Writer’s block opgelost

Had ik al verteld dat ik bezig ben met het schrijven van een boek? Ja, echt. Ik heb genoeg materiaal verzameld tijdens het onderzoek. Non-fictie schrijven is alleen wel wat anders dan vrije stijl stukjes publiceren op een blog.

Om te beginnen helpt het als je boven de materie staat. Dat vergt kennis van zaken op basis van betrouwbare informatie. In mijn geval betreft het een klein deelonderwerp uit het grote geschiedenisverhaal over de Tweede Wereldoorlog. Nu zijn er nogal wat mensen (99% mannen) die zich expert wanen op dat gebied. Dus moet alles kloppen en verifieerbaar zijn.

Verder moet je een logische structuur kunnen aanbrengen in een massa informatie. Dat ben ik bij uitstek goed in. Check. Eerst heb ik een globale indeling gemaakt op basis van de tijdlijn. Hierdoor kwamen als vanzelf de belangrijkste hoofdstukken tevoorschijn. Vervolgens ben ik twee weken zoet geweest met het verdelen van alle brokstukken informatie, die uit tientallen bronnen afkomstig zijn. (En nog dagelijks volgen er nieuwe feiten.)

Dan kan eindelijk het echte schrijfproces beginnen.

Uhm, ja.

Zoals gezegd: je moet boven de materie staan en daarvoor moet je een kenner zijn. Ik daarentegen, was er niet bij in 1944/’45. Ik moet mijn verhaal baseren op wat anderen hebben geschreven. Vaak geven zij verschillende versies van dezelfde situaties met allemaal wat extra’s er bij. Dat hoeft geen probleem te zijn. Zij het dat ik hun stemmen uit mijn hoofd moet krijgen, voordat ik in mijn eigen woorden en in mijn eigen stijl over precies die zaken kan vertellen waaruit mijn eigenste verhaal ontstaat.

De afgelopen anderhalve week ben ik met andere dingen bezig geweest en dat is funest gebleken. Want als je iets schrijft op pagina 8, dan moet je uit je hoofd weten wat er volgt op pagina 83. Zo niet, dan raak je de draad van je verhaal kwijt of ga je dingen dubbel schrijven. Terwijl hier nu juist een heleboel losse feiten samenhangen en nauwkeurig in elkaar moeten grijpen.

Een paar uur lang zag ik het heel somber in. Dit ging mij toch niet weer gebeuren, hè? Dat ik aan iets was begonnen, wat te groot voor mij zou worden. Of dat ik aan iets was begonnen, wat ik niet goed af kon ronden. Om welke reden dan ook.

Uiteindelijk heb ik de imminente blokkade zelf losgewrongen. Door afstand te nemen. Door terug te keren naar de structuur. Door aan te vangen met een logisch detail. Een detail dat precies paste op pagina 8 in het verhaal. Waarna de rest vanzelf kwam.

Het Tolhuys in het land van Cleef

Circa 25 jaar geleden stuitte ik in Leiden op een voorouder die afkomstig was van ‘het Tolhuys in het land van Cleef’. Dat klonk best mysterieus. Zijn herkomst sprak dan ook meteen tot mijn verbeelding. De jongeman in kwestie was een bakkersknecht, geboren rond 1700. Van lieverlee werd duidelijk waar hij precies vandaan kwam. Want zijn zus vond eveneens een partner in Leiden en zij kwam uit ‘Lobith aan ’t Tolhuijs onder Pruijsen’. Lobith dus, waar vroeger een tolhuis stond.

Sinds die eerste vondst heeft een bezoek aan Lobith altijd op mijn verlanglijst gestaan. Maar ja, hoe gaat zoiets? Je maakt eens een reis rond de wereld. Daarna overwinter je een keer in Zuid-Frankrijk. Vervolgens ga je een halfjaar voor werk naar Kenia. En tussendoor bezoek je landen in Azië en Europa. Voordat je het weet, is er een kwart eeuw voorbij gegaan. Maar Lobith? Ach nou ja, dat is vlakbij en dat blijft daar nog wel even staan.

Na mijn verhuizing in 2015 naar een dorp bij Arnhem kwam ik al dichter in de buurt. Zo waren er een boottocht naar Fort Pannerden en een wandeling in de Millingerwaard. Dat zijn twee locaties in de buurt van Lobith aan de overzijde van de rivier. Ook kwam ik net over de grens in Elten en bij Aerdt  onder Oud-Zevenaar. Maar Lobith bleef een plaats die vooral in mijn gedachten bestond en dan verandert zo’n plaats uit de geschiedenis al snel in een mythologisch oord.

Afijn, Lobith dus, op 2 maart 2021. Ik trof er welgeteld twee bouwwerken aan die daar al in de tijd van mijn voorouders stonden: het gereformeerde kerkje en de schipperspoort. Dat poortje is het allerlaatste overgebleven restje Tolhuis. Gelukkig hebben we het schilderij uit 1672 nog.

In het zonnetje achter de schutting

Als ‘ik-pruts-maar-wat-aan’– fotograaf hou ik mij verre van fotoclubs en websites met de beste fototechnieken. Dit uit angst dat die mijn creativiteit en gevoel van originaliteit zullen vernietigen. Maar er is wel een uitzondering, en dat is het blog van Elvira Smit, getiteld Kronkeling.

Nu zal je denken: ‘Oh, dus daar haal jij al die ideeën vandaan.’ Nou, dat is de vraag. Er passeren massa’s beelden in een mensenleven en die laten hun sporen na in ons onderbewustzijn. Hoe meer foto’s je zelf neemt én van anderen ziet, hoe vaker je ontdekt dat je alsmaar nieuwe wielen uitvindt. Elvira schrijft over deze (on)bewuste herhalingen.

Zo vind ik het leuk om blaadjes tegen de zon in te fotograferen, waardoor je alle nerfjes ziet. Vandaag heb ik dat trucje herhaald met de kamperfoelie. Die groeit in de schaduw van de schutting en komt nu met zijn uitlopers precies in het zonlicht. Kamperfoelies zijn nogal rommelige planten en ook deze bestaat uit een wirwar aan takken. Om dat te verhullen heb ik de foto expres donkerder gemaakt.

Een liberale aha-erlebnis

Soms lees je iets waardoor je in één klap begrijpt hoe het zit. Neem nu het volgende uit het artikel ‘Het neoliberale spook bestaat helemaal niet’ (Tijdgeest, Trouw, 27 februari 2021). Patrick van Schie, historicus, publicist en directeur van de TeldersStichting, het wetenschappelijk instituut van de VVD, krijgt een vraag voorgelegd over de luchtvaart en het klimaat. Hij noemt de deregulering van de luchtvaart een succes, want hierdoor kunnen we nu spotgoedkoop vliegen. De milieukosten zijn echter niet in de ticketprijs verdisconteerd. Daarom vraagt de journalist hem of de overheid niet moet ingrijpen.

Patrick van Schie vindt dat tricky. En dan komt het. ‘… Vanuit het belang van het klimaat worden harde doelen gesteld, dat komt wel erg dicht in de buurt van een centraal plan, waarnaar de samenleving moet worden ingericht. Dat is heel anti-liberaal. …’

Zo jongens, het is dan wel 17 jaar geleden dat ik het interfacultair keuzevak Ontwikkelingsvraagstukken deed aan de VU, maar nu ben ik in één klap weer helemaal bij. Wil er nog iemand stemmen op zijn partij?

Snakken naar een restaurant

Je zal mij niet gauw horen mopperen over die coronamaatregelen. Ik heb mij voorgenomen om er zo min mogelijk over na te denken. Daarom laat ik alles tamelijk gelaten over mij heen komen. Ut mot maar. Zoiets. En die avondklok? Het zal wel. Ik ga toch zelden naar buiten als het koud en donker is. Bovendien zijn er wel ergere dingen in de wereld.

Trouwens, in mijn jeugd, ruim veertig jaar geleden, waren winkels en veel cafés op zondag ook gesloten. Je was al blij met een pakje sigaretten uit een gevelautomaat.  Echt, ik heb barre tijden meegemaakt. Kan je na gaan welk effect dat op de ontwikkeling van mijn hersenen heeft gehad.

Maar er is één ding waar ik nu wel zeer naar verlang, en dat is de heropening van de restaurants. Ik zou bijna zeggen: zorg dat je wat gaat mankeren, zodat je naar het ziekenhuis mag. Want ziekenhuizen hebben restaurants. Vorige maand had ik mazzel, want toen had ik afspraken in het Radboud ziekenhuis. En je raadt het al, in het hoofdgebouw … hebben ze een zelfbedieningsrestaurant! Yes! Nou, dat was genieten, hoor.

Beeld je eens in. Bij het begin van het pad langs de zelfbedieningsbalie mag je zelf een dienblaadje pakken. Daarna loop je op je gemak langs al die vitrines met lekkere hapjes en andere dingen. Uiteindelijk reken je bij de kassa af. (Ik heb er een cappuccino en een saucijzenbroodje genomen. Dat weet ik nog precies.) Vervolgens wandel je met je dienblad naar het tafeltje waarop het serviesgoed en de servetjes liggen. Hier mag je ook weer zelf een selectie uit maken.

Uiteindelijk ben ik aan een tweepersoonstafeltje neergestreken met zicht op alle mensen die daar rondliepen. Echt, het gevoel dat zo’n restaurant je dan geeft. Het besef dat jij daar zit. Het was gewoon bijzonder. Wat had ik dát gemist.

Denk kathedraal voor ons nageslacht

Oké, de titel vergt enige uitleg. Ons tijdsperspectief moet radicaal op de schop om klimaatverwoesting het hoofd te bieden. Dat meent filosoof Roman Krznaric, die vanavond is te zien in VPRO Tegenlicht. De uitzending komt precies in een week van extreme tegenstellingen. Vorige week hadden we maar liefst 15 graden vorst, getuige het bevroren water op een weiland. En nog ligt het ijs op schaduwrijke plekken. Maar vandaag konden we bij 20 graden in zomerkleding naar buiten en ons koesteren in de warme zon, zoals krokusjes doen. En dat in februari.

Hoewel we van deze extreme weersomstandigheden kunnen genieten, komen we nauwelijks verder dan kortetermijndenken. Hoe kunnen we empathie voelen voor toekomstige generaties, mensen van wiens leven we ons nauwelijks een voorstelling kunnen maken?, vroeg Krznaric zich daarom af. Hij beveelt ‘kathedraaldenken’ aan, zoals Antoni Gaudí met zijn Sagrada Família basiliek heeft gedaan. Ofwel: laten we werken aan een samenleving die nog eeuwenlang kan voortbestaan.

Krznaric roept ons in zijn boek De goede voorouder op om toekomstige generaties een stem te geven. Hij biedt meer strategieën om in eeuwen te kunnen denken. Zoals: intergenerationele rechtvaardigheid (denk zeven generaties verder), erflatersmentaliteit (goed herinnerd worden door het nageslacht) en nederigheid tegenover de diepe tijd (besef dat we maar een stipje op de kosmische kalender zijn). Feitelijk kunnen we een voorbeeld nemen aan onze voorouders, want verspreid over de wereld deden volkeren dit vroeger al veel eerder.

Kortom: kijken vanavond! (NPO2, 22.10 uur.)

(Bovenstaande tekst heb ik deels gebaseerd op de aankondiging in de VPRO-gids.)