Geld aannemen of niet?

Na een wandeling rolt er een knoop van mijn oude winterjas af. Ik naai hem weer vast. Die jas kocht ik in 2009, zes maanden na het einde van mijn laatste vaste baan. Het was toen een welbewuste aanschaf. Want ik voorvoelde dat ik mogelijk geen vast werk meer zou vinden. Laat staan werk dat inhoudelijk evenveel voldoening gaf.

Uit voorzorg verving ik overtollige spullen door goederen die jarenlang hun waarde behouden. Zoals degelijke huishoudelijke apparaten. Een paar stevige laarzen. Die warme winterjas waarmee ik overal goed voor de dag kom. Klassieke kledingstukken van kwaliteitsmateriaal. En later, op mijn nieuwe adres, liet ik gelijk al het onderhoud plegen dat nodig was. Zodat ik nog jaren vooruit kon.

Met vriendin F wandel ik van Amersfoort naar Hoevelaken. Ook zij is na een reorganisatie weg gegaan. Het verschil is dat zij als hooggeplaatste provincieambtenaar een riante regeling kreeg. Financieel gezien gaat het haar uitstekend. Feitelijk weet ze niet wat ze met al haar geld aan moet.

Meer vrienden en vriendinnen staan er zo voor. We hebben allemaal een huis in eigendom. Of twee. Of zelfs drie. Dat krijg je met vijftigers en zestigers die het tij jarenlang mee hebben gehad. Een aantal van hen kon tijdig de dans ontspringen op de arbeidsmarkt.

Buiten de stadsmuren van Amersfoort vertelt vriendin F over actuele tentoonstellingen. Ze noemt die over Nubië en vraagt of ik er naartoe ga. Maar Nubië ligt in het huidige Soedan. En Soedan raakt nog altijd een enigszins gevoelige snaar. Want Soedan staat gelijk aan een niet doorgegane dienstreis die het begin van het einde van mijn carrière heeft ingeluid.

Pas jaren later heb ik beseft dat het een hoe dan ook aflopende zaak was. Alleen ben ik degene bij wie alles anders is gegaan.

Vriendin F kan hard zijn. ‘Het was je eigen keus’, zegt zij weleens. Daarmee bedoelt ze dat ik mij uiteindelijk bij een noodgedwongen vertrek heb neergelegd. Dat is waar, maar hier kleeft wel een geschiedenis aan. En mijn gezondheid ging eraan. Dat is een nuancering waar niemand omheen kan.

Vriendin F weet hoe ver ik mijn uitgavenpatroon heb teruggeschroefd. Ze werd er vanzelf mee geconfronteerd, omdat ik niet langer dezelfde leefstijl aanhield. Enkele anderen kregen daar moeite mee en hebben me mijn ‘keuze’ verweten. Hen hoef ik niet meer te zien. Vriendin F doet stevige uitspraken, maar zij is wel voor rede vatbaar en gaat beter met de situatie om.

Vlakbij Hoevelaken biedt ze het voor de tweede keer aan. Als ik dat wil, kan ik zo geld van haar krijgen. Maar ik wil dat niet. Ik heb nog genoeg en mede daardoor kan ik zonder afgunst naar de welvaart van anderen kijken.

Of naar het geluk dat ze toevallig hebben. Want neem nu de kinderen van mijn buurvrouw. Zij krijgen als startkapitaal alles mee aan intellect, contacten, mensenkennis en opleiding. Het is meer dan zo veel anderen ontvangen op de drempel naar volwassenheid.

Ik zou pas geld willen aannemen als het echt niet anders kon. En dan nog op uitdrukkelijke voorwaarde dat er geen enkele voorwaarde aan wordt verbonden.

Hoe denk jij over geld aannemen van vrienden?

Wie het zieligst is

Hoor je 80-plussers met elkaar praten, dan komen geheid alle denkbare ziektes en kwalen voorbij. Hoe erger hoe beter. Daar maak je in hun kringen indruk mee. Zo werkt het ook met voorzieningen voor ouderen. Hoe meer voorzieningen je nodig hebt en krijgt, hoe beter. Helaas gelden er wel drempels.

Onlangs hoorde ik een 85-plusser verzuchten dat ze geen huursubsidie krijgt. Ze leeft ‘alleen van haar AOW’, terwijl ze in een sociale huurwoning verblijft. Ze heeft geen recht op subsidie, omdat ze te veel spaargeld heeft. De grens ligt bij € 30.000. Ze is te rijk en dat is erg, vindt zij. Regeltjes kunnen wrang uitpakken, daar weet ik alles van. Ik neem elke maand meer spaargeld op dan zij en kan voorlopig slechts dromen van de AOW.

Maar toch. In dit land ben je zelfs als hoogbejaarde miljonair zonder ziekte of subsidie nog meelijwekkend.

Voordelen van de zeven hoofdzonden – 6 Gulzigheid

Met de volgende hoofdzonde in de serie belanden we bij gulzigheid (Gula). Ook wel vraatzucht of onmatigheid genoemd. Ik vraag me af of dit zo’n grote zonde is, zeker als het om eten gaat. Wellicht zegt de keuze voor deze hoofdzonde meer over het instituut dat ze heeft opgesomd: de katholieke kerk. Eeuwenlang moesten we hard werken voor voedsel en andere levensbehoeften. Nu is er een enorme overvloed. Voor iedereen is er genoeg. Alleen is de verdeling ongelijk en draaien veel productiemethoden op roofbouw.

Toch, zeg je vraatzucht, dan denk ik direct terug aan een Brabantse reisgenoot. Ik ontmoette hem tijdens een groepsreis in Indonesië. Hij was minstens een kop groter dan ik en tonnetje rond. Doorgaans was hij de gemoedelijkheid zelve. Tenzij er wat te halen viel.

Eten, vooral. Maar ook de voorste plek in de bus en de prominentste plaats bij elk uitkijkpunt. Dan zag de rest weinig meer vanachter zijn grote lijf. Op het vliegveld moest hij persé als eerste door de slurf. Zelfs als er werd omgeroepen dat gezinnen met kleine kinderen voor mochten. Wat, opzij gaan? No way. Hij bleef dringen bij de gate en blokkeerde met al zijn vet de volle breedte van de doorgang.

We gingen op Bali ‘s avonds naar een show met muziek en elegante danseressen. Vooraf kregen we een diner met overheerlijk eten, in de vorm van een buffet. Kortom, daar viel wat te halen. Nou, vermenigvuldig de porties die Russen in all inclusive resorts bijeen graaien gerust met een factor drie. Dan heb je een idee van de hoeveelheid die hij verstouwde. Hij versloeg zelfs mij.

Een kleine Indonesiër stond bij het buffet saté-stokjes klaar te maken. De eerste keer dan onze Brabander die avond saté ging halen, bracht hij een bord met twaalf stokjes mee. Ik dacht nog even dat hij die voor onze hele groep had meegenomen. Maar nee. En we waren niet de enige groep daar. Voor die arme saté-maker was het gewoon niet bij te benen.

Al met al zie ik weinig nadelen in gulzigheid. Zolang onmatigheid niet ten koste gaat van iets of iemand anders. Vooralsnog verspillen we enorme hoeveelheden voedsel en grondstoffen. Door gebrekkige opslag- en transportmethoden gaat in Afrikaanse landen tot wel 40% van de oogsten verloren. Tot dat verbetert, kunnen de mensen daar zich wellicht beter volvreten (en het voedsel met hun buren delen), dan dat de ratten het doen.

Voordelen van de zeven hoofdzonden – 2 Hebzucht

Gisteren dacht ik nog: ‘Zou je dat wel doen, een positieve wending geven aan die zeven hoofdzonden?’ Want luiheid is eenvoudig, maar dan de rest. De volgende hoofdzonde Avaritia (hebzucht) is bepaald een taaie. ‘Greed … is good’, zegt Michael Douglas als Gordon Gekko in de film Wall Street (1987). Je zou denken dat daar juist alle ellende mee begon. Dus valt er ook iets aardigs te ontdekken aan hebzucht?

Jawel hoor. Musea wereldwijd zijn maar wat blij met de hebzucht van rijke mensen. Want menige vermogende kunstverzamelaar wil uiteindelijk naam maken, imponeren en voor eeuwig iets tastbaars achterlaten. Zijn volledige kunstcollectie, bijvoorbeeld, met schilderijen van Rembrandt en Vermeer. Als zijn naam maar op het bordje naast het kunstwerk prijkt. Zo delen rijken hun kunstwerken publiekelijk met iedereen. Meestal zijn dat voorwerpen die voorheen eeuwenlang slechts in privékring waren te zien.

Geld is macht. Alleen moet je die macht wel uitoefenen. Bijvoorbeeld door stimulering of beïnvloeding van specifieke ontwikkelingen. Dus hebben de rijken zo hun particuliere projecten. Met hun kennis, contacten en vermogen kunnen ze problemen aanpakken die anderen laten liggen. Ik zie nog weinig in de plannen van Elon Musk. Maar Bill en Melinda Gates hebben met hun stichting nobeler doelstellingen. Waaronder een cruciale: vrije keuze voor geboortebeperking.

Naast geld en bezit omvat hebzucht een onstilbare honger naar aanzien, liefde, geluk en wijsheid. Materiële hebzucht komt naar mijn idee voort uit geestelijke armoede. Hoe rijk iemand ook wordt, geld en bezittingen zullen die leegte nooit vullen. Ze kunnen hooguit het leven veraangenamen. En je bent verblind als je denkt dat je met geld liefde of geluk kan kopen. Sommigen moeten eerst veel bezit vergaren om daar achter te komen.

Kijk je naar wijsheid, dan is hebzucht een goede zaak. Het is toch mooi als je een leven lang blijft leren en je mentaal blijft ontwikkelen. Evenals bij de hoofdzonde luiheid, wordt honger naar wijsheid pas een probleem als anderen daar onder lijden. Maar vaker lijden mensen onder het gebrek aan wijsheid bij de ander.

Nog even over dat seksfeest

Als voormalig medewerkster van een internationale ontwikkelings-organisatie ben ik nauwelijks verbaasd over de seksfeesten op Haïti in 2011. Niet omdat hulpverleners continu prostituees zouden inhuren. Maar gewoon, omdat er mannen en vrouwen op dat eiland rondlopen. Voeg een ernstige noodsituatie toe, waarbij de een afhankelijk is van de ander. Dan is de kans levensgroot dat je in een schemergebied belandt, qua normen en waarden. Is dat altijd erg?

Om te beginnen geldt wat Farah Karimi, directeur van Oxfam Novib, zegt: ‘We doen er alles aan om machtsmisbruik uit te bannen. Dat je als hulpverlener een land binnenkomt dat net is getroffen door een van de grootste aardbevingen ter wereld en dan je machtspositie misbruikt, is niet te rechtvaardigen. Het enige wat vrouwen in die situatie kunnen bieden, is hun lichaam. Dan moet je dus een nog hogere morele standaard en een nog sterker integriteitsbesef hebben om te weten dat je zoiets niet doet.’ (Volkskrant, 14-02-2018.)

Helaas voor Oxfam en zusterorganisaties komt vertrouwen te voet en gaat het te paard. Ik twijfel niet aan de intenties van grote Nederlandse hulporganisaties. De kans op herhaling wordt inmiddels zo klein mogelijk gemaakt. Maar je zal altijd rotte appels houden.

Bovendien vermoed ik dat noodhulp, meer dan regulier ontwikkelingswerk, avonturiers en cowboys trekt. Want noodhulp bieden na een grote ramp is als je een weg banen in outlawgebied. Vergelijkbaar met het Wilde Westen. Het is chaos en alles moet worden opgebouwd. Je kan er de held uithangen. Je kan er echt verschil maken. Je kan het gevoel krijgen dat je voluit leeft. Zoals oorlogsfotografen vaak ervaren. En je kan er ook tijdelijk ongehinderd je gang gaan. De bestaande structuren zijn verwoest. Wie is er om in zo’n situatie de wet te handhaven?

Toen ik in Kenia werkte, kwam er een nieuwe Nederlandse medewerker langs. Hij was ingehuurd als kwartiermaker en ging het nieuwe kantoor in Zuid-Soedan opzetten. Een nogal onrustig land. Daarvoor moest hij wat zaken regelen in Nairobi. In het weekend maakten we samen een paar uitstapjes.

Er was iets met die man. Ik vond hem een opportunistische rouwdouwer en vrijbuiter met aso-trekjes. Feitelijk iemand die het niet in een normale baan kan uithouden. Hij was anders dan de Keniaanse en expat-medewerkers op ons kantoor. Ook zag ik de twijfel in de ogen van mijn enige andere Nederlandse collega daar.

Maar het is evenmin eenvoudig om goed expat-personeel te vinden voor een Godvergeten oord in Zuid-Soedan. Je gaat daar niet even leuk een jaartje buitenlandervaring opdoen met je gezinnetje. Hoe hou je als manager vanuit Nederland in de gaten wat je enige Nederlandse medewerker daar doet? Tegen de tijd dat je geluiden via de grapevine hoort, is het al te laat.

En dan dat werkbezoek in Bulgarije, een wat groezelig land aan de rafelrand van Europa. Roma worden er als minderheid zwaar gediscrimineerd. Ik zat er in een geparkeerde oude ambulance nabij de afslag van een snelweg. De weg was omzoomd door bos. Het was de oppik- en afwerkplaats voor prostituees. Veelal jonge vrouwen uit de Roma-gemeenschap. Het voertuig was knus en huiselijk ingericht, compleet met ruchesgordijn. Ze konden er even bijkomen en een praatje maken met een verpleegster. Ook kregen ze koffie, condooms en desgewenst een bloedtest op HIV.

Een mannelijke medewerker van een lokale organisatie had me gebracht en bleef er bij. Regelmatig stapte er een vrouw binnen. Mooi opgemaakt en ordinair gekleed, maar allemaal even vriendelijk. Het werd best gezellig, ze voelden zich veilig in die ambulance. Al zat daar normaal gesproken nooit een man bij. Er zaten zeer aantrekkelijke vrouwen tussen. Die plaatselijke medewerker zag een daarvan best zitten, eigenlijk. Leek mij.

Toch is dit niet het hele verhaal. Vaak genoeg beschouwen vrouwen in armere landen westerse mannen als aantrekkelijke partij. Ook als er geen noodsituatie is. Of expliciter, juist omdat de rechtspositie van lokale vrouwen meestal zo precair is. Wat wij zien als scheve verhouding binnen een relatie met buitenlanders, kan vanuit hun perspectief een verbetering inhouden. Vergeleken met de positie die ze krijgen in een huwelijk met een man uit hun eigen traditionele gemeenschap. Ik schreef het al eens eerder. Zelfs met een huwelijk volgens de sharia zijn Afrikaanse vrouwen soms beter af.

Over de positie van de vrouwen bij dat seksfeest op Haïti heb ik weinig illusies. Zij komen niet aan het woord. Jammer, want ik had als vrouw wel meer over hun motivatie en kijk op deze zaak willen horen. Hun achtergrondverhaal geeft waarschijnlijk precies aan waarom het werk van goede ontwikkelingsorganisaties daar zo belangrijk is.

Over achtergrondverhalen gesproken: Tina Turner met Private Dancer.

Een bijna lege shampoofles

Columniste Esther Gerritsen weet het absurde van haar denkwijze haarfijn te fileren. Ik heb niet de illusie dat ik aan haar niveau kan tippen, maar soms is mijn gedachtegang ook wat vreemd. Neem nu een bijna lege shampoofles. Die kan mij hoogst irriteren.

Wanneer ik een nieuwe fles shampoo koop, ben ik er blij mee. Hij is nog helemaal vol en onaangetast. Voorlopig verdwijnt hij in de toiletkast, tot de in gebruik zijnde fles op is. Mooi. Nu is er voldoende voorraad in huis. Want het is wel zo prettig als je niet misgrijpt. Ik hou de voorraad daarom nauwlettend bij.

Op een gegeven moment is de nieuwe fles aan de beurt. Hij voelt zwaar aan en is goed gevuld. Beetje bij beetje gaat er steeds wat shampoo uit. Eerst is de fles nog voor driekwart vol. Da’s prettig. Daarna daalt het shampoopeil tot halverwege. Mwah. Dat begint iets halfslachtig te krijgen. Halfvol / halfleeg. Wat is het nu?

Vervolgens breekt er een kritiek moment aan waarop die fles ineens echt minder aantrekkelijk wordt. Bijna leeg. Het staat zo armoedig. Je moet dan steeds opletten of er nog genoeg in zit voor de volgende wasbeurt. Je kan natuurlijk alvast een nieuwe fles klaarzetten naast de bijna lege. Maar dat wil ik niet. Het is hier steeds één fles tegelijk en meer niet.

Soms kom ik in huizen met een assortiment shampooflessen in alle stadia van gevuldheid. Daar kan ik niet tegen. Ik zou dan al die restjes in een fles bij elkaar kieperen. Dat staat veel gezelliger in de badkamer.

Want zo’n allegaartje roept associaties op met tekorten en slonzigheid. Een bijna lege plastic shampoofles heeft wat armetierigs. Je ziet dan al iets doorschemeren van het eindstadium. Waarin die goedkope fles zijn laatste waarde heeft verloren. Ja, feitelijk staat er gewoon afval op de plank, wanneer een shampoofles voor ruim driekwart leeg is.

Daarom smijt ik zo’n fles met zo’n suf restje het liefste meteen weg. Maar dat doe ik niet. Dat is nu juist de ellende. Vandaag ook weer. De shampoofles staat op de dop omgekeerd te wachten op de volgende keer. Zodat ‘ie met een laatste kneep direct leeg is. En dat plastic ding dan eindelijk bij het afval kan. Wat bij aanschaf toch al zijn bestemming was. Weg ermee.

Zo, zijn we dan nu tevreden?

Hongersnood als politiek breekijzer

Alphonse Muambi, een Congolese publicist, stelt dat Giro 555 weinig zin heeft als je corruptie en oorlogen in Afrika niet stopt. ‘Hoeveel storten Afrikaanse leiders zelf op Giro 555?’, vraagt hij zich af. De Congolese president Joseph Kabila heeft een privévermogen van 15 miljard dollar. Zijn collega in Angola is goed voor een kleine 20 miljard. Weinig mensen hier beseffen dat corrupte regimes hongersnood behendig inzetten als breekijzer.

‘Na elke verkiezingsfraude was in Congo het motto: ‘De mensen hebben honger. Ze zullen maximaal twee weken protesteren maar niet langer, want dan moeten zij weer op de markt gaan staan om aan eten te komen’’ Dit schrijft Alphonse op 29 maart 2017 in de Volkskrant. In 2008 zag ik in Kenia een andere variant: geef het volk brood en spelen, dan eten mensen uit je hand. Met hongersnood als middel zijn de mogelijkheden eindeloos.

Klimaatverandering is niet de hoofdoorzaak van de huidige grootschalige droogte in Afrika. Het is slechts de druppel die de emmer doet overlopen. Alles hangt met elkaar samen: wanbeleid en de verdeel-en-heerspolitiek van overheden, corruptie, geweld en rechteloosheid, armoede, onkunde, mismanagement van land en middelen, overbevolking (wel gezondheidszorg opzetten, maar geen anticonceptie bieden), en de enorme ongelijkheid tussen mannen en vrouwen.

Dit klinkt dramatisch, maar voor veel problemen bestaan al lang oplossingen. Oplossingen die bovendien steeds beter worden afgestemd op de Afrikaanse situatie. Want er zijn steeds meer Afrikanen zelf bij betrokken. Zij combineren westerse kennis met gerecyclede traditionele benaderingen in nieuwe, lokaal toepasbare mogelijkheden.

Alleen moeten alle andere partijen dan wel een beetje meewerken. De overheden, maar ook de niet-Afrikaanse mogendheden met hun contraproductieve belangen. Want Afrika is nog altijd een wingebied, zoals in dit artikel van OneWorld valt te lezen.

De verdeel-en-heerspolitiek van koloniale machthebbers heeft funest uitgepakt, en is nooit uit Afrika verdwenen. Op dit moment overweegt Europa zelfs om een tandje bij te zetten. Want om de vluchtelingenstroom af te wenden wil Europa met specifieke machthebbers samenwerken. Die zullen daardoor slechts hun eigen positie versterken, ten koste van de rest.

Alphonse Muambi pleit er voor dat ook Afrikaanse landen zelf meedoen aan acties voor bestrijding van de hongersnood. Tijdens een vorige droogte in 2005, toen de Masai met hun kuddes Nairobi in trokken, gebeurde dat al in Kenia. Er werd voedsel ingezameld door supermarkten en het publiek droeg bij. Maar de grootste bijdrage moet van de grootste stoorzenders komen: de overheden binnen en buiten Afrika, de multinationals, de potentaten en de investeerders die het continent tot op de dag van vandaag leegroven.