Voedselsporen in onze botten

Heb je ooit exotische hapjes gegeten die alleen op een specifieke locatie te vinden zijn? Dan hebben die specifieke sporen nagelaten in je botten en je weefsel. Dat vertelt hoogleraar evolutionaire antropologie Jean-Jaques Hublin deze week in een artikel in de VPRO Gids. Het is fascinerend wat onderzoekers allemaal kunnen aflezen aan een prehistorische kies. Ons voedsel beïnvloedt dus ons lichaam. Bovendien draagt ieder mens wel een paar kilo’s aan bacteriën mee. Hoe meer je reist, hoe meer je er krijgt. Lees verder “Voedselsporen in onze botten”

De pest blijft een plaag

Menig maal heb ik het al verzucht: ik heb mijn roeping gemist. Was ik maar onderzoeker geworden. Onderzoek doen is tenminste leuk. Het biedt een intellectuele uitdaging en geeft veel voldoening. Nu werk ik met genoegen aan de familiewebsite en zo stuit ik op de pest. Anno 2016 kunnen wij ons moeilijk voorstellen hoe rampzalig die ziekte vroeger was. Mijn Leidse voorouders hebben diverse pestepidemieën doorstaan. Letterlijk, anders waren ze wel gestorven en had Raam Open nooit bestaan.

.

De stad werd onder meer getroffen tijdens het beleg van 1574 en 1601, 1604, 1624, 1635, 1655 en 1666. Tijdens de epidemie van 1624-1625 stierven bijna 10.000 mensen en in 1635 bijna 15.000. Dit terwijl Leiden in 1622 ongeveer 45.000 inwoners telde.

.

Toevallig verbleef één van de zwaarst getroffen gezinnen in mijn familie op een gracht waarnaar onderzoek is gedaan. Een masterstudent aan de UvA heeft voor zeven straten de sterftecijfers berekend en in een scriptie verwerkt. Dit ter illustratie van de verschillen tussen rijke en arme buurten. Zo’n document is voor mij natuurlijk heel interessant vanwege de achtergrondinformatie en nieuwe data.

.

Echter, over de geschiedenis van een stad schrijven, is voor een buitenstaander altijd riskant. In dit geval is juist het adres van mijn voorouders verwarrend. Je moet maar net weten dat er vroeger drie grachten met dezelfde naam waren. Ze lagen elk in een ander deel van de stad.

.

Arme scribent. Als mijn vermoeden klopt, is die scriptie deels gebaseerd op drijfzand. Ik heb bij de UvA navraag gedaan. De pest blijft een plaag, tot op de dag van vandaag.

.

(Gegevens uit: De bouwgeschiedenis van het pesthuis te Leiden, J. Dröge.)

Verzwegen Indonesisch verleden

dekolonisatieIn de Volkskrant staat een artikel over onze dekolonisatie in Indonesië met een foto erbij. Wanneer ik de foto bekijk, bekruipt mij een unheimisch gevoel. Want die jonge Nederlanders in dat soldatentenue. Die op de grond zittende Indonesiërs onder schot houden. Daar staat mijn oom toch hopelijk niet bij? Jongensgezichten hebben ze, op de grens van  volwassenheid. Sommigen lachend, of vol bravoure hun geweer op een gevangene richtend. Anderen een beetje verlegen kijkend.

Al jaren doe ik onderzoek naar mijn voorouders. Ik vroeg aan nog levende verwanten wat zij zich herinnerden. Speurde in talloze registers en akten naar sporen van ons familie-verleden. Wilde alles weten over het leven en de persoonlijkheden van gestorven mensen, kort of lang geleden. Ach, schandalen genoeg. Die houden mij niet meer tegen. Toch heb ik één vraag steeds vermeden.

‘Velen hebben in wrok gezwegen over wat ze in Indonesië hebben gedaan en meegemaakt. Dat lijkt wel wat op de Indische ervaring, waarover Adriaan van Dis ooit zei: ze hebben gezwegen met een uitroepteken – niemand wil weten hoe het er daar aan toeging, nou, láát dan ook maar.’ Uit Het algehele onbegrip voor dekolonisatie van Sander van Walsum. Ook de Republiek Indonesië zweeg wijselijk (wijselijk?) over bepaalde zaken uit dat verleden.

Mijn oom is een humoristische, gemoedelijke man. Ik heb een foto van hem uit zijn diensttijd. In zo’n zelfde soldatenkloffie als de jongens op de foto, met zandzakken voor hem en palmbomen op de achtergrond. Nu is hij negentig.

Zal of moet ik die ene vraag nog stellen?

Een heel klein beetje bloedverwant

Na lang speuren weet ik wel ongeveer van wie ik afstam. Genealogisch onderzoek is echter riskant om waarden en conclusies aan te verbinden. Laten we wel wezen. Meestal is het zonneklaar wie de moeder van een kind is. Maar van de vader kan je het nooit helemaal zeker weten. Toch laat ik mij graag meeslepen door een tot de verbeelding sprekend verleden. Wat mij uitermate fascineert, is dat ik van Franse komaf ben.

Nu is dat niets bijzonders. Half Noord- en Zuid-Holland stamt af van Hugenoten.
Maar ik heb nu eenmaal donkerbruin haar en zie dat graag als een kenmerkend teken. Dat er evengoed blonde mensen in mijn familie zitten (of zelfs in Frankrijk rondlopen), is een vergissing van Moeder Natuur. Voeg hier mijn gebruikelijke breedsprakigheid aan toe – als jullie toch eens wisten hoeveel tekst ik schrap – plus mijn naturelle uitspraak van de Franse taal. Dan weet je het zeker. Dat is de Franse invloed en mijn aangeboren tongval.

Ik herken de ene na de andere karaktertrek in het programma ‘Op zoek naar Frankrijk’. Zoals de koppigheid van de Bretons. Mijn voorouders komen uit een andere regio. Maar die oude Hugenoten waren ook behoorlijk standvastig en eigenwijs. Dus dat zit gewoon in de genen. Of die verwanten uit het noorden van Frankrijk kwamen, dat toen grotendeels bekend stond als de Zuidelijke Nederlanden, is vanzelfsprekend irrelevant. Want ik heb Franse voorouders aan zowel vaders- als moederskant.

Nou ja, van mijn vaderskant moet gezegd dat het wel een enigszins fragiel lijntje is.
Ik heb het berekend. Want ik kwam een portretje van de broer van mijn voorvader in de zevende generatie tegen. Dus een volle zoon (mag ik aannemen) van mijn voorvader in de achtste generatie. Dan wordt het: generatie 1  = 1 persoon, generatie 2  = 2 ouders, generatie 3 = 4 grootouders, generatie 4 = 8 overgrootouders. En zo voort tot en met de achtste generatie. Dus: generatie 8 = 128 voorouders. Uhm, ja. Waarvan één man en één vrouw Frans zijn. Nou ja, ze spreken Frans. Denk ik. Want ze komen uit Luik. Pardon: Liège. Of daaromtrent. Nou ja, daar ergens dus. (Ik moet dat nog opzoeken, eigenlijk.)

Maakt allemaal niets uit! Ik heb een afbeelding van hem, mijn Franse achttiende eeuwse bloedeigen verwant.

Discretie op internet

Nu ik mijn voorouders op internet zet, loop ik tegen ethische kwesties aan. Sowieso laat ik details over nog levende personen weg. Zelfs als iemand daarvoor toestemming geeft, ben ik terughoudend. Bovendien kent elke familie schandalen waarover men liever niet spreekt. Vaak betreft het situaties waar wij nu laconiek mee omgaan. Is iemand, die puur uit honger een brood steelt, echt een misdadiger? Tweehonderd jaar geleden werd je er flink voor gestraft. Nu kijken we veel genuanceerder naar zo’n verhaal.

Maar wat als één van je overgrootouders in een ‘gekkenhuis’ heeft gezeten? Misschien zit het wel in de genen. Neem je genealogisch onderzoek serieus, dan mag je dit soort feiten niet verdraaien. Toch, moet zoiets nu echt vermeld worden, of kan je het beter weglaten? Als is het maar ter bescherming van de nakomelingen.

Zelf kijk ik er vrij nuchter tegenaan. Naar schatting kan 15% van de bevolking niet goed meekomen in de maatschappij. Vaak ligt dat aan hun gezondheidstoestand, omstandigheden of het milieu waaruit zij komen. Uiteraard zit daar een groep mensen bij met psychische problemen. Dus is het niet zo vreemd als één van je voorouders bij die groep hoort.

Wat verder meespeelt, is dat men vroeger amper raad wist met psychiatrische patiënten. Vaak was niet eens bekend welke stoornis ze hadden. In dit geval kan ik er weinig zinnigs over zeggen. Mijn overgrootmoeder is overleden op een adres waarvan heel Leiden en omstreken weet wat dat betekent.

Een teken van opa

Ineens moet het dan eindelijk maar gebeuren. Mijn voorouders krijgen hun eigen website. Ik beschik namelijk over een onvoorstelbare hoeveelheid gegevens. Het grootste deel verscheen al in eerdere publicaties. Maar die liggen vast in donkere archiefkasten stof te vergaren. Bovendien heb ik het onderzoek naar twee familietakken gestaakt. Wanneer er niets met de ordners vol aantekeningen gebeurt, dan zullen die voorouders weer in vergetelheid raken.

Eerst wandel ik een rondje om een passende naam voor de website te bedenken. Prompt passeer ik onderweg een bordje met de naam van een verre verwant. Dat brengt mij op een idee. Eenmaal terug, plaats ik een voorlopige tekst bij de familienaam waarmee het allemaal begon. En vermeld de geboortedatum van een opa, die ik nauwelijks heb gekend. Wat blijkt? Als hij nog had geleefd, dan zou hij zijn verjaardag vieren op dat moment!

Het is duidelijk, ik ben aan iets begonnen waar hij volledig mee instemt.

Het land van mijn vader

Holland 001De tentoonstelling ‘Holland op z’n mooist’ valt samen met mijn nostalgische tour door Zuid-Holland. Ik volg het voetspoor der schilders van de Haagse School tot in Wolfheze en Oosterbeek.
Hun werk is een ode aan het leefgebied van mijn vaders voorouders. Het Gemeentemuseum Den Haag toont zelfs een plattegrond van de polder waarnaar wij vrijwel zeker zijn vernoemd.

De schilders legden met penseel een klassiek Holland 002Hollands landschap vast dat al onmiskenbaar was veranderd. Er reed een rokende stoomtrein die de functie van de trekvaart overnam. Gesis en gebonk langs de vliet waar een schip voorheen stilletjes voorbij gleed. Een eeuw eerder was een voorvader  zo’n schipper in Voorburg.

Dagjesmensen trokken naar de kust. De heren in pak en met hoge hoed op. De dames in hun dichtgeknoopte blouse en lange rok. Je ziet ze rond de eeuwwisseling flaneren voor het Kurhaus. Dat torende toen nog in splendid isolation boven alle andere bebouwing uit. Ik heb een foto van mijn jeugdige opa en oma aan zee. Ze dragen vergelijkbare kledij.

Er is een schilderij van het bos waar ik straks naast woon. Ook zie je een schilder in de zon aan het werk bij een omgeploegd veld. Wat een rust straalt dat schilderij uit. Een oude schilderdoos met tafereeltjes, klodders en tubes verf is er tentoongesteld. En een kunstenares ving de zomerse geur van het grasland in parfum. Ik heb er mijn vinger in gedoopt. Het is werkelijk alsof je de polder ruikt.

Holland 003De polders van toen zijn nu grotendeels verdwenen. Op schilderijen staan koeien met hun poten in het water dromerig voor zich uit te staren. Of ze zoeken verkoeling in de schaduw van romantisch getekende bomen. Nu zijn de sloten te diep en de bomen verdwenen, want het grasland wordt strak gemanaged. Wetenschap heeft ons een aangenamer leven gegeven dan onze voorouders ooit kregen. Toch kijk ik met een zekere weemoed naar het buitenleven aan het eind van de negentiende eeuw.