Zij kijken over mijn schouder mee

Drie Maori op filmposter kijken mee naar de tv

Krijg je soms het gevoel dat je wordt bespied? Dat kan kloppen. Vooral als er foto’s van geliefden in je woonkamer staan. Wanneer de geportretteerden recht in de lens kijken, staren ze jou overal na, ongeacht waar je naartoe gaat. Je zou kunnen denken dat zij jouw handelingen werkelijk volgen. Dat ze mentaal bij je zijn. Dat klinkt wellicht als onzin. Maar nu de drie Maori op mijn filmposter in de woonkamer hangen, voel ik hun aanwezigheid. En ze kijken over mijn schouder mee.

‘Wat zouden ze van mijn tv-programmakeuze vinden?’, vraag ik me af in het weekend. De tv staat namelijk recht tegenover de bank, dus kijken zij ook tv. Misschien vinden ze de filmselectie best interessant.

Op zaterdag zien we Misa en de wolven, een Zweedse kinderfilm. Die gaat over een stadsmeisje dat na haar moeders’ overlijden naar oma in het hoge noorden trekt. Daar heeft ze absoluut geen zin in. Maar dit is een kinderfilm, dus sluit ze uiteindelijk vriendschap met een jongen uit de Sami-gemeenschap. En ze beschermt een wolvin met twee pups tegen een stel gemene jagers. De les is helder: koester de natuur en waardeer inheemse culturen.

’s Avonds volgt Wind River, een veel rauwere film die qua thema vergelijkbaar is. De setting is een indianenreservaat in freezing Wyoming, waar een Indiaans meisje dood wordt aangetroffen. Tough girl FBI-agente Jane krijgt hulp van Cory, een stoere blanke jager die een goede band heeft met de inheemse gemeenschap. Het harde bestaan in een frontier town, de misstanden rond oliewinning en de vele nooit opgehelderde verdwijningen van Indiaanse vrouwen zijn reëel. Hier staat de kwetsbaarheid van relaties en samenlevingen centraal. Het gevaar dreigt minder van de rondcirkelende hongerige wolven dan van de mens zelf.

Op zondag moeten we kiezen. Kijken we naar Na ons de zondvloed, een documentaireserie van Kadir van Lohuizen? Of gaan we voor de eerste aflevering van Keizersvrouwen? Dit is wanneer ik de aanwezigheid van die drie Maori het sterkst voel. Want Kadir toont ons de leefsituatie van Polynesische bewoners op de Marshalleilanden in de Stille Zuidzee. Zij zijn praktisch familie van Maori en ze worden bijna weggespoeld. Zoals ook de cultuur van de Sami, de indianen, en de Maori bijna is weggevaagd door hebzucht en het westerse verdienmodel.

Misschien helpt het als staatshoofden dat poster ook aan de muur hangen.

Bijna dood door blauwe monnikskap

Bloemen van blauwe monnikskap

In ons overgereguleerde land koop je het dodelijkste gif gewoon bij elk tuincentrum. Jij denkt nu vast aan flessen vol insectenverdelger (tegen luizen, buxusmot, et cetera.) Maar hou die tuinplanten ook in de gaten. Steevast tuinier ik met handschoenen aan. Toch gaat er geen zomer voorbij, of ik krijg wel ergens huiduitslag van.

Eerst dacht ik dat het door de klimop kwam. Sinds kort verdenk ik de blauwe monnikskap. Misschien heb ik de blaadjes onbewust aangeraakt bij het snoeien van andere planten. Volgens Wikipedia is blauwe monnikskap zeer giftig. Een paar gram is dodelijk voor de mens. Ik citeer: ‘De blauwe monnikskap werd vroeger weleens aan ter dood veroordeelden gegeven. … Na het aanraken van de plant dient men de handen te wassen, omdat de gifstof door de huid kan dringen.’

Lekker dan. En het valse kreng staat daar maar te bloeien. Zelfs medio oktober trekken de bloemen nog hommels aan. Die hebben kennelijk nergens last van, terwijl ik al huiduitslag krijg wanneer ik enkel foto’s maak. Zoals de foto hierboven, genomen met gevaar voor eigen leven.

Recht is recht en wraak is krom

Wat zou jij doen als … en dan volgt er een gewetensvraag. Toevallig passeert dit terwijl ik worstel met een kwestie. Het betreft een slepend probleem met de buurman. Is het wijs om actie te ondernemen, vraag ik mij af. En zo ja, wat is dan de doorslaggevende reden? Wil ik gerechtigheid of wil ik wraak? Zo van: ‘Dit moet nu eindelijk worden opgelost.’ versus ‘Denk maar niet dat jij hiermee wegkomt.’ Er valt wat te winnen, maar verlies is evengoed een optie.

Het circus begint weer van voor af aan. Inspecties laten uitvoeren en zorgen voor beeldmateriaal. Dit om bruikbare informatie te verzamelen. Conclusies zorgvuldig onderbouwen. Vriendin F vraag ik om raad. Haar antwoord bevestigt mijn plan. Inmiddels heb ik actie ondernomen en is de kans op wraakneming reëel. Door de andere partij wel te verstaan.

Wat zou jij doen als iemand wraakzuchtig wordt, omdat hij het niet kan verdragen dat je hem zijn zin niet geeft? Of, omdat hij niet kan verkroppen dat je zijn bedrog ontmaskerd hebt? En wat zou je doen als hij laster over jou verspreidt, omdat hij weigert in te zien dat er een ongelukkig misverstand is geweest? Dus zelfs nadat je de situatie hebt uitgelegd.

Er bestaan tv-programma’s waarin huftergedrag wordt getoond. Ze voorzien in een behoefte aan sensatie en werken voor getroffenen als balsem op de ziel. Bij openbaar wangedrag kijken veel voorbijgangers weg, of ze doen niets. Enkele mensen reageren wel. Waarom? Verlangen zij naar correct gedrag en gerechtigheid, zoals de meesten zeggen? Of speelt er meer? Ik betwijfel of een wraakzuchtig persoon stilstaat bij dat laatste.

Hij denkt dit en zij denkt dat

Ruim twee maanden geleden koos ik voor vertrouwen. Wat kon ik anders? Ik had al getekend. Maar die angst, dat voorgevoel, is zo terecht gebleken. Want hoe gaat zoiets?

Hij denkt: Die opdracht is binnen, ze heeft getekend. En die planning? Nou dat zien we nog wel. Ze wacht maar, en als ze moeilijk gaat doen, dan moet ze maar effe dimmen. Ik heb duidelijk genoeg gezegd dat ik geen datum kan noemen. In ons werk zijn we nu eenmaal weersafhankelijk. En verder heb ik nog kans op andere klussen. Alleen hoeft zij dat niet te weten. Ze wacht maar, ook als het later wordt dan eind mei. Dit ga ik wel fiksen. Particuliere klanten moeten gewoon niet aandringen.

Zij denkt: Ik heb getekend, maar het zit mij niet lekker dat er geen uiterste datum van uitvoering is vermeld. Dit is geen SMART-afspraak. Je weet toch dat er nu een kans op problemen ontstaat. Ik hou gewoon niet van losse eindjes. Als planner zorg je altijd dat alles geregeld is met afspraken die voor iedereen helder zijn. En deze man, dat is nogal een baas zeg. Er kan geen lachje af, en redelijke argumenten werken evenmin.

[Weken gaan voorbij.]

Hij denkt: Druk, druk, druk. Oh, en die vrouw? Nou die wacht maar.

Zij denkt: Ik hoor niets. Ik zal maar eens gaan bellen.

[Zij belt.]

Hij denkt: Daar heb je dat gezeik al. Wil ze weer globaal weten wanneer je de klus uitvoert. Ik heb toch gezegd dat dat weersafhankelijk is.

Zij denkt: Zie je wel, dit gaat mis. Ik voel het aan alles. Die houding van hem deugt gewoon niet. Meteen van zich af blazen, meteen zich groot maken en alle ruimte innemen. Jij moet naar hem luisteren. Jij moet voor hem begrip opbrengen. Naar jou luistert hij niet. En jouw situatie interesseert hem niet. Dit is echt weer zo’n man die een vrouw wel even op haar plaats zet.

[Maar zij denkt terug aan die van angst doordrenkte algemene voorwaarden, en ze praat op hem in. En ze toont begrip. Ze doet dat geruststellend, net zo lang tot hij kalmeert. Alles om hem maar het gevoel te geven dat hij de touwtjes in handen heeft. Want anders gaat dit mis. En hij geeft een globale planning.]

[Nog meer weken gaan voorbij en de datum van de voorlopige planning nadert. Hij heeft het druk en hij weet dat zij nog wacht. Maar hij mailt haar niet en hij belt evenmin.]

Zij denkt: Ik wist het wel, hier moet ik weer achteraan. Hij doet niks. Ik moet een berichtje schrijven, want bellen is waarschijnlijk al te confronterend. Gevoelig als hij is voor het woord ‘planning’. Als ik dat uitspreek, slaat hij meteen op tilt. En het woord ‘afspraak’ gebruik ik liever helemaal niet.

[Dus is ze zeker een half uur bezig met het vinden van de juiste formulering in een e-mailtje van twee zinnen.]

Ze drukt op ‘send’ en denkt: Ik ben benieuwd.

Hij leest haar bericht en denkt: Heb je haar weer. Nu moet ik wel reageren. Nou, ze wacht maar, ik ben bezig met belangrijke zaken. Later pak je de planning er wel bij. Wat had je ook al weer tegen haar gezegd? Ach, maakt ook niet uit. Je zegt gewoon dat de jongens vrijdag komen. Wel onder uitdrukkelijk voorbehoud, want ze zijn nog bezig. Dat is die extra klus van die goede klant van je (de aannemer). Die gaat voor. Dat dit niks met de weersvoorspelling te maken had, geeft niet. Dat gaat haar geen moer aan.

Hij belt, en zij denkt: Zie je, het komt toch goed. Alleen kan je vanwege dat uitdrukkelijke voorbehoud en je eigen afspraak beter een andere datum voorstellen. Een maandag. Kijk eens aan. Het lukt nog ook!

[In de week voor de betreffende maandag geeft de weersvoorspelling voor die volgende week regen aan. Dat is echt waardeloos. Maar hoe verder de week vordert, hoe beter de weersvoorspelling wordt. Het is weekend. Ze heeft niets gehoord. Het gaat door.]

[Het is nog de donderdag in de week ervoor en hij krijgt een telefoontje van zijn goede vriend de aannemer. Of hij begin volgende week nog ff dat klusje wil afmaken. ‘Kan toch wel hé, ouwe makker?’ En hij zegt: ‘Ja joh, tuurlijk. Doen we.’]

Terwijl hij praat met de aannemer, denkt hij bij zichzelf: Ze wacht maar. En die materialen voor haar opdracht, die ga ik mooi niet bestellen. We zien wel wanneer er tijd is voor haar klus. Met de bouwvak in aantocht, voorlopig ff niet dus. Anders ligt dat materiaal hier maar en ik moet het vooruit betalen. Wel balen dat de weersvoorspelling beter wordt, want ik heb haar steeds gezegd dat de uitvoering van haar klus weersafhankelijk is. En nu blijft het droog. K.t! Maar dat regel ik wel met haar.

[Het is zondagochtend. Vandaag is hij de hele dag op stap.]

Alleen denkt hij: Ze weet nog van niets, ik moet haar nu wel mailen. Gewoon eerlijk zeggen dat je geen materiaal hebt besteld. Moet ze maar begrijpen. De weersvoorspelling leek toch de hele week slecht? Wat kan ze daar tegen inbrengen? En dat gezeur van haar over afspraken hoef ik niet. Ze weet toch dat dit werk weersafhankelijk is? Dat heb ik steeds gezegd. Nou dan. En ze moet vooral niet gaan aandringen en zaniken over ‘planning’. Ze went er maar aan dat ik bepaal wanneer het werk wordt gedaan. Ergens volgende week of de week daarna, of zo. Misschien. Als het weer het toelaat. Alles onder uitdrukkelijk voorbehoud.

[Het is zondagochtend rond half elf. Ze opent haar e-mailprogramma en leest zijn bericht.]

Nee zeg, denkt ze. Het kan niet anders of hij wist dit vrijdag al, of donderdag zelfs. Nu valt er niks meer te regelen voor maandag, want hij heeft zijn mannen al lang ergens anders ingepland. En dan doodleuk geen materiaal bestellen, terwijl de offerte is getekend. Neemt hij mijn opdracht niet serieus, soms?

[Ze mailt, laat enige ergernis blijken, en doet nog een alternatief voorstel.]

Constructief blijven, denkt ze, als hij nu alsjeblieft volgende week die klus kan doen. Dan zijn we er van af. God mag weten wat me nog te wachten staat als blijkt dat er meerwerk nodig is en hij gaat dicteren wat ik moet accepteren. Normaal overleg is onmogelijk met deze man en ik hou het bijna niet meer vol om nog langer redelijk te blijven.

[Zondagavond. Hij leest haar bericht en belt haar.]

[Naschrift:]

Ze had nooit mogen laten blijken dat ze niet blij was. Ze had al helemaal niet mogen zien dat hij zich vergist had. Dat kan niet, bij dit soort mannen. Want dit soort mannen zijn de baas en vrouwen moeten maar luisteren. Het ligt nooit aan hen. Het ligt aan vrouwen, die niet moeten aandringen over een planning. Hij had toch gezegd dat het werk weersafhankelijk was? Zij moet maar begrip opbrengen, voor hem.

Het werd een onaangenaam gesprek.

Dus toen hij zei dat hij dacht dat het aan botsende karakters lag (wat een inzicht!), en hij zei dat zij de opdracht desgewenst kon intrekken, en zij daarna een seconde stil was en zei dat haar dit een goed idee leek, en hij vervolgens een seconde stil was, omdat hij dit niet verwacht had, en hij daarna weer op een nogal aanvallende manier met verwijten kwam … toen zei zij, zonder dat ze nog langer hoorde wat hij zei: ‘U heeft gelijk, u heeft gelijk, u heeft gelijk.’

Want dat willen zulke mannen horen. Toch? Anders krijgen ze weer last van hun emoties.

Voorbereid op vergankelijkheid

Heb je een druk leven, dan sta je zelden stil bij vergankelijkheid. Je hebt nog een toekomst voor je. Je maakt plannen voor de volgende vakantie. Maar je doet ook aan sport voor een goede conditie, want je weet dat gezondheid niet vanzelfsprekend is. Voor de zekerheid tref je maatregelen om je eigen vergankelijkheid zo lang mogelijk uit te stellen. Toch, deze persoonlijke stapjes zijn druppels op een gloeiende plaat.

Vergankelijkheid is overal. Denk aan het leven zelf: van geboorte naar groei en volle wasdom tot aan ouderdom en overlijden. Of denk aan koninkrijken en ideologieën, die opkomen en weer gaan. De wereld is al miljarden jaren aan het vergaan. Het hoort erbij. De aarde heeft al veel veranderingen doorstaan. Kijk naar het ontstaan van continenten, gevolgd door erosie en de verdwijning van complete bergen. En hoe anders was het leven 1.000 jaar geleden op al die continenten? Welke sporen zijn daarvan in de huidige culturen blijven bestaan?

De versnelling van klimaatopwarming en geopolitieke ontwikkelingen bezorgen mij een gevoel van urgentie. Alsof de laatste twee minuten voor middernacht zijn ingegaan. Wat wil ik nog zien? Wat moet ik doen? Wat is echt belangrijk? Deze gedachten zijn betrekkelijk en egoïstisch. Maar bekijk het eens breder; wat is dan haalbaar?

In de westerse wereld beleven we een hoogtepunt, zowel qua welvaart als maatschappelijk gezien. Kennis wordt alom gedeeld en we leven in vrijheid. Ook bedenken we slimme oplossingen en produceren we duurzame energie. Tegelijkertijd gaan recente ontwikkelingen in tegengestelde richting.

Bevolkingstoename, verlies van natuur en leefgebied, geopolitiek, vervuiling, et cetera. Wie redt de oeroude kennis van medicinale planten onder indianen in de Amazone? Hoe ver moet je reizen voor echte rust en stilte? Maar wacht, het ijs smelt al. Ook boven de bunker waar miljoenen zaden uit de hele wereld worden bewaard, voor het geval dat de halve wereld vergaat.

Het gaat er in deze eeuw om spannen wie of wat de overhand krijgt. Een machthebber, een groepje rijken, een ideologie, een mensenmassa, het klimaat? We moeten ons mentaal voorbereiden op wat er tijdens ons eigen bestaan al zal vergaan.

Schuld versus schaamte in de NL rechtszaal

Schaam je!

2Doc: Het fatale scooterongeluk gaat over Mohamed el G. (19) en Mohamed A. (18) die in 2010 Mario van de Geijn in Nijmegen hebben doodgereden. Ik kies deze woorden bewust. Ik houd hen beiden persoonlijk aansprakelijk voor wat ze hebben gedaan. En meer dan dat.

Wat deze documentaire toont, is hoe zeer de betrokkenen uit twee totaal verschillende culturen langs elkaar heen leven. De rechters, de nabestaanden van het slachtoffer en de documentairemakers zijn allemaal Nederlands. Ofwel, afkomstig uit een schuldcultuur. Maar deze twee jongens komen uit een schaamtecultuur. (Ze worden in de documentaire ‘mannen’ genoemd, maar omdat zij nooit volwassen zullen worden, verdienen ze die titel niet.)

Volgens opvattingen binnen hun eigen cultuur mogen al hun voorouders en aanverwante familieleden zich doodschamen. In het Nederlandse rechtsstelsel kan je met leugens en huftergedrag je straf ontlopen. Maar van deze schande komen zij en hun familie nooit meer af. Eib! Aib! Of hoe je het ook schrijft.

Al vijftig jaar zijn er grote groepen immigranten uit schaamteculturen in Nederland. Daarom verbaast het mij dat we weinig tot niets daarvan terugzien in de rechtszaal. Onze rechtsspraak is keurig, redelijk en voor dit soort hufters veel te braaf. Deze jongens hebben er compleet maling aan. Het enige wat dan kan werken, is ze aanpakken volgens de normen uit hun eigen cultuur. Ofwel, er moet een vertaalslag komen. Een tolk, die elk woord over schuld en verantwoordelijkheid omzet in schande. Zodat ze eindelijk verstaan waar rechtsspraak in Nederland over gaat.

(Het reactieveld is bij dit bericht uitgeschakeld.)

Een les van een vorig kinderpardon

Over het kinderpardon is het meeste al gezegd. Toch? Nou, ik zou de mensen van de IND weleens willen spreken. Want enerzijds heb ik begrip voor de illegale ouders (dit draait niet om de kinderen) die werkelijk alles aangrijpen om in Nederland te blijven. Anderzijds heb ik onbegrip voor de slappe knieën van de politiek. Want dit is het zoveelste pardon dat ik meemaak en we zouden het toch anders gaan doen?

Een waarschuwing vooraf. Dit is een waargebeurd relaas. Lees je liever eenzijdige berichtgeving over arme kindertjes, sla dit logje dan over.

Heb ik al eens verteld over dat ene rapport? Dat rapport dat ik letterlijk op de bodem van de onderste lade in het ladenblok van mijn bureau aantrof? Dat bureau vormde samen met een computer, telefoon en bureaustoel mijn nieuwe werkplek na de herverdeling van de banen bij mijn toenmalige werkgever. Die baan kreeg ik tijdelijk na de reorganisatie, omdat er eigenlijk geen plek meer voor mij was.

De symboliek droop er van af. Want die plek bevond zich in een gehuurd kantoortje in een achterafstraatje buiten ons hoofdgebouw. Er huisde een aparte stichting in van onze organisatie, gericht op hulpverlening aan terugkerende afgewezen asielzoekers in hun land van herkomst. De voorwaarde was dat zij vrijwillig terugkeerden. Zij en ik ervoeren dit echter niet zo als vrijwillig. Zij waren met valse informatie naar Nederland gekomen en mij was die baan door de strot geduwd. Dat was de situatie.

Dat rapport betrof Angola. In dat West-Afrikaanse land ging twintig jaar geleden de mare rond dat je je minderjarige kind maar naar Nederland hoefde te sturen en dan kreeg het daar een gratis opleiding. Zie ook dit artikel uit het AD. Mensen met wat geld regelden iets met een sjacheraar en die zorgde dan dat zo’n kind met een goed verhaal aankwam. Je zou denken dat het zich bij een opleidingsinstituut zou aanmelden. Dat was echter niet de bedoeling. Het einddoel was een asielzoekerscentrum. Zolang het kind zich maar aan dat verhaal vasthield zou Nederland er verder wel voor zorgen. En dat is waar.

Alleen liep het voor een aantal van die kinderen anders. Angola was geen fris land met enorme corruptie en een burgeroorlog. Maar dit waren echt economische vluchtelingen, nota bene uit de Angolese middenklasse. Je mag je rustig afvragen hoe hun thuisblijvende ouders dan aan het geld voor die oversteek waren gekomen. Die kinderen waren tieners en mochten niet in Nederland blijven. Maar ze werden intussen wel omringd door een legertje hulpverleners met ieder zo zijn eigen beweegredenen.

Ik mocht geen rechtstreeks contact onderhouden met die jongeren; alle communicatie moest beslist via de hulpverleners gaan. Dat was jammer. Want via mijn eerdere werk bij die werkgever had ik de nodige Afrika-ervaring opgedaan. Dit in tegenstelling tot diverse Nederlandse vrijwilligers/hulpverleners die ik persoonlijk ken. Mogelijk had ik bepaalde details uit de verhalen beter kunnen plaatsen dan zij. En als je het echte verhaal van die kinderen kent, kun je ze ook beter helpen. Maar dat verhaal mocht duidelijk niet worden verteld.

Er werd steeds gezegd dat die kinderen niet terug konden gaan. Er zou geen familielid meer in Angola te vinden zijn. Ze zouden nergens worden opgevangen en berooid op straat eindigen. Kortom: één groot drama. Nu zijn Afrikaanse families meestal nogal groot. Maar goed. Voor dat opvangprobleem viel wat te bedenken.

Nederland is zelfs zo ver gegaan dat het in de hoofdstad van Angola een splinternieuw opvangcentrum liet bouwen. Daar konden terugkerende jongeren de eerste maanden terecht als ze werkelijk geen familie of vrienden meer hadden. Voor vertrek werd er van alles gedaan om hun terugkeer zo kansrijk mogelijk te laten verlopen. Als ik het mij goed herinner, kregen de jongeren korte beroepstrainingen aangeboden en een bedragje voor een vlot begin.

Dat rapport ging specifiek over dat Nederlandse opvangcentrum in Angola. Het was rond 2004 gebouwd en dit betrof een tussentijdse evaluatie. Er was gekeken naar het functioneren van het gebouw en de begeleiding, én naar gebruik ervan door terugkerende jongeren. Voorzag het goed in hun behoeften? Er was vooraf samengewerkt met de ambassade en met betrouwbare connecties ter plaatse. En voor deze evaluatie was een consultant ingehuurd. Alles bij elkaar had dat opvangcentrum al een vermogen gekost.

Nu mogen jullie mij vertellen hoeveel van al die terugkerende kinderen zonder familie er daadwerkelijk naar dat opvangcentrum zijn gegaan.

Ja, deze kinderen waren slachtoffers. Van hun eigen ouders om precies te zijn.

(Voor wie meer wil lezen over de oorzaken van vluchtelingenstromen en suggesties voor oplossingen, staan hier alle eerdere logjes bijeen.