Doet AH aan profiling?

Bij de zelfscankassa van Albert Heijn is het voor de vijfde keer raak sinds corona uitbrak. Op het display verschijnt een melding dat ik moet wachten op een medewerker. Kort daarna staat er iemand naast mij: tassencontrole. Er is niets aan de hand, maar ik voel mij ongemakkelijk. Want hoe komt het dat ik er zo vaak wordt uitgepikt?

‘Ik’ is hier misschien te persoonlijk opgevat. Het is logisch dat er af en toe controles zijn. Waarschijnlijk verschijnen die meldingen willekeurig om de zoveel klanten en dan is deze frequentie gewoon toeval. Alleen … is dat wel zo?

Bij de tweede keer vertel ik de medewerkster dat het opmerkelijk wordt. Het is een vaste medewerkster, afkomstig uit Oost-Europa. Volgens haar ligt het ‘aan het systeem’. Oei. Zo’n standaardreden, uit de mond van iemand uit een voormalige communistische regio. Daar krijg ik acuut onaangename associaties bij.

Bovendien bestaat er niet zoiets als een neutraal systeem. Achter elk systeem gaan algoritmes schuil die door mensen van vlees en bloed ontwikkeld zijn. Dus welke criteria zijn er van hogerhand ingevoerd? Zij wijst op het toeval van een selectie ‘at random’.

Bij de derde keer vertelt een andere medewerkster dat het kan liggen aan mijn bonuskaart. Heb ik daar iets aan gekoppeld? Jawel, een Air Miles kaart. Zij raadt aan om een nieuwe bonuskaart te gebruiken, omdat er soms problemen zijn wanneer er airmiles gekoppeld zijn. Hier wacht ik nog even mee. Thuis check ik eerst wat Albert Heijn weet over mij. Voornaam, e-mailadres en woonadres. Dat is alles wat mijn klant‘profiel’ op internet laat zien.

Bij de vierde keer ben ik het zat en doe ik mijn beklag bij de servicebalie. Een medewerkster geeft mij het telefoonnummer van de filiaalmanager. Wanneer ik hem bel, weet hij niet hoe snel hij mij moet doorverbinden met een kassamedewerker. Deze medewerker vertelt na enig aandringen dat iemand vaker kan worden geselecteerd in geval van een eerdere ‘foutieve controle’. Hm, nu wordt het interessant. Ik heb nooit een ‘foutieve controle’ gehad. Bij mijn weten, althans.

Volgens diverse winkelmedewerkers kunnen zij niets doen om het probleem te verhelpen. Daarvoor moet ik contact opnemen met de klantenservice van Albert Heijn. Ik vraag aan enkele kennissen of zij regelmatig controle krijgen. Dat blijkt niet het geval. Enkele dagen verstrijken en prompt krijg ik bij het eerstvolgende winkelbezoek wéér controle!

Na die vijfde keer bel ik alsnog met de klantenservice van Albert Heijn. De medewerkster hoort mij aan en wijst eveneens op de willekeur van het systeem. Volgens haar kan niemand in de winkel via mijn bonuskaart mijn gegevens zien. En de zelfscankassa kan dat evenmin.

Nu is er één probleem: dit geloof ik niet meer. Ik denk dat Albert Heijn aan ‘profiling’ doet en mijn straat te min vindt. Zo ver is het nu dus al gekomen.

Of zou het toch aan die gekoppelde Air Miles kaart liggen? (Maar als dat een algemeen bekend probleem is, waarom lossen ze het dan niet op? En waarom krijg ik regelmatig de standaardvraag of ik airmiles wil verzilveren, waarna ik op ‘Ja’ klik en dan lees dat er onvoldoende saldo is? Volgens de kassamedewerker is dat ‘normaal’ in het systeem. Hier kunnen de winkelmedewerkers ook niets aan veranderen.)

Of zou ik te veel ‘ongebruikelijke’ bewegingen maken bij de zelfscankassa? Zoals: een lege tas uit een lege tas halen. Of: de bonuskaart uit mijn portemonnee vissen en daarna diezelfde portemonnee in mijn jaszak stoppen. Of, nog gekker: met een struikje broccoli naar de weegschaal lopen voor een prijskaartje met een streepjescode. Camera’s registreren tenslotte alles. Hoeveel ‘unauthorised movements’ zou je mogen maken bij de zelfscankassa voordat je als ‘suspect object’ wordt aangemerkt?

Echt, na vijf meldingen ga je de raarste dingen verzinnen. Maar ik heb inmiddels wel van de klantenservice begrepen dat de winkelmanager de ‘strengheid’ van het controlesysteem zelf kan instellen.

Aan de rand van de afgrond

Oh, ik weet maar al te goed hoe zij zich voelen: de ondernemers, de zzp’ers, de vermeende vaste krachten en de flexwerkers. Met alle onzekerheid van de coronacrisis komt de ugly truth vanzelf tevoorschijn. Namelijk dat er geen zekerheden zijn. Al onze plannen en verworvenheden zijn gebaseerd op drijfzand. Het kan altijd zomaar afgelopen zijn. En dan? Hoe moet het dan verder met het huis en de hypotheek en de auto en de ziektekosten-verzekering?

Ik ken het gevoel en ik weet wat er ’s nachts door hun hoofden spookt. Ik heb vergelijkbare dingen gedroomd. De eerste keren waren het hevigst. Dan ben je er nog niet op voorbereid en ontwaak je met klam angstzweet.

Het was na de fusie en bedrijfsverhuizing in 1995. Toen kwamen ze. Want ik vertrok en ik verloor daarmee al mijn ‘zekerheden’. Terwijl ik net drie jaar eerder een appartement had gekocht. Die beklemmende nachtmerrie-achtige duistere doembeelden. Als ware het visioenen, voorspellers van de toekomst.

Ik kon letterlijk voelen hoe ik daar hing en mij vastklampte, aan de rand van de afgrond. De scherpe rotspunten deden zeer aan mijn handen en mijn voeten vonden geen houvast.

Zou het lukken om terug te komen in mijn oude metier, of had ik definitief mijn toekomst vergooid? De kans op succes was gering, dat wist ik. Ik deed het in het volle besef dat het mis kon gaan. Maar ik kon niet anders, zo ervoer ik dat toen.

Diezelfde nachtmerrieachtige beelden kwamen terug in 2006, bij de reorganisatie. En weer, in 2009. En opnieuw, in 2016, toen bleek dat ik geen enkele uitkering meer kreeg. Maar tegen die tijd was ik er al aan gewend. De spookachtige taferelen keerden terug als oude bekenden.

Heel even verschenen ze ook aan het begin van de coronacrisis, in maart 2020. Of eigenlijk waren de beelden anders, deze keer. Ik zag voor me wat er gebeurt als er geen enkele bescherming meer is. Met de ramen aan gruzelementen en het huis ten prooi aan plunderingen. En ik zag hoe de situatie verandert zodra er geen geld meer uit de muur komt, of dat het waardeloos wordt, zoals jaren geleden in Venezuela. Hoe moet je dan aan eten komen, terwijl de mensen om je heen in paniek raken, de sfeer steeds grimmiger wordt en de totale chaos losbarst?

Rustig blijven adem halen. Je hebt je verstand nog.

Wie gaat dat straks betalen?

Terwijl de IC-units vol coronapatiënten liggen, blikken economen vooruit op de gevolgen van deze crisis. In mijn honger naar voorspellende signalen kijk ik met hen mee. Beleggers uit de hele wereld doen uitspraken in Corona Crash, een ingelaste aflevering van VPRO Tegenlicht. Zij interpreteren de fluctuaties op de beurzen, evenals het overheidsbeleid in diverse landen en de verschuivingen in de wereldwijde economische interafhankelijkheid. Wat betekent dit alles straks voor ons, gewone mensen?

Ik heb slechts een vaag idee en staar hier al een poosje in het luchtledige. De lucht is schoon. Dat is een voordeel.

Een erg domme post op de buurtapp

De wekker gaat om 06.45 uur, want voor 9.00 uur moet mijn bed de kamer uit zijn. Vanaf dat tijdstip kan mijn nieuwe ledikant met toebehoren arriveren. Althans, de levering is niet geannuleerd vanwege dat coronavirus. Ik haal het beddengoed af en stop dat in de was. Het matras gaat zolang naar de werkkamer. Dat wordt volgende week opgehaald. En mijn oude bed schroef ik uit elkaar; de losse planken gaan naar zolder. Stofzuiger over de leeggehaalde vloer en klaar. Intussen is het 07.30 uur geworden. Dan gaat de telefoon.

De bezorgers. Ze kunnen de bestelling wel brengen, maar leveren vanwege het coronavirus slechts tot de deur. Sh.t. Komen ze nu pas mee, terwijl de beddenzaak wekelijks updates heeft gestuurd over de levering. Eventueel kan het bed later worden geleverd, zegt de meneer. Maar ja, hoe lang gaat deze crisis duren? Ik wil nog vragen of het scheelt als ik uit de slaapkamer blijf, maar meneer is resoluut. ‘Nee.’ Slik. ‘We komen uit Brabant’ vult hij aan. Oké, briljante zet. Nu hoeft dat monteren voor mij ook gelijk niet meer.

Terwijl we afspreken dat de levering vandaag doorgaat, denk ik koortsachtig na over hoe dit moet worden opgelost. Losse onderdelen kan ik misschien nog wel naar de eerste etage slepen, maar dat matras lukt nooit. Dus aan wie moet ik nu weer om hulp vragen?

Eerst ontbijt. Tussen elke hap door regel ik alvast praktische zaken. Steekkarretje uit de schuur halen. Oud laken bij de deur leggen voor het geval ze het met fluweel beklede ledikant zo op de straatstenen neerzetten. Er zal toch wel overal plastic omheen zitten? En zal ik twee huizen verderop voor hulp aanbellen? Hm. Dat voelt een beetje raar: een sterke buurman vragen of hij mijn bed wil monteren. Betrof het maar een tafel. Zo’n meubelstuk is tenminste neutraal.

Eerst koffie, dat werkt rustgevend. Na een mok rijden ze voor. De bezorgers zijn aardig en begripvol. Het lukt om alle onderdelen zonder direct contact in de woonkamer te krijgen. ‘Ik heb mijn handen en het pinapparaat zojuist ontsmet.’, meldt een van hen. Nou, gelukkig maar. Hij geeft nog snel wat uitleg. Tenslotte is het verwachte kant-en-klare ledikant plots omgezet in een doe-het-zelf bouwpakket. De aanblik van alle zware onderdelen die de woonkamer blokkeren, bezorgen mij een zorgelijk déjà-vugevoel. Gaat dit weer weken duren?

Cordaat plaats ik daarom een oproep in de buurtapp. Gezocht: een sterke en handige persoon die vandaag kan helpen. Even later komt er een reactie van een mevrouw: ‘Nou ja. Sociaal contact vermijden is samen met handen wassen het belangrijkste om besmetting te voorkomen. Vind dit een erg domme post van je. …’

Tjonge. Zou ze nu werkelijk geloven dat ik niet serieus nadenk over risico’s en voorzorgsmaatregelen? Zoals: afstand houden, voor ventilatie de ramen wijd open zetten en desinfecterend middel klaarzetten.

Volgens mij is een bezoek aan de stervensdrukke supermarkt in ons dorp vele malen riskanter. En hoe veilig is het contact tussen honden van verschillende eigenaren? De buurtapp staat ook vol aanbiedingen van mensen die vanwege de coronacrisis op thuiszittende kinderen willen passen, zodat de ouders naar hun werk toe kunnen. Daar zou ik dan weer niet aan beginnen.

Maar goed, ik weet het niet. Ben ik nu echt zo dom?

Terugblik op Israël, ruim 30 jaar later

Het is opmerkelijk hoeveel zaken vaag blijven, na herlezing van de brieven en mijn reisverslag. Wel zie ik het volunteershuisje zo weer voor me, evenals het boerenerf, de velden en de woestijn. Ik kan de winterwind voelen onder de strak blauwe hemel. De zonnestralen worden al warm. Ook hoor ik de enorme stilte, af en toe onderbroken door het geluid van een motor, een rammelend hek of de stoffige kuch van een koe.

Ik weet nog in welke richting de velden buiten het dorp lagen. Op de achtergrond was een heuvelrug. En rechts, voorbij de doorgaande weg, waren de wijngaarden. Plus de nabijgelegen bergen van Jordanië. Vele jaren later stond ik erbovenop, ter hoogte van Petra, en zag ik het vertrouwde woestijnlandschap terug. Bijna aanraakbaar, slechts gescheiden door een grens.

Ook herinner ik mij het gehotsebots op de oude tractor. Om bij de akker met tomaten te komen, moest je eerst dwars over een greppel rijden. Die tractor was een vaalrode krachtpatser. Daarmee kon ik vlot door het rulle woestijnzand heen rauzen.

Maar de gezichten zie ik nauwelijks nog voor me. Zwart haar, middelbruine ogen, gebronsde huid. Dat is wat ik nog weet. Een zachtaardige man. Zo anders dan de meesten in dat land. Hoewel die anderen onder hun rauwe imago soms ook een mildere kant verborgen hielden. Je moet daar hard en sterk zijn. Zijn vrouw leek ongelukkig op een boerderij in dat afgelegen dorp. Zouden ze nog bij elkaar zijn? Hun kinderen zijn inmiddels volwassen.

De brieven schreef ik aan familie tijdens een anderhalf jaar durende reis, ruim dertig jaar geleden. Nu lees ik ze terug, hopend op aanvullende details die ik sindsdien ben vergeten.

Het overvalt me hoezeer ik stilsta bij die (tweede) periode in Israël. Gaf het programma van Frans Bromet en Raoul Heertje soms een aanleiding? Zij onderzoeken daarin hun haat-liefde verhouding met dat land. Mijn eigen gevoelens zijn minstens even tegenstrijdig.

Zal er ooit sprake zijn van iets anders dan extremen? De taferelen en de schurende gesprekken in hun documentaire zijn zo herkenbaar. Bovendien is na ‘mijn’ tijd die monsterlijke muur gebouwd. Een splijtzwam, die de bevolkingsgroepen nog verder uiteen drijft. Een open wond in dierbare grond. Ik zou wel terug willen gaan, maar ik kan die muur niet aanzien.

In 1987, aan het begin van mijn eerste verblijf, wist ik nauwelijks iets van Israël af. Ik was 24 jaar oud, wilde op wereldreis gaan, en het liefst de winter doorbrengen in een warm oord. Onderweg ging ik in diverse landen werken, zoals backpackers dat al decennialang doen. Praktische informatie haalde ik uit Work Your Way Around The World van Susan Griffith. En de Bijbel ging naar Israël mee als geschiedenisboek en reisgids.

Israël stond in de jaren zeventig en tachtig qua werk bekend als makkelijke bestemming. Je hoefde maar langs een kantoortje in Tel Aviv te gaan en je had een baan. Bijvoorbeeld in de agrarische sector, kinderopvang of horeca. Veel reizigers waren pas afgestudeerd of ze hadden een tussenjaar. Het idee was om afwisselend een poosje te werken en dan weer wat van de wereld te zien. Op die manier kan je het rondreizen lang volhouden.

Ik had niets met politiek. Wel kwam Israël toen regelmatig in het nieuws. Maar ik had meer interesse in busdiensten naar toeristische trekpleisters, dan dat de Palestijnse kwestie mij aanging. Bovendien moet je daar echt moeite doen om zaken van meerdere kanten te zien. Veel mensen kennen slechts een kant. Als je aan de Joodse kant terecht komt, heb je nauwelijks contact met Palestijnen of Arabieren. En omgekeerd is dat dito eender.

Door mijn besluit belandde ik automatisch aan Joodse zijde. Maar dat bepaalde mijn positie niet, vond ik. Want ik ben zelf Nederlands en van oorsprong katholiek. En ik sloot mij niet af voor Palestijnen. Alleen duurde het maanden voordat ik met zo iemand sprak. Met een representant van ‘de anderen’. Op straat vond ik Arabische mannen wat opdringeriger, terwijl veel Joden zich meer als westerlingen gedroegen. Dat was in mijn beleving het voornaamste verschil.

Heel soms gedurende twee verblijfsperiodes daar, viel mij meer op. Ik schreef erover aan mijn familie.

In een brief over een uitstapje naar Akko. ‘Dat ligt ten noorden van Haifa aan de kust. Er is een oud gedeelte, wat nu een Arabische wijk is. De huizen zijn kris-kras gebouwd op een heuveltje en er zijn veel trapjes en doorkijkjes. Er lopen veel kinderen rond, die blijkbaar (in tegenstelling tot Joodse kinderen) niet naar school gaan. Eromheen, aan het water, is een enorme muur die door kruisvaarders is gebouwd.’ En zo gaat de beschrijving van het pittoreske stadje verder. Die kinderen liepen buiten op een woensdag en bij mijn weten was het geen feestdag.

En over een bezoek aan het oude deel van Jericho, waar ik een Amerikaanse vrouw ontmoette bij de opgravingen: ‘Met die Amerikaanse ben ik langs het refugeekamp naar een paleis van de één of andere sheik gelopen. We liepen langs de hoofdweg en nu tuuterden echt alle automobilisten. Ook Joden en militairen. (…) Terug naar Jerusalem kwamen we weer door het berggebied. Ik zag verschillende Bedouïnen-tentenkampen en schapenkuddes. Eigenlijk wel gek. Die mensen leven nog zowat in het stenen tijdperk terwijl boven hun hoofd militairen in supersonische straaljagers aan het oefenen waren.’

Aansluitend in de volgende alinea:
‘Wat het gevaar van rellen betreft. Dat is maar betrekkelijk. Het zijn meer incidenten en alle onlusten worden razendsnel de kop ingedrukt omdat er óvérál bewaking is. Bijvoorbeeld de toegangen naar de Klaagmuur. Daar staan op verschillende plaatsen minstens vijftig politieagenten en militairen. Iedereen die het terrein wil betreden wordt gefouilleerd.
De afgelopen dagen in Jerusalem zijn er verschillende relletjes geweest op nog geen twee kilometer afstand van mijn herberg, maar ik heb niets gemerkt. Ik heb de Dome of the Rock bezocht (Koepel van de Rots).’
Gevolgd door meer heilige en toeristische bezienswaardigheden. Yad Vashem maakte veel indruk.

Militairen waren inderdaad overal; ze hoorden bij het straatbeeld. Door hun aanwezigheid voelde ik mij veilig. In de woestijn keek niemand van zijn werk op wanneer er achter de heuvelrug militaire oefeningen waren. Dan was er een dof gerommel hoorbaar. Explosies in de verte maken hetzelfde geluid als onweer. Maanden later, toen ik al in Nederland terug was, dacht ik nog steeds bij onweer: ‘Oh, ze zijn zeker aan het oefenen.’ Zozeer was ik eraan gewend geraakt. In retrospectief vraag ik mij af of het wel altijd ‘oefeningen’ waren.

Dat ‘ik heb niets gemerkt’ in die brief was trouwens niet helemaal waar. (Mijn ouders lazen mee, vandaar.) Ik verbleef tijdens de eerste intifada enkele dagen in de christelijke wijk van Jeruzalem. Waar die intifada over ging, was mij globaal wel verteld. De traditionele winkeltjes in de oude binnenstad bleven uit protest gesloten. Dat vond ik jammer. En op een avond zei de Armeense herbergier dat het beter was om binnen te blijven. Achter de hoge muren en de gesloten poortdeur hoorde ik mensen rennen in het naastgelegen steegje.

Het heeft jaren geduurd voordat ik mij realiseerde dat je onmogelijk in zo’n land neutraal kan zijn. Bij iedere handeling maak je feitelijk keuzes tussen partijen. Ook al gebeurt dat onbewust.

Na lezing van de brieven en het reisjournaal haal ik mijn reisfotoboek tevoorschijn. En via internet zoek ik naar de twee plaatsen waarin ik verbleef. Voor het eerst zie ik er luchtfoto’s van. De omgeving rond de dorpjes is wat droger geworden; verder lijkt alles hetzelfde gebleven.

Tegelijk leer ik iets over de ontstaansgeschiedenis van beide plaatsen. De eerste ligt in het noorden en ‘was founded in 1949 by the movement on land that had belonged to the depopulated Arab village.’ Pardon? Dus dat betekent … ?

De tweede plaats ligt in de Negev-woestijn en staat vermeld in het Oude Testament. Tijdens mijn verblijf daar geniet ik vooral van de eenvoudige leefstijl. Even is mijn wereld klein. Ik ervaar er geborgenheid aan het eind van een lange reis op drie continenten. Zo wordt het een uitgelezen moment en plek voor bezinning.

Israël is geen makkelijk land om in te wonen. Iedereen betaalt een hoge prijs en de lontjes zijn kort. Pas nu vallen de passages op over inflatie en geldzorgen bij de gemeenschap in de woestijn. En ongemerkt is er altijd die dreiging. Zelfs op de luchtfoto is van grote afstand de omheining zichtbaar rond het dorp in die afgelegen vallei. De omheining is zes rijen dik en bestaat uit zes parallel geplaatste metalen hekken. Elk hek afzonderlijk is voorzien van meerdere rollen prikkeldraad boven elkaar. Dat was vast niet alleen om ’s nachts de rondzwervende woestijnwolven buiten te houden.

Desondanks voelde ik mij goed thuis in Israël. Het leven is er paradoxaal ook plezierig ongedwongen. Veel mensen zijn pragmatisch ingesteld. Het klimaat is aangenaam. Het openbaar vervoer is goed en je kan overal lekker eten. Daarbij was ik in Israël zeer welkom. (Heeft mijn nationaliteit nog altijd een streepje voor?)

Verder was het prettig en grappig dat ik er onopvallend als een local over straat kon gaan. Werkelijk iedereen dacht dat ik joods was. Qua haarkleur had het gekund, maar verder? Mijn vermeende ‘joodse’ trekken zijn eerder Frans. Wel schept de vluchtgeschiedenis van mijn Hugenoten-voorouders een soort lotsverbondenheid. Dus mogelijk is standvastigheid een gedeelde karaktertrek.

Israël heeft een belangrijke vormende rol gespeeld in mijn leven. Ik ben er mentaal gegroeid en wereldwijzer geworden. Desondanks duidt in 1989 nog weinig op een ontwakend maatschappelijk bewustzijn. Ik benoem dan vooral wensen qua concerten, werkrichting en relaties. Wel schemert er al een verlangen door naar een meer verstilde leefstijl.

Wat Israël betreft, zal ik nooit stelling nemen. Twee partijen menen evenveel recht te hebben op hetzelfde lapje grond. Grond die ook mij zeer dierbaar is. Mede daarom is het hartverscheurend om te zien waar zo’n uitzichtloze patstelling toe leidt.

Hoe de omgeving je gemoed beïnvloedt

Het is buiten donker, koud en nat. Je loopt als vrouw op straat en kent de weg niet in dit deel van een drukke stad. Google Maps stuurt je een smalle steeg in. Harde hoge muren; een paar vuilcontainers staan tegen een wand. Er zitten hier allerlei schimmige coffeeshops en besloten clubs zonder ramen aan de buitenkant. Voor de deur hangen twee potige Oost-Europese types rond. Sowieso zie je vrijwel uitsluitend mannen. Dan komt een luidruchtige groep vrijgezellen je lallend tegemoet. Wat een achenebbisj toestand. Je wil hier zo snel mogelijk weg.

Zet daar het volgende beeld tegenover. Je bent op vakantie in Griekenland. Het is voorjaar en het zonnetje schijnt aangenaam warm. In het oude stadje staan overal bloembakken op balkons. Je slentert op straat en ziet in een pittoresk steegje een uithangbord. Een koffiezaakje! Daar moet je zijn. Het is de perfecte plek voor een pauze met wat lekkers erbij. Heerlijk toch?

De fysieke omgeving heeft invloed op je gemoed. De ene keer meer dan de andere en het zal voor iedereen verschillend zijn. Hoe je een omgeving ervaart, hangt mede af van je stemming. Als je je goed en zelfverzekerd voelt, roept een steegje eerder nieuwsgierigheid op dan angst.

Naar mijn idee gaat de invloed van een omgeving nog dieper. Neem een bezoek aan een verouderd winkelcentrum. Daar zitten vooral discounters, kappers zonder klanten en winkels vol prullaria uit China. Verder zie je veel lege panden. De weinige bezoekers verkondigen luidkeels dat ze geen cent te makken hebben. Zo’n plek maakt dat ik mij zelf armoedig voel.

Sterker: waar wij komen, heeft invloed op hoe anderen ons zien. Als je tegen iemand zegt dat je boodschappen doet in zo’n verouderd winkelcentrum, kan je in zijn achting dalen. We hebben tenslotte ongemerkt al snel een oordeel klaar.

Omgekeerd voel je je mooier en rijker wanneer je omringd wordt door knappe mensen en kostbare, kwalitatief goede spullen. Zo kan een chique omgeving doorwerken op je zelfbeeld en je gevoel van eigenwaarde.

Zelf eet ik van twee walletjes. In het ‘armoedige’ winkelcentrum haal ik bij een Chinese toko Indonesische lekkernijen. En in de chique omgeving kijk ik gewoon graag rond.