Dank jullie wel, copyright jagers

Nog maar anderhalve week geleden moest ik een aantal afbeeldingen van Raam Open verwijderen. Voor de zekerheid. Ik had foto’s genomen van ruimtes waar ook andermans foto’s en schilderijen hingen. Die mag je niet zomaar op internet zetten. Voordat je het weet, krijg je een copyright claimende advocaat op je dak. Wel dacht ik dat plaatsing van enkele foto’s van Unsplash in orde was. Tenslotte is dat een gratis beeldbank. Maar toen las ik alwéér een alarmerend logje, van Martine Bakx dit keer.

Zelfs met foto’s van Unsplash kan je de mist in gaan. Want, zo schrijft Martine, rechten worden verkocht en foto’s kunnen worden verwijderd van een gratis beeldbank. Nou, da’s weer lekker dan. Naast Raam Open beheer ik nog twee websites. En vooral op mijn familiewebsite staan foto’s van schilderijen. Het is namelijk lastig tijdreizen en zelf foto’s nemen in 1584. Ik noem maar even een jaartal.

Maar mij krijgen ze niet, hoor. Want ik ben zo Leids als je zijn kan. En juist de rechtszaak tussen een uitgeverij en het Leidse stadsarchief over copyright is berucht en beroemd. (Zie internet.) Daar ga ik nu mooi mijn voordeel mee doen. Want het Erfgoed Leiden en Omstreken is heel voorzichtig geworden. Dus als er anno 2020 bij een afbeelding staat dat die rechtenvrij is, dan is dat zo. Zeker weten.

Vandaag ben ik al de hele dag zoet met fraaie plaatjes opduiken. En geloof mij, de beeldbank van het Leidse archief is een goudmijn. Alleen al de verzameling aquarellen en tekeningen van Jan Elias Kikkert bevat honderden juweeltjes. Die zijn doorgaans eigendom van het archief zelf. En daarom rechtenvrij!

Hierboven staat een ander aandoenlijk tafereel dat al uit de periode 1541-1545 stamt. Pieter Sluyter tekende dit boerderijtje op een kaart van landerijen in Alphen aan den Rijn. Die landerijen waren eigendom van het Leidse Catharina Gasthuis.

Over die regio schreef ik in De Lagewaard in Koudekerk aan den Rijn. Een van mijn Leidse bloedverwanten had ruim vier eeuwen geleden eveneens met het Catharina Gasthuis te maken. Uit het betreffende logje moest ik echter een oude plattegrond schrappen vanwege potentieel copyright gedoe. Maar nu zal het niet lang meer duren voordat ik een nóg betere afbeelding vind in het archief.

Over de bron van bovenstaande afbeelding: Erfgoed Leiden en Omstreken, signatuur PV71829.1. Voor alle duidelijkheid zet ik hier de link. (Klik daar op de website aan de linkerzijde op de ‘i’, dan verschijnt de rest van de informatie.)

La la la Leiden …

Op verkenning in voorouderlijk gebied

Via de familiewebsite ontvang ik een bericht van een onbekende man. Hij schrijft dat we een voorouderlijke familie delen. En hij heeft nog drie oudere generaties ontdekt. Ons voorgeslacht leefde 300 jaar geleden in De Liemers en mijn nieuwsgierigheid is direct gewekt.

In de jaren negentig woonde ik in Leiden en daar bezocht ik wekelijks het archief. Ik vond er toen een huwelijksregistratie uit 1725 van een ‘jongeman van ’t Tolhuys int Land van Cleef’. Bedoeld werd de landsheerlijke burcht bij Lobith. Daar waar Lodewijk XIV in rampjaar 1672 de Rijn overstak. Sindsdien staat die regio hoog op mijn verlanglijst als wandelgebied.

In februari 2019 kwam ik er voor het eerst in de buurt. Onze wandelroute liep vanuit Zevenaar richting de oude Rijnstrangen en onderweg passeerden we Herwen. Ik moet de kerktoren hebben gezien. Een paar maanden later maakte ik een boottochtje naar Fort Pannerden. Onwetend dat er ook in Herwen en Pannerden voorouderlijke sporen en wortels liggen.

Al zijn het wel hele kleine worteltjes, want waar hebben we het over? Mijn voorvader uit het Tolhuis bij Lobith behoort tot de negende generatie. Dus even rekenen: twee ouders, vier grootouders, acht overgrootouders, enzovoort. Dan komen we bij generatie negen uit op 512 voorouders.

Nou ja, er wonen nog altijd nazaten daar. Ik ga binnenkort toch mooi op verkenning op mijn nieuw ontdekte voorouderlijke territoir.

Smakelijk eten uit lang vervlogen tijden

Anno nu ligt het voedsel uit de hele wereld voor het grijpen in de supermarkt. Vruchten uit Azië, groenten uit Latijns Amerika en knollen uit Afrika. Je moet bijna zoeken naar wat er van oorsprong in de Hollandse pot zat. Fushion-gerechten vieren hoogtij. Maar is dit fenomeen wel zo nieuw? Gisteren bezocht ik een boeiende lezing door culinair historica Christianne Muusers in Museum het Leids Wevershuis. Zij vertelde dat men in de middeleeuwen al een grote variëteit aan ingrediënten kon kopen.

Ons idee is dat er vroeger weinig variatie was. Dat klopt slechts ten dele. Arme mensen aten vooral wat lokaal werd geproduceerd. Zij konden weinig exotische ingrediënten betalen. Maar de rijken hadden al vroeg een ruime keuze. Tal van ingrediënten raakten echter in onbruik na de middeleeuwen. Denk aan de zogenaamde ‘vergeten groenten’. Ook het huidige aanbod op de afdeling vleeswaren is in die zin een teken van verschraling. Waar zijn de zwaan en de varkenspootjes gebleven?

Exotische kruiden en specerijen waren van oudsher zeer duur. Tot de glorietijd van de VOC moest elk onsje over land worden vervoerd via de zijderoute. Daarna bracht de VOC onder meer kaneel en kruidnagel in grotere hoeveelheden op de markt voor een kleiner prijsje. Mede hierdoor verdrongen dergelijke specerijen de oorspronkelijke en vergelijkbare ingrediënten. Exotisch pittig (peper) verving inheems pittig (mosterd). Toch waren ook de oudst bekende smaakmakers vaak al eerder van elders ingevoerd.

Smakelijke verhalen en eeuwenoude recepten staan op Christianne’s website Coquinaria. Na de lezing was er een kleine proeverij van vlees-met-vis pasteitjes, hutspot zoals die in 1574 waarschijnlijk werd samengesteld (Leidens Ontzet!), marsepeinen egeltjes en hypocras (‘godendrank’ ofwel gekruide wijn). Die wijn smaakt zowel lekker als naar medicijn. Dat laatste is niet vreemd, wanneer je bedenkt dat er medicinale krachten aan kruiden werden ontleend.

Zoek je inspiratie voor een origineel kerstdiner, dan kan je op haar website je hart ophalen. Begin vroeg met de voorbereiding, want het kost tijd om de minder bekende ingrediënten bijeen te brengen.

Het gaat van generatie op generatie

Leiden huis Hooglandsekerkgracht

We zitten in de wachtkamer van het ziekenhuis en de rollen zijn voorgoed omgedraaid. Vroeger ging mijn moeder met mij naar het ziekenhuis. Nu doe ik dat met haar. Haar linkeroog is afgeplakt. We zijn hier voor een controle. Af en toe praten we wat.

Opeens hebben we het over aangebrande aardappels. Geen idee hoe we erop komen. Ze vertelt dat oma, haar moeder, heel secuur was. En dat oma zo kon mopperen, als de dingen niet gingen zoals zij wilde. Overgrootvader deed dat ook, de vader van oma. Er was een lange gang tussen zijn winkel en zijn meubelwerkplaats in. Als hij de winkelbel hoorde rinkelen, terwijl hij achter aan het werk was, liep hij het hele eind mopperend door de gang. Tot hij de winkel betrad. Dan zette hij een vriendelijk gezicht op naar de klant.

Leuk om te vernemen. Dat heb ik dan niet van een vreemde.

Genealogen brengen hun stamboom in kaart omdat ze nieuwsgierig zijn naar hun familieverleden. Maar meer nog zijn ze op zoek naar de oorsprong van hun eigen eigenaardigheden.

De feiten onder ogen komen

Tja, hoe gaat zoiets? Je bent inmiddels tachtig en lang geleden heb je stamboomonderzoek verricht. In je familie werd er al vroeg naar voorouders gezocht. Je vader heeft ooit een poging gedaan en je bewaart nog aantekeningen in zijn hoekige handschrift. Je zegt het niet hardop, maar eigenlijk ben je best trots op je familiegeschiedenis. Of beter: op wat daarvan is overgeleverd. Je weet dat je overgrootvader uit Duitsland kwam en zich rond 1815 vestigde in Arnhem. Het was een vakman. Datzelfde vakmanschap zie je tot op de dag van vandaag terug in de huidige generatie.

Jaren later kijk je wat er nog meer over het voorouderlijke geslacht te vinden is. Inmiddels staat er van alles op internet. Daar stuit je op een zekere Karin, die ook onderzoek heeft verricht en naar jouw familienaam op zoek is. Binnen haar familie was lang onbekend wie haar betovergroot-ouders waren. Sinds zij hun namen kent, wil ze graag meer te weten komen. Je neemt contact met haar op en zo begint een e-mailuitwisseling.

Je schrijft dat jij de gezamenlijke voorouders hebt getraceerd tot 1660. Zij is niet verder gekomen dan Arnhem. En je hebt een boek over de familie gepubliceerd. Als zij belooft dat ze jouw vondsten niet op haar familie-website plaatst, wil jij Karin de gegevens wel toesturen. Zij belooft het. Zelf heeft zij onder meer dertig pagina’s ongepubliceerde aantekeningen over de familie. Die gegevens en andere recente vondsten wil ze na ontvangst van de boektekst wel met je delen.

Maar, schrijft zij er waarschuwend bij, haar documentatie bevat controversiële informatie. Voor Karin betreft dit een verre verwant in een zijtak. Meer specifiek: een achterkleinzoon van haar betovergrootvader. Weliswaar heeft zij die informatie openlijk op internet aangetroffen. Maar het verband met jullie gezamenlijke voorvader wordt pas duidelijk als je de onderlinge relatie kent. Ze wil niet dat hierover wordt gepubliceerd zo lang de generatie van haar moeder leeft. Haar moeder is nu 86 en heeft als kind de oorlog meegemaakt.

Je wordt nieuwsgierig; misschien ben je ook een tikkeltje ongerust. Jou is niets bekend over een controversiële kwestie. Het betreft een man die ook voor jou in een zijtak zit. Hij en jij dragen wel dezelfde Duitse achternaam. Een naam die in Nederland weinig voorkomt. Heel even flitsen de gezichten van alle levende naamdragers door je hoofd. Je kinderen, je kleinkinderen, je neven en nichtjes. Sommigen zijn nog zo klein. En er zitten zo veel mensen bij met een succesvolle carrière. Want het vakmanschap en precisiewerk is in de genen doorgegeven.

Je was trouwens zelf een klein kind in de oorlog. En je hebt de verhalen zo vaak gehoord. Ze werden steeds weer verteld. Van dat goedlopende bedrijf in de Rotterdamse binnenstad. Het was zo wrang. Je vond nog een advertentie waarin reclame werd gemaakt voor sleutels van goede kwaliteit. Een sleutel, dat is het enige wat er restte na het bombardement.

Ze stuurt je het aantekeningendocument. Je ziet er iets in staan over een oorlogsverleden. Maar nee, jou is niets bekend over een zekere J. Die komt niet voor in jouw stamboom. En van zijn beroep had je ook nog nooit gehoord binnen de familie. Je schrijft die Karin gelijk terug dat dit niet kan kloppen. Al heb je haar documenten op dat moment slechts globaal gelezen. Dat schrijf je haar even snel tussen de boodschappen en het bezoek van de kleinkinderen door.

En Karin, die merkt dat het stil wordt in de e-mailcorrespondentie. Wetend dat je nu ook de rest hebt gelezen.

Een album vol ansichtkaarten van rond 1910

Oude ansichtkaarten rond 1910 album

Op verzamelbeurzen en in kringloopwinkels zie je ze weleens liggen: ansichtkaarten uit vervlogen tijden. Soms staan er bakken vol en zijn ze ingedeeld per plaats of thema. Of er ligt een verkleurd album, waarvan niemand meer weet wie de kaarten verzameld heeft. De namen van de geadresseerden zeggen ons niets en de afzenders kennen we evenmin. Een verweesd album. Ik wordt daar altijd een beetje melancholiek van. Zulke albums waren nooit bedoeld als handelswaar. Die kaarten waren ooit belangrijk.

Misschien wachtte een vrouw met smart op een bericht van haar man, ver weg in een militair kamp. Mogelijk vroeg een verloofde zich vertwijfeld af of zijn geliefde nog wel aan hem dacht. Jonge vrouwen schreven kaartjes aan de familie. Vermoeid, op zaterdagavond, als hun dienstje bij een deftige Mevrouw in Den Haag erop zat. Zusjes stuurden kaartjes naar elkaar, terwijl ze uit logeren waren. En de well to do deden berichtjes op de post vanuit New York.

Misschien was zo’n album van een jongedame en kreeg ze het cadeau voor haar verjaardag. Had ze verkering met een jongeman? Wie weet wat zijn ansichtkaartjes dan teweegbrachten. Wat haar emoties waren. Hoe vaak zullen haar ogen langs zijn woorden zijn gegaan? Zoekend naar betekenis. Nam ze de tekst voor wat die was, of deelden ze een geheimtaal? De kaartjes arriveerden zonder envelop. Zo konden ze elkaar hun gevoelens toevertrouwen zonder dat nieuwsgierige ogen meelazen.

Wij hebben zo’n album vol ansichtkaarten in de familie. Mijn oudtante kreeg het als jonge vrouw in 1908 voor haar achttiende verjaardag. Rond die tijd kreeg ze ook verkering. Wanneer je er in bladert, dwaal je zo af naar een andere wereld.

TV5 wordt node gemist, KPN

Terwijl half Nederland vorig jaar zomer in Frankrijk zat, heeft KPN slinks TV5 geschrapt. Het is barbaars. TV5 Monde is een Franstalige zender met Nederlandse ondertiteling. Zo’n zender uit een ander taalgebied zorgt voor een verfrissende variatie in het aanbod. Want de bijbehorende cultuur krijg je er vanzelf bij. Van mij mag de EU uitwisseling van dergelijke zenders stimuleren, want meer inzicht in elkaars cultuur kan volken verbroederen.

TV5 is een kwaliteitszender waaraan ik al sinds 2002 verknocht ben. Dat jaar bracht ik een winter door in Montpellier en keek ik dagelijks naar TV5 op tv. Het was een goede aanvulling op de Franse taalles die ik daar volgde. Wat was ik blij toen deze zender ook thuis eindelijk in het tv-pakket verscheen.

TV5 biedt onder andere nieuws, films en documentaires. Die komen uit het hele Franse-taalgebied. En dat is groot. Op vrijwel elk continent zijn er Franstalige landen. Deze zender zorgt voor diversiteit qua programmering en tempert de Angelsaksische overmacht op de Nederlandse tv. Bovendien roept TV5 vaak zoete vakantieherinneringen op die aan de jaren zeventig doen terugdenken.

Voor mij voelt het alsof ze een navelstreng hebben doorgeknipt, daar bij KPN. Via TV5 liepen er lijntjes naar mijn geboortegronden, soortement van. Naar Noord-Franse voorouders en naar de Belgische Walen in mijn stamboom.

Vooral het filmaanbod kon ik waarderen. Neem nu de film van deze avond: Mobile Home van François Pirot, over twee Belgisch Waalse twintigers die de wijde wereld intrekken. Althans, dat is de bedoeling. Het wordt een reis die maar geen reis wil worden. Een droef-amusante vertelling over geklungel in het leven, gebaseerd op echte gebeurtenissen. Dat geklungel is toch herkenbaar.