Voordelen van de zeven hoofdzonden – 1 Luiheid

Acedia (luiheid), Avaritia (hebzucht), Invidia (afgunst), Ira (woede), Superbia (hoogmoed), Gula (gulzigheid) en Luxuria (wellust). Met name katholieken geloven dat Jezus stierf om de mensheid van deze zeven hoofdzonden te verlossen. Volg je het nieuws en onze geschiedenis, dan lijkt zijn daad vergeefs. Maar ik zie wel vooruitgang. De zeven hoofdzonden zijn minder kwaadaardig dan men vroeger dacht. Ik wil ze daarom in een ander licht plaatsen. Vandaag te beginnen bij acedia, ofwel luiheid.

Feestaardvarken met mutsVan nature proberen mensen hun energie te sparen. Dat is een overlevingstechniek en daar is weinig mee mis. Het wordt pas problematisch als een ander hierdoor onevenredig veel moet doen. Bijvoorbeeld om aan eten te komen. Zoals alle hoofdzonden, heeft luiheid direct invloed op de sociale verbanden waarbinnen we leven. Bij luiheid denken we meestal aan te weinig daadkracht. Maar luiheid omvat ook gemakzucht en onverschilligheid.

Sinds de Bijbelse tijd hebben we energiebesparing extreem ver doorgevoerd via efficiënte werk- en productiemethoden. Zo houden we tijd over voor andere zaken of nietsdoen. Toch passen weinig mensen hun leefstijl aan. Ik wel. Gaan mijn verdiensten omhoog, dan ga ik minder werken. In de vrijgekomen tijd kan ik lekker nadenken. Veel mensen vinden dat ze ‘zichtbaar’ bezig moeten zijn en onderschatten creatieve denkkracht. Onterecht. Want diverse beroemde geleerden leken notoir lui, maar dachten wel grootse theorieën uit. Zie dit artikel van Timemanagement.nl.

Overigens pleit ik voor meer luiheid. Want zo lang we roofbouw plegen, heeft de aarde daar baat bij. Hoe minder productie, hoe beter. Tenzij we onze mentale luiheid afschudden en duurzame methoden invoeren.

In een prestatiegerichte maatschappij is het belangrijk om te laten zien wat je doet. Toch zitten we allemaal verschillend in elkaar. De een blinkt uit in planning en strategie. De ander staat te stuiteren en wil meteen aanpakken. Zet je een denker op een doenersklus, dan kan het lijken of hij weinig uitvoert. Terwijl het gewoon een mismatch is. Of stel dat je ergens niet goed in bent en het moet snel gebeuren. Dan laat je dat liever over aan een ervaren persoon. Ik zie dit eerder als een rationele keuze dan als lui gedrag. En wellicht gaat het om faalangst, wat met luiheid kan worden verward. Daarover schrijft Cees Schenk in Luiheid bestaat niet.

Veel situaties vergen een ferme houding en doorzettingsvermogen. Onze westerse economie laat dan ook weinig gelegen aan mensen die moe zijn. Het werk wacht, de hypotheek moet betaald. Terwijl iemand die moe is beter kan luisteren naar zijn lichaam en rustig aan kan doen. Moeheid is geen luiheid. Chronische vermoeidheid kan duiden op ziekte of depressie. Ik pleit voor de Samoaanse benadering. Als je moe bent, wordt je vrijgesteld van werk. In plaats daarvan besteed je tijd aan jezelf.

Luiheid is zelden wat het lijkt. Kwalijke luiheid zit vooral in het hoofd, bij mensen die te weinig doordenken.

Een bijna hysterisch dagje Deventer

Deze zondag wil ik naar Deventer gaan. De zon schijnt. Ik check of er wat te beleven valt en zie dat er kerstmarkt is. Leuk. Dan loop ik een stukje langs de IJssel en pak ik het oude stadscentrum met die markt gelijk mee. Bij aankomst is het wel wat druk op het station. Is die kerstmarkt hier zo populair dan? Buiten begint er iets te dagen: Dickens Festijn. Nou prima, dan gaan we daar ook heen.

Ik ben ooit eerder naar dat festijn in Deventer geweest, ergens begin jaren negentig. Het was toen een gemoedelijke boel. Je kon op je gemak overal door de binnenstad slenteren. Mensen in historische kostuums zongen liedjes, bootsten oude ambachten na en zorgden voor vertier. Zou dat nu weer zo zijn?

Bij de stoplichten voor het station staan twee verkeersregelaars. Ze houden rood-witte linten voor het zebrapad. Iedereen wacht rustig tot het licht op groen springt en die twee opzij gaan. Even verderop neonletters in een lichtkrant: ‘Wachttijd Dickens Festijn 1 uur.’ en ‘Pas op uw tas’. Jee, wachten, waarom dan?, denk ik nog. Verderop in de straat staan hele rijen dranghekken. Krijg nou wat.

Kort na het begin van de hekken worden we een zijstraat in geleid, en dan weer met een bocht terug richting de straat waar we net vandaan gekomen zijn. Het lijkt hier Schiphol wel. Wat ís dit?! Met stijgende verbazing loop ik door, te midden van een steeds verder indikkende rij mensen, tot iedereen vast komt te staan. Lees verder “Een bijna hysterisch dagje Deventer”

Over drukke en rustige mensen

Deze week was ik te gast bij een nog vrij nieuw gevormd paar. Haar ken ik al jaren van wandelingen in het midden van het land. Hem ook, maar dan van wandelingen in een andere regio, dus apart. Haar zag ik slechts af en toe. Hem zag ik vaker. Het is een rustige man. Allebei zijn ze aardig en verlangen ze naar een stille woonomgeving. We spraken dan ook vaak over onze woonervaringen. Zo ontstond er de afgelopen jaren een vervolgverhaal. Zij heeft inmiddels haar huis verkocht en het zijne staat sinds kort te koop. Ze willen verhuizen naar een dunbevolkt deel van het land. Nu zij bij hem is ingetrokken, nodigden ze mij uit.

Hij woont op een stuk grond waarvan ik alleen maar kan dromen. Negentiende-eeuws vrijstaand huis met puntdak. Slechts de rood/witte luiken uit mijn ideaalbeeld ontbreken. Riante tuin rondom. En dan dat uitzicht vanuit hun doorzonaanbouw … Een eigen weiland waar zijn paard kan ronddartelen, zo ver als het oog reikt. Naar mijn idee. Ik mag dan een ex-Randstedeling zijn, zelfs nabij Apeldoorn is dit geen doorsnee perceel. Maar grenzen verschuiven. Hij vindt het wat krap worden, want bebouwing kruipt steeds naderbij.

Ik had er graag langer willen rondbanjeren. Een praatje met de kippen maken, even bij de schaapjes in hun schuur langsgaan en dan een bezoek aan het paard brengen. Nu werd het een korte rondleiding samen met hem. Hij heeft alles eigenhandig gebouwd.

Daarna gingen we zitten en voerde vooral zij het gesprek. Ze is vriendelijk, belangstellend en, meer dan eerder opviel, een prater. Het werd een wat vreemde gewaarwording. Want ik ken ze afzonderlijk als volwaardige gesprekspartners, terwijl hij nu vrijwel in het geheel verdween. Kennelijk zat hij er niet mee. Maar ik vond het jammer. Qua gespreksstof is hij boeiender en nu raakt hij ondergesneeuwd. Hopelijk verandert dat weer als de nieuwigheid er af is. Want anders blijft de rust ver te zoeken; waar ze ook heen gaan.

Weelderige stilte en weldadige rust

Sinds vorige week staat het huis van mijn buren te koop. De buurman kondigde het al een poosje geleden aan. Dat was schrikken. Toen ik hier kwam wonen, kon ik namelijk slechts hopen dat het stiller zou zijn dan waar ik vandaan kwam. En met deze buren trof ik het.

Ik besef maar al te goed wat een luxe stilte in ons land is. Al tijdens de eerste nacht, na alle hectiek van de verhuizing, overviel mij de weldadige rust. Ook overdag is het hier onvoorstelbaar stil. Als ik geen muziek op zet, hoor ik binnen vrijwel niets. Nu ja, de merel die buiten fluit. Dat is het dan. En eens in het kwartier passeert er een auto.

In de tuin hoor ik wat meer geluiden. Een hond, die af en toe aanslaat. Een hongerig pasgeboren meisje, drie huizen verderop. En op vrijdagmiddag een paar keuvelende mensen in hun achtertuin, onderbroken door een lachsalvo. In het weekend hoor je wat meer rumoer, als veel mensen thuis zijn. Maar dit alles is niets vergeleken bij de onrust op mijn vorige adres.

Zo’n stilte als hier ’s nachts normaal is, kende ik vrijwel niet in Nederland. De vier plaatsen waar dit zeldzame fenomeen mij eerder opviel, som ik zo op. De krater van de Pico del Teide op Tenerife, de Sonorawoestijn in Arizona en de Outback in Australië. Je moet wel heel ver uit de buurt van mensen gaan, wil je zo’n intense stilte ervaren. Want stuk voor stuk zijn dit desolate oorden.

Inmiddels besef ik zo goed hoe bijzonder de stilte hier is, dat ik muziek soms bewust weg laat. Om van de stilte te genieten. Stilte is waardevol en daarom weerloos. Bijna niemand realiseert zich nog hoe aangenaam volledige stilte kan zijn. En wat een weelde stilte is. Wie weet hoeveel we hier in het westen al hebben verloren. In traditionele Iraanse muziek bijvoorbeeld, mag je de stilte gewoon horen.

Wandelen in de pauze

Als ik op kantoor werk, ga ik in de pauze graag naar buiten voor een ontspannende wandeling. Door zo’n uitstapje krijg je beweging en meestal frisse lucht. Het voorkomt beeldschermogen en stimuleert de bloedsomloop. Daarna kan je eventuele vraagstukken objectiever bekijken. Je kan ook even een boodschap halen of privé iets regelen. Een wandeling tijdens de lunch biedt allerlei voordelen. Maar meningen verschillen hierover.

Bij mijn eerste werkgever kopieerde ik nog het gedrag van mijn collega’s. Die bleven tijdens de lunch aan hun bureau zitten en aten daar hun meegebrachte bammetjes. Bij mijn tweede werkgever mocht dat niet. Je kon kiezen: of met de hele meute tegelijk naar de kantine, of naar buiten. De keuze was snel gemaakt. Naast ons kantoor stond namelijk een winkelcentrum en aan de voorzijde lag een park. Sindsdien ga ik overal eropuit.

Bij sommige bedrijven wordt je geacht ‘gezellig’ met de afdeling in het restaurant te lunchen. Doe je dat niet, dan denken collega’s al snel dat je hen niet leuk vind of zo. Je hebt ook managers die graag hun volkje om zich heen verzamelen tijdens de pauze. Dat ontaardt al gauw in plichtplegingen en verkapt werkoverleg. Zo’n gedwongen lunch brengt mij in een lastig parket. Want als ik niet naar buiten mag, val ik ’s middags haast in slaap. Eén manager accepteerde daarom dat ik aansluitend op de gezamenlijke lunchpauze alsnog buiten een ommetje maakte. In haar tijd.

Elke manager of collega mag met mij meewandelen. Als onze gesprekken maar zo min mogelijk over het werk gaan. Toch heb ik ooit tijdens een pauze een sollicitatiegesprek buiten de stad gevoerd en prompt een nieuwe baan gekregen.

Ik heb het weleens slecht getroffen qua omgeving. Maar na enig zoeken kan je bijna overal een aangename route vinden. Op tal van locaties liggen sporen van mijn pauzerondjes. Het zijn vaak verkeersluwe routes met veel groen en mooie huizen. Binnenkort kan ik hopelijk weer aanhaken op één van de fraaiste stukjes daarvan.

Time management in Samoa

Onlangs ontving ik een uitnodiging voor een sollicitatiegesprek op een collectieve feestdag. Tegenwoordig lijkt alles 24/7 door te gaan. Tijdsbesef is kenmerkend voor verschillen tussen culturen. Zelf ben ik van nature een mengeling van een beetje Noordzee met golven Méditerranée en Stille Zuidzee. Qua tijdsgevoel dan en dit is soms onhandig in de Randstad.

Als ik hier ben, pas ik mij tot op zekere hoogte aan. Dat moet wel, anders loop je aan alle kanten vast. Ik heb werkweken gekend van drie dagen, maar ook van zeven dagen. Toen ik met het opstarten van mijn bedrijf bezig was, had ik een vaste baan voor dertig uur per week. In combinatie werkte ik regelmatig van 7 uur ’s morgens tot 11 uur ’s avonds. Als je gedreven en bevlogen bent, kan je enorm veel aan.  Ik besef waarom veel zelfstandig ondernemers zoveel uren werken. Vaak doen ze dat werkelijk uit vrije keuze en paradoxaal geeft hen dat een gevoel van vrijheid. Ik deed het graag. Alleen niet voor altijd.

Als je in Western Samoa bent, is het niet vreemd wanneer de bus drie uur later vertrekt dan oorspronkelijk gepland. De chauffeur gaat op het afgesproken tijdstip eerst nog een rondje rijden door de stad. Hij haalt hier wat stekken van bananenplanten op en daar enkele passagiers. Hij rijdt even langs het benzinestation en stopt dan bij het café om de hoek. Alle passagiers stappen op hun gemak het busje uit en nemen plaats op het terras. Een kwartiertje later kruipt het hele stel weer terug in de bus. Minus één die voor de gezelligheid meereed. De rit gaat weer verder, terug naar het busstation. Even wachten, sigaretje roken, praatje maken, een paar schoppen tegen banden geven, nog een passagier met grote pakketten verwelkomen en dan, uiteindelijk, gaan we eens op pad. Da’s heel normaal hoor. Hopelijk heb je geen darmkrampen, zoals mijn reisgenoot toen had, want dan wordt het wel een martelgang.

Gewoonlijk is zo’n busrit een heerlijke gelegenheid om de couleur locale op te snuiven. Dat snuiven gaat goed, want alle ramen staan open en bij een temperatuur van 30 graden ruik je ook wel eens wat van je samengepropte medepassagiers. Die overigens moddervet zijn, ook dat is heel normaal in Samoa. Want het leven is daar behoorlijk goed. Zeker als je familie hebt in Auckland of Los Angeles die regelmatig wat geld toestuurt. Kan je weer een nieuwe TV kopen. Van oudsher is er voedsel in overvloed en tot de blanken kwamen, waren er weinig ziektes in het eilandenrijk. Er werd weleens een stammenstrijd gevoerd, maar dat mag geen naam hebben. Stoere mannen moeten tenslotte hun energie kwijt.

In Samoa kan het gebeuren dat je in de middag bij je strandhut arriveert. Zo’n rieten bouwwerk op palen met gevlochten matten die je ’s avonds als muur naar beneden kan laten zakken. En dat de matrassen dan nog niet van lakens zijn voorzien. Gewoon, omdat de eigenaresse moe is. Moe, dat begrijp je toch wel. Dan doe je dus even niets. Heel normaal.

Ik vind dat inderdaad normaal. Voor een doorsnee gestreste westerling is het even wennen. Maar met een beetje geluk daalt dan de wijsheid van hun leefwijze in. Want er schuilt een grote waarheid in het paradijselijke van Polynesië. Die omschrijving is er niet alleen vanwege de werkelijk mooie mensen en schitterende landschappen, de overvloed aan voedsel en schone omgeving. Het zit hem vooral in hun time management.

En ik, ik stapel door mijn reizen cultuurschok op cultuurschok, en wil nooit meer aan onze 24/7-leefwijze wennen. Ja, dit lijkt haaks te staan op wat hierboven staat over zelfstandig ondernemen. De clou zit hem in keuzevrijheid. En in luisteren naar je lichaam en geest.

Fijn pinksterweekend!

Fietstochtje in de Randstad

We schrijven 16 maart 2003. Het is zondag, de eerste fraaie lentedag van het jaar. Strakblauwe hemel, stralende zon, de temperatuur is aangenaam. Vandaag geen dikke jas aan. Voor mijn woonkamer onderhouden eksters hun nest hoog in een boom. De buitenwereld trekt en ik bedenk een fietsroute langs polders en recreatiegebieden. Met zonnebrandcrème en opgepompte banden vertrek ik. Na een kwartier nader ik de rand van de bebouwde kom. Daar staat een café met terras aan een oude trekvaart. Het zit al vol dagjesmensen die ook op de fiets of motor toeren. Plezierbootjes varen langs. Anderen willen eveneens van het voorjaar genieten.

Het smalle landweggetje met boerderijen naast de vaart is populair. Oorspronkelijk kwam hier alleen bestemmingsverkeer. Nu gebruiken zwierige skaters de volle breedte van de baan. Ik kom hordes fietsers tegen. Plus jongens op knetterende brommers, bejaarden in scootmobiel, auto’s, en moeders met kinderen in een grote bolderkar. Twee kleine meisjes kunnen net fietsen. Ze slingeren te midden van de drukte alle kanten op. Wielrenners schieten met een noodvaart overal tussendoor. In de berm staat een lila krokusje er fier kwetsbaar bij. Wat een wonder dat die het uitwijkende verkeer heeft overleefd.

Ik wil naar dartelende lammetjes kijken. Maar daar is geen tijd voor, want ik moet op tegenliggers letten. Zo ontgaat mij eveneens het zicht op een zwanenpaar, op futen die elkaar het hof maken, en op dravende paarden in een wei. In het natuurgebied pal naast de A4 zwermen massa’s watervogels rond. Toch, op een brug bewonderen de meeste passanten het voorbijrazende autoverkeer.

Op het fietspad rij ik verder door weilanden naar het recrea­tiegebied bij Zoetermeer. Ik ken het nog uit mijn jeugd als een ruige, ondoordringbare wildernis. Toen stonden er borden met teksten als: Betreden op eigen risico, of: Drijfzand, levensgevaarlijk! of: Verboden toegang. Dat sprak tot de verbeelding van een kind.

Ik nader een boerderij waar vroeger familie van een schoolvriendinnetje woonde. De gebouwen zijn door zandwinning verzakt en de muren zitten vol enorme scheuren. Ik heb vernomen dat ze nu elk moment kunnen worden gesloopt. Nog even staat de oude woning omringd door hoge bomen ongemoeid aan de hoge dijk. Mijn jeugdherinnering vasthoudend.

Vreemd, een auto op de oprit. De voor- en keukendeur staan wijd open. Een onbekende jongen zit in een tuinstoel op het erf. In het gras bij de schuur staat een romantisch wit tweepersoonsbed. Aan een boerenlandweggetje. Ooit gevoelsmatig gelegen in the middle of nowhere.

Mijn idyllische herinnering wordt ruw verstoord zodra ik door fiets. Over een lengte van tweehonderd meter is een hele rij auto’s in de berm geparkeerd. De buren hebben namelijk een kinderboerderij, waar het op mooie dagen krioelt van het volk. Ondertussen proberen nog meer automobilisten vlakbij te parkeren. Chagrijn en irritatie staan op verhitte gezichten getekend.

Nog maar twintig jaar eerder kwamen bezoekers daar op de fiets voor een zwempartij in de Noord Aa. Je hoorde er leeuweriken zingen. De wind ruiste zachtjes door het riet aan de waterkant. En de prille commercie was van een aandoenlijke onschuld.

De zon trekt zich niets aan van alle drukte en schijnt onversaagd door. Maar ik moet alweer uitwijken voor tegenliggers. Net op de plek van een mooi vergezicht. Ineens heb ik genoeg van de hele rit. Wat doe ik hier? Ik ga naar huis.

Hoe dichter ik het stadscentrum nader, hoe aangenamer het wordt. Op fietspaden is geen mens te bekennen. De drukke toegangswegen liggen er verlaten bij. De stad is een oase van rust. In achterafstraatjes van oude wijken genieten hele families op de zonovergoten stoep. Op terrassen klinkt het gemoedelijke gekeuvel van mensen die nergens heen hoeven. Eenmaal thuis aanschouw ik een bedachtzaam stappende reiger. Het is stil, terwijl hij kikkers uit ons slootje vist.