Het leven is maakbaar, toch?

Als je ergens een probleem mee hebt, dan moet je aan je eigen houding werken. We worden in onze maakbare samenleving voor ons gedrag verantwoordelijk gehouden.

Als je tegen je eigen grenzen aanloopt, en daar ondanks tal van gesprekken in coach-achtige settings niet voorbij komt, dan is dat je eigen schuld. Want als je slachtoffer bent van een misdrijf, bijvoorbeeld, dan moet je aan jezelf werken en met je gevoelens leren omgaan.

Als dat je niet lukt, dan is dat je eigen fout. Want het leven is maakbaar. Alles is oplosbaar, als je maar hard genoeg je best doet. En als je maar gemotiveerd genoeg bent.

Refrein. Want als je je moegestreden voelt, omdat er al jaren dingen spelen die ondanks alle pogingen niet veranderen, en je laat het kopje er bij hangen, dan heb je niet genoeg gedaan. Dan heb je het opgegeven. Dan had je maar meer moeten doen. Wanneer je je terugtrekt, als best leefbare optie uit freeze, fight or flight, en facing evenmin heeft gewerkt, dan wordt dat opgevat als vluchtgedrag.

Terwijl ik toch meende dat je de dingen moet accepteren die je niet kunt veranderen. Dat je dan op basis van zelfkennis mag proberen om met jezelf vrede te krijgen. Dat je daar zelfs mee moet leren leven. Juist wanneer je in tientallen jaren al talloze pogingen hebt gedaan tot verandering. En dat andere mensen jouw keuze dan hebben te respecteren.

Maar als zij dat niet doen, of daar niet mee kunnen leven, wat dan?

Dan ligt het aan jou. Want van de dader kan je niet verwachten dat die zal veranderen. Die is nu eenmaal zo, dus daar moet je maar mee leren leven.

Refrein. Als je je moegestreden voelt …

Te gênant voor woorden

Tot vandaag kon ik met een wijde bocht om zijn ideologie heen draaien. Ik hoefde niet eens zijn naam te noemen. Toch dacht ik bij elke zoekopdracht op internet: Wat zal Google hiervan vinden? Hoe lang kan ik hiermee doorgaan voordat een algoritme mij op een zwarte lijst zet? Want Google weet vast wel wie ik ben. En wie zullen die lijst dan onder ogen krijgen?

Dit gaat een totaal verkeerde indruk wekken. Dit zal mij in een dubieus licht plaatsen. Terwijl ik niets met die andere foute figuren te maken wil hebben.

Ik heb overwogen om via DuckDuckGo ondergronds te gaan, omdat ik voor het onderzoek een boek moet raadplegen waarvan de titel zeer gênant is. Kijk je naar de gravatars en schuilnamen van de mensen die het aanbevelen, dan denk je: Getver! In dit gezelschap wil ik nog niet dood worden gevonden. Maar het is te belangrijk.

Via een omweg heb ik gekeken of het ergens onopvallend te koop is. Want bij bestelling via internet zal ik toch een naam en adres moeten vermelden. En via de betaling achterhaalt men zo wie het heeft aangeschaft. Ik zou nog kunnen vragen of iemand anders het voor mij wil bestellen. Maar wie? Die ander weet dan ook meteen wiens naam er in koeienletters op de kaft prijkt.

Nu heb ik het besteld en straks moet ik de gifbeker leegdrinken, zodra het boek in de bieb klaar ligt. Betrof het maar een geslachtsziekte of zo. Dan zou ik mij misschien minder generen. Echt, hierna mag ik nooit meer een expositie in de plaatselijke bibliotheek organiseren.

Zucht. Maar ik móet weten of iemand anders over hetzelfde traject heeft geschreven.
De titel? Hitler’s Fortresses.

Een tube crème aangesmeerd

Je verwacht dat iemand met levenservaring wel weet hoe zich te gedragen, maar er blijven van die twijfelmomenten bestaan. Neem nu de volgende situatie.

Enkele jaren geleden deelde mijn kapster tubetjes crème uit aan vaste klanten. Deze handcrème beviel mij bijzonder goed. Daarom wilde ik bij het volgende bezoek een tube kopen. Helaas, de tube kwam uit een eenmalige partij en nabestellen ging niet. Toch zou de kapster mijn wens onthouden. Bij een volgend bezoek had ze een andere crème in de aanbieding. Die zou mij vast bevallen. Ze smeerde er wat van op mijn hand, maar deze crème kon mij minder bekoren.

Enkele jaren passeerden, tot de kapster afgelopen november weer een tube tevoorschijn haalde. Ze had toch nog één tube uit die eerste partij gevonden! Ik blij. Ze draaide al gelijk de dop van de tube af en wilde de crème op mijn hand smeren. Vanwege de hygiëne in coronatijd zei ik gauw: ‘Het is wel goed zo, ik neem hem.’, waarna zij er vijf euro voor rekende.

Eenmaal thuis dacht ik dat deze tube er anders uitzag: zwart met een soort accolade als versiering. De tube uit die eerste partij had toch een kleurtje? Hoe dan ook; er stond nog een open pot crème en de tube ging voorlopig de kast in.

Een lockdown volgde en het werd februari. De pot raakte leeg en ik haalde de tube tevoorschijn. Ik schroefde de dop er af en deed wat crème op mijn hand. De substantie voelde veel gladder aan dan ik mij kon herinneren. Vervolgens rook ik er eens aan. Prompt drong er een loodzware muskusgeur in mijn neusgaten. Gètver! Wat bleek? Die accolade was een snor! Ik had mij een mannencrème laten aansmeren door de kapster.

Nu kan je denken: ‘Ach, wat maakt het uit. Dan geef je die tube toch gewoon aan een man.’ Maar de mannen in mijn wereld zijn geen types voor crèmes. Die willen zo’n tube hooguit hebben als je er een machine mee kan invetten. Ook kan je denken: ‘Wat is vijf euro nou helemaal?’ Niet veel, inderdaad. Maar vanwege een langdurig gebrek aan inkomen, vind ik het toch weggegooid geld.

Vandaag had ik weer een afspraak bij de kapster en ik wilde die tube terugbrengen. Nu moet je weten dat deze kapster zich bij confrontaties doorgaans als eerste reactie ergens onderuit probeert te praten. Bovendien kon ik vooraf wel raden wat er zou gebeuren, want kappers hebben het financieel zwaar gehad en dat zou zij mij zeker gaan vertellen. En ja, als andere klanten om die reden extra fooitjes uitdelen, ontstaat er toch een ongemakkelijke situatie.

Ontspannen de operatiekamer in

Bij die binnenoogpretjes van vorige week heb ik jullie op het verkeerde been gezet. Een heerlijk droog stukje over een medische ingreep; zo werd het getypeerd. Wat ik er niet bij heb verteld, is dat ik ternauwernood een aanval van hyperventilatie heb onderdrukt. Beter gezegd: zelfs dat is niet gelukt. De hele behandeling duurde hooguit een minuut en ik heb de injectie met het gas in mijn oog niet eens gezien of gevoeld. Maar het idée, terwijl je volledig aan anderen mensen overgeleverd bent.

Dus toen ik gisteren weer voor controle in het ziekenhuis was, en bleek dat mijn oog toch moest worden geopereerd, en de oogarts meteen een opdracht tot reserveren gaf, en ik bij de balie te horen kreeg: ‘Er is misschien vanmiddag een plekje vrij, maar met zekerheid kunt u morgen om 8.30 uur worden geopereerd.’, toen voelde ik direct weer een paniekvlaag door mijn lichaam gaan. Zo een die acuut misselijk maakt. [Rustig blijven ademhalen nu. Kalm nou.] Ik zei: ‘Doe die van morgen maar.’

Ik ken mezelf, want ik heb al eerder een paar bijna-paniekaanvallen gehad. Een keer in Sevilla, toen ik dacht dat er een inbreker op het balkon van mijn hotelkamer stond. En een keer toen het water van de badkamer recht door het plafond van mijn woonkamer naar beneden kwam. De resterende voorvallen heb ik verdrongen, want in geen van die situaties reageerde ik adequaat. Dus God mocht weten wat ik zou doen als ik in de operatiekamer door een paniekaanval zou worden overmand.

Trouwens, zo’n oogarts wil liever ook geen gedoe. Die staat daar met zijn operatieteam klaar en dan doet een patiënt ineens raar. Maar om een narcose vraag je in tijden van corona ook niet zomaar. Daar zijn wachtlijsten voor. En ‘iedereen’ ondergaat zo’n operatie gewoon bij volle bewustzijn. Bovendien is het lopendebandwerk, dus waar maak je nou zo’n heisa van. Dat hield ik mezelf voor.

Van ellende heb ik een hele avond lang aan alle ontspanningsoefeningen gedacht, die ik ooit heb geleerd. Ogen sluiten, naar je ademhaling luisteren, je van je hele lichaam gewaar worden en alles goed vinden. Dus geen oordelen vellen. Maar op de operatietafel moet je je ogen juist open houden en als ik aan andere dingen denk, hou ik ze niet stil.

Daarna heb ik aan de meest ontspannen momenten in mijn leven gedacht. Op het strand van een tropisch eiland mijn haren wassen in een enorme regenbui. Op een warme rots liggen in een Australische rivier terwijl het lauwwarme water langs mijn lichaam stroomde. De ultieme stilte in de krater van de Pico del Teide, toen ik nog geen tinnitus had. Op een bankje genieten van de eerste warme voorjaarszon. De rustgevende muziekjes die je in elk zweverig toeristenwinkeltje op Bali hoort. Enzovoort. Maar daaraan denken in een operatiekamer hou ik nog geen drie seconden vol.

Daarna kwam er een andere gedachte in mij op. Want waarom zou je zo’n ingreep met hartkloppingen en gierende zenuwen moeten doorstaan? Daar bestaan toch kalmerende middelen voor. Half Nederland is aan de pijnstillers, kalmerende middelen, drugs en alcohol. Dan mag je bij uitzondering toch ook wel eens een pilletje slikken. Zo gezegd, zo gedaan. Ik heb oxazepam gekregen en daarna werd ik al gauw kalm.

Echt, dat calvinistische gedoe is nergens goed voor. Bij de eerstvolgende oogoperatie vraag ik er weer om.

Een vorm van vrouwenhaat

Qua kennis en kunde worden vrouwen standaard lager ingeschat dan mannen; zowel door mannen als door vrouwen. Een gevolg hiervan is dat vrouwen zich veel nadrukkelijker moeten bewijzen om serieus genomen te worden. Dat blijkt uit een onderzoek waarnaar eind vorig jaar werd verwezen in een krantenartikel over de positie van Nederlandse vrouwen. Het artikel heb ik niet bewaard. Wel herinner ik mij, dat er elders in die tekst het woord ‘vrouwenhaat’ staat.

Het heeft lang geduurd, maar eindelijk is bij mij het kwartje gevallen. Dat artikel werd een openbaring en het werd een verlate gewaarwording. Want sinds dat artikel besef ik pas, dat het stelselmatig minder serieus nemen van vrouwen feitelijk één van de subtielere gedaanten vormt van vrouwenhaat. Daar moest ik dan bijna 58 jaar oud voor worden.

Vrouwenhaat heb ik altijd geassocieerd met de extremere uitwassen, zoals ik die voornamelijk ‘ken’ uit een aantal ontwikkelingslanden. Het woord riep bij mij ook beelden op van zwaar gefrustreerde blanke Amerikaanse mannen. Bepaalde ultra-conservatieve Trump-stemmers, bijvoorbeeld. Maar vrouwenhaat als fenomeen in Nederland? Daar had ik zelf geen ervaring mee, dus daar kon ik mij minder makkelijk iets bij voorstellen.

Tot dat artikel. Ineens vielen diverse raadselachtige puzzelstukjes op hun plek. En ineens verscheen daar die rode draad tussen de losse voorvallen.

Het is maar een spelletje, hoor

Vandaag heb ik mijn wekelijkse sportuurtje opgezegd. De directe aanleiding is het gedrag van een van de mannelijke deelnemers. Die bewaart namelijk geen afstand. Dat was trouwens al zo voordat de coronacrisis uitbrak.

Het gaat om kleine incidenten en er is weinig onbetamelijks aan. Al ben ik daar bij hem niet helemaal zeker van. Die twijfel, die argwaan, die roept hij zelf op. Door bij ieder incidentje gelijk te roepen: ‘Sorry’. Met zo’n onschuldig lachje er bij, alsof hij er ook niets aan kan doen. Om daarna meteen weer door te gaan.

Misschien hoort dat meteen doorgaan wel bij ‘sportief’ gedrag. Dan heb ik zeker een bepaalde code gemist. Medespelers kunnen dan zeggen: ‘Joh, maak er geen probleem van; hou het leuk.’ En bij bepaalde types is deze populair: ‘Het is maar een spelletje, hoor.’

Als je hoort wat zijn leeftijd is, dan geloof je dat nooit. Hij is tachtig, maar was vroeger gymleraar van beroep. Eerst dacht ik dat hij net met pensioen was, want hij is super fit. Dat geeft hem vast een kik. Hij etaleert zijn goede conditie graag en dat begrijp ik best. Het is toch machtig als je afgetrainde lichaam het op die leeftijd nog zo geweldig doet.

Ook is hij veruit de snelste en behendigste van ons allemaal. Daarom vraag ik mij wel af waarom hij bij balspelen zo vaak tegen medespelers op botst. En de anderhalve meter afstand regel geldt hier nog steeds. Ter verklaring zegt hij dat het gebeurt omdat hij zo ‘enthousiast’ is.

Soms neemt hij letterlijk de leiding over. Dan laat deze oud-gymleraar ons wel even zien hoe het moet. Afijn: toen hij vandaag secondenlang een medespeelster beetpakte voor een ‘instructie’, zonder dat er iemand ingreep, en hij dat vervolgens bij mij wilde doen, wist ik genoeg.

Vrouwen in een reisgezelschap

Blijkbaar moet ik nog iets met die vrouw van die groepsreis in Madagaskar, waar ik gisteren over schreef. De komst van mijn oude vriendin is de trigger geweest. Zij was geen deelnemer, maar er was wel een vergelijkbaar voorval met onze zzp’ende collega, een andere vrouw. Mijn conclusie is dat ik iets had, wat die andere vrouwen ook wilden hebben. Wat mij nu interesseert, terugkijkend na zestien jaar en met de mensenkennis van nu, is wat er toen feitelijk is gebeurd.

Ik haal het fotoalbum van die rondreis in Madagaskar tevoorschijn en kijk of ik bepaalde zaken kan reconstrueren. Wie waren de spelers en wat was hun positie binnen de groep? Waren de omstandigheden zoals ik ze mij herinner? Kan ik nagaan hoe de onderlinge verhoudingen waren en welke indrukken we bij elkaar achterlieten? Er zit een volledige lijst met deelnemers in het album. Via internet heb ik ze allemaal zo getraceerd.

Ten eerste. Die rondreis was zeer zwaar. Dat is ontegenzeggelijk waar. Hij viel in de hoogste categorie: het expeditie niveau. Dat was voor vertrek niet goed duidelijk gemaakt. Reizen in ontwikkelingslanden is sowieso minder makkelijk. Daarbij was de reisleider onervaren en het programma overvol. En een achtergebleven koffer in Parijs ontregelde gelijk alles.

Ten tweede. De kamers waren op indeling. Daar was ik toen al geen voorstander meer van, maar het was de enige optie. Ik ontmoette de groep voor het eerst op Schiphol en na aankomst in Madagaskar ging het bij de kamerindeling direct mis. Op basis van geslacht werden we verdeeld over twee- en drie-persoonskamers. Er waren negen mannen en vijf alleen reizende vrouwen.

Herstel. Waarschijnlijk ging het al eerder mis. Namelijk kort voor vertrek op Schiphol. Ik wilde na het inchecken eerst nog even een rondje lopen langs de winkels. Vandaar dat ik niet meteen bij de rest aanschoof. Het is een detail, maar toch. Voordat je het weet, haalt een groepsgenoot zich van alles over zo’n soloactie in het hoofd.

Mogelijk hadden enkele vrouwen al een team gevormd voordat we aankwamen bij het eerste hotel in Madagaskar. Zo gaat dat bij groepsreizen vaker. Je drinkt samen een kop koffie en denkt: ‘Hm, misschien is zij wel iemand om straks de kamer mee te delen.’ Of je staat bij de balie, de reisleider deelt de sleutels uit en hij vraagt ‘Wie?’ Je kijkt naar een van je groepsgenoten die je wel aardig lijkt, knikt naar elkaar, en roept ‘Wij’. Of de groepsleider roept de namen in alfabetische volgorde af. Ik kan mij dit niet scherp herinneren.

In elk geval ontbrak bij aankomst die koffer. De koffer was van een vriendelijke, zij het wat aparte vrouw. Ze zag er enigszins hippie-achtig uit en ze had zeer specifieke gewoonten, zo bleek al gauw. Onderweg had ik haar nauwelijks opgemerkt en met de overstap in Parijs was het een lange heenreis geworden. Daarom was ik vooral moe. Maar zij werd dus mijn vaste kamergenote op die rondreis van 24 dagen.

Die eerste avond na aankomst was ze erg onrustig. Ik begreep dat wel. Haar koffer was achtergebleven. Daarom had ze overhaast toiletartikelen en slecht passende kleding moeten kopen, terwijl de rest van de groep in de bus wachtte. En zonder haar eigen spullen kon ze haar vaste rituelen niet uitvoeren zoals ze gewend was. Rituelen, ja. Die mij heel wat uurtjes aan nachtrust zouden gaan kosten. Alle handelingen moest ze in de juiste volgorde op gezette tijden uitvoeren. Ze was een beetje alternatief, op het zweverige af.

Mijn kamergenote was beslist aardig en we hadden zelfs enkele raakvlakken. Maar haar vaste ochtendritueel was toch wel problematisch. Misschien was dat ritueel minder storend geweest, als zij haar eigen koffer bij zich had gehad. Ik slaap licht en word wakker van ieder geluid. Terwijl haar hele bezit verpakt zat in een verzameling knisperende plastic zakken.

Het ritueel. Mevrouw stond elke ochtend stipt om 04.00 uur op. (Rinkelderinkel van de wekker.) Vervolgens ging het licht aan in de kamer (plop). Dan begon het geritsel van haar vele plastic zakjes. (Knisperde-knisperdeknisper.) Afgewisseld met het gerammel van haar metalen beker. (Klangggg. Boink.) En het geroer met haar metalen lepel. (Ggrrgggrgggrgg, pok pok.) Tussendoor moesten er ingrediënten worden gezocht. (Knisperdeknisper deden haar plastic zakjes, rrrrrr, deed een rits, plok deed de lepel wederom in haar beker.) Enzovoort.

En dat tijdens een toch al mentaal en fysiek zeer uitputtende reis.

Ze was er niet van af te brengen. Ik probeerde rede, ik probeerde zachte dwang. Ik heb boosheid geprobeerd. Maar ze kon niet anders, zei ze. En waarschijnlijk was dat zo. Zij sliep eveneens slecht, want ze was het kamerdelen niet gewend, vertelde zij.

In overleg zijn we naar de reisleider gestapt en hebben we om een oplossing gevraagd. Konden we om beurten rouleren met de andere vrouwen die een drie-persoonskamer deelden? Konden we bij sommige hotels een extra eenpersoonskamer krijgen, zodat we tussendoor meer rust zouden vinden? Was er nog een alternatief? Hij dacht erover na en ging praten met de andere vrouwen.

En jawel, er kwam een alternatief. Om en om zouden we, waar mogelijk, een eenpersoonskamer krijgen. De ander deelde op die dagen de kamer met de drie overige vrouwen. Ik weet niet meer of het dan een vierpersoonskamer betrof, of twee tweepersoonskamers. Maar gelijk bij de eerste keer ging het al mis.

Mijn vaste kamergenote zou die avond met de andere vrouwen een kamer delen, terwijl ik de eenpersoonskamer kreeg. We waren halverwege de middag bij het hotel aangekomen en ik genoot enorm van het vooruitzicht om de hele kamer voor mezelf te hebben. Dus gooide ik mijn spullen lekker overal neer, haalde mijn hele rugzak overhoop en ging heerlijk lang onder de douche. Althans, dat was waar ik stond toen er hard op de buitendeur werd gebonkt. Ik wou echt niet onder de douche vandaan, maar de reisleider eiste dat ik onmiddellijk naar buiten kwam.

Wat was het geval? Die troela’s in de andere kamer konden niet overweg met mijn vaste kamergenote en dus moest ze maar opzouten daar. Dat ik onderhand oververmoeid was, boeide hen niet. De onervaren reisleider was nauwelijks opgewassen tegen deze vrouwen en ging er in mee. Dus heb ik drie weken lang de kamer gedeeld met mijn kamergenote en haar vaste ochtendritueel. Ik ben in mijn hele leven nog nooit zo gesloopt geweest als toen.

En u raadt het al, één van die aso troela’s was zo geïnteresseerd in mijn toenmalige werkgever. Haar naam begint met een C.