3 oktober 2018 optocht Leidens Ontzet

Natúúrlijk was ik vandaag in Leiden. Op deze dag zou ik nergens anders willen zijn. De viering van 3 oktober hangt van tradities aan elkaar en een daarvan is naar de optocht gaan. Dat klinkt passief, maar niets is minder waar. Want het publiek doet vanachter de dranghekken volop mee. Dat hoort er bij. Hier wat foto’s als sfeerimpressie.De Geuzen.

Zuster Klivia.

Reïncarnatie van Rubberen Robbie?

Spuitgasten uit 1929 bij de stadhuisbrand.

Bijdrage van het Rijksmuseum van Oudheden. Ja sorry hoor, ik ben geen actiefotograaf.

Lekker midden op de weg rennen, nu het eindelijk kan.

Hoogwaardigheidsbekleder 3 October Vereeniging achter de draak aan,
voorzien van enig commentaar.

Het is weer bijna 3 oktober

Rond deze tijd van het jaar voel ik mij sterk verwant met de eerste generatie Turk of Marokkaan. Vroeger zag je ze ’s zomers altijd in een volgestouwde Mercedes naar hun vaderland afreizen. Terwijl ik begin oktober steevast naar Leiden terug moet gaan. Net zoals bij hen, blijven de banden met mijn oude geboortestad levenslang bestaan.

In den vreemde (regio Arnhem) ontvang nog ik wekelijks nieuwsbrieven van Leidse organisaties. Van de Hortus bijvoorbeeld, en van het Leids Wevershuis. Ook de Universiteitsbibliotheek stuurt regelmatig een bericht, waarin bijzondere stukken uit de collectie worden belicht. Af en toe bezoek ik de website van het Afrika-Studiecentrum, dat ook al in de Sleutelstad gevestigd is. En ik lees nieuwtjes van de 3-October Vereeniging, plus de universitaire nieuwsbrief. Tot besluit schrijven het Leidsch Dagblad en Leidse bloggers over uiterst herkenbare zaken. Hoe snel de stad ook mag veranderen.

Aan het feestprogramma van 3 oktober verandert trouwens zelden iets. Al ontstaat er soms wel wat nieuws. Naast de reveille, de uitreiking van haring en wittebrood, koraalzang, kermis, optocht en feestelijke warenmarkt, is er sinds een paar jaar de 3 October University. Want Leiden is al tijden fabrieksstad af. Voor buitenstaanders mag 3 oktober dan een plat volksfeest lijken. De gentrification is hier ook al jaren aan de gang.

 

Geluid festivals loopt de spuigaten uit

‘Nederland wordt te klein voor zo veel festivals’, kopte de Volkskrant afgelopen zaterdag. Feit is dat het aantal festivals in ons land al jaren flink stijgt. In 2012 waren het er volgens onderzoeksbureau Respons 708, tegen 934 in 2016. Dan hebben ze de jaarlijkse straatmaaltijd in mijn oude stadsbuurtje vast niet meegeteld. Waren die festivals allemaal maar zo gemoedelijk. Vaker worden omwonenden opgescheept met forse geluidsoverlast.

Voor wie verder leest: deze longread begint met de invloed van openlucht-festivals op omwonenden. Daarna volgt mijn ervaring met wonen te midden van omgevingsgeluiden in Leiden. In geuren en kleuren, uiteraard. En ik sluit af met een ode aan ‘3 oktober’ van Rubberen Robbie, voor de liefhebbers.

De Volkskrant: ‘In Breda werd deze maand een motie aangenomen tegen de geluidsoverlast. Centrumbewoners klagen over ‘misselijkmakende’ bassen en ramen die kapot trillen door lawaaiige optredens.’ Dit is nog afgezien van dagenlange parkeerproblemen, wegomleidingen, onbereikbare werkgevers, plus piesende en kotsende, straalbezopen jongens voor je deur. Het klinkt vertrouwd, want ik ben opgegroeid met 3 oktober (Leidens Ontzet).

Moeten we dit soort mega-evenementen in steden dan maar schrappen? Bij het artikel staat een foto van een Vierdaagsefeest aan de Waalkade in Nijmegen. Eigenlijk is dat een mismatch. Dergelijke grote, traditionele evenementen zorgen niet voor blijvende ergernis. Als je in Leiden woont, weet je dat je 3 oktober er bij krijgt. En de Tilburgse kermis hoort net zo in die stad thuis als een gesloten textielfabriek. Een of twee grote jaarlijkse evenementen kan iedereen wel verdragen.

Maar ‘uit cijfers blijkt dat vooral het aantal kleine en middelgrote festivals groeit. … Onderzoeken laten nu zien dat bezoekers vooral behoefte hebben aan kleinschaliger ervaringen op bijzondere plekken. … Die vind je vaker in de stad.’ Dus kan het gebeuren dat de gemeente van mei tot oktober om de week een ander ‘event’ toelaat. De centrummanager, organisatoren en horecabazen zijn daar blij mee. Want het is fijne promotie voor de stad en iedereen pikt een graantje mee. Behalve de omwonenden, die hebben het kennelijk maar te accepteren. Een vergelijking met Airbnb is zo gemaakt.

Organisatoren kunnen wel wat doen om geluidsoverlast in te perken. Een goede installatie, vakkundige geluidsmensen en een slimme opstelling van boxen, maken al verschil.
Gemeenten kunnen een harde limiet stellen aan tijden, geluidsvolumes en aantallen openlucht-evenementen met versterkte muziek. Graag zie ik dat ze gewoon de stekker eruit trekken wanneer een organisator zich niet aan afspraken houdt.

Het probleem zit vooral in de opeenstapeling van rumoer en het dominante geclaim van de openbare ruimte. ‘Vrijheid eindigt zodra die van een ander wordt beperkt.’, zei Jan Terlouw onlangs. Dat is precies wat er bij een teveel aan geluid speelt. Het geluid word je opgedrongen. In je eigen woning kan je niet meer tot rust komen. Het houdt je uit je slaap, ook al moet je er de volgende dag vroeg uit. In het ergste geval leidt het tot hevige stress, gevoelens van onmacht of feitelijke agressie, uitputting en fouten in het verkeer of op het werk. Ik betwijfel of een festivalorganisator dat in zijn SWOT-analyse meeneemt.

Kortom, jaarlijks een of twee grote evenementen in de openbare ruimte vind ik prima. Maar hou het daar bij. Als bekend is dat omwoners ernstige overlast krijgen, laat organisatoren hen dan een financiële vergoeding geven. Tenslotte is de openbare ruimte van iedereen. Zo’n gebaar is volwaardiger dan mensen afschepen met een gratis drankje. Kennelijk zijn evenementen in de buitenlucht lucratief genoeg. Anders was er nu geen sprake van wildgroei.

Mag ik dan nu aangeven waardoor ik zo’n pesthekel aan mensen heb gekregen die met hun volume voortdurend te veel openbare ruimte innemen? Lees verder “Geluid festivals loopt de spuigaten uit”

De muntjes van Minerva

In zijn Volkskrant-column van 29 september schrijft Bert Wagendorp over de ontgroening door Groningse corpsballen. Daarin verwijst hij naar het muntjesverhaal. ‘Ook zouden de Vidicat-leden er plezier in scheppen muntjes te strooien naar het gepeupel op straat – zaken waarvan ik zelf helaas nooit getuige ben geweest.’

Dat klinkt mij bekend, maar dan als gebeurtenis vroeger in Leiden tijdens de 3-oktober-optocht. Het was in de jonge jaren van mijn oma. Toen wierpen studenten van Minerva, die op de Breestraat vanaf hun balkon op het toegestroomde volk neerkeken, gloeiend hete muntjes op straat. Lachen was dat, zeg, zodra de arme Leidse kinderen hun vingers eraan branden. Mijn bejaarde moeder spreekt er nog schande van.

Het heeft zijn uitwerking niet gemist. Wanneer ik over een jurist hoor die mensenrechten verdedigt, dan denk ik eigenlijk nooit aan het studentencorps Minerva. Gaat het om een jurist op de Zuidas die zo handig alle belastingregels voor zijn opdrachtgever weet te omzeilen, dan is mijn eerste gedachte: vast een Minervaan.

PS. Nu moet ik op pad, want als rasechte Leidse ga ik uiteraard feestvieren in de stad.

Thuis

Op vrijdagmiddag drinken timmerman T. en ik koffie. ‘Ga je nog terug naar Leiden?, vraagt hij mij. Vermoedelijk vind hij het een beetje vreemd dat ik hier alleen zit. ‘Nee’, zeg ik, want terug verhuizen is uitgesloten. Zelf wil hij in dezelfde plaats wonen als waar zijn familie en vrienden zijn. Ik vertel hem dat ik nog wel regelmatig in Leiden kom.

Vorige week zaterdag nog; het is 3 oktober en feest in de stad. Geheel volgens traditie zijn mijn zus en ik de hele dag samen op stap. Nergens anders is het zo vertrouwd en bekend. Ik ken de geschiedenis en dat wat eruit voortkwam. Hier kan ik een verschil in intonatie makkelijk interpreteren. Dit is ‘thuis’. En toch kom ik ’s avonds in een andere plaats opnieuw echt thuis.

Vrijdagmiddag, nogmaals. Ik zit in de trolleybus naar Arnhem en het is prachtig najaarsweer. Onderweg passeren we riante negentiende eeuwse villa’s en een half geoogst maisveld in een glooiend dal. Even later rijden we in een buitenwijk van de stad. Daar waar je tussen de huizen door uitkijkt over weids land en de kalm stromende rivier. Hier kwam ik al jaren geleden, en later weer tijdens de huizenjacht. Door deze kleine geschiedenis is dit stadsdeel mij evenzeer vertrouwd.

Dezelfde vrijdag, ’s ochtends deze keer. In opperbeste stemming wandel ik door mijn woonwijk naar de supermarkt. Een onbekende vrouw met hond staat te praten met een man. Als ik hen van een afstand nader, reageert de hond opvallend blij. ‘Ken je haar soms?’, hoor ik het mens aan het dier vragen. Enthousiast maar beheerst komt hij mij tegemoet. Zodra ik de hond begroet, reageert de vrouw raar. Abrupt trekt zij hem bij mij vandaan. Mij kijkt ze de hele tijd niet aan. Het dier ‘verstaat’ mij, terwijl het medemens alles ontgaat.

Thuis is daar waar je je prettig en geborgen voelt. Mijn gedachten worden beïnvloed door mensen, plaatsen en ervaringen. Hoe aangenamer, hoe beter. Zo heeft deze mooie woonomgeving een positieve invloed op mijn gemoed. Hierdoor ontstaat een zichzelf versterkende wisselwerking. Want de meeste mensen voelen, net als die hond, instinctief aan dat ik in mijn element ben. En reageren daar naar.

Ze zeggen wel dat de bevolking hier wat stugger is. Maar ik ontmoet voornamelijk ‘goed volk’ en vriendelijke mensen. Winkeliers die uitgebreid de tijd voor je nemen. En onbekenden die spontaan hele verhalen vertellen. Mocht ik heimwee krijgen, dan weet ik mij omringd door talloze mede ex-Randstedelingen. Stuk voor stuk mensen die voor geen goud meer terug willen. Wij voelen ons bevoorrecht. Omdat we ooit de stap hebben gezet en beseffen dat dat goed was. Voor ons althans is het alsof een belofte wordt waargemaakt.

Het huis van oma B.

Het huis van oma B.
Lange Mare, begin jaren 50

De oude binnenstad herbergt nog veel panden waarin mijn voorouders ooit woonden. Eén daarvan was van oma B. Het markante gebouw heeft een opvallende Art Nouveau gevel. Alleen dat is al bijzonder, maar heb ik er vooral een gevoelsmatige band mee. Oma overleed jaren geleden. In mijn beleving maakt zo’n detail echter weinig uit. Het blijft voor altijd het huis van oma.

Wil je verder lezen? Ga er dan maar eens rustig voor zitten.

Overgrootvader

Mijn overgrootvader laat het begin vorige eeuw bouwen. Hij is een Leidse meubelmaker en –handelaar. In 1912 wordt het opgeleverd en sindsdien prijkt dat jaartal op de gevel. Die gevel is een echte eyecatcher. Meerdere auteurs van architectuurgidsen reppen erover: ‘Hij liet het pand in een late en strakke variant van de Jugendstil optrekken.’ ‘De gevel bestaat uit gebroken-witte geglazuurde stenen afgewisseld door blauwe, turkooizen en roodbruine horizontale banden.’ Dat geglazuurde steen is in ons calvinistische landje vrij zeldzaam.

Overgrootvader verkoopt beneden in de winkel biljarttafels die hij zelf maakt. Boven woont hij met zijn vrouw en dochters. Het gezin verblijft er echter maar kort. Want hoe imponerend de gevel ook mag zijn, het pand is zo diep als het breed is, en dus tamelijk klein. Verdeeld over vier lagen beslaat het slechts 84 vierkante meter. Dat betekent constant trappen lopen en daar heeft overgrootmoeder geen zin in. Nadat zij eruit trekken, wordt het bewoond ‘door de huurders H. Zwart, sergeant-kok bij de Kweekschool voor Zeevaart en twee ongetrouwde zusters, de dames Rietbergen.’

In totaal hebben vier generaties nakomelingen van overgrootvader er gewoond. Rond 1919 gaan mijn pasgetrouwde opa en oma er wonen en zij krijgen vijf kinderen. Mijn moeder is de jongste. Wanneer zij trouwt, is haar vader al overleden en haar broers zijn de deur uit. Er heerst woningnood, maar oma heeft ruimte genoeg. Daarom trekt mijn vader bij zijn vrouw en schoonmoeder in. Mijn zus wordt geboren en zet er haar eerste stapjes. Pas vlak voor mijn komst verhuist het gezin naar een eigen woning. (De vijfde generatie volgt nog.)

Het huis van oma B.

Het langst van iedereen verblijft mijn oma ‘op de Mare’. In haar tijd zaten de muren vol inbouwkasten en waren de kamers klein. Om de huiskamer te bereiken, liep je door de winkel via een steile trap naar boven. Dan passeerde je mijn opa op een foto aan de wand. Vol ornaat in historisch kostuum zat hij op een paard, klaar voor de 3-oktoberoptocht. Hij liet ook praalwagens meerijden met figuranten, om zo reclame te maken voor zijn zaak.

De woonkamer op de eerste etage heeft een erker en een mooie zwarte schouw. In die ruimte pasten de eettafel met stoelen, een kastje en een paar fauteuils. Overgrootvader maakte als huwelijksgeschenk een compleet ameublement voor elke dochter. Toen oma ouder werd, sliep ze in een opklapbaar bed in de huiskamer. Dan hoefde ze niet verder naar boven te lopen.

In het keukentje naast de woonkamer had oma een theemeubel met mooie kopjes. Een verzameling aardewerk stond op een plank boven het aanrecht uitgestald. Daartegenover waren houten keukenkasten met vitrinedeurtjes. De prachtige Jugendstil-potten ‘Thee’, ‘Suiker’ en ‘Vermicelli’ pronken nu bij mij. Er hing een keramieken koffiemolen aan de muur met glazen opvangbakje. Ah, de geur en het geluid van koffiebonen die worden vermalen …

Daarnaast was het binnenplaatsje met hoge muren en hier bevond zich het toilet. Het was er ’s winters wel steenkoud en er kwam geen zon. Oma bewaarde haar eten gewoon buiten op het plaatsje. Een koelkast was daar niet nodig. De kinderen werden geboend in de teil of ze bezochten het badhuis in een straat verderop.

Voor de woonkamer is een piepklein portaaltje en daar gaat de trap verder omhoog. Boven bevond zich een slaapkamer en een tweede toilet. Aan de straatkant prijkt een piepklein balkonnetje boven de erker. Mijn ooms sliepen nog een etage hoger op zolder. Hier hing oma de was te drogen.

Mijn overgrootouders stierven op hoge leeftijd tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zij lieten meerdere monumentale panden na aan vier erfgenamen. Bij de boedelverdeling kreeg oma haar eigen woning en twee nabijgelegen pakhuizen in handen.

Het huis in mijn jeugd

Als oma al weduwe is, verhuurt ze de bovenkamer aan studenten of verpleegsters. Zo verdient ze wat, AOW of weduwenpensioen bestaat nog niet. Tot vadertje Drees ingrijpt brengen haar jongvolwassen kinderen ook geld in. In mijn geheugen hoor ik die huursters nog langs haar woonkamer de trap op gaan.

Op een gegeven moment draagt oma het eigendom van haar onroerend goed over aan mijn oom. Het moet nodig worden opgeknapt. Zij blijft in haar vertrouwde huis wonen en hij zorgt voor het onderhoud. De begane grond blijft dienen als winkel en wordt aan opeen- volgende mensen verhuurd. Ik kan mij een kousenzaak en kappers herinneren. Volgens het archief zaten er ook een stomerij (van mijn opa) en een juwelier.

Zo’n twintig jaar lang kom ik vrijwel wekelijks bij oma op bezoek. Gezeten op een stoel bij het raam in de erker kan je er heerlijk naar buiten kijken. Want het huis staat aan een gedempte gracht waar dagelijks een stoet mensen passeert. Die bezoekjes houden abrupt op als oma een brief post en ongelukkig valt. Ze breekt haar heup en kan onmogelijk nog de trap op komen. Haar laatste jaren slijt ze in een verzorgingshuis. Ik geloof dat ze nooit meer een voet in haar oude woning heeft gezet.

Na haar vertrek moderniseert mijn oom het pand grondig. Er komt eindelijk een echte badkamer. De keuken met los fornuis, houten kastjes en granieten aanrecht verdwijnt. Het binnenplaatsje krijgt een dak voor een groter woonoppervlak. Dat gebeurt in de jaren tachtig. De twee kinderen van mijn oom wonen er achtereenvolgens allebei enkele jaren. Wanneer zijn dochter een tweeling krijgt, verwelkomt het huis de vijfde generatie.

Het onvoorstelbare

Dat het pand ooit in handen van vreemden kan komen, is voor mij ondenkbaar. Ik vertelde eens tegen een collega dat het leeg stond nadat mijn nichtje was vertrokken. Zij vroeg terloops of mijn oom het ging verkopen. Ik stikte prompt bijna in een slok koffie. ‘Over mijn lijk’, bracht ik uit toen ik weer een teug lucht binnenkreeg. Bovendien wilde ik als twintiger zelf graag in de binnenstad wonen.

Maar buiten mijn medeweten om verkoopt mijn oom het aan iemand die niet van mijn overgrootouders afstamt. Een man van buiten de stad koopt het pand voor zijn kind dat hier komt studeren. Dat was twintig jaar geleden. Ik heb er nog steeds moeite mee.

Dit huis is bijna 85 jaar lang van onze familie geweest. Het is zo’n karakteristiek pand dat in bouwstijl en versiering de smaak van mijn overgrootouders uitstraalt. Na uitgebreid genealogisch onderzoek wordt het besef van verlies alleen maar sterker. Want oma’s huis is het allerlaatste in een lange reeks panden die mijn voorouders door de eeuwen heen bezaten. Ik passeer haar huis nog bijna dagelijks. Het staat op de route naar de binnenstad en naar mijn werk. Dan groet ik het even in het voorbijgaan.

Een bevreemdende ervaring

Vorige week ontdekte ik dat het wederom leegstaat. Binnen hangen nog slechts de gordijnen en kroonluchters. En jawel. Kort daarna verschijnt een ‘Te Koop’-bord en nu staat oma’s huis op Funda. Ik ben als een speer naar huis gereden en heb ik het direct opgezocht.

Met 'Te Koop'-bord, december 2014
Met ‘Te Koop’-bord, december 2014

Dat wordt een enigszins bevreemdende ervaring. Verschillende elementen zijn nog goed herkenbaar. De gevel uiteraard, de erker, de schouw en het trappenhuis met houten leuning. Verder is alles veranderd. Muren zijn weggebroken om ruimten samen te trekken, en zo verdwenen de inbouwkasten. Er zit een andere keuken in dan mijn nichtje had. De indeling en bekleding zijn wel praktischer en veel mooier dan voorheen. De muren zijn gewit en de vloer is met laminaat bedekt. Van binnenuit gezien komen de gekleurde ramen nu veel beter tot hun recht. Ik vermoed dat mijn oma de kroonluchters met tinkelend glas prachtig zou hebben gevonden.

Toch, terwijl ik de foto’s bekijk, is het voor heel even niet langer mijn oma’s huis. …
Maar dat moment gaat snel voorbij. Stel je toch voor zeg!

Ontwikkelingen in stroomversnelling

Even denk ik serieus aan fundraising om het huis als erfstuk terug te winnen. Mijn moeder weet dat de eigenaar aan mijn oom heeft gevraagd of hij het wil terugkopen. Mijn zus zou er zo wel weer willen wonen, nu het fraai is opgeknapt. Dat bedoelt ze figuurlijk, vermoed ik, want de steile trappen waren knap hinderlijk. Desondanks is en blijft het huis voor mij onbetaalbaar, letterlijk en figuurlijk.

Maar ik krijg zelfs niet de tijd om deze tekst rustig te voltooien. Want Funda meldt dat het al binnen vier dagen is verkocht!

Voordat alle informatie verdwijnt, bel ik gauw de makelaar en vraag om brochures. Tenslotte ben ik een achterkleinkind van de eerste eigenaar. Voor hem is dat een interessant detail. Hij blijkt zich te specialiseren in historische panden en had het huis zelf wel willen houden. Direct na het telefoontje stuurt hij mij de foto’s toe. En ik zoek voor hem foto’s van vroeger op, voor zijn dossier.

Wie de nieuwe eigenaar is, weet ik nog niet. Wel betreft het opnieuw een vader die oma’s huis voor zijn studerende kind koopt. En is dat eigenlijk niet de rode draad in dit verhaal? Steeds is er een vader die zijn dochter of zoon aan een goed onderkomen helpt.

En dan …

Je zou denken dat ik nu wel klaar ben met dit relaas. Maar er is werkelijk iets bijzonders gaande. Wanneer ik de website van de makelaar bezoek, val ik bijna van mijn stoel van verbazing. Ongelofelijk, maar echt waar: hij blijkt zelfs twéé panden van mijn overgroot- vader in verkoop te hebben! Wat een wonderlijke samenloop van omstandigheden! Vermoedelijk beseft hij het zelf niet eens.

O ja, klein detail: de vraagprijs van dat tweede pand bedraagt € 829.000.
En dan te bedenken dat overgrootvader meer van dergelijke panden bezat …

De makelaar heeft nog even de sleutel van oma’s huis ter beschikking. Hij heeft ons, de familie, uitgenodigd om binnenkort een kijkje te komen nemen.

Bronnen over het huis van oma

  • Architectuur & monumentengids Leiden, onder redactie van J. Dröge, E. de Regt en P. Vlaardingerbroek, Primavera Pers Leiden, 1996, ISBN 90-74310-11-7.
  • Krullen, lijnen en zweepslagen. Jugendstil in Leiden, P.A.F. Kotterman, Leids Verleden 3 – Dienst Bouwen en Wonen, Gemeente Leiden.
  • Een bouwtechnische beschrijving staat op Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Bijna 3 oktober

Gisteren bezocht ik de historische lezing die de 3 October Vereeniging elk jaar organiseert. Voor mij is dat het startschot van een serie tradities rond deze memorabele dag. Vijf keer was ik niet in Leiden wegens verblijf in het buitenland. Dat heb ik flink bezuurd. Dus wat er ook gebeurt, waar ik ook vandaan moet komen: op 3 oktober ben ik in de stad.

Het begint te kriebelen zodra de generatoren op het kermisterrein verschijnen. De lichtmasten staan al her en der opgesteld. Nu volgen de verkeersregelaars, de kermiswagens, de tribunes, de feesttenten, de marktkramen, de dranghekken. En dan verschijnt het publiek. Je weet soms niet wat je ziet.

Voor mij is 3 oktober vooral een mix van puberale opwinding, nostalgie, stappen met mijn zus en ontspanning in een opgetogen carnavalssfeer. Het is een feest der herkenning van vertrouwde geluiden, geuren, gebeurtenissen en gezichten.

Bovendien is het een rituele bevestiging van een diepgewortelde en gedeelde identiteit. Zonder het beleg en ontzet van Leiden in 1573-1574 had de lokale geschiedenis vast een andere wending genomen. Dan hadden mijn voorouders, en die van veel Leidenaren, elkaar nooit ontmoet.

Het is dat ik ermee ben opgegroeid, anders zou ik misschien met een boog om de stad heen lopen. Opgroeien met 3 oktober heeft echter wel voordelen. Je wordt er behoorlijk paniekbestendig van in deinende, lawaaiige massa’s.

Nog maar vier nachtjes slapen …