Familiebijeenkomst

Sommige ontmoetingen ijlen dagenlang na, zoals die tijdens een familie-reünie. Ik hoor vertellingen uit de eerste hand over vroeger: flinters uit het leven van opa en oma. En er zijn oude, nooit eerder getoonde foto’s.

Wat nog meer? Een kennismaking met onbekende neven, na 55 jaar. En het weerzien met oude bekenden, nu volwassen persoonlijkheden. De ontdekking van gedeelde interesses. Unieke banden te midden van zeven miljard anderen.

We zijn allemaal gevormd door de tijd waarin we leven en door wat aan ons is doorgegeven.

Naderhand. Twee paar ingezoomde ogen van jaren her kijken me met een klein glimlachje doordringend aan. Ze lijken te beamen dat dit goed was. (Maar dat zal ik me wel weer verbeelden.)

Toen opa en oma vijftig waren

Er is een foto van mijn grootouders waarop zij met een dochter en hun jongste zoontje poseren. Dat kleintje is mijn vader, dan een jaar of vier oud. Ze staan achter hun huis op het platje en kijken geamuseerd naar de fotograaf. Een volwassen buurjongen heeft het prentje genomen. Het is eind jaren dertig. Ze staan erbij alsof ze even snel naar buiten zijn gekomen. Opa heeft zijn stoffen werkjas aan. Hun kleren zijn netjes, maar sober. Alleen de trui van mijn tante heeft een speels kabelpatroon.

Toch is er iets bevreemdends. Het lijkt alsof opa en oma de zeventig al zijn gepasseerd, terwijl mijn vader nog een kleuter is. Hij kan hun kleinkind wel zijn. Logisch, want het is al geen jong paar meer. Op die foto zijn opa en oma bijna vijftig jaar oud. En dan daalt het in: dat is vijf jaar jonger dan ik nu ben. Wat een verschil, vooral qua uiterlijk. Want ik zie er zeker 25 jaar jonger uit dan zij toen.

Mijn grootouders en ik schelen 75 jaar en die tussenliggende periode maakt een wereld van verschil. Oma was vier jaar toen zij haar moeder verloor en opa kwam uit een gezin dat door ziekten was verarmd. Ze moesten allebei kort na hun twaalfde verjaardag fulltime aan de slag. En fulltime betekende zes dagen per week en zeker tien uur per dag. Sociale zekerheid ontbrak.

De Eerste Wereldoorlog kwam tussendoor. Nederland bleef neutraal, maar dit moet hun leven hebben beïnvloed. Tien jaar later begonnen de crisisjaren. Opa deed alles wat zijn handen konden: smeden, fietsen repareren, timmeren, en een stoomwals bedienen. Intussen kreeg oma het ene na het ander kind, tien maar liefst. Bovendien verhuisden ze jarenlang om de zoveel maanden, omdat ze opa’s werk in de wegenbouw achterna gingen. In die periode was een woonwagen hun huis.

Later gingen ze in het huis wonen waar de foto is genomen. Daar bleven ze het langst. Oma moest wel het hele huishouden met de hand doen, tot de was aan toe. En met zo veel kinderen ging het werk natuurlijk altijd door. Wanneer ik denk aan al hun verantwoordelijkheden, is het geen wonder dat mijn grootouders er al vroeg oud uitzagen.

Bereken of je heel oud gaat worden

Als je moeder extreem lang leeft, heb je zelf ook kans dat je een hoge leeftijd bereikt. Maar dit is geen garantie. Werden de broers en zussen van je moeder ook ouder dan 90? Dan stijgen je kansen wel. Of je oud wordt, is voor 25% erfelijk bepaald, en voor 75% afhankelijk van leefstijl en omgeving. Dit concludeert een groep wetenschappers van het LUMC, onder wie hoogleraar moleculaire epidemiologie Eline Slagboom. Alle beetjes helpen. Voor een kansberekening kijk ik gelijk naar mijn voormoeders.

Over leefstijl is al veel bekend: niet roken, weinig alcohol, veel bewegen en gezond eten, vooral groente en fruit. Het verschil tussen een gezonde dan wel ongezonde leefstijl loopt op tot 14 jaar in levensverwachting. Verder begint ‘de omgeving’ al in de baarmoeder. Daar kan je als kind weinig aan veranderen. Maar met een goede leefstijl kan je wel op elke leeftijd starten. En een hoge bloeddruk voorkomen is extra gunstig.

Dan die voormoeders van mij. Zij geven nogal een wisselvallig beeld. Vanaf mijn moeder (nu 85 jaar oud en kerngezond) kan ik in vrouwelijke lijn negen generaties terugkijken. Dan kom ik op de volgende behaalde jaren: 85 (nu), 97, 85, 49, 72, 81, 67, 50, minimaal 60. Van de laatste voormoeder weet ik namelijk niet wanneer ze is overleden. Wel kan ik haar traceren tot vlak na haar zestigste verjaardag. Conclusie: 4 x 80+, 4 x 80- en 1 kanshebster op 80+ (of toch 80-?) Hm.

Gelukkig kan ik ook nagaan hoe lang hun broers en zussen hebben geleefd. Maar kan ik de behaalde jaren in de achttiende en negentiende eeuw op dezelfde wijze interpreteren als leeftijden in de twintigste eeuw? Of was zeventig toen het huidige negentig? En wat doe ik met cholera-epidemieën, oorlogen en de hogere kindersterfte? Hoe moet ik deze factoren meewegen? Want stel dat een jong gestorven broertje onder hygiënischer omstandigheden was geboren. Dan had ook hij negentig kunnen worden.

Het verbaast me sowieso dat de Leidse onderzoekers niet voorbij de generatie van de moeder kijken. Ik hoop dat mevrouw Slagboom dit logje leest en bovenstaande dilemma’s meeneemt.

Trouwens, volgens de voorspelling is mijn levensverwachting 84 jaar. Dat is toch ook ruim voldoende.

Lange slungels met pokdalige tronies

Als je wil weten hoe je voorouders er in het pre-fototijdperk uitzagen, mag je hopen dat je uit een rijke familie komt. Dan wilde men nog weleens een schilderijtje laten maken. De meesten van ons moeten het echter zonder portretten doen. Toch zijn de uiterlijke kenmerken van veel mannen genoteerd. Met dank aan Napoleon. Want tussen 1811 en 1941 werden alle mannen op hun 19de voor militaire dienst geregistreerd. Zo stuit je soms op aardige verrassingen.

Lange opa
Mijn opa van moederszijde ken ik alleen van oude foto’s. Als militair poseert hij in zijn uniform en glimmende laarzen met een groepje lotgenoten voor de Leidse burcht. De mannen staan op lengte naast elkaar en opa torent boven de rest uit. Alleen wist ik nooit precies hoe lang hij was. Gisteren ontdekte ik dat op wiewaswie.nl. Hij is als jongeman in 1909 exact 1,804 meter lang. Voor een Leidenaar is dat heel wat.

Nationale groeitrend
Al jaren wordt de Nederlandse bevolking steeds langer. De gemiddelde lengte van de Nederlandse man is toegenomen van 167 cm in 1865 tot 184 cm in 1997. Leidenaren haalde het gemiddelde iets naar beneden. Daar maten mannen rond 1800 circa 166,7 cm, terwijl ze in Zwolle bijna 173 cm lang waren. Misschien is dat een verklaring, want opa’s vader kwam uit die stad.

Ziekten beïnvloeden lengte
De Leidse bevolking kreeg het in de 19de eeuw flink voor haar kiezen. Er was armoede door de eenzijdige economie en men at slecht. Bovendien teisterden wel zeventien epidemieën de stad tussen 1795 en 1894: drie maal mazelen, vijf maal cholera, vijf maal pokken, een maal dysenterie, twee maal tyfus en een maal roodvonk. Ziekten hadden vrij spel omdat fabrieksarbeiders dicht bijeen woonden in tochtige en lekkende panden.

Verwensingen met alle mogelijke dodelijke ziekten zijn dan ook erg populair in het plaatselijke dialect. Als iemand tegen je roept: Juh (als je een man bent), tyfusleier, teer op (= rot op, van tering ofwel tuberculose) of pleur op (pleuritis)!’ dan antwoord jij: ‘Meh (als het een vrouw is), krijg de klere (cholera)!’ Enzovoort. Met Leidse rrr. Zo hoort dat.

Pokdalig
Afijn, waar waren we gebleven? O ja, ook mijn familie kreeg pokken. Volgens notities voor de Nationale Militie had de schoonvader van mijn opa een pokdalig gezicht. Kennelijk schrok dat zijn vrouw, mijn overgrootmoeder, niet af. Zij had al twee ooms wier gelaat door de pokken was aangetast.

Een van die heren staat zo te boek: ‘Gezicht: ovaal, voorhoofd: hoog, ogen: blauw, neus: gewoon, mond: gewoon, kin: spits, wenkbrauwen: bruin, haar: bruin, lengte: 1,744 mtr. 1 el, 7 palm, 4 duim, 4 streep. Overige kenmerken: pokdalig.’ Hij en zijn broer groeiden op in dezelfde woning en het pokkenvirus is nogal besmettelijk. Verder leed die kant van mijn familie weinig gebrek. Ze bezaten huizen en de mannen waren bovengemiddeld lang.

Spraakgebrek
Ook interessant: een andere oom van mijn overgrootmoeder werd afgekeurd wegens zijn spraakgebrek. Kennelijk kon je daar niet mee vechten. Maar hij was best in staat om vrouwen te versieren. Want hij trouwde twee keer. Ach, wie weet had-ie genoeg andere kwaliteiten.

Clichèbeeld en fantasie
Door deze omschrijvingen gaan wel al mijn clichébeelden eraan. Het Franse deel van de familie is niet klein van gestalte. Dit terwijl de Hollanders vaak klein en gedrongen zijn. Trouwens, hoe ziet een ‘gewone’ neus of mond er uit? Bovendien komen bij haarkleuren tal van tinten bruin, grijs, rood en blond voor. Welke tint hadden zij dan precies? Nou ja, misschien kunnen we dit alles maar beter aan onze fantasie overlaten.

Bron lengten in Nederland en epidemieën: Hoe lang nog? De lichaamslengte van de Nederlander, rede door George Maat, HOVO, Universiteit Leiden, 15 mei 2006.

Liefde is aardappelen

In ‘2Doc: Liefde is aardappelen’ keert documentairemaakster Aliona van der Horst na een sterfgeval terug naar het oude houten huis op het Russische platteland waarin haar moeder is opgegroeid. Ze heeft daarvan een/zesde deel geërfd. Aliona’s ouders wonen in Nederland. Moeder is in de tachtig en ernstig ziek. Ze heeft haar spraak al verloren. Terwijl Aliona nog met zoveel vragen over haar familieverleden rondloopt.

‘Liefde is aardappelen’ is een van de mooiste en aangrijpendste documentaires die dit jaar op tv kwamen. Niet alleen vanwege de vorm, subtiliteit, gedetailleerdheid, eenvoud en haarscherpe observaties in beeldmateriaal. Maar ook omdat ik er veel in herken. Het gaat over het intergenerationele trauma. Mijn vader overleed elf maanden geleden. Hij en mijn moeder zijn van dezelfde generatie als Aliona’s ouders.

Aliona’s moeder werd geboren in Rusland, tijdens de verschrikkingen onder Stalin. Gevechten aan het front. De constante dreiging van verraad en strafkampen. Zeer ernstige hongersnoden, terwijl ze als boeren zonder eten werden gedwongen tot zware arbeid op het land. Mijn ouders woonden in Nederland. Waar vooral bij mijn moeder de Tweede Wereldoorlog en de hongerwinter sporen hebben achtergelaten. De situatie in het westen van Nederland was onvergelijkbaar met de jarenlange toestand in Rusland. Maar toch.

We zien Aliona in het eenvoudige, maar knusse huisje, waar ’s winters het ijs binnen op de muren stond. De plee is buiten in een hok. De houten raamkozijnen hebben mooi houtsnijwerk. Alsof de familie ooit wel betere tijden heeft gekend. Haar verwanten zijn er ook. Een neef is nuchter. Begrijpt niet waarom ze alles filmt en het erg vindt dat het huis wordt gesloopt. Het is toch allemaal oude zooi.

Aliona vindt oude schoenen: koffers en koffers vol paren. Zo veel dat ze, alle paren naast elkaar uitgestald, er de vloer van een kamer mee kan vullen. Haar oma heeft winters zonder schoenen meegemaakt.

En ze vindt de brieven die haar moeder ooit vanuit Nederland schreef aan haar tante in Rusland. De documentairemaakster leest over zichzelf in het handschrift van haar moeder zinnen als: ‘Hoe kan mijn dochter mij ooit begrijpen? Zij was er niet bij en heeft het nooit meegemaakt.’ Over de honger, over de bittere armoede, over het ellendige huwelijk van Aliona’s oma. Die getrouwd was met een man die al even getraumatiseerd van het front thuiskwam.

Dit is een stukje uit de afscheidsrede voor mijn vader die mijn zus heeft voorgedragen:

‘Mijn vader was geen man van grote gebaren. Hij hield niet van opsmuk en was ook niet materialistisch ingesteld. Op zijn eigen wijze was hij een romanticus. Niet in de zin van rode rozen en champagne. Maar zoals een fuut zijn partner een visje brengt, bracht hij mama vol trots de eerste nieuwe aardappeltjes of verse worteltjes die hij met liefde voor haar had geteeld.’

Vergankelijk of van blijvende betekenis?

‘Geld is belangrijk voor werknemers, maar zeker niet hun hoogste prioriteit.’ zegt socioloog Richard Sennett in verband met de flexibilisering van de arbeidsmarkt. ‘Ze hebben een verhaal nodig over hun werkende leven. Iets waarop ze achteraf tevreden kunnen terugkijken: dit heb ik door hard werken stapje voor stapje bereikt, en mijn kinderen zullen het op hun beurt nog beter krijgen.’ (De Volkskrant, 1 juli 2017.) Laat ik eens de balans opmaken van wat ik tussen 1981 en 2017 heb bereikt. Professioneel gezien en voor mijn niet bestaande kinderen.

Qua werk bestond het overgrote deel van mijn bijdrage uit ervoor zorgen dat de juiste gegevens tijdig en compleet beschikbaar waren. Financiële administraties, afspraken in agenda’s en contracten, notulen van vergaderingen, urenstaten en voorraadbestanden. Ik verschafte anderen inzicht, zodat zij gefundeerde besluiten konden nemen. Mijn werk is inmiddels door de shredder gehaald. Voor de belastingdienst geldt een bewaarplicht van zeven jaar.

Het studiemateriaal, waaraan ik heb gewerkt, is dezelfde weg gegaan. Naar huidige maatstaven zag onze vormgeving er niet uit. Maar in 1990 bracht mijn werk een verbetering. Hoeveel mensen hun diploma hebben gehaald dankzij mijn bijdrage, weet ik niet. Het is lastig na te gaan. En het bedrijf waarvoor ik werkte, is in een conglomeraat opgegaan. Misschien hebben ze uit nostalgische overwegingen een syllabus bewaard.

En dan die internationale ontwikkelingsorganisatie. Mijn bijdrage was een schakeltje in een proces waaraan vele mensen samenwerkten. Een proces dat bovendien door tal van factoren beïnvloed werd. Er zijn genoeg evaluatierapporten geschreven met resultaten en effecten. Jaren zijn voorbijgegaan. Hoe het nu met de betrokkenen gaat? Wat de lange-termijneffecten van bepaalde programma’s zijn? Ik zou het graag willen weten.

Wat is er echt blijvend? In mijn geval boven alles het genealogische onderzoek naar mijn voorouders. Duizenden in vergetelheid geraakte mensen zagen hierdoor opnieuw het daglicht. Op mijn familiewebsite zullen ze nog wel even voortleven.

Grappig, dat vrijwilligerswerk zoveel duurzamer is dan betaald werk. Verder kreeg ik de belangrijkste inzichten voor mijn latere werk in de ontwikkelingssector dankzij verdieping in de leefomstandigheden van mijn voorouders. Wat ik daarna op de universiteit leerde, was er een bevestiging van.

Je zou denken dat ik mijn welvaart en vermogen te danken heb aan mijn werk. Maar ook mijn (voor)ouders hebben direct of indirect daaraan bijgedragen. Die banen zorgden vanaf 1981 wel voor brood op de plank en voldoende geld om te reizen. Vervolgens zorgden die reizen en het familieonderzoek voor nieuwe kennis en inzichten. En die inzichten deel ik sinds 2013 op mijn blog. Maar wat daar nu het effect van is?

TT–motorbloed in de familie

Vreemd eigenlijk, dat ik nooit naar de TT-races in Assen ben geweest. Ik heb toch zelf motor gereden. En binnen mijn familie sta ik daarin niet alleen. Mijn oom van moederskant reed op een motor en onze twee neven doen dat nog steeds. Mijn zwager kan motorrijden en mijn zus kwam achterop mee. Zij gingen vroeger naar het TT-circuit om naar de races te kijken. En naar het spektakel eromheen. Verder poseert mijn opa op een motor.

Trouwens, vrienden van mij hebben een hele partij motoren versleten. Die crossen eveneens op een motor met zijspan. Ook mijn ex-vriend had onder andere een crossmotor. Voor de gezinsleden van mijn zus is de Zwarte Cross nog altijd een jaarlijks fenomeen.

Dus wat doe ik op de eerste dag van de TT? E-mailtjes schrijven. Gaap.

Maar zo heb ik vandaag wel een professionele motorcoureur ontdekt in mijn bloedeigen familie. Jawel. Iemand die in Assen maar liefst twaalf keer Nederlands kampioen werd! Een levende legende. Vroeger kwam hij weleens langs bij mijn opa en oma, op de motor. Hij overleed onlangs, net als mijn vader vijf maanden geleden. Ze moeten elkaar hebben gekend.