor mij voelt het alsof ze een navelstreng hebben doorgeknipt, daar bij KPN. Via TV5 liepen er lijntjes naar mijn geboortegronden, soortement van. Naar Noord-Franse voorouders en naar de Belgische Walen in mijn stamboom.

Vooral het filmaanbod kon ik waarderen. Neem nu de film van deze avond: Mobile Home van François Pirot, over twee Belgisch Waalse twintigers die de wijde wereld intrekken. Althans, dat is de bedoeling. Het wordt een reis die maar geen reis wil worden. Een droef-amusante vertelling over geklungel in het leven, gebaseerd op echte gebeurtenissen. Dat geklungel is toch herkenbaar.

Etymologie peekaboo – kiekeboe


Soms weet ik het echt beter dan degenen die ervoor hebben doorgeleerd. Neem nu het Nederlandse ‘kiekeboe’ en het Engelse ‘peekaboo’. Je kent het wel. Dat spelletje, waarbij je plotseling je gezicht toont of ergens achter tevoorschijn komt en ‘boe’ roept. Kleine kinderen zijn er dol op. Op etymonline.com staat bij peekaboo: ‘as a children’s game attested from 1590s; as an adjective meaning ‘see-through, open,’ it dates from 1895. From peek + boo.’ Attested from 1590s! Kijk, dan heb je mij.

Al jaren geleden stelden taalkundigen zich de vraag of er verwantschap was. Niet alleen de klanken komen overeen. Ook de woorden ‘kiek’ en ‘peek’ hebben een vergelijkbare betekenis. En ‘boe’ in het Nederlands komt overeen met ‘boo’ in het Engels. De Leidse wetenschappelijke uitgeverij Brill wijdde er in gewichtige taal een hoofdstukje aan. (Zie deze tekst uit 1942 in het Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde op pagina 215-216 ‘Over eenige werkwoorden die ‘kijken’ beteekenen’.)

Ik geloof het wel. Maar er wordt met geen woord gerept over die ontstaansperiode: de jaren ’90 van de zestiende eeuw. Nu wil het geval dat ik mijn familiegeschiedenis ken. En toevallig heb ik een paar voorouders uit Engeland. Tenminste, daar zijn ze op de boot gestapt toen ze naar Holland kwamen. Maar voordat ze in Engeland woonden, kwamen ze uit Vlaanderen. Dat was zo ongeveer tussen 1565 en 1580. En daar spreken ze een soort Nederlands. Kortom, vul de rest maar in.

Ik durf te wedden dat de exacte oorsprong van ‘peekaboo’ in Colchester ligt. En anders wel in Norwich of Hastings.
Afijn, dit allemaal vanwege bovenstaande foto, die ik vanmorgen nam. Dat komt er nou van.

Een heel klein beetje bloedverwant

Na lang speuren weet ik wel ongeveer van wie ik afstam. Genealogisch onderzoek is echter riskant om waarden en conclusies aan te verbinden. Laten we wel wezen. Meestal is het zonneklaar wie de moeder van een kind is. Maar van de vader kan je het nooit helemaal zeker weten. Toch laat ik mij graag meeslepen door een tot de verbeelding sprekend verleden. Wat mij uitermate fascineert, is dat ik van Franse komaf ben.

Nu is dat niets bijzonders. Half Noord- en Zuid-Holland stamt af van Hugenoten.
Maar ik heb nu eenmaal donkerbruin haar en zie dat graag als een kenmerkend teken. Dat er evengoed blonde mensen in mijn familie zitten (of zelfs in Frankrijk rondlopen), is een vergissing van Moeder Natuur. Voeg hier mijn gebruikelijke breedsprakigheid aan toe – als jullie toch eens wisten hoeveel tekst ik schrap – plus mijn naturelle uitspraak van de Franse taal. Dan weet je het zeker. Dat is de Franse invloed en mijn aangeboren tongval.

Ik herken de ene na de andere karaktertrek in het programma ‘Op zoek naar Frankrijk’. Zoals de koppigheid van de Bretons. Mijn voorouders komen uit een andere regio. Maar die oude Hugenoten waren ook behoorlijk standvastig en eigenwijs. Dus dat zit gewoon in de genen. Of die verwanten uit het noorden van Frankrijk kwamen, dat toen grotendeels bekend stond als de Zuidelijke Nederlanden, is vanzelfsprekend irrelevant. Want ik heb Franse voorouders aan zowel vaders- als moederskant.

Nou ja, van mijn vaderskant moet gezegd dat het wel een enigszins fragiel lijntje is.
Ik heb het berekend. Want ik kwam een portretje van de broer van mijn voorvader in de zevende generatie tegen. Dus een volle zoon (mag ik aannemen) van mijn voorvader in de achtste generatie. Dan wordt het: generatie 1  = 1 persoon, generatie 2  = 2 ouders, generatie 3 = 4 grootouders, generatie 4 = 8 overgrootouders. En zo voort tot en met de achtste generatie. Dus: generatie 8 = 128 voorouders. Uhm, ja. Waarvan één man en één vrouw Frans zijn. Nou ja, ze spreken Frans. Denk ik. Want ze komen uit Luik. Pardon: Liège. Of daaromtrent. Nou ja, daar ergens dus. (Ik moet dat nog opzoeken, eigenlijk.)

Maakt allemaal niets uit! Ik heb een afbeelding van hem, mijn Franse achttiende eeuwse bloedeigen verwant.

Op straat slapen

Ik heb drie nachten in mijn leven noodgedwongen op straat doorgebracht. Twee keer na afloop van het Rock Torhout festival in België. Daar miste ik de laatste trein. En een keer op het station van Lille in Frankrijk. Toen miste ik ’s avonds door vertraging in België mijn aansluiting naar Sedan.

In de laatste aflevering van het EO-programma Arm in Nederland? Eigen schuld! brengen twee vrouwelijke deelnemers ook een nacht op straat door. Ze hebben dan al veel mee- gemaakt: steeds minder te besteden, huis leeggehaald door de deurwaarder, huis kwijt en illegaal in een caravan slapen. Elke dag spreken ze mensen die in een vergelijkbare situatie zitten. Zo ervaren ze hoe het is, wanneer je volledig berooid bent nadat alles in het leven misgaat.

1985_torhoutDe eerste keer in Torhout was mijn eigen fout. Het festival ging door tot middernacht. Ik besefte niet dat de laatste trein naar Brugge, waar mijn hotel was, al om 21.30 uur vertrok. (Wie verzint zoiets nou bij een popfestival waar tienduizenden mensen op af komen?)

De tweede keer was ik dus gewaarschuwd en verliet ik tijdig het terrein. Althans dat was ik van plan. De bewaking hield mij echter tegen. Er liep al zo’n massa via die route naar het station, dat de rest een omweg moest volgen. Dat koste geen half uur, maar vijf kwartier. En dus miste ik wederom de trein.

Beide nachten in Torhout heb ik in en voor het station doorgebracht. Zo lang mogelijk binnen, totdat de boel werd ontruimd en de deuren dicht gingen. De eerst keer waren er ook andere festivalgangers gestrand. Het werd toen een gezellige, studentikoze nacht. Er was een Amerikaanse vrouw waar ik urenlang mee heb gepraat.

Maar de tweede keer zat ik alleen voor de deur. Er kwamen regelmatig dronken mensen langs. Met het verstrijken van de tijd werd het steeds kouder, onaangenamer en onveiliger. Ik probeerde de gure wind met een plastic tas voor mijn jas tegen te houden en moest hoognodig naar de wc. Uiteindelijk ben ik opgekruld bij de deur ingedommeld. Tot ik ruw opzij werd geschoven door de portier. Die duwde met de punt van de deur tegen mij aan, alsof ik een hoopje afval was. Als je op straat slaapt, ben je niets.

Mijn nacht in Lille (notabene een voorouderlijke stad) was weinig beter. Per toeval strandde ik er tijdens de Grande Braderie. Die braderie is zo ongeveer het equivalent van koningsdag in Amsterdam. Teruggaan naar huis was te ver, als ik nog naar Sedan wilde doorreizen. En in relatief nabij gelegen steden wist ik niet de weg. Het was het pre-internet tijdperk en ik had geen mobieltje. Bovendien sprak ik toen nauwelijks Frans en kon ik moeilijk informatie krijgen. Ik heb overal geprobeerd een hotelkamer te vinden, tevergeefs.

Na een lange omzwerving met mijn koffertje door de feestende massa, keerde ik uiteindelijk terug naar het station. Ook hier gingen de deuren dicht en werden de taferelen rondom het gebouw tamelijk chaotisch. Eerst waren er nog de vertrekkende feestgangers. Daarna kreeg een schimmiger en luidruchtiger publiek de overhand. Inclusief zwervende probleemgevallen, zoals je in elke grote stad bij stations ziet.

Ik heb urenlang in een bushokje gezeten terwijl politieauto’s regelmatig passeerden.
Rond 02.00 uur kreeg ik gelukkig gezelschap van een hele grote dikke zwarte vrouw. Zij plantte haar African Samsonites pontificaal voor ons beider voeten neer. Of ik mee wilde helpen opletten. Ook zij was gestrand en moest naar Parijs. Ze zat knus en stevig tegen mij aan op het kleine bankje. Ik blij, want met haar erbij voelde ik mij helemaal veilig.

De deelnemers aan het programma over armoede hebben uitgesproken en tegengestelde opvattingen. Ze zijn en blijven overtuigd van hun eigen gelijk. Daar verandert meedoen aan het programma niets aan. Volgens twee jonge mannen is het een kwestie van eigen schuld. ‘Had hij maar geen foute beslissingen moeten nemen.’ ‘Had ze maar alles aan moeten pakken’. Volgens een andere deelneemster kan het door omstandigheden misgaan. Zoals door ziekte of pech. Toch plaatst ook zij soms vragen bij de keuzes die armen maken.

Uitgerekend de drie mannen weigeren de dramatische eindfase: op straat slapen. De één zou zich nog liever van kant maken, als zijn leven zo uitzichtloos zou worden. De twee anderen, van de school ‘eigen schuld, dikke bult’, zijn ervan overtuigd dat het bij hen nooit zo ver zal komen. Zij zullen er alles aan doen om niet zo diep te zinken. Jammer.

Ruim achttien jaar sinds die nacht in Lille kijk ik terug op mijn nachtelijke avonturen. Zeker, nu zou ik andere keuzes maken. Maar ik ben dan ook pas laat assertief geworden. Buitenstaanders kunnen makkelijk oordelen. Ik ben door die paar nachten op straat vooral rijker geworden.

(Bron foto: http://www.oosterlincknet.be/concerts/1985_torhout.jpg)

Nachttrein naar Lourdes

Gisteravond zag ik de ontroerende documentaire ‘Enkeltje hemel’ van Jan Thijssen. Die gaat over één van de laatste ritten met een Belgische trein van Maastricht naar Lourdes. De trein wordt speciaal gecharterd voor zieke en oude mensen. Hij is net zo krakkemikkig als zijn passagiers en valt langzaam uit elkaar. Ook enkele jonge bedevaartgangers komen mee. Eenieder heeft zijn eigen reden om mee te gaan. Ze worden begeleid door een geestelijke en door hartverwarmende vrijwilligers. De Franse spoorwegen geven toestemming voor gebruik van het spoor tot 2017. Daarna gaat de TGV voor.

Nu gaat het niet zo snel. Een deel van de passagiers moet naar binnen worden gedragen. Het is zo’n trein met een gang aan de zijkant en coupés waar zes personen op banken kunnen zitten en slapen. Voorbij de Belgische grens moet een locomotief van de SNCF worden gekoppeld. Maar die is te ver doorgereden en staat zonder stroom. Dat wordt bellen, technici regelen en stilstaan. Ook dit is Europa. Ergens op een onooglijk verlaten station tegen het vallen van de nacht. Een treinlading zieke en oude mensen wacht. Ze ondergaan het gelaten en hervatten de rit met flinke vertraging.

De trein rijdt langs huizen waarin niemand beseft dat er een bijzonder universum passeert. Lokale inwoners ontgaat het fragiele gezang begeleid door akoestische gitaar. Evenals de saamhorigheid en hoe men de moed erin houdt. Ondanks alle tegenslag. De broze liedjes zijn van een kwetsbare schoonheid uit een bijna verloren tijdperk. Dat maakt weemoedig. Even moet ik denken aan het doorspelende orkest op de Titanic.

Alles van waarde is weerloos. De hulp van vrijwilligers en verpleegkundigen komt voort uit pure betrokkenheid. In die trein gebeurt iets waar de professionele zorgsector weinig tijd meer voor heeft. Men weet van de misstanden in de kerk. Maar hier zie je het katholieke geloof van zijn allerbeste kant. Het staat in zo’n schril contrast met agressie en onverdraagzaamheid. Voor deze mensen is het geloof soms hun laatste houvast en kracht.

Van mijn generatie hoor je zelden iemand spontaan in het openbaar zingen of fluiten. Zoals een jonge Spanjaard rustig in een vol restaurant een liedje zingt voor een geliefde. Alles komt uit versterkers, liefst zo luid mogelijk. Want dat wil de massa. De ouderen hadden in hun jeugd thuis geen tv. Dus zorgden ze zelf voor vermaak. Misschien geven vrijwilligers de liederen en levenskunst van de ouderen door aan volgende generaties. Daar in het katholieke zuiden.