Een overhangende slappe plant

Niemand wil op het verkeerde moment op de verkeerde plaats zijn. Maar we kunnen allemaal in een situatie belanden waarin we een keuze moeten maken. Een keuze waarvan we niet kunnen overzien of die goed is. En soms doen we iets onbeduidends, waarvan de gevolgen verstrekkend zijn. Daarvan ben ik me bewust wanneer ik een overhangende slappe plant naar de tuin van mijn buurman duw. Want daar staat die plant met zijn wortels in.

Mijn bejaarde buurman laat zijn tuin opknappen. Dat is echt nodig, want hij verwaarloost de boel. Al jaren bladdert de verf van zijn kozijnen en de mooie tuin wordt overwoekerd. Vorig jaar heb ik geholpen met wieden, maar er is geen beginnen aan. Twee mannen doen het zware werk. Dode boom omzagen, onkruid met wortel en al uitrukken, struiken snoeien. In zijn voortuin resteren nu een paar struiken en die slungelige plant. Waarom ze die hebben laten staan, is mij een raadsel. Het is doorgeschoten onkruid dat scheef zakt.

Eerst stond die plant rechtop. Daarna boog hij richting de voorkant van de tuin van mijn buurman. Maar kennelijk is er iets gebeurd en is ‘ie gedraaid. Zo kwam die plant over mijn lage heggetje te hangen, tot zeker een halve meter mijn tuin in. En hoewel het in mijn achtertuin een ongedwongen bedoening is, ziet mijn voortuin er relatief netjes uit. Daarin is geen plaats voor onkruid.

Dus toen die plant van de buurman mijn kant op kwam, en als een slappe dronkenlap over mijn heggetje ging hangen, duwde ik hem terug. Toen viel hij languit op de grond, in de tuin van de buurman. Ik probeerde hem overeind te zetten, maar hij bleef niet staan. Uiteindelijk heb ik hem parallel aan onze tuingrens gelegd, aan zijn kant. Want daar komt ‘ie tenslotte vandaan.

Toch denk ik nu steeds aan die ene film: De aanslag. Daarin wordt een landverrader tijdens de Tweede Wereldoorlog op straat doodgeschoten. Een zoon van de buren hoort die schoten en ziet daarna het lijk voor het huis van de buren liggen. Dan komen zijn buren naar buiten en zij leggen het lijk neer voor zijn huis.

Taferelen met buren in hun achtertuinen

Het is een uitzonderlijk broeierig warme zondag laat in mei. In de tuinen links en rechts van mij doen de buren het kalm aan. Zoals het jonge stel aan het begin van ons rijtje. Zij met opgestoken haar op de steigerhouten bank. Hij met blote bast op een stoel er schuin naast. Ook zijn motor staat erbij, tegenover zijn vriendin aan de andere kant van hun zithoek. Dat voorrecht hebben hun auto’s niet. Die moeten op de oprit blijven.

De buurman van twee deuren verder draagt een baseballpet en doet iets met de BBQ. Zijn T-shirt heeft hij nog aan vandaag.

Ander tafereel. De buurvrouwen tussen hen in hebben twee kinderen. Een meisje van vier en een kleintje van nog geen jaar. De oudste hoor ik de hele dag door vragen stellen. Mama? Mama? Mama? Ik weet nog steeds niet welke mama ze precies bedoelt, maar in de tuin vermaakt zij zich prima.

Een donkere wolk drijft naderbij. Loom vallen nu de eerste druppels. Wanneer ik naar boven ga om een raam te sluiten, zie ik een van de moeders bij hun schuur. Ze zit op een stoel en heeft het kleintje op schoot. Samen schuilen ze voor de regen onder een paraplu. Aan haar voeten speelt de oudste gezellig keuvelend door. Ook zij houdt nu een grote-mensen paraplu omhoog, terwijl ze in hun zwembadje genoeglijk verder baddert.

Zij en ik solidair tegen de buxusmot

Tuinieren is prima, maar het moet wel aangenaam blijven. Anders wordt het werk. Dus wanneer ik weer rupsen van de buxusmot in mijn heggetjes aantref, vind ik dat minder leuk. Want daar ben je niet zomaar van af. En er staan veel buxusstruikjes in mijn tuin. De berichten over de plaag van de buxusmot klinken omineus. Hun rupsen vreten in het hele land heggen kaal.

Ik kan de struikjes van onder tot boven nakijken en honderden rupsen verwijderen. Dan sta ik uren voorovergebogen minutieus te pulken tot kniehoogte. Dit moet regelmatig worden herhaald. Het is een vieze klus om rupsen tussen blaadjes weg te plukken. Ik moet ze nog doodmaken ook. Eigenlijk is er geen redden meer aan. De mot heeft overal in de omgeving haagjes aangetast. Daarom overweeg ik de boel te vervangen door een tuinhek. Maar ik ben nog in dubio.

Mijn overbuurvrouw heeft nog veel meer buxusstruiken. Haar voortuin ziet er prachtig uit dankzij haar jarenlange liefdewerk. Wanneer ik naar huis loop, komt ze me tegemoet. Of ik ook buxusmot heb, vraagt zij bezorgd. Helaas, ja. Ik vertel wat ik heb geprobeerd en zeg dat ik weinig hoop heb. Maar zij wil niet van opgeven weten. Dan zou al haar werk voor niets zijn. En als ik mijn heggetjes rupsvrij hou, krijgen haar struiken ook een kans.

Ze kijkt mij hoopvol aan. Ze zoekt een medestander om er samen de moed in te houden. Ik kan al bijna niet meer zeggen dat ik overweeg om alle struikjes te rooien. Het is alsof ik haar dan in de steek laat.

Nu strijden we dus als de laatste twee der Mohikanen. Al gaan in de wijde omtrek alle heggetjes eraan, wij blijven stug rupsen weghalen. Vandaag ben ik opnieuw uren zoet geweest. Een voordeel: zo leer je je buurtbewoners kennen. Want elke passant wil weten wat ik doe en spreekt me aan.

PS: Tamme eenden schijnen de rupsenplaag te kunnen bestrijden.

Ekster richt ravage aan op vensterbank

Soms is mijn leven net een film. De deur naar de achtertuin staat open, wanneer ik naar boven loop en even later terugkom in de huiskamer. Ik hoor getrippel op de vloer en plots fladdert er een ekster op! Prompt vliegt hij naar het raam en stoot zijn kop. Verdwaasd fladderend belandt hij op de vensterbank, waar een plant en allemaal breekbare siervoorwerpen staan. Waaronder een porseleinen lepeltje en schotel uit de Franz dragonfly en butterfly collecties. ‘Oh nee’, kreun ik. Want elk voorwerp is mij dierbaar, overal kleven herinneringen aan.

Zodra ik naar het raam toe loop, vliegt de ekster naar de overzijde van de woonkamer. Boink, in volle vaart tegen het andere raam. Ook daar stort hij verdwaasd neer, bovenop een andere plant. En ook die wordt geflankeerd door fragiele souvenirs. Een tak breekt af. Terwijl het beest vertwijfeld zoekt naar houvast, gooit hij een volle gieter om. Vlak naast apparatuur en een stekkerdoos waar stroom op staat. Vervolgens klettert een emaillen schaaltje op de grond. Waarna ook nog een aardewerk beeldje naar beneden stort.

Ik sta er niet bij stil; dat beest moet eerst het huis uit. Als hij de andere kant op vliegt, weet ik wat me te doen staat. Er vloog al eens eerder een vogel naar binnen, vroeger in mijn appartement. Daar heb ik toen alle gordijnen dichtgetrokken, behalve voor een open raam. Meteen vloog het diertje recht naar buiten. Dus trek ik de gordijnen dicht voor het raam waar de ekster al een ravage heeft aangericht.

Ik ren naar het andere raam waar hij weer vervaarlijk dicht bij mijn kunstwerkjes vliegt. En nu krijg ik hem te pakken. Voorzichtig en wat onhandig hou ik hem vast. Hij klemt meteen zijn klauwtjes om mijn vinger. Even vrees ik dat hij met zijn grote snavel zal pikken. Van heel dichtbij zie ik zijn metallic blauwgroene verenpracht. Zijn veren voelen koel en glad aan. Maar al snel wurmt hij zich los en slaat zijn vleugels uit.

Even later trippelt hij parmantig over de keukenvloer. Heel zelfverzekerd, zoals eksters dat doen. Hij is niet bang. Welnee, hij verkent gewoon de boel. Dan verdwijnt hij door een andere openstaande deur naar de wc. Maar die ruimte biedt geen uitgang en voor de open buitendeur in de keuken hangt een gaasgordijn. Ik hou dat zo ver mogelijk opzij zodat hij moeilijk naar de huiskamer terug kan, en roep hem dan: ‘Kom dan, ekster, kom dan.’ Hij luistert nog ook en komt uit de toiletruimte tevoorschijn. Rakelings vliegt hij langs mij heen, toch weer de woonkamer in. Wat een toestand.

Ik heb nog geen tijd gehad om het gordijn te sluiten bij het andere raam. Na een rondje door de kamer knalt hij opnieuw met zijn kop daartegenaan. Weer stort de ekster neer op de vensterbank. Waardoor het porseleinen Franz lepeltje op de vloer klettert en breekt. Nee! Zijn vleugelslag doet de plant tollen en zijn pootjes trappelen vervaarlijk boven het Franz schoteltje. ‘Neeeee! Niet dat schoteltje!’, roep ik in stilte. Jawel hoor, daar gaat het al.

In kinderfilms zie je vaak mensen struikelen terwijl ze krampachtig in slow-motion met delicate spullen balanceren. Of er vliegen taarten door de lucht die vol in het gezicht van boze schoolmeesters belanden. Verzinsels van Hollywood, denk je dan. Maar nu beleef ik zelf zo’n moment.

Onderhand ben ik beduusder dan de ekster. Zelf vliegt hij kalm naar buiten langs het wapperende gaas voor het deurgat. Aan mij de taak om de plas water en alle brokstukken op te vegen die hij achterlaat.

Verzamelde brokstukken.

Dag boom

Met onkruid heb ik weinig scrupules. Dat ruk ik zo uit de tuin. Maar een boom van een jaar of dertig oud … dat is toch wat anders. Wie ben ik om hem van het leven te beroven? Hij staat hier al veel langer dan ik hier woon. Bovendien kan het arme ding zich niet verdedigen. Evenmin kan hij weglopen. Gisteren keek ik nog eens goed naar hem. Hij is veel groter dan een mens en toch zo weerloos.

Nu heb ik plechtig beloofd dat ik een zaailing uit de tuin zal halen en die in het bos zal planten. Zodat die wel kan blijven staan tot hij van ouderdom omvalt.

Daar ga je dan. Je zaagsel dwarrelt nog in het rond. Je takken liggen al op de grond en zullen je opvangen. Dag boom.

De eksters slopen mijn boom

Al weken vliegen twee eksters af en aan. Een nieuw paartje dat hier voor het eerst een nest bouwt. Mijn boom is hofleverancier van hun nestmateriaal. Zo’n nest bouw je niet zomaar. Nee, er zijn wel honderden takjes nodig. En zal je zien: heb je net de basis opgezet, gaat het hard waaien. Eén windvlaag en het halve nest is naar de haaien. Da’s een test, je moet degelijk bouwen. Dus takjes oprapen en verder gaan.

Fladder, fladder naar die boom aan de overkant. Tak met je snavel vastgrijpen; dan flink rukken en draaien. (Ondertussen wel zelf overeind blijven.) Zo, die is los. Goed vastklemmen nu. Daar gaan we met het gevaarte. Fladder, fladder naar je eigen boom. Even uitpuffen. Dan naar het nest hoppen en de tak tussen de rest proppen. Of aan je partner geven, die ook vol toewijding bezig is. Wat een teambuilding.

En wat een geluk dat ze voor die andere boom hebben gekozen. Want mijn boom wordt binnenkort gekapt. Met een nest erin had dat niet gemogen.

Vier eetkamerstoelen, zo goed als nieuw

Om mijn eetkamertafel heen staan vier stoelen. Ze gaan steeds vervaarlijker wiebelen. Deze stoelen stammen uit 2010 en waren jarenlang prima. Tot de komst van de bouwvakkers een paar jaar geleden. Die leunden tijdens hun pauze regelmatig achterover op twee poten. Sindsdien zitten alle poten los. Ik krijg al de neiging om bezoekers te waarschuwen: ‘Voorzichtig gaan zitten hoor, anders zak je er door.’ Maar dat is ook niet alles. Daarom kijk ik rond naar andere stoelen.

Dat valt tegen. Want als er in dit land een bepaalde stijl in de mode komt, kan je meteen alleen nog die stijl krijgen. Dus nu de poten vanuit het midden schuin naar buiten staan, moet je zulke stoelen nemen. Of stoelen met een lage rugleuning, omdat de hoge leuningen zijn verdwenen. Terwijl ik vanzelfsprekend wat anders wil. Een populair model van drie jaar geleden, bijvoorbeeld. Dat is nergens meer te krijgen.

Daarom heb ik nog geen nieuwe stoelen wanneer ik jarig ben. Ik waarschuw mijn familie direct na binnenkomst over de gammele toestand. Maar dat is buiten mijn zwager gerekend. Of ik een inbussleutel heb, wil hij weten. Huh? ‘Want die stoelen zijn toch van IKEA?’ Oh ja. Er begint iets te dagen. Ik heb die dingen ooit zelf in elkaar gezet. Met een soort zilverkleurig metalen winkelhaakje.

Terwijl ik drank regel, draait het bezoek met vereende krachten stoelpoten vast. Nu lijkt het wel alsof ik nieuwe stoelen heb. Van je familie moet je het hebben. En anders, zit je zelf met kapotte spullen, dan is het Repair Café ook een idee.