Voorbereid op vergankelijkheid

Heb je een druk leven, dan sta je zelden stil bij vergankelijkheid. Je hebt nog een toekomst voor je. Je maakt plannen voor de volgende vakantie. Maar je doet ook aan sport voor een goede conditie, want je weet dat gezondheid niet vanzelfsprekend is. Voor de zekerheid tref je maatregelen om je eigen vergankelijkheid zo lang mogelijk uit te stellen. Toch, deze persoonlijke stapjes zijn druppels op een gloeiende plaat.

Vergankelijkheid is overal. Denk aan het leven zelf: van geboorte naar groei en volle wasdom tot aan ouderdom en overlijden. Of denk aan koninkrijken en ideologieën, die opkomen en weer gaan. De wereld is al miljarden jaren aan het vergaan. Het hoort erbij. De aarde heeft al veel veranderingen doorstaan. Kijk naar het ontstaan van continenten, gevolgd door erosie en de verdwijning van complete bergen. En hoe anders was het leven 1.000 jaar geleden op al die continenten? Welke sporen zijn daarvan in de huidige culturen blijven bestaan?

De versnelling van klimaatopwarming en geopolitieke ontwikkelingen bezorgen mij een gevoel van urgentie. Alsof de laatste twee minuten voor middernacht zijn ingegaan. Wat wil ik nog zien? Wat moet ik doen? Wat is echt belangrijk? Deze gedachten zijn betrekkelijk en egoïstisch. Maar bekijk het eens breder; wat is dan haalbaar?

In de westerse wereld beleven we een hoogtepunt, zowel qua welvaart als maatschappelijk gezien. Kennis wordt alom gedeeld en we leven in vrijheid. Ook bedenken we slimme oplossingen en produceren we duurzame energie. Tegelijkertijd gaan recente ontwikkelingen in tegengestelde richting.

Bevolkingstoename, verlies van natuur en leefgebied, geopolitiek, vervuiling, et cetera. Wie redt de oeroude kennis van medicinale planten onder indianen in de Amazone? Hoe ver moet je reizen voor echte rust en stilte? Maar wacht, het ijs smelt al. Ook boven de bunker waar miljoenen zaden uit de hele wereld worden bewaard, voor het geval dat de halve wereld vergaat.

Het gaat er in deze eeuw om spannen wie of wat de overhand krijgt. Een machthebber, een groepje rijken, een ideologie, een mensenmassa, het klimaat? We moeten ons mentaal voorbereiden op wat er tijdens ons eigen bestaan al zal vergaan.

Schuld versus schaamte in de NL rechtszaal

Schaam je!

2Doc: Het fatale scooterongeluk gaat over Mohamed el G. (19) en Mohamed A. (18) die in 2010 Mario van de Geijn in Nijmegen hebben doodgereden. Ik kies deze woorden bewust. Ik houd hen beiden persoonlijk aansprakelijk voor wat ze hebben gedaan. En meer dan dat.

Wat deze documentaire toont, is hoe zeer de betrokkenen uit twee totaal verschillende culturen langs elkaar heen leven. De rechters, de nabestaanden van het slachtoffer en de documentairemakers zijn allemaal Nederlands. Ofwel, afkomstig uit een schuldcultuur. Maar deze twee jongens komen uit een schaamtecultuur. (Ze worden in de documentaire ‘mannen’ genoemd, maar omdat zij nooit volwassen zullen worden, verdienen ze die titel niet.)

Volgens opvattingen binnen hun eigen cultuur mogen al hun voorouders en aanverwante familieleden zich doodschamen. In het Nederlandse rechtsstelsel kan je met leugens en huftergedrag je straf ontlopen. Maar van deze schande komen zij en hun familie nooit meer af. Eib! Aib! Of hoe je het ook schrijft.

Al vijftig jaar zijn er grote groepen immigranten uit schaamteculturen in Nederland. Daarom verbaast het mij dat we weinig tot niets daarvan terugzien in de rechtszaal. Onze rechtsspraak is keurig, redelijk en voor dit soort hufters veel te braaf. Deze jongens hebben er compleet maling aan. Het enige wat dan kan werken, is ze aanpakken volgens de normen uit hun eigen cultuur. Ofwel, er moet een vertaalslag komen. Een tolk, die elk woord over schuld en verantwoordelijkheid omzet in schande. Zodat ze eindelijk verstaan waar rechtsspraak in Nederland over gaat.

(Het reactieveld is bij dit bericht uitgeschakeld.)

Een les van een vorig kinderpardon

Over het kinderpardon is het meeste al gezegd. Toch? Nou, ik zou de mensen van de IND weleens willen spreken. Want enerzijds heb ik begrip voor de illegale ouders (dit draait niet om de kinderen) die werkelijk alles aangrijpen om in Nederland te blijven. Anderzijds heb ik onbegrip voor de slappe knieën van de politiek. Want dit is het zoveelste pardon dat ik meemaak en we zouden het toch anders gaan doen?

Een waarschuwing vooraf. Dit is een waargebeurd relaas. Lees je liever eenzijdige berichtgeving over arme kindertjes, sla dit logje dan over.

Heb ik al eens verteld over dat ene rapport? Dat rapport dat ik letterlijk op de bodem van de onderste lade in het ladenblok van mijn bureau aantrof? Dat bureau vormde samen met een computer, telefoon en bureaustoel mijn nieuwe werkplek na de herverdeling van de banen bij mijn toenmalige werkgever. Die baan kreeg ik tijdelijk na de reorganisatie, omdat er eigenlijk geen plek meer voor mij was.

De symboliek droop er van af. Want die plek bevond zich in een gehuurd kantoortje in een achterafstraatje buiten ons hoofdgebouw. Er huisde een aparte stichting in van onze organisatie, gericht op hulpverlening aan terugkerende afgewezen asielzoekers in hun land van herkomst. De voorwaarde was dat zij vrijwillig terugkeerden. Zij en ik ervoeren dit echter niet zo als vrijwillig. Zij waren met valse informatie naar Nederland gekomen en mij was die baan door de strot geduwd. Dat was de situatie.

Dat rapport betrof Angola. In dat West-Afrikaanse land ging twintig jaar geleden de mare rond dat je je minderjarige kind maar naar Nederland hoefde te sturen en dan kreeg het daar een gratis opleiding. Zie ook dit artikel uit het AD. Mensen met wat geld regelden iets met een sjacheraar en die zorgde dan dat zo’n kind met een goed verhaal aankwam. Je zou denken dat het zich bij een opleidingsinstituut zou aanmelden. Dat was echter niet de bedoeling. Het einddoel was een asielzoekerscentrum. Zolang het kind zich maar aan dat verhaal vasthield zou Nederland er verder wel voor zorgen. En dat is waar.

Alleen liep het voor een aantal van die kinderen anders. Angola was geen fris land met enorme corruptie en een burgeroorlog. Maar dit waren echt economische vluchtelingen, nota bene uit de Angolese middenklasse. Je mag je rustig afvragen hoe hun thuisblijvende ouders dan aan het geld voor die oversteek waren gekomen. Die kinderen waren tieners en mochten niet in Nederland blijven. Maar ze werden intussen wel omringd door een legertje hulpverleners met ieder zo zijn eigen beweegredenen.

Ik mocht geen rechtstreeks contact onderhouden met die jongeren; alle communicatie moest beslist via de hulpverleners gaan. Dat was jammer. Want via mijn eerdere werk bij die werkgever had ik de nodige Afrika-ervaring opgedaan. Dit in tegenstelling tot diverse Nederlandse vrijwilligers/hulpverleners die ik persoonlijk ken. Mogelijk had ik bepaalde details uit de verhalen beter kunnen plaatsen dan zij. En als je het echte verhaal van die kinderen kent, kun je ze ook beter helpen. Maar dat verhaal mocht duidelijk niet worden verteld.

Er werd steeds gezegd dat die kinderen niet terug konden gaan. Er zou geen familielid meer in Angola te vinden zijn. Ze zouden nergens worden opgevangen en berooid op straat eindigen. Kortom: één groot drama. Nu zijn Afrikaanse families meestal nogal groot. Maar goed. Voor dat opvangprobleem viel wat te bedenken.

Nederland is zelfs zo ver gegaan dat het in de hoofdstad van Angola een splinternieuw opvangcentrum liet bouwen. Daar konden terugkerende jongeren de eerste maanden terecht als ze werkelijk geen familie of vrienden meer hadden. Voor vertrek werd er van alles gedaan om hun terugkeer zo kansrijk mogelijk te laten verlopen. Als ik het mij goed herinner, kregen de jongeren korte beroepstrainingen aangeboden en een bedragje voor een vlot begin.

Dat rapport ging specifiek over dat Nederlandse opvangcentrum in Angola. Het was rond 2004 gebouwd en dit betrof een tussentijdse evaluatie. Er was gekeken naar het functioneren van het gebouw en de begeleiding, én naar gebruik ervan door terugkerende jongeren. Voorzag het goed in hun behoeften? Er was vooraf samengewerkt met de ambassade en met betrouwbare connecties ter plaatse. En voor deze evaluatie was een consultant ingehuurd. Alles bij elkaar had dat opvangcentrum al een vermogen gekost.

Nu mogen jullie mij vertellen hoeveel van al die terugkerende kinderen zonder familie er daadwerkelijk naar dat opvangcentrum zijn gegaan.

Ja, deze kinderen waren slachtoffers. Van hun eigen ouders om precies te zijn.

(Voor wie meer wil lezen over de oorzaken van vluchtelingenstromen en suggesties voor oplossingen, staan hier alle eerdere logjes bijeen.

‘Ik heb het niet gedaan’

Vergeet detective series, vergeet crime investigation scenes. Er is een andere cliffhanger die je echt moet zien. Zelden ben ik zo onder de indruk geweest van een reconstructie. Tijdens het filmen stond er voor alle betrokkenen veel op het spel. Dit gaat over Romano van der Dussen in Elena Lindemans’ documentaire Ik heb het niet gedaan. Romano zat 13 jaar onterecht vast in een Spaanse cel.

‘De onthutsende documentaire laat niet alleen zien hoe Romano – die slechts voor een deel is vrijgesproken – nog altijd vecht om zijn onschuld te bewijzen. De film toont ook aan hoe dun de lijn is tussen goed en kwaad, tussen recht en onrecht. Want ís Romano wel zo onschuldig als hij zegt te zijn?’ (BNNVARA.)

Je zal voortdurend heen en weer worden geslingerd, tussen wat gelogen is, en wat het ware verhaal. Je zal worden geconfronteerd met je eigen gedachten. Schat je alles wel goed in of niet? Kijk je naar een slachtoffer of naar een dader? Is er een verschil?

Al het vertrouwde jargon komt voorbij: ‘nu zouden ze het ADHD noemen’, ‘een moeilijke jeugd’. Shots van een ontmoeting met een makker uit het verleden. Het ruige leven staat op diens gelaat getekend. Ze hebben ‘een beetje kattenkwaad’ uitgehaald. Vergelijk dit met het eufemisme van de elite: ‘een dwaling’, over een rechterlijke uitspraak. En je zal je wederom afvragen af of er wel een verschil is.

Ik neem mijn pet af en maak een diepe buiging. Zelden heb ik zo’n aangrijpende documentaire gezien.

I know the truth and I know what you’re thinking. Stone Roses – Fools Gold.

Afrekening in de horeca

Je hoort mensen wel klagen over de hoge prijzen in de horeca. Vergeleken met Duitsland betaal je hier inderdaad flink voor een cappuccino. Al sinds mijn eerste baan bij een accountantskantoor weet ik dat cafés een zeer royale winstmarge hanteren op koffie en thee. Tenminste, als je puur naar de ingrediënten kijkt en een paar centen rekent voor energie. Waar je de klagers echter nooit over hoort, zijn de wanbetalers. Degenen die per ongeluk de rekening vergeten en weglopen omdat ze de bus moeten halen. Of zo.

Ik maak het regelmatig mee tijdens wandelingen in groepsverband. Zo’n groep is een allegaartje dat op een georganiseerde tocht intekent. Vaak verzamelen we bij een café of restaurant. Onderweg en na afloop volgt er doorgaans nog meer horeca. Jarenlang was het gangbaar om de bon te vragen en het geld op tafel bijeen te leggen. Soms ontbrak er dan een bedrag. Wat sowieso raar was, want diverse mensen hadden er ook al fooi bij gedaan. Maar dan legden we allemaal, of een persoon afzonderlijk, geld bij en dan was dat ook weer klaar.

Trouwens, ooit zal ik hier misschien nog in alle geuren en kleuren een tafereel beschrijven van een drie kwartier durende uiterst gênante heisa over welgeteld ƒ 0,25 in een restaurant op Malta in september 1993, in Valletta om precies te zijn, met bij hoge uitzondering de persoonsnaam er bij van die ene troela uit Utrecht, die ons zelfs de volgende ochtend in de hotellobby met haar berekeningen opwachtte, waar ze kennelijk de hele nacht mee bezig was geweest, en er toen alwéér over begon, maar nu even niet.

Oké, waar waren we gebleven?

De laatste jaren is het gangbaar geworden om allemaal apart af te rekenen. Zelfs als we met zijn vijftienen zijn. Nu hebben wij Nederlanders (vooral de Hollanders onder ons) een vrij slechte reputatie als je kijkt naar uitdrukkingen in de Engelse taal met ‘Dutch’ erin. Dat komt natuurlijk omdat wij eeuwenlang de grootste rivalen waren van de Britten op het koloniale wereldtoneel. Maar toch, dat apart afrekenen in restaurants is echt wel een dingetje. Ik ben er geen fan van.

Als je maar vaak genoeg meemaakt dat er een tekort is, of dat de serveerster naar de tafel komt om te zeggen dat er nog een cappuccino en appeltaart met slagroom ‘open staan’, dan leer je vanzelf om wie het gaat. In Zundert gebeurde het, en in Hoevelaken. En daar op die kersenboerderij aan het water bij Utrecht. En later opnieuw, in een bezoekerscentrum bij Veenendaal. Dat is H. dus, uit Amsterdam. Ja jongen, we weten het wel. Maar ik doe net alsof ik niets in de gaten heb en roep in de groep, terwijl hij zijn jas al aantrekt, ‘Hebben we allemaal afgerekend?’ ‘O ja,’ zegt hij dan, ‘bijna vergeten.’, en dan gaat hij toch maar betalen.

Een alternatieve kijk op homoseksualiteit

Nashville, here we come, voor de brandstapel of voor de rozen.

‘Biologen weten al decennia dat zaadcellen geen actieve, heldhaftige zwemkampioenen zijn, maar eerder halfsneue spartelaars met in hun midden wat mazzelaars. En de eicel ligt niet passief te wachten; ze lokt en leidt de zaadjes met chemische signalen en vloeistofstromen. Er zijn zelfs aanwijzingen dat ze kiest welk zaadje haar mag bevruchten. Een eitje is geen trofee voor de stoerste zaadcel; ze is een zakenpartner, en misschien zelfs wel de baas.’

Deze woorden, vooral die over de baas na de komma, zijn van Asha ten Broeke, wetenschapsjournalist voor de Volkskrant in haar column van 11 januari 2019. Laten we het nu eens hebben over die Nashville-verklaring.

Bij twijfel baseer ik mijn visie graag op de wetenschap. Weg met alle onzin; op zoek naar de kern. De ‘waarheid’ zo je wil. Wel vooropgesteld: ik was ff bezig met andere zaken en had geen tijd om die verklaring te lezen. Maar dat maakt niets uit, toch? Homoseksualiteit is een vrouwelijk woord met als betekenis: ‘seksuele gerichtheid op personen van hetzelfde geslacht’ (dus toch mannen en vrouwen, maar dan per soort).

Mijn stelling is als volgt: we weten nog niet goed waar homoseksualiteit vandaan komt.

Dit kan ik onderbouwen. Als bronnen gebruik ik mijn eigen referentiekader, zoals daar zijn: ouders en andere familieleden, vrienden, buren en collega’s. Verder heb ik weleens wat gelezen en toevallig ook nog iets met gender-studies gedaan. Dat laatste in het kader van man/vrouw-verhoudingen in de Arabische wereld en Afrika. Gewoon wat literatuur door gevlooid en ‘in het veld’ mijn ogen en oren open gehouden. Meer was het eigenlijk niet. O wacht, toch wel. Ik vergeet een onderzoekje naar vormen van polygamie wereldwijd. Interessant onderwerp, trouwens.

Een van mijn vroegere collega’s is een lesbische vrouw. Dat vernam ik pas vijftien jaar na vertrek bij onze werkgever, hoewel we steeds contact hadden gehouden. Ook zijzelf had het pas net ontdekt. Op het moment dat zij het vertelde, vielen ineens alle puzzelstukjes samen.

Want deze vrouw was voor mij een raadsel. Of liever, ik begreep maar niet waarom zij geen vriend had. Ze is sportief, zeer sympathiek, intelligent, leuk om te zien en bovendien heeft ze humor. Daar moeten mannen toch als vliegen op afkomen?

Ze is ook gevoelig en heeft mededogen. Zij ziet mensen voor wie ze zijn, beter dan menigeen. We leerden elkaar kennen toen we allebei in onze reisfase zaten. Met vrienden had ze in een oud barrel maandenlang door de VS gereisd. En voor haar afstudeerscriptie deed ze daar onderzoek naar een bekende regisseur. Op kantoor werkten wij intensief samen en dat ging prima.

Toch er was ook een intens duistere kant aan haar. Iets waar ze zelden, en dan nog slechts vaag, iets over liet doorschemeren. Pas veel later kwam het ogenschijnlijk en passant ter sprake. Zo van ‘Oh dat wist je toch wel, dat ene, met die buurman.’ Dat ene was jarenlang kindermisbruik in haar jeugd, door de buurman.

Ik kan mij voorstellen dat je het dan voorlopig even hebt gehad met mannen. En ja, seks met mannen werd een probleem voor haar, later, toen ze er wel de leeftijd voor had. Op een gegeven moment kreeg zij een vriend die veel van haar hield, en zij ook van hem. Maar meer dan platonisch werd het niet. Het ging gewoon niet, ze schoot finaal in een kramp. Een intieme relatie opbouwen met een man was onmogelijk geworden voor haar. Na een poos samenwonen gingen ze weer uit elkaar.

Nog weer later vertelde ze dus dat ze lesbisch was en een vriendin had. En ik dacht: ‘Daar geloof ik niets van.’ En nog steeds heb ik hevige twijfels bij haar. Dat ze ook op vrouwen kan vallen: ja. Alleen dat ze uitsluitend lesbisch is, kan ik zeer moeilijk aannemen. Het is een verschrikkelijk cliché idee, maar ik geloof oprecht dat dit anders was gelopen als ze in haar jeugd niet zo erg de verkeerde was tegengekomen.

Ik geloof niet dat zij lesbisch is geboren, maar dat zij lesbisch is geworden. Namelijk door een traumatische ervaring waar ze nooit meer overheen is gekomen. En dan toch, neem nu die wetenschap van dat eitje en die zaadcellen. Wat weten we inmiddels werkelijk over de chemische processen van aantrekkingskracht tussen mannen en vrouwen? Of tussen mannen en mannen? Of tussen vrouwen en vrouwen?

Uit het gekrakeel over die Nashville-verklaring maak ik op dat het een nogal conservatief Hill Billy-gedoe is. Heisa van een roedel achtergebleven white angry men and women. De laatste stuiptrekkingen, misschien, gevoed door angst voor de toekomst. Zogenaamd Christelijk tegenwicht voor de oprukkende Islam, wellicht. Of voor het gevaar uit China, want daar zijn ze ook bang voor. Wat mij betreft kunnen ze zich beter richten op hun eigen zonden, want er ligt vast nog wel wat onder het vloerkleed verborgen.

Jammer dat ze daar in country-minnend Nashville zo zelden luisteren naar Radiohead: I Might be Wrong.

Je eigen vrijheid eindigt waar …

‘Waar bemoei jij je mee, iedereen mag met z’n huis doen wat ie wil. Zelfs verwaarlozen. Je hebt gewoon domme pech dat je naast hem woont.’ Deze reactie komt binnen op mijn log over geldzorgen bij oudere huiseigenaren. Voor alle duidelijkheid: dat log betreft de buurman die medewerking weigert aan de vervanging van ons kapotte riool. Dit onder meer vanwege geld. Ik wil de schrijfster van genoemde reactie hartelijk danken. Volgens de film Life Of Pi doe je er namelijk goed aan om ogenschijnlijke tegenstanders te omarmen.

‘Je eigen vrijheid eindigt waar die van een ander begint.’ Ik weet niet van wie deze uitspraak komt, maar dit is zo ongeveer mijn levensmotto. Dus is het bij bovengenoemde reactie makkelijk terugkaatsen. Zo van: ‘En waar denk jíj je dan wel mee te bemoeien?’ Maar laten we liever eerst even kijken naar waar het hier om gaat.

Mevrouw meent dat iedereen met zijn huis mag doen wat hij wil. Zelfs verwaarlozen. Daar ben ik het vrijwel volledig mee eens. Zolang het een vrijstaande woning betreft, tenminste. Als de zijmuur dan instort, heeft de buurvrouw er toch geen last van. Hoewel? Hopelijk vallen de bakstenen de goede kant op en komt het dak niet in haar tuin terecht. Anders moet zij de rommel weer opruimen. De buurman doet dat namelijk niet zelf.

In ons dorp staan een paar verwaarloosde vrijstaande huizen. De tuin eromheen is een wildernis. Bij één van die panden moet je van de stoep af, omdat de boomtakken ver naar voren uitsteken. Dat is wel een beetje hinderlijk, vind ik. Hoogbejaarde mensen, zoals mijn buurman bijvoorbeeld, kunnen er onmogelijk langs met hun rollator. En jonge ouders met een kinderwagen evenmin. Een ander verkrottend pand staat al ruim een jaar leeg. Iemand vertelde dat er in dergelijke gevallen vrijwel altijd ruzie is tussen de kinderen, over de verdeling of de waardebepaling van de erfenis. Gezellig.

In feite hou ik juist erg van dit soort verwaarloosde huizen en tuinen. Hoe kan het ook anders? Als kind genoot ik al met volle teugen van de avonturen van Pippi Langkous. En bij haar thuis was het ook een bende van jewelste. Gaaf! Lekker keten!! Alhoewel. De buren vonden het wat minder, geloof ik nu, bij nader inzien.

Eigenlijk zou ik die serie eens terug moeten kijken, maar vermoedelijk waren die buren gewoon brave lieden. Doorsnee burgers, die hard voor hun huis hadden gewerkt en de boel netjes wilden houden. Zodat het er voor iedereen aangenaam toeven bleef en hun onroerend goed zijn waarde zou behouden. Dat vond de anarchistische Pipi natuurlijk verrekte saai. Maar die wens was toch ook logisch, vanuit de buren bezien?

Pipi was de uitzondering. Persoonlijk vind ik dat je uitzonderingen moet koesteren. Uitzonderingen bevestigen de regel. Uitzonderingen kunnen de boel echter ook loswrikken, mocht dat nodig zijn. Nu wordt de vraag of dat nodig wàs, in dat buurtje van Pipi Langkous. Misschien was zij wel de enige die overal problemen mee had, verscholen onder al dat gelach.

Je hebt gewoon domme pech dat je naast hem woont.’, schrijft de reageerster. Is dat zo? Of heeft de buurman gewoon domme pech dat ik naast hem ben komen wonen? Misschien is de buurman wel zo iemand die nooit in een rijtjeshuis had moeten gaan wonen. Misschien heeft hij daarom al ruim dertig jaar bonje met al zijn buren. Misschien zou de buurman van begin af aan veel gelukkiger zijn geweest in een afgelegen staande woning. Zonder al te veel mensen om hem heen.

Als dat het geval is, kan ik hem begrijpen. Ik zou dat namelijk ook wel willen. Het lijkt mij heerlijk: dat stacaravannetje bovenaan de helling, met dat uitzicht over de weides en het bos in de rug. Op mijn eigen riante lap grond. Dat zou het summum zijn. Maar bouwgrond is onbetaalbaar in dit land vol mensen en regels. Net zoals de buurman heb ik daar het geld niet voor en dus moeten we het met elkaar rooien. Of hij nu wil of niet.

Het enige wat ik voor hem kan doen, is nadenken over zaken waar hij kennelijk geen raad mee weet. Ter voorbereiding. Puur en alleen voor het geval dat hij daarvoor open mocht blijken te staan. En anders niet. Ik wil hem geen enkele financiële regeling door de strot duwen, zoals de reageerster lijkt te denken. Ik wil hem enkel bij een vrij uitzichtloze situatie helpen.

Maar goed, ik ben gewend aan de kortzichtigheid van sommige mensen. Dit kan er ook nog wel bij. En Life Of Pi indachtig, helpt de schrijfster van bovengenoemde reactie mij. Want een vergelijkbare reactie kan ik gegarandeerd van de buurman verwachten. Dus ben ik nu voorbereid.