Zij en ik solidair tegen de buxusmot

Tuinieren is prima, maar het moet wel aangenaam blijven. Anders wordt het werk. Dus wanneer ik weer rupsen van de buxusmot in mijn heggetjes aantref, vind ik dat minder leuk. Want daar ben je niet zomaar van af. En er staan veel buxusstruikjes in mijn tuin. De berichten over de plaag van de buxusmot klinken omineus. Hun rupsen vreten in het hele land heggen kaal.

Ik kan de struikjes van onder tot boven nakijken en honderden rupsen verwijderen. Dan sta ik uren voorovergebogen minutieus te pulken tot kniehoogte. Dit moet regelmatig worden herhaald. Het is een vieze klus om rupsen tussen blaadjes weg te plukken. Ik moet ze nog doodmaken ook. Eigenlijk is er geen redden meer aan. De mot heeft overal in de omgeving haagjes aangetast. Daarom overweeg ik de boel te vervangen door een tuinhek. Maar ik ben nog in dubio.

Mijn overbuurvrouw heeft nog veel meer buxusstruiken. Haar voortuin ziet er prachtig uit dankzij haar jarenlange liefdewerk. Wanneer ik naar huis loop, komt ze me tegemoet. Of ik ook buxusmot heb, vraagt zij bezorgd. Helaas, ja. Ik vertel wat ik heb geprobeerd en zeg dat ik weinig hoop heb. Maar zij wil niet van opgeven weten. Dan zou al haar werk voor niets zijn. En als ik mijn heggetjes rupsvrij hou, krijgen haar struiken ook een kans.

Ze kijkt mij hoopvol aan. Ze zoekt een medestander om er samen de moed in te houden. Ik kan al bijna niet meer zeggen dat ik overweeg om alle struikjes te rooien. Het is alsof ik haar dan in de steek laat.

Nu strijden we dus als de laatste twee der Mohikanen. Al gaan in de wijde omtrek alle heggetjes eraan, wij blijven stug rupsen weghalen. Vandaag ben ik opnieuw uren zoet geweest. Een voordeel: zo leer je je buurtbewoners kennen. Want elke passant wil weten wat ik doe en spreekt me aan.

PS: Tamme eenden schijnen de rupsenplaag te kunnen bestrijden.

Ekster richt ravage aan op vensterbank

Soms is mijn leven net een film. De deur naar de achtertuin staat open, wanneer ik naar boven loop en even later terugkom in de huiskamer. Ik hoor getrippel op de vloer en plots fladdert er een ekster op! Prompt vliegt hij naar het raam en stoot zijn kop. Verdwaasd fladderend belandt hij op de vensterbank, waar een plant en allemaal breekbare siervoorwerpen staan. Waaronder een porseleinen lepeltje en schotel uit de Franz dragonfly en butterfly collecties. ‘Oh nee’, kreun ik. Want elk voorwerp is mij dierbaar, overal kleven herinneringen aan.

Zodra ik naar het raam toe loop, vliegt de ekster naar de overzijde van de woonkamer. Boink, in volle vaart tegen het andere raam. Ook daar stort hij verdwaasd neer, bovenop een andere plant. En ook die wordt geflankeerd door fragiele souvenirs. Een tak breekt af. Terwijl het beest vertwijfeld zoekt naar houvast, gooit hij een volle gieter om. Vlak naast apparatuur en een stekkerdoos waar stroom op staat. Vervolgens klettert een emaillen schaaltje op de grond. Waarna ook nog een aardewerk beeldje naar beneden stort.

Ik sta er niet bij stil; dat beest moet eerst het huis uit. Als hij de andere kant op vliegt, weet ik wat me te doen staat. Er vloog al eens eerder een vogel naar binnen, vroeger in mijn appartement. Daar heb ik toen alle gordijnen dichtgetrokken, behalve voor een open raam. Meteen vloog het diertje recht naar buiten. Dus trek ik de gordijnen dicht voor het raam waar de ekster al een ravage heeft aangericht.

Ik ren naar het andere raam waar hij weer vervaarlijk dicht bij mijn kunstwerkjes vliegt. En nu krijg ik hem te pakken. Voorzichtig en wat onhandig hou ik hem vast. Hij klemt meteen zijn klauwtjes om mijn vinger. Even vrees ik dat hij met zijn grote snavel zal pikken. Van heel dichtbij zie ik zijn metallic blauwgroene verenpracht. Zijn veren voelen koel en glad aan. Maar al snel wurmt hij zich los en slaat zijn vleugels uit.

Even later trippelt hij parmantig over de keukenvloer. Heel zelfverzekerd, zoals eksters dat doen. Hij is niet bang. Welnee, hij verkent gewoon de boel. Dan verdwijnt hij door een andere openstaande deur naar de wc. Maar die ruimte biedt geen uitgang en voor de open buitendeur in de keuken hangt een gaasgordijn. Ik hou dat zo ver mogelijk opzij zodat hij moeilijk naar de huiskamer terug kan, en roep hem dan: ‘Kom dan, ekster, kom dan.’ Hij luistert nog ook en komt uit de toiletruimte tevoorschijn. Rakelings vliegt hij langs mij heen, toch weer de woonkamer in. Wat een toestand.

Ik heb nog geen tijd gehad om het gordijn te sluiten bij het andere raam. Na een rondje door de kamer knalt hij opnieuw met zijn kop daartegenaan. Weer stort de ekster neer op de vensterbank. Waardoor het porseleinen Franz lepeltje op de vloer klettert en breekt. Nee! Zijn vleugelslag doet de plant tollen en zijn pootjes trappelen vervaarlijk boven het Franz schoteltje. ‘Neeeee! Niet dat schoteltje!’, roep ik in stilte. Jawel hoor, daar gaat het al.

In kinderfilms zie je vaak mensen struikelen terwijl ze krampachtig in slow-motion met delicate spullen balanceren. Of er vliegen taarten door de lucht die vol in het gezicht van boze schoolmeesters belanden. Verzinsels van Hollywood, denk je dan. Maar nu beleef ik zelf zo’n moment.

Onderhand ben ik beduusder dan de ekster. Zelf vliegt hij kalm naar buiten langs het wapperende gaas voor het deurgat. Aan mij de taak om de plas water en alle brokstukken op te vegen die hij achterlaat.

Verzamelde brokstukken.

Dag boom

Met onkruid heb ik weinig scrupules. Dat ruk ik zo uit de tuin. Maar een boom van een jaar of dertig oud … dat is toch wat anders. Wie ben ik om hem van het leven te beroven? Hij staat hier al veel langer dan ik hier woon. Bovendien kan het arme ding zich niet verdedigen. Evenmin kan hij weglopen. Gisteren keek ik nog eens goed naar hem. Hij is veel groter dan een mens en toch zo weerloos.

Nu heb ik plechtig beloofd dat ik een zaailing uit de tuin zal halen en die in het bos zal planten. Zodat die wel kan blijven staan tot hij van ouderdom omvalt.

Daar ga je dan. Je zaagsel dwarrelt nog in het rond. Je takken liggen al op de grond en zullen je opvangen. Dag boom.

De eksters slopen mijn boom

Al weken vliegen twee eksters af en aan. Een nieuw paartje dat hier voor het eerst een nest bouwt. Mijn boom is hofleverancier van hun nestmateriaal. Zo’n nest bouw je niet zomaar. Nee, er zijn wel honderden takjes nodig. En zal je zien: heb je net de basis opgezet, gaat het hard waaien. Eén windvlaag en het halve nest is naar de haaien. Da’s een test, je moet degelijk bouwen. Dus takjes oprapen en verder gaan.

Fladder, fladder naar die boom aan de overkant. Tak met je snavel vastgrijpen; dan flink rukken en draaien. (Ondertussen wel zelf overeind blijven.) Zo, die is los. Goed vastklemmen nu. Daar gaan we met het gevaarte. Fladder, fladder naar je eigen boom. Even uitpuffen. Dan naar het nest hoppen en de tak tussen de rest proppen. Of aan je partner geven, die ook vol toewijding bezig is. Wat een teambuilding.

En wat een geluk dat ze voor die andere boom hebben gekozen. Want mijn boom wordt binnenkort gekapt. Met een nest erin had dat niet gemogen.

Vier eetkamerstoelen, zo goed als nieuw

Om mijn eetkamertafel heen staan vier stoelen. Ze gaan steeds vervaarlijker wiebelen. Deze stoelen stammen uit 2010 en waren jarenlang prima. Tot de komst van de bouwvakkers een paar jaar geleden. Die leunden tijdens hun pauze regelmatig achterover op twee poten. Sindsdien zitten alle poten los. Ik krijg al de neiging om bezoekers te waarschuwen: ‘Voorzichtig gaan zitten hoor, anders zak je er door.’ Maar dat is ook niet alles. Daarom kijk ik rond naar andere stoelen.

Dat valt tegen. Want als er in dit land een bepaalde stijl in de mode komt, kan je meteen alleen nog die stijl krijgen. Dus nu de poten vanuit het midden schuin naar buiten staan, moet je zulke stoelen nemen. Of stoelen met een lage rugleuning, omdat de hoge leuningen zijn verdwenen. Terwijl ik vanzelfsprekend wat anders wil. Een populair model van drie jaar geleden, bijvoorbeeld. Dat is nergens meer te krijgen.

Daarom heb ik nog geen nieuwe stoelen wanneer ik jarig ben. Ik waarschuw mijn familie direct na binnenkomst over de gammele toestand. Maar dat is buiten mijn zwager gerekend. Of ik een inbussleutel heb, wil hij weten. Huh? ‘Want die stoelen zijn toch van IKEA?’ Oh ja. Er begint iets te dagen. Ik heb die dingen ooit zelf in elkaar gezet. Met een soort zilverkleurig metalen winkelhaakje.

Terwijl ik drank regel, draait het bezoek met vereende krachten stoelpoten vast. Nu lijkt het wel alsof ik nieuwe stoelen heb. Van je familie moet je het hebben. En anders, zit je zelf met kapotte spullen, dan is het Repair Café ook een idee.

Een inbraak in onze straat

Onlangs was er een inbraak in de straat, slechts vijf huizen bij mij vandaan. Op het moment zelf was er niemand thuis. Een buurtgenoot kwam de inbrekers tegen en kon gelijk klappen krijgen. Klaar ben je. En wat een unheimisch idee dat hier kwaadwillende mensen hebben rondgestruind. Al komt dat overal voor.

In het kantoor van een werkgever werd ook eens ingebroken. Ik kwam daar ‘s morgens altijd als eerste aan. Direct na binnenkomst zag ik de spullen op mijn bureau overhoop liggen. Er was iets duidelijk mis. Op zo’n moment weet je niet of er nog iemand rondloopt. En zo ja, hoe een inbreker reageert wanneer hij wordt betrapt. Dat is het griezeligste eraan. De dader bleek al weg, maar had wel een boodschap achtergelaten. Op het herentoilet, in de vorm van een riekende hoop.

Drastische preventieve maatregelen vergroten niet altijd het gevoel van veiligheid. In Nairobi bewoonde ik een appartement op de begane grond, op een ommuurd terrein. Er was 24/7 bewaking bij de poort en er stond stroom op die muur. Voor alle ramen, deuren en het terras zat traliewerk. Dat vond ik pas echt griezelig. Want stel dat er brand zou uitbreken terwijl de tralie bij de voordeur op slot zat?

Bovendien wilde ik ’s nachts een beetje frisse lucht in de slaapkamer. Na veel wikken en wegen zette ik het raam op een kier. Maar het bleef eng, want tralies houden de loop van een geweer niet tegen. Dat soort gedachten krijg je dan.

Op een nacht krijg ik daar toch de schrik van mijn leven. Gemorrel bij het raam wekt mij uit mijn slaap. Het is pikkedonker en er glipt iets naar binnen. Een beest! Dit is wel Afrika en ik heb geen idee om welk dier het gaat. Een hele poos lig ik stokstijf in bed met luid bonzend hart. Verder blijft het doodstil. Is het beest verdwenen? Dat kan niet, het moet zich nog ergens bevinden.

Ik verzamel al mijn moed, spring uit bed, doe het licht aan, ren naar de gang en grijp een bezem uit de kast. Ter zelfverdediging. Het blijft stil. Niets beweegt. Ik moet het beest een uitweg bieden en open de deur naar het terras. Daarna sluip ik voorzichtig met de bezem voor me uit terug naar de gang. Naast de slaapkamer maak ik wat geluid. Dan, als een schicht, schiet er ineens een zwarte kat vanonder het bed weg. Die minstens even panisch is als ik.

Bouwvakkers inhuren. Wat een gedoe

Als eigenaar van een oud huisje heb ik de afgelopen tweeëneenhalf jaar met bouwvakkers veel ervaring opgedaan. Een greep uit deze ervaringen. Heel concreet klussen afspreken en deze vervolgens op geheel eigenwijze; pardon: eigen wijze uitvoeren. Tergend langzaam werken als er een uurtarief is afgesproken. Razendsnel klaar zijn als de prijs een all-in tarief betreft. Een uur te laat komen. ‘Oh, is dit een probleem?’ Zonder kennisgeving niet op komen dagen. Offertes beloven en ondanks drie keer navragen niets meer laten horen.

Praat hierover met huiseigenaren en ze vertellen je gelijk alle horror stories. Deze week mocht ik zelf nog een nieuwe ervaring opdoen.

De muur in de kelder naar de kruipruimte vertoont sinds vorig jaar vochtplekken. Het is onbekend waar dat vocht vandaan komt: CV-leidingen, waterleiding, badkamerafvoer, leidingen bij de buren? Het kan allemaal. Wel hadden de buren rond die tijd problemen met hun afvoer en die loopt via een put in mijn tuin naar het straatriool.

Zelf kan ik nergens bij zonder de boel open te breken. Daarom overwoog ik een luik naar de kruipruimte te laten maken in de keldermuur of in de kamervloer. Ik vroeg een offerte aan en dat viel tegen. Zo’n luik kost al gauw € 1.000. Ook belde ik met een rioolservice. Een inspectie met graafwerk zou naar schatting uitkomen op € 500. Slik. Want het blijft de vraag of het daar aan ligt. Bij mij werkt de afvoer goed en ik ruik geen rioolgeur. Misschien was eerst een luik maken toch een betere optie. Dat kan altijd nog van pas komen.

Via via informeer ik verder en krijg ik de contactgegevens van een bouwvakker met een redelijke reputatie. Ik bel hem en vraag of hij tijd heeft en verzoek om een offerte. Daarvoor wil hij de situatie even bekijken. Logisch. Rond avondetenstijd belt hij een half uur te vroeg aan. Ik laat hem de keldermuur met vochtplekken zien en zeg dat ik een luik wil. Maar hij raadt af om een luik te maken en stelt voor om eerst naar de riolering te kijken. Want een put kan vol met blad en andere troep raken. Als er dan ergens een barstje zit, kan die gaan lekken. Het klinkt plausibel. Lees verder “Bouwvakkers inhuren. Wat een gedoe”