Grote honden en hun baasjes

Zo rond mijn vijftiende ging ik eens met een schoolvriendin mee naar haar huis. We kwamen via de voordeur binnen en liepen al pratend door de gang naar de woonkamer. Zodra ik daar een stap binnen zette, vloog hun herdershond met wijd opengesperde bek naar mijn keel. Zijn blikkerende tanden vlakbij mijn gezicht vergeet ik nooit meer. Gelukkig kreeg het beest me niet te pakken. Familieleden grepen de hond meteen vast. ‘Dat doet ‘ie anders nooit.’, zeiden ze. Daarna gingen ze al gauw over tot de orde van de dag.

Waarschijnlijk is het daarmee begonnen. Puppies vind ik allemaal even lief. Golden retrievers gaan best, en het meeste kleinere spul ook. Maar ik ben alles behalve dol op grote loslopende honden. Vooral als ze naar mij toe komen en hun baasjes dat toestaan. Ja, er zelfs blij bij kijken. Zoals een moeder die haar kindje zoet met een ander kindje ziet spelen.

Ze denken om volslagen onverklaarbare redenen altijd dat ik hun hond leuk / stoer / mooi vind. Zelfs als zo’n beest met zijn vuile poten tegen mij opspringt. Bij dat opspringen zeggen die baasjes trouwens ook meestal: ‘Dat doet ‘ie anders nooit, hoor.’ Of: ‘Hij is enthousiast.’ Of ze lachen er alleen schaapachtig bij. Sommige baasjes kunnen niet anders.

Ik dacht dat zodra een hond iemand heeft aangevallen en gebeten, hij in ons land direct moet worden afgemaakt. Maar dat schijnt niet te kloppen. Tref je toevallig een fout baasje, dan kan hij de buurt daar lekker mee terroriseren. Vreemd. Agressieve honden horen niet thuis in de openbare ruimte. Iedereen moet veilig en ongestoord over straat kunnen. Ook bij een hondenuitlaatplaats.

Het liefste mijd ik baasjes die hun training nog niet hebben gehad. De term ‘hondentraining’ is namelijk een eufemisme. Feitelijk draait het allemaal om het baasje. Als een hond zich agressief opstelt, is dat een afspiegeling van het karakter van zijn baas. Even bang, vals gemaakt en/of gefrustreerd. Of gewoon psychisch gestoord.

Ik heb geleerd om door pure wilskracht mijn hartslag laag te houden bij ontmoetingen. Zowel met agressieve honden als met sommige mensen. Daarop heeft uitstraling namelijk precies hetzelfde effect. Ze mogen absoluut geen angst of zwakte aanvoelen. Dus probeer ik via verbale en non-verbale communicatie het voortouw te nemen om hen te kalmeren. Maar wanneer het kan, loop ik om. Dan doe ik net alsof dat toch al de bedoeling was. Jammer voor de hondenbaasjes die zo graag contact willen maken.

Werk in de zorg: blij dat zij het doen

In de Volkskrant van afgelopen woensdag stond een uitgebreid artikel over frequent voorkomend geweld in de psychiatrie. Geweld van patiënten tegen medewerkers, wel te verstaan. Heeft een patiënt een psychose, dan vinden medewerkers geweld al ‘normaal’. Maar het gaat verder, ook als een patiënt wel toerekeningsvatbaar is. Doelbewust trappen, met gebroken ribben als gevolg. Dreiging met ‘ik weet waar je woont, ik krijg je nog wel’. Sommige medewerkers houden er PTSS-klachten aan over. Aangifte doen pakt vaak onbevredigend uit. En medewerkers hebben een beroepsgeheim. Het zal je werk maar zijn.

Misschien werk ik nog wel liever bij de rioolreiniging dan in de zware psychiatrie. Het lijkt mij de meest deprimerende sector die er bestaat. Bij rioolreiniging zie je tenminste nog resultaat: een mooi, schoon, fris, doorgespoeld riool. Terwijl je bij mensen met een ernstige psychische stoornis vrijwel niets meer bereikt. Ik ben blij dat anderen deze patiënten uit naastenliefde en zorgzaamheid toch een menswaardig leven proberen te bieden. Mij ontbreekt de benodigde engelachtige opofferingsgezindheid. Want wat een shit krijgen die medewerkers over zich heen.

Hebben we als maatschappij te lang het gedrag van bepaalde groepen vergoelijkt? Zo van: mensen met een lichamelijke handicap of psychische stoornis kunnen het ook niet helpen. Zwangere vrouwen en moeders met kinderwagens zijn kwetsbaar. En bejaarden zijn nu eenmaal hulpbehoevend. We moeten dus een beetje extra rekening met ze houden. Ik vraag mij dan toch af: is dat altijd zo?

Sommige moeders gebruiken hun kinderwagen als stormram. Gisteren werd ik door iemand in een rolstoel klemgereden die ik te voet wilde passeren. Er zat toch echt een achteruitkijkspiegel op. En dan die moddervette man op een buitenboord model scootmobiel. Hij reed in een druk overdekt winkelcentrum keihard tussen het wandelende publiek door. Meerdere mensen moesten geschrokken voor hem opzij springen. Anders zou hij ze zo hebben aangereden. Moeten we voor zo iemand begrip opbrengen?

Ik ben benieuwd hoe lang het nog duurt voordat de eerste #MeToo-berichten van hulpverleners in het nieuws verschijnen. Waaronder medewerkers in de thuiszorg, die door ‘hulpbehoevenden’ worden aangerand. Ziekenhuispatiënten en klanten van fysiotherapeuten, die zelf hun handen niet thuis houden. Dat soort gedoe.

Ook daarom: petje af voor de mensen die dat werk wel doen.

The Donald en de wapenindustrie

President Trump kwam Europa een lesje leren, direct na zijn prachtdeal met Saoedi-Arabië. We moeten meer bommen en granaten kopen, zei hij. ‘De Amerikanen blijven jullie niet uit de nesten halen.’ Het is een zeldzaam moment waarop ik de beste man gelijk geef. Met mooie woorden over verdraagzaamheid alleen redden we het niet. We moeten zelf sterk zijn. In een wereld zonder egotrippende kleuters zou de wapenindustrie overigens wel instorten. Zeker die van Donalds maatjes in Amerika. Ook dat is een feit.

‘De vijf grootste exporteurs in de jaren 2012-2016 waren de Verenigde Staten, Rusland, China, Frankrijk en Duitsland. Gezamenlijk namen zij 74 procent van de verkopen voor hun rekening. De VS alleen was goed voor een derde van de totale export en leverde wapens aan zeker honderd landen.’ Dit valt te lezen op Nu.nl. We hoeven niet met het vingertje te wijzen, want ons land draagt ook een steentje bij.

Ik ben niet tegen wapens, want zonder geweldsmiddelen kan er geen orde zijn. Het pijnpunt zit vooral in het waarom, door wie en hoe ze worden gebruikt. Wapens zijn het nuttigst als ermee dreigen voldoende is. Dieren doen dat ook om zonder verwonding ruimte te creëren.

Katten maken zich met hun hoge rug en vacht groter dan ze zijn. Ze sissen en grauwen en janken wat af. Daarbij tonen ze hun vlijmscherpe tanden en kijken hun opponent goed vuil aan. Steeds blijven ze stokstijf staan, slechts zwiepend met het puntje van hun staart. Aldoor nemen ze elkaar de maat. Jankend draaien ze langzaam en uiterst behoedzaam om elkaar heen. En in slow-motion keren ze de ander de rug toe. Voor alle zekerheid kijken ze nog eens om (je weet het nooit met zo’n vals kreng), en blazen dan de aftocht. Vrijwel altijd ongeschonden.

Je zou denken dat wij mensen het basale territoriumgedrag nu wel zijn ontstegen. Dat we voorbij het recht van de sterkste zijn. Dat we in vrede met elkaar kunnen samenleven. Maar er is in millennia van evolutie weinig veranderd. Onze instincten zijn nog altijd even primitief. Wapens zijn vaak ingenieus en soms erotiserend. Ze zijn slechts gevaarlijk in de handen van hebzuchtige mannen met geldingsdrang.

Zet straatvechters in de hoek

Gisteren toonde het NOS Achtuurjournaal twee heel verschillende reacties van mensen. Eerst was daar het nieuws over de verdwenen Nederlandse oorlogsschepen (en zeemansgraven) in de Javazee bij Indonesië. Theo Doorman, de zoon van schout bij nacht Karel Doorman, wordt om een reactie gevraagd. Hij reageert uiterst beschaafd, ingetogen, genuanceerd en getuigend van politiek realisme.

Even later volgt een verbale vechtscène in de Tweede Kamer. Kamerlid Bontes van VNL haalt fel uit naar kamerlid Öztürk van DENK. Bontes trekt de loyaliteit van Öztürk in twijfel omdat hij te veel op defensie zou willen bezuinigen. Wat Turkije in de kaart zou spelen. Overigens heb ik gisteren het partijprogramma van DENK gelezen en mijn mening laat ik hier wijselijk achterwege.

De heer Doorman doet mij terugverlangen naar ogenschijnlijk vervlogen tijden. Toen beschaving, verstand en eergevoel nog waarde hadden. Bontes, daarentegen, staat meteen 1 – 0 achter. Want hij speelt direct op de man en trekt Öztürk’s bedoelingen op botte en ongefundeerde wijze in twijfel. In zo’n geval kan hij beter scherpe vragen stellen, lijkt mij. En Öztürk gaat in de fout, omdat hij even grof toehapt. Geen van beide heren respecteert de gangbare omgangsvormen in de Tweede Kamer.

Het wordt tijd om toelatingseisen aan kamerleden te stellen op basis van beschaving en algemene ontwikkeling. Zet ze gewoon als kleuters en plein public voor straf in de hoek, wanneer ze zich niet weten te gedragen. Of bent u een andere mening toegedaan? U zegt het maar.

(Weet alleen wel dat ik ongenuanceerd geraas direct verwijder. 😉 )

Haat en nijd in de stiltecoupé

Op weg naar Zwolle stap ik in de trein en beland in de stiltecoupé. In deze coupé geen tweezitters waarbij je naar de rug van medereizigers kijkt. Hier zijn de bankjes tegenover elkaar geplaatst. Vreemd eigenlijk, want die opstelling lokt juist gesprekken uit. De woorden ‘silence’ en ‘stilte’ brokkelen een beetje van het glas af.

Achter mij belt een man zachtjes. Op de bank aan de andere kant van het gangpad neemt een oudere man plaats die soms in zichzelf praat. Verder is het rustig. In Zutphen komen meer mensen binnen. Twee tienermeisjes knikken mij toe en nemen bij mij plaats. Naast hen gaan twee andere tieners zitten, tegenover de oudere man die kennelijk hoopvol wachtte op aanspraak.

Los van elkaar beginnen de twee stelletjes onderling te praten; het andere stelletje praat ook met die oudere man. Wat doe je in zo’n geval? Zeg je er wat van of laat je ze begaan? Als mensen niet beseffen waar ze zitten en ik inschat dat ze voor rede vatbaar zijn, dan doe ik een poging. Dat zal wel suf zijn en burgerlijk. Ik wijs de dames op de stiltecoupé en geef aan dat er verderop nog plek zat is als ze willen praten. Ik zeg het op normale toon en zacht genoeg zodat mensen verderop het amper merken. Het wordt meteen stil.

Wel een beetje ongemakkelijk stil. Ze nemen het me niet in dank af. Dat merk ik aan de verwijtende blikken van de meisjes tegenover mij. In hun ogen ben ik een oud wijf. Daarna gaan ze in de weer met hun mobiele telefoons. Een tikkeltje afwezig lees ik verder in een tijdschrift. Sommige stukken moet ik twee keer lezen, want iets in hun gedrag leidt me steeds meer af.

Ze doen eigenlijk niets raars. Maar geleidelijk bekruipt mij het gevoel dat ze in het geniep aan het filmen zijn. De kans bestaat dat ik vandaag viral ben gegaan. Want het klikgeluid een paar minuten later is onmiskenbaar. Daarna vraagt het rechtermeisje fluisterend aan het linker hoe je het spelt: sjaggerijn.

‘Ach,’ denk ik, ‘op jouw puberleeftijd was ik zelf regelmatig een brok venijn.’ Ik overweeg wat ik zal doen. Gewoon een gesprek over het fenomeen stiltecoupé aanknopen, naar hun mening vragen en hun woorden bloedserieus nemen. (Dat zullen ze zeker niet verwachten en kan grappig uitpakken.) Jammer dat we in een stiltecoupé zitten. Of ik kan iets uit mijn oude tiener trukendoos tevoorschijn halen. Of ze negeren. Of hun gedrag kopiëren. Zonder een woord pas ik een combinatie toe van de laatste drie mogelijkheden.

Tegen de tijd dat we in Zwolle aankomen, is hun ergernis merkbaar groter dan de mijne.

Recht van overpad

Achter de schuur verleen ik recht van overpad (erfdienstbaarheid) aan inwoners van drie naastgelegen woningen. Ons pad loopt langs nog vier percelen en komt uit op een straat. Het is onze achter uitgang. Buren vertelden dat zij vroeger met een auto bij hun schuur konden komen. Geleidelijk werd de strook echter steeds verder bebouwd.

hederaVooral bij het laatste huis is het pad smal. Er groeit een welig tierende hedera die een doorgang vrij laat van slechts vijftig centimeter. Gezien vanaf de schutting van hun buren steekt die heg ver naar voren uit. Precies daar houden ook de stoeptegels op. Volgens andere buren trok een makelaar een tijdje geleden in dat hoekhuis. Sindsdien is de breedte van het pad gewijzigd.

Wekelijks zetten we onze vuilnisbakken via het pad aan de straat. Bij regen wordt het laatste deel modderig en glad. Onderweg loop je tegen spinnenwebben en natte sprieten aan. Met een fiets aan de hand passeren lukt niet. Maar zittend op mijn zadel raak ik door overhangende takjes uit balans. Mijn stuurhandvat werd beschadigd toen ik een muur schampte en hetzelfde overkwam mijn buren. Bovendien liep afgelopen week het wiel van mijn vuilnisbak in de heg vast.

Wanneer ik later die dag weer langsloop, zit er een jonge vrouw in de tuin van dat hoekhuis. Ik vertel dat ik hierachter woon en, evenals mijn buren, er last van heb dat het pad te smal is. Daarom vraag ik of ze de heg een flink stuk in de breedte kunnen snoeien. ‘Oh,’ zegt zij, ‘maar mijn man heeft dat net drie weken geleden gedaan.’ Dat klopt, hij had wat puntjes afgeknipt.

Ik vertel op welke manieren die heg mij en de buren toch in de weg zit. En vraag of ze even mee kan komen om er zelf over het pad langs te lopen. Maar het hek op de hoek zit dicht en kennelijk het is voor haar te veel moeite om naar hun hoofdingang te gaan.

Als ik er zo’n last van heb, waarom gebruik ik dat pad dan eigenlijk?, vraagt zij. Ik kan toch ook gewoon door de voordeur naar buiten gaan.

Oké …

Of ze weet wat ‘recht van overpad’ betekent, vraag ik. Nee dus. ‘Nou’, zeg ik, ‘dat staat in jullie koopcontract. Lees dat maar eens.’ Ze vraagt hoe ik dit weet. ‘Omdat het ook in mijn contract staat’, antwoord ik. Goed, ze geeft toe dat ze er toch iets over hebben gelezen. Nu gaat ze het er met haar man over hebben. Ik wacht nog even rustig af.

Interessant onderzoeksonderwerp trouwens, dat recht van overpad.

Onze bloemen der natie ontluiken

Sinds de Duitse komiek Böhmermann de Turkse president Erdogan op de korrel nam, heeft hij opvallend veel volgers in Nederland. Want wij worden in onze landsaard aangetast. Wij staan pal achter de goede man die het voor onze vrijheid van meningsuiting opnam. Onze eigen grappenmakers doen met veelgeprezen directheid mee. Lekker vieze dingen opschrijven. Ja, dat kunnen die Hollanders wel.

Op de banaalst denkbare wijze een kleine sultan te grazen nemen. Dat zal hem leren, die dictatoriale Erdogan. Wat denkt die vent wel. Ha, ha, ha. Wat een lol. Zelfs de Volkskrant staat ermee vol. Gisteren bood die krant een podium aan ene Theo Maassen. Is dat niet die gast van de tv? Hij heeft het over allerlei anale zaken. Zo smakelijk en verfijnd allemaal.

Lekker je middelvinger opsteken, jongens. Dat durven jullie wel. Vanuit ons veilige landje. En als het menens wordt, gauw wegkruipen achter mama’s rokken. Oh nee, ik bedoel achter de premier en de wetgeving van Nederland. Nou, ik ben onder de indruk, hoor.

Maar toch, beste heren, weten jullie waar ik nou echt van onder de indruk zou raken? Als jullie effe naar Ankara afreizen en daar alles herhalen. Er zijn hier te lande vast wel wat behulpzame Turken die jullie uitbraaksels willen vertalen.