Applaus voor militairen

Defile bevrijdingsdag 2019 Wageningen 09

Voor het eerst ga ik op Bevrijdingsdag naar Wageningen toe. Ik sta langs de route van het defilé; Hotel De Wereld is vlakbij. Zodra de eerste militairen naderen, begint het publiek te applaudisseren. Van de weeromstuit klap ik mee. Terwijl het toch niet mijn gewoonte is om te klappen wanneer ik militairen zie.

Militairen in het straatbeeld ken ik alleen van mijn verblijf in post-conflictgebieden. Van die oorden in het Midden-Oosten, waar ze met machtsvertoon over de gewapende vrede heersen. En in Afrikaanse landen, waar je militairen liever omzeilt. Want je weet nooit.

Ik weet hoe echte explosies klinken, in de verte. En ik weet dat je binnen moet blijven als de bevolking of de ambassade dat zegt. Verder reikt mijn ervaring niet met levensbedreigende conflicten. Ik was geen lid van de belangrijkste risicogroep. Of ik hoorde bij de ‘goeden’. Maar je weet het nooit, in dat soort oorden. De situatie kan zomaar veranderen. En misschien hebben ze geld nodig.

Je weet evenmin wat ze hebben meegemaakt en wat ze hebben gedaan. De mensen in het defilé zijn de ‘goeden’. Terwijl op bordjes namen staan van landen die vragen bij mij oproepen. Nu, met de huidige kennis van onze koloniale geschiedenis. In hun tijd werd daar anders tegenaan gekeken. Zij deden hun plicht en wat goed was.

Het moet wat met je doen, als je een wapen in handen hebt. Militairen hebben hun eigen codes en hun trots. Ik zou voorlopig niet zonder militairen willen.

Militairen hebben hun trauma’s. Ze zijn zelf pionnen op een schaakbord. Ze doen het vuile werk voor ons. Hoe lang nog?

Aha, dat zit natuurlijk zo!

Meningen op basis van veronderstellingen hebben we allemaal. Naarmate onze levenservaring uitbreidt, denken we het steeds beter te weten. Veel situaties hebben we tenslotte al eerder voorbij zien komen. We zien de acties van een ander en vinden al gauw een verklaring binnen ons referentiekader. Dus combineren we handeling A met gegeven B en veronderstellen we dat daar C uit zal komen. Hebben we de uitkomst te pakken, dan zijn we content. ‘Dat zit natuurlijk zo.’, denken we. Daarna gaan we achteloos verder.

Ik betrap mezelf soms op veronderstellingen, terwijl ik heilig geloof in de ‘Is dat zo?’-vraag. Neem mijn buurvrouw. Toen ze de sleutel kreeg van haar woning, stuitte ze op grote verborgen tekortkomingen. Ze was net gescheiden, het werd winter en noodgedwongen bivakkeerde ze in een stacaravan. Toch bleef zij de vrolijkheid zelve. Ze bood elk probleem moedig het hoofd en klaagde nooit.

Toen dacht ik: ‘Wat kan je anders? Je kan wel gaan janken, maar wat helpt dat? Trouwens, als je net een nieuwe woning hebt, zit je op een roze wolk. Valt het zwaar tegen, dan wordt je nog door een soort verliefdheid beschermd. En anders laat je je toch niet kennen. Zeker niet tegenover je nieuwe buurvrouw.’

Voor mij was al duidelijk hoe het zat. Maar onlangs deed ik een bakkie bij haar en daarbij kwam haar jeugd ter sprake. Ze vertelde dat ze negen jaar van haar kindertijd heeft doorgebracht in de brousse van Zaïre (nu Congo-Kinshasa). Had ze kiespijn, dan moesten ze over onbegaanbare wegen naar de tandarts in buurland Oeganda. En ik dacht: ‘Donker Afrika in de jaren zestig/zeventig! Als je ergens flexibel leerde omgaan met tegenslag, was het daar en toen wel. Dit verklaart alles.’

Hardop legde ik de link met haar begintijd hier en haar jeugdjaren daar. En inderdaad beaamde ze dat haar pragmatische levenshouding daaruit voortkwam. Echt, we kunnen nog zo veel leren; ook van het leven in Afrika.

Een les van een vorig kinderpardon

Over het kinderpardon is het meeste al gezegd. Toch? Nou, ik zou de mensen van de IND weleens willen spreken. Want enerzijds heb ik begrip voor de illegale ouders (dit draait niet om de kinderen) die werkelijk alles aangrijpen om in Nederland te blijven. Anderzijds heb ik onbegrip voor de slappe knieën van de politiek. Want dit is het zoveelste pardon dat ik meemaak en we zouden het toch anders gaan doen?

Een waarschuwing vooraf. Dit is een waargebeurd relaas. Lees je liever eenzijdige berichtgeving over arme kindertjes, sla dit logje dan over.

Heb ik al eens verteld over dat ene rapport? Dat rapport dat ik letterlijk op de bodem van de onderste lade in het ladenblok van mijn bureau aantrof? Dat bureau vormde samen met een computer, telefoon en bureaustoel mijn nieuwe werkplek na de herverdeling van de banen bij mijn toenmalige werkgever. Die baan kreeg ik tijdelijk na de reorganisatie, omdat er eigenlijk geen plek meer voor mij was.

De symboliek droop er van af. Want die plek bevond zich in een gehuurd kantoortje in een achterafstraatje buiten ons hoofdgebouw. Er huisde een aparte stichting in van onze organisatie, gericht op hulpverlening aan terugkerende afgewezen asielzoekers in hun land van herkomst. De voorwaarde was dat zij vrijwillig terugkeerden. Zij en ik ervoeren dit echter niet zo als vrijwillig. Zij waren met valse informatie naar Nederland gekomen en mij was die baan door de strot geduwd. Dat was de situatie.

Dat rapport betrof Angola. In dat West-Afrikaanse land ging twintig jaar geleden de mare rond dat je je minderjarige kind maar naar Nederland hoefde te sturen en dan kreeg het daar een gratis opleiding. Zie ook dit artikel uit het AD. Mensen met wat geld regelden iets met een sjacheraar en die zorgde dan dat zo’n kind met een goed verhaal aankwam. Je zou denken dat het zich bij een opleidingsinstituut zou aanmelden. Dat was echter niet de bedoeling. Het einddoel was een asielzoekerscentrum. Zolang het kind zich maar aan dat verhaal vasthield zou Nederland er verder wel voor zorgen. En dat is waar.

Alleen liep het voor een aantal van die kinderen anders. Angola was geen fris land met enorme corruptie en een burgeroorlog. Maar dit waren echt economische vluchtelingen, nota bene uit de Angolese middenklasse. Je mag je rustig afvragen hoe hun thuisblijvende ouders dan aan het geld voor die oversteek waren gekomen. Die kinderen waren tieners en mochten niet in Nederland blijven. Maar ze werden intussen wel omringd door een legertje hulpverleners met ieder zo zijn eigen beweegredenen.

Ik mocht geen rechtstreeks contact onderhouden met die jongeren; alle communicatie moest beslist via de hulpverleners gaan. Dat was jammer. Want via mijn eerdere werk bij die werkgever had ik de nodige Afrika-ervaring opgedaan. Dit in tegenstelling tot diverse Nederlandse vrijwilligers/hulpverleners die ik persoonlijk ken. Mogelijk had ik bepaalde details uit de verhalen beter kunnen plaatsen dan zij. En als je het echte verhaal van die kinderen kent, kun je ze ook beter helpen. Maar dat verhaal mocht duidelijk niet worden verteld.

Er werd steeds gezegd dat die kinderen niet terug konden gaan. Er zou geen familielid meer in Angola te vinden zijn. Ze zouden nergens worden opgevangen en berooid op straat eindigen. Kortom: één groot drama. Nu zijn Afrikaanse families meestal nogal groot. Maar goed. Voor dat opvangprobleem viel wat te bedenken.

Nederland is zelfs zo ver gegaan dat het in de hoofdstad van Angola een splinternieuw opvangcentrum liet bouwen. Daar konden terugkerende jongeren de eerste maanden terecht als ze werkelijk geen familie of vrienden meer hadden. Voor vertrek werd er van alles gedaan om hun terugkeer zo kansrijk mogelijk te laten verlopen. Als ik het mij goed herinner, kregen de jongeren korte beroepstrainingen aangeboden en een bedragje voor een vlot begin.

Dat rapport ging specifiek over dat Nederlandse opvangcentrum in Angola. Het was rond 2004 gebouwd en dit betrof een tussentijdse evaluatie. Er was gekeken naar het functioneren van het gebouw en de begeleiding, én naar gebruik ervan door terugkerende jongeren. Voorzag het goed in hun behoeften? Er was vooraf samengewerkt met de ambassade en met betrouwbare connecties ter plaatse. En voor deze evaluatie was een consultant ingehuurd. Alles bij elkaar had dat opvangcentrum al een vermogen gekost.

Nu mogen jullie mij vertellen hoeveel van al die terugkerende kinderen zonder familie er daadwerkelijk naar dat opvangcentrum zijn gegaan.

Ja, deze kinderen waren slachtoffers. Van hun eigen ouders om precies te zijn.

(Voor wie meer wil lezen over de oorzaken van vluchtelingenstromen en suggesties voor oplossingen, staan hier alle eerdere logjes bijeen.

Een persoonlijke muziekcatalogus

De afgelopen veertig jaar veranderde er veel voor wie thuis naar favoriete muziek luistert. Na de platenspeler verschenen bandrecorders, cassettebandjes, cd’s, mp3-spelers, iPods en muziek streaming services. Een deel daarvan sloeg ik zelf over. Voorlopig ben ik geëindigd bij cd’s en YouTube. Met elke verandering rijst echter de vraag wat je aan moet met al die muziek op verouderde geluidsdragers.

Mijn platencollectie en bandrecorder gingen al eerder de deur uit. Steeds zette ik de beste nummers over op bandjes via het krakkemikkige microfoontje van mijn cassetterecorder. Maar elke volgende recorder en walkman had een iets andere snelheid. Vandaar dat het beluisteren van die bandjes een tenenkrommende ervaring wordt. Na schifting bewaar ik nog ruim 100 cassettebandjes met 90 minuten elk. Ik heb ze al jaren niet meer aangeraakt, terwijl er toch geweldige muziek op staat. Dus moet ik weer een keuze maken.

Het merendeel van de muziek bestaat uit radio-opnamen. Vaak zijn de artiesten en titels wel bekend. Maar er staan ook nummers tussen waarvan ik geen flauw idee heb van wie ze zijn. Dan schreef ik een zinnetje op waarvan ik dacht dat dat de titel was. Vooral wanneer dat telkens terugkwam in het refrein. En als ik de taal niet beheerste, maakte ik fonetische aantekeningen. Daarom vormen de Arabische en Afrikaanse liedjes een probleem.

Natuurlijk is er Shazam. Maar ik kom de gekste dingen tegen. Sowieso dj’s die overal doorheen ratelen. (Wat vindt die beroepsgroep zichzelf toch interessant.) Maar ook stukjes Franse les. Het bijzonderst is de oproep tot het gebed van de muezzin van de Kaäba in Mekka. Dat vond ik namelijk mooi klinken. Vermoedelijk is het een opname van voor 9/11. Je kan je toch nauwelijks voorstellen dat zoiets nu nog op een Nederlandse radiozender te horen is.

Inmiddels weten we allemaal hoe vergankelijk geluidsdragers zijn. Daarom grijp ik terug naar een beproefd ouderwets middel. In een ordinair Word-document verzamel ik chronologisch de namen van alle artiesten en bands die ik goed vind. Daarbij noteer ik de titels van hun beste nummers en plak ik de betreffende link naar YouTube. Van dat document maak ik periodiek een back-up.

Maar ja, nu nog die 100 cassettebandjes doorploegen. Je moet toch wat om de pareltjes er tussenuit te vissen.

Teksten recyclen is ook duurzaam

Sinds kort prijkt Raam Open op de lijst met blogs over duurzaamheid op Vlasleeuwenbekje’s Blogspot. Daar ben ik blij om. Dit blog verbleef namelijk al vijf jaar in de diepste krochten van internet en werd door weinig mensen opgemerkt. Nu komen er meer bezoekers. Behalve recente logjes, toveren zij ook het oudere werk tevoorschijn. Daar zit menig bericht tussen waarin ik mijn visie deel volgens de ‘People Planet Profit’-strategie. Het zijn pleidooien voor een duurzamere samenleving en economie. Veelal zijn ze geïnspireerd door mijn ervaringen binnen de internationale ontwikkelingssector in Afrika.

‘Duurzaamheid’ is één van de meest uitgekauwde termen van deze tijd. Het is een containerbegrip dat regelmatig door handige marketeers wordt misbruikt. Vandaag zag ik een advertentie voor ‘duurzame’ vakanties van twee weken naar Azië. Alsof er ook maar iets duurzaams is aan vliegreizen. Sommige mensen kunnen het woord niet meer hóren. Maar er bestaat geen alternatief voor een ‘duurzame’ toekomst. Dus zou ik zo zeggen: ‘Wen er maar aan, aan de noodzaak van duurzaamheid.’

Deze week kwam het log ‘Geboortebeperking als redding’ weer voorbij in de statistieken. Niet verwonderlijk, als je het nieuws volgt. Er is namelijk ophef over VVD-Tweede Kamerlid Wybren van Haga. Hij wil meer investeren in geboortebeperking in Afrika. Er worden twee miljard extra geboorten op dat continent verwacht, bovenop eerdere voorspellingen door de VN.

Wat mij betreft kan het genoemde log niet vaak genoeg worden gelezen. Het staat al jaren in de top 10 van de Pronkkamer om er blijvend aandacht op te vestigen. Gewoon, omdat het gaat over cruciale vrouwenrechten. En die hebben weer alles te maken met duurzaamheid. Hopelijk leidt deze recyclingactie tot aandacht voor de vele facetten daarvan. 😉

Mijn grote liefdes

In de film Bridges of Madison County zegt de man van het liefdeskoppel tegen de vrouw zoiets als: ‘Our dreams never came true. But it was good that we had them.’ Gisteren had ik een ontmoeting met vriendin E. in Utrecht. Wij kennen elkaar al 18 jaar en delen een grote liefde. Na zoveel jaar is wel duidelijk dat het geen bevlieging is. In alle turbulentie en maatschappelijke veranderingen blijft deze bestendig. Dan is het echt.

Meestal begint zij erover met een terloopse opmerking. ‘Ik ben zo aan Dubai toe.’ Of: ‘Wanneer gaan we weer naar Istanbul?’ En anders vraagt ze wel naar mijn reisplannen. Nu ik al jaren af en aan zonder werk zit, weet ze dat ik voorlopig geen vakantie in het buitenland vier. Daarom vroeg ze gisteren of ik nog wel naar het Midden-Oosten terug wil.

Er zijn weinig zekerheden in het leven. Maar mijn gevoelens voor bepaalde gebieden zijn zeer stabiel: Polynesië, Australië, het Midden-Oosten en een vleug Afrika. Die blijven, wat er ook gebeurt.

Onlangs liep ik op een druilerige ochtend door een achterafstraatje van de Arnhemse binnenstad. Een Syriër had er een eetgelegenheid en door de deuropening klonk warme, gepassioneerde Oosterse muziek.

Naar Nederland heb ik nooit heimwee. Wel mis ik tijdens een lang verblijf elders vrienden en familie. En natuurlijk kan ik in een Afrikaanse chaos verlangen naar de ordelijkheid van ons landje. Heimwee, echt hartverscheurende heimwee, krijg ik pas wanneer ik een Arabische variant van een smartlap hoor. Bijvoorbeeld in een achterafstraatje in het centrum van Arnhem.

Braai

Het begint nog wel zo knus en aandoenlijk. Op een zonnige zaterdag staan er twee markten op het programma. Met de bus kom ik in een dorp aan bij de eerste. Dit is een liefdadigheids-gebeuren, compleet met thuis gebakken cake en loterij. Na een half uur zit ik weer bij de bushalte. Er rijdt een auto langs met een sticker van de Zuid-Afrikaanse vlag. Ik raak mild geïnteresseerd. Heeft de bestuurder daar vakantie gevierd? Of komt hij er zelf vandaan?

De auto wordt vlakbij geparkeerd en ik volg wie er uitstapt. De bestuurder is een blanke man. Hij draagt een overhemd met kaki jachtvest en een broek in dito stijl. Hm, warm. Aan de passagierskant verschijnt een blanke vrouw met zwart haar. Zij heeft een keurig rood jasje aan. Kan, kan. Engelse voorouders of Hugenoten misschien. Ze komen vast voor de rommelmarkt. Maar voordat zij op pad gaan, komt mijn bus er aan.

De tweede markt is verderop in een stad en eveneens ideëel van opzet. Er staan mensen met zelfgemaakte producten en ecologische waren. Ook is er is een zithoek van strobalen en schapenvachten rond een kampvuur. Boven de vlammen hangt een grote ketel aan een driepoot. Een paar zestigers kookt op hun gemak soep. Leuk. Nieuwsgierig spreek ik hen aan. Het blijkt om een groep natuurliefhebbers te gaan.

Prompt duikt die ene man in kaki outfit ook op bij het houtvuur! Hij past perfect in het geheel. Braai, dat is mijn eerste associatie. Hij komt vast zelf uit Zuid-Afrika. ‘Was u toevallig net op die andere markt?, vraag ik. En ik vermeld dat zijn autosticker mij opviel. Gelijk roept hij zijn vrouw.

Twee blanken uit Zuid-Afrika, in gesprek met een voormalige expat in Kenia. Heus, het begint aangenaam. Maar elk onderwerp buigen ze direct om naar wanbeleid en geweld, inclusief gruwelijke details. Er is geen ontkomen aan. ‘Jullie weten hier niet wat daar gebeurt’, zegt de man.

En ik denk: ‘Ja.’ Want ons halve journaal gaat over twee Armeense kinderen. Oké, in augustus kwam de NOS met een bericht uit Zuid-Afrika over 47 plaasmoorden. Wat op 19.000 moorden per jaar ‘slechts’ 0.3% is van het totaal, in een land met 56 miljoen inwoners. Dat was zo’n beetje al het nieuws over Afrika, een heel continent.

‘En ja’, denk ik vanwege een niet doorgegane dienstreis naar Zuid-Afrika tien jaar geleden. Wat weet je nu echt als je er nooit bent geweest? Oh, ik ken hun angsten. Ze hebben de tralies thuis gelaten, maar ze zitten met hun gedachten overal gevangen. Iemand zei over hun land: ‘It’s a human hell in a natural paradise.’

Bij ons afscheid geven we elkaar een hand. De zon schijnt. Op de markt eten kinderen ijsjes. Trots verkoopt een nieuwe statushouder zijn zelfgemaakte lekkernijen. Hij is weer iemand. Het is een heerlijke nazomerdag.

Uren later ruikt mijn haar nog steeds naar de rook van het vuur.