Geschreeuw tegen de tv

Gisteravond heb zitten schreeuwen en tieren tegen de tv. Een hooligan was er niets bij. Alles wat ik ooit aan vocabulaire in de achterbuurten van Leiden heb opgedaan, kwam er uit. Wat de buren daarvan vonden, kon mij geen moer schelen. Zij zijn zelf evenmin perfect.

Die vuile gore tyfus … enzovoort. Dat achterlijke K-volk ook! Je blijft met je poten van een ziekenhuis af!

Daarna heb ik een hele reeks straffen bedacht. Daar kan ik kort over zijn, want ik heb een all time favoriet. Dealtje sluiten met Poetin en hup, de hele zwijnenzooi op transport naar Siberië. Gooood riddance!

Nog weer later vroeg ik mij af waarom die gasten moeten rellen vanwege een avondklok. Jemig zeg. Wat stelt dat nou helemaal voor? Stelletje verwende dreinende drollen. Ze zijn hier ook werkelijk niets gewend. Ga ff lekker wonen in een land met een dictatuur. Eens kijken hoeveel lef je dan hebt.

En nog weer veel meer later bedacht ik dat het best interessant zou kunnen zijn om eens met die gasten te praten. Niet dat ik hen dan ineens sympathiek vind, of het met hen eens ben. Maar gewoon, om te vragen: Wat is er nu aan de hand? Waarom doe je dit? Is dit echt wat je wilt?

Want ik denk dat deze rellen weinig te maken hebben met de avondklok. Naast het uitschot en de hersenloze meelopers, is er vermoedelijk nog een derde groep. Die groep bestaat vast uit goedwillende en hardwerkende burgers, maar ze zijn wel gefrustreerd. Deze mensen voelen zich genaaid. Gewoon, omdat de rijken almaar rijker worden, terwijl zij zelf op allerlei manieren ondervinden dat het systeem niet deugt. Daarom verbaast het mij dat niemand zich met lobby-activiteiten tegen de Zuidas keert.

Ach, wat wil je ook? Het schort vooral aan zelfreflectie, toekomstvisie en  leiderschap.

Ontspannen de operatiekamer in

Bij die binnenoogpretjes van vorige week heb ik jullie op het verkeerde been gezet. Een heerlijk droog stukje over een medische ingreep; zo werd het getypeerd. Wat ik er niet bij heb verteld, is dat ik ternauwernood een aanval van hyperventilatie heb onderdrukt. Beter gezegd: zelfs dat is niet gelukt. De hele behandeling duurde hooguit een minuut en ik heb de injectie met het gas in mijn oog niet eens gezien of gevoeld. Maar het idée, terwijl je volledig aan anderen mensen overgeleverd bent.

Dus toen ik gisteren weer voor controle in het ziekenhuis was, en bleek dat mijn oog toch moest worden geopereerd, en de oogarts meteen een opdracht tot reserveren gaf, en ik bij de balie te horen kreeg: ‘Er is misschien vanmiddag een plekje vrij, maar met zekerheid kunt u morgen om 8.30 uur worden geopereerd.’, toen voelde ik direct weer een paniekvlaag door mijn lichaam gaan. Zo een die acuut misselijk maakt. [Rustig blijven ademhalen nu. Kalm nou.] Ik zei: ‘Doe die van morgen maar.’

Ik ken mezelf, want ik heb al eerder een paar bijna-paniekaanvallen gehad. Een keer in Sevilla, toen ik dacht dat er een inbreker op het balkon van mijn hotelkamer stond. En een keer toen het water van de badkamer recht door het plafond van mijn woonkamer naar beneden kwam. De resterende voorvallen heb ik verdrongen, want in geen van die situaties reageerde ik adequaat. Dus God mocht weten wat ik zou doen als ik in de operatiekamer door een paniekaanval zou worden overmand.

Trouwens, zo’n oogarts wil liever ook geen gedoe. Die staat daar met zijn operatieteam klaar en dan doet een patiënt ineens raar. Maar om een narcose vraag je in tijden van corona ook niet zomaar. Daar zijn wachtlijsten voor. En ‘iedereen’ ondergaat zo’n operatie gewoon bij volle bewustzijn. Bovendien is het lopendebandwerk, dus waar maak je nou zo’n heisa van. Dat hield ik mezelf voor.

Van ellende heb ik een hele avond lang aan alle ontspanningsoefeningen gedacht, die ik ooit heb geleerd. Ogen sluiten, naar je ademhaling luisteren, je van je hele lichaam gewaar worden en alles goed vinden. Dus geen oordelen vellen. Maar op de operatietafel moet je je ogen juist open houden en als ik aan andere dingen denk, hou ik ze niet stil.

Daarna heb ik aan de meest ontspannen momenten in mijn leven gedacht. Op het strand van een tropisch eiland mijn haren wassen in een enorme regenbui. Op een warme rots liggen in een Australische rivier terwijl het lauwwarme water langs mijn lichaam stroomde. De ultieme stilte in de krater van de Pico del Teide, toen ik nog geen tinnitus had. Op een bankje genieten van de eerste warme voorjaarszon. De rustgevende muziekjes die je in elk zweverig toeristenwinkeltje op Bali hoort. Enzovoort. Maar daaraan denken in een operatiekamer hou ik nog geen drie seconden vol.

Daarna kwam er een andere gedachte in mij op. Want waarom zou je zo’n ingreep met hartkloppingen en gierende zenuwen moeten doorstaan? Daar bestaan toch kalmerende middelen voor. Half Nederland is aan de pijnstillers, kalmerende middelen, drugs en alcohol. Dan mag je bij uitzondering toch ook wel eens een pilletje slikken. Zo gezegd, zo gedaan. Ik heb oxazepam gekregen en daarna werd ik al gauw kalm.

Echt, dat calvinistische gedoe is nergens goed voor. Bij de eerstvolgende oogoperatie vraag ik er weer om.

Binnenoogpretjes met gasbelletjes

Vandaag moest ik naar het ziekenhuis voor een injectie met gas in mijn oog. Als dat het maculagat niet verhelpt, moet mijn oog alsnog worden geopereerd. Vooraf vond ik het nogal eng, maar eenmaal in het ziekenhuis waren ze binnen tien minuten met mij klaar. Nu drijven er acht zwarte bolletjes in mijn vizier.

Die gasbelletjes zijn best grappig om te zien. Ze zijn zwart gerand en grijs in het midden. Ik kan er vaag doorheen kijken. Beweeg ik mijn ogen, dan bewegen de bolletjes op geheel eigen wijze mee. Voor hen geldt een andere natuurkundige wetmatigheid.

In het midden drijft een grote bol met zeven kleinere bolletjes er half onder en omheen. Zodra ik mijn hoofd buig, zweeft de hele cluster omhoog naar het midden van mijn blikveld toe. Dat is vergelijkbaar met wat luchtbelletjes in een waterfles doen. De kleinere bolletjes hergroeperen zich dan aan de onderkant van die grote bol. Kijk ik omhoog, dan drijven ze zijwaarts van hun grote broer. De grote bol werkt als een magneet voor de hele groep.

Ik kan er al spelletjes mee doen. Kijk ik naar links, dan drijft het meest rechter bolletje omhoog, maar het verlaat de grote bol nooit. Verder kan ik kleine bolletjes tegen elkaar laten tikken of draaien zoals tandwielen doen. Na wat oefening lukt het zelfs om drie kleine bolletjes bovenlangs over te rollen naar de andere kant van de grote bol.

Jammer dat niemand anders dit kan zien, want ik ben er best behendig in. De foto met tekening benadert ongeveer mijn huidige zicht met bolletjes. Alleen is mijn zicht vooralsnog veel waziger dan hier.

Helder zicht

We kunnen allemaal situaties bedenken waarin we nooit hopen te belanden. Vaak raken die aan mensen en zaken die zeer belangrijk voor ons zijn. Vrijheid, een dierbare, een fijne baan, of onze gezondheid. Ook ik heb mijn angsten; groot en klein. Zo zie ik de dingen graag helder, ondanks mijn hang naar mysterie. Maar er is iets mis met mijn linkeroog, and now I have to look the beast in the eye.

Geen mondkapje om medische reden

Naar verluid kunnen anderhalf miljoen Nederlanders geen mondkapje dragen vanwege medische of psychische problemen. In de krant vertelt een mevrouw met lichte PTSS hoe zo’n kapje haar benauwt. Ze stuit op veel onbegrip op straat. Sommige omstanders spreken haar zeer belerend aan. Daarom pleit zij voor meer begrip en verdraagzaamheid.

Ik kan mij voorstellen hoe een mondkapje haar kan benauwen. Zelfs al valt het in werkelijkheid mee; zodra je het idee krijgt dat je stikt, kan de paniek flink toeslaan. Een paar jaar geleden overviel mij dat gevoel toen ik in een grote menigte klem kwam te zitten. Het was een beangstigende ervaring waarbij ik kortstondig ging hyperventileren. Maar ik ben mentaal nog gezond genoeg om mezelf tot kalmte te dwingen. (Vooral dat laatste is best een geruststelling.)

Binnenkort ga ik een dagje naar het archief. Dan moet het mondkapje ook weer op. Eerst in de bus, dan in het stationsgebouw, daarna in de volgende bus, waarna ik heel even frisse lucht kan happen langs een stervensdrukke weg vol uitlaatgassen. Daarna gaat opnieuw het kapje op in de studiezaal. Dus urenlang en ook tijdens de lunchpauze. Waarna het zuurstofrijke wandelingetje terug naar de bushalte volgt, wederom onder het genot van uitlaatgassen. En verder, hop van de ene bus naar het stationsgebouw, weer in de volgende bus met mondkapje. Aan het eind van de dag krijg ik waarschijnlijk last van duizeligheid. Maar hè, alles voor de loopgraven.

Nu hoop ik wel dat mijn neus zich een dag lang wil gedragen. Het is namelijk koud en dan ontstaan er geheid gênante toestanden. Iedere winter is het raak: tranende ogen en glibberige snottebellen. Maar lastiger is dat ik nooit weet wanneer de bloedneuzen beginnen.

Zal ik dan alvast maar een demonstratiebordje fabriceren met een medische verklaring voor mijn niet-ontvankelijkheid? Dan kan ik dat aan iedereen tonen. Of zal ik preventief tamponnetjes in mijn neusgaten doen? Zo bezien heeft een mondkapje toch wel voordelen.

De Onfatsoenlijken

Er is nu een serie op Canvas die iedereen zou moeten zien. Hierin komen mensen aan het woord die zelden worden gehoord. Het zijn de boze burgers, ofwel ‘De Onfatsoenlijken’. Degenen ‘die vinden dat zijzelf en anderen in de steek gelaten worden door het establishment.’ Ze worden weggezet als het Europese equivalent van Trump-stemmers, omdat ze anders denken en communiceren dan hoogopgeleide mensen.

Feitelijk tonen boze burgers ons de keerzijde van beleid, of het ontbreken daarvan. Ze onthullen de vraagstukken waar politici geen adequaat antwoord op hebben en liever van wegkijken. Ze laten zien hoe politici andermans belangen voor laten gaan en daarom dingen verzwijgen.

Je hoeft het niet met deze boze burgers eens te zijn, maar probeer ze te begrijpen. Ik herken veel in hen.

Een puntgaaf chilipepertje

Hij ligt buiten op het lage muurtje, naast de winkelwagens van de super-markt. Een rode chilipeper met een groene stengel. Hij is puntgaaf en vast door iemand vergeten. Of misschien gevallen bij het boodschappen overhevelen. Tegen het ruwe grijs van de betonnen muur steekt hij prachtig rood glanzend af. Er hangt geen naamlabel aan, dus stop ik hem in mijn tas.

Ik doe een mondkapje op, pak een wagentje, ontsmet mijn handen en ga naar binnen. Het is een filiaal van Albert Heijn. Melk, vlees, groenten, iets voor bij de koffie, brood, etc. Bij de zelfscankassa reken ik af. Vervolgens open ik het poortje met de barcode op de uitgeprinte kassabon. Even stop ik bij het prikbord en kijk daar rustig rond. De aankondiging van de foto-expositie hangt er nog. Daarna wandel ik naar buiten.

Pas thuis, wanneer ik alles opruim en het pepertje weer opduikt, besef ik waaraan ik ben ontkomen.