Geen geld voor vakantie, of geen zin

Volgens onderzoek van het Nibud gaat een kwart van de Nederlanders tussen 18 – 65 jaar niet op vakantie. De reden: vakantie is te duur en het vakantiegeld is nodig voor grote aankopen of voor aflossing van schulden. Vooral mensen met wisselende inkomsten blijven vaker thuis. Als persoon zonder inkomen bewaar ik spaargeld ook liever voor noodzakelijke uitgaven. En met een keuze voor thuisblijven valt goed te leven.

Decennialang vierde ik royaal vakantie. Drie of vier vakanties per jaar waren normaal. Wellicht willen ‘echte reizigers’ eindeloos op ontdekking blijven gaan. Maar voor mij kwam het keerpunt in 2010. Ik was al mijn hele leven vrijwel elk jaar weggeweest. Soms maandenlang. Inmiddels had ik op alle continenten een verlanglijst met bestemmingen afgewerkt.

In 2010 was ik voor de tweede keer in Indonesië en bespeurde ik verzadiging. Verveling zelfs. Onmiskenbaar. Weer Azië, weer dezelfde tropische vegetatie, weer die hitte en weer die lange vluchten. En dan dat hectische gekrioel op Schiphol. Die luchthaven, daar had ik helemaal genoeg van. De glans was er af. Ik was klaar met die verre reizen. Eigenlijk bleef ik veel liever in Europa en wilde ik gewoon wandelen. Meer niet.

Toen ik in 1992 mijn vorige woning kocht, heb ik uitgerekend hoeveel geld ik op dat moment had kunnen inleggen als ik het niet in de voorgaande 12 jaar aan reizen had besteed. Om precies te zijn: de helft van het aankoopbedrag. Toch, op een enkele mislukte vakantie na, zou ik het zo weer hebben gedaan.

Nu woon ik in een ideaal wandelgebied en hoef ik niet ver te gaan. Hierdoor bespaar ik jaarlijks duizenden euro’s door wekelijks een dagje op wandelvakantie te gaan. Daarnaast kijk ik met tevredenheid terug op wat ik al heb gezien en beleefd. Hopelijk wordt het internationale treinverkeer binnen Europa snel verbeterd. Dit als goed en comfortabel alternatief voor vliegverkeer. Dan wandel ik ook graag weer over de grens.

Vakantiebestemming

Terwijl de kapster bezig is, vraagt ze of ik op vakantie ga. Het is een nuanceverschil, maar mijn vorige kapster deed dat anders. Die vroeg altijd waar ik naartoe ging. Het ‘of’ sloeg ze over en dat was toen logisch. Deze keer vertel ik dat ik al een groot deel van het jaar vakantie heb en vanwege de omgeving niet weg hoef. Dit is zo ongeveer het allermooiste deel van Nederland. We prijzen onszelf gelukkig omdat we hier wonen.

Wat is jouw ideale vakantie?

Verhalen van mijn huid

Op dit soort dagen (het is in de schaduw 32 graden) waan ik mij steevast in de tropen. Ik draag nu dezelfde luchtige jurkjes als daar. Ze maken me bewust van mijn huid, die doorgaans bedekt is. Het is alsof ik terug ben op Tahiti, Moorea, Aitutaki of Samoa. Ik kan de palmbladeren horen ritselen en de golven van de oceaan in de verte op het rif horen slaan. Daar heb ik geleerd om in deze lome hitte een tropentempo aan te houden. En op mijn huid bezie ik de sporen die de reis door tijd en plaats heeft achtergelaten.

Aan het schoonheidsideaal van een perfect roomblanke huid heb ik nooit voldaan. Moedervlekken zitten in de familie, dus verschenen ze al vroeg. Kleine rondjes; ik hou ze sinds mijn tropenjaren goed in de gaten. Verder heb ik littekens, groot en klein. Ze vertellen allemaal hun eigen verhaal.

Zoals het litteken dat achterbleef na een valpartij in een woestijn. Er waren koeien losgebroken en ik struikelde over een steen toen we ze terughaalden. Maar het was evengoed hilarisch om die grote dieren door privé-tuinen te zien banjeren. Met hun voorliefde voor keurige gazons en eetbare bloemenperkjes.

Sommige littekens wil je liever niet zien. Van operaties resteren keurig gehechte incisies. Ze vallen nog nauwelijks op. Verder heb ik onder het mes gelegen van een plastisch chirurg. Want moedervlekken mogen normaal zijn, ik wil ze niet in mijn gezicht hebben. En dan al die allergische reacties op insectenbeten en andere ongein. Gelukkig is er vrijwel geen spoor van achtergebleven.

Toch heb ik ook een litteken dat ik nooit zal laten wegwerken. Of twee, eigenlijk. Een van buiten en een van binnen. Ze horen bij elkaar. De een is van een motorongeluk. En de ander is van de persoon die mij daarna opving.

Resterende sporen van religie

Wanneer ik voor een wandeling op de afgesproken plaats kom, blijkt het om twee samengevoegde groepen te gaan. De gids vertelt enthousiast dat er liefst 38 deelnemers meelopen. Ik slik. Even overweeg ik om rechtsomkeer te maken. Nu het nog kan. Er zitten al mensen te wachten en veel daarvan hebben hetzelfde T-shirtje aan. Een man in zo’n shirt richt zijn telelens en begint driftig foto’s te maken. Van mij en van anderen die zich bij de gids melden. Ik was het even vergeten, maar deze wandeling gaat over Santiago de Compostella.

‘Nou ja, vooruit’, denk ik, ‘laten we toch maar blijven. Je weet tenslotte nooit wie je op zo’n dag ontmoet en het kan weer een stukje voor je blog opleveren.’ Veel mensen kennen elkaar. Als ik aan een tafeltje ga zitten, neemt er een vrouw naast mij plaats. Zij heeft het pelgrimspad gelopen en het gesprek gaat al gauw over bezinning. Feitelijk praat ze aan een stuk door. Het is een gevalletje eenrichtingsverkeer.

Ik vertel dat ik mijn leven zo heb ingericht dat bezinning daar al vanzelf een natuurlijk onderdeel van is. Mijn woorden dringen niet door. Terwijl je toch zou denken dat een echte pelgrimage voor een mentale verandering zorgt.
Even later zie ik een bekende die ik bij een andere wandeling heb ontmoet. En het is tijd om te gaan.

De gids loopt voorop met een opgeheven stok vol kleurrijke banieren. Daardoor roept onze optocht ineens diep weggezakte herinneringen bij me op. Van de avondvierdaagse, toen ik op de lagere school zat. Van de fanfare, die ik als kind volgde in ons dorp. En van een zomerkamp op een boerderij in Brabant, waar we ’s avonds liedjes zongen rond het vuur.
Wanneer we na het bos en de hei een drukke weg kruisen, niet ver bij mijn woonplaats vandaan, vraag ik mij af wat de buren zouden denken als ze me hier zouden zien lopen, zo in deze groep achter de stok aan.

Sommige deelnemers dragen een echte Jacobsschelp aan hun tas. Anderen hebben er emblemen of oorhangers van. Het zijn trouwens best rustige een vriendelijke mensen. Er hangt ook een aangename sfeer van saamhorigheid in deze groep.

Na een kronkelroute door Heelsum en Renkum houden we halt bij een kerk en het parochiehuis van Don Bosco. We worden er verwelkomt met cake en koffie. Daarna kunnen we een kijkje nemen in de kerk, waar een heel bijzonder Mariabeeld wordt bewonderd. Mensen komen er van heinde en verre naartoe, bij wijze van pelgrimage.

Het is stom. Maar pas als ik de kerk in loop, waar die o zo vertrouwde geur rondwaart van achtergebleven wierrook, een geur uit mijn lang vervlogen kindertijd, dringt het eindelijk vol tot mij door. Sint Jacob, dat is het katholieke geloof ten top. Nu komen er helemaal veel caleidoscopische herinneringen los.

Wat later lopen we door de tuin achter de kerk, waar iemand vertelt over religieuze kunstwerken. Voor mij is het verhaal welbekend. Maar de vrouw die ik bij een andere wandeling heb ontmoet, is niet kerkelijk opgevoed. Ze vertelt dat ze ook weleens een pelgrimspad helemaal zou willen volgen. Gewoon voor de wandelervaring. Wat haar weerhoudt, is de lengte van die paden. ‘Nou’, zeg ik, ‘je zou kunnen beginnen met een tocht naar Kevelaer. Dat ligt tenslotte dichtbij, net over de grens in Duitsland.’

Vlakbij staat de fotograaf. Hij heeft ons gesprek gehoord. Meteen richt hij weer zijn telelens op mij. Ik hoor het apparaat continu klikken. ‘Rustig blijven’, denk ik, ‘ga nou niet meteen over die privacywet beginnen.’ Toch ben ik benieuwd waar hij die foto’s straks plaatst, en met welk bijschrift. Want ik heb net een perfecte wervende tekst hardop gezegd.

Sandfire Flat Roadhouse, juni 1988, brief aan mijn ouders

Het zat er in, natuurlijk, na die film. Mentaal ben ik al twee dagen down under. Nu lees ik de brieven aan mijn ouders. Een fragment over mijn ervaringen op het eerste traject van een low-budget motortocht.

‘Inderdaad, ik ben alwéér verhuisd. De rit van Kalgoorlie naar Broome is prima verlopen. Van Northam ben ik naar Geraldton gegaan en daar ben ik een extra dag gebleven. Daar heb ik een nieuwe ketting op mijn motor laten zetten. Geraldton is een kustplaatsje. Niet echt bijzonder, maar ik heb het museum gezocht. Dat staat vol opgedoken goederen van zo’n 300 jaar oud uit voor de kust vergane Nederlandse schepen. Het is best leuk om dat allemaal te zien. In de VOC-tijd was Nederland absoluut de machtigste natie qua zeereizen. [sic]

Van Geraldton naar Carnarvon gereden. Dat is een heel mooi subtropisch plaatsje, maar de accommodatie was duur en daarom ben ik er maar een dag gebleven. Het ligt aan de monding van de Gascoyne rivier en bij het water zitten hele zwermen witte kakatoes in de palmen. Er zijn in die omgeving bananenplantages. Van Carnarvon naar Fortesque Roadhouse gereden, want Karattha was te ver.

Dat verblijf op een roadhouse vond ik heel leuk. Roadhouses bestaan uit een bar, restaurant, winkel, en benzinestation. Er is meestal een camping bij en ze verhuren cabines in bouwketen voor mensen die er de nacht willen doorbrengen. Verder staan er bouwketen of caravans voor het personeel. Het is dus een kleine nederzetting midden in de wildernis. Vaak overnachten er truckchauffeurs met hun wagens voor de deur. Het geheel ligt aan de highway. Omdat roadhouses doorgaans zo’n 150 – 200 kilometer van de eerstvolgende bewoonde plaats liggen, stopt vrijwel iedereen er. Daar zou ik graag willen werken.

De volgende dag ben ik naar Pardoo Roadhouse gereden. (Als je een goede kaart hebt, kun je al deze plaatsen vinden.) Die zaak wordt door een groep christenen gerund en zij waren heel vriendelijk. [Achteraf gezien betrof het vermoedelijk een sekte.] Ik ontmoette er een jongen en meisje die ook ieder op de motor waren. Met hen heb ik de volgende dag een stuk samen gereden. Maar omdat ik liever alleen rijd, zijn zij doorgereden en kwam ik later die middag in Broome aan.

Iedere dag heb ik in ongeveer acht uur tijd zo’n 500 kilometer afgelegd [met pauzes]. Steeds reed ik op vrijwel verlaten wegen door de natuur. Ik heb allerlei dieren gezien, zoals emoes, valkparkieten, kakatoes, zebravinkjes en anderhalve meter hoge heuvels van termieten. Kangaroes zag ik niet, omdat die zich overdag schuil houden.

Ik werd het rijden de laatste dagen wel zat. Het is heel saai. Ik rijd tachtig km/uur [je mag in Australië officieel niet harder het eerste jaar na behalen van rijbewijs] en alle anderen rijden circa 110. Op één dag werd ik slechts door twintig auto’s ingehaald en kwam ik circa zestig tegenliggers tegen. Dat zegt wel wat. De laatste vier dagen had ik steeds schitterend windstil weer.

Van roadtrains had ik eigenlijk weinig last. Je weet op het laatst precies wat je te wachten staat. Als je zelf meewind hebt, is het op de motor net alsof je tegen een muur rijdt als ze je tegemoetkomen. Zo veel wind zuigen ze mee. En als je tegenwind hebt, voel je het verschil niet. Behalve extra lang, vanwege de drie of vier opleggers, zijn ze ook heel hoog. Hier zie je veel dubbeldek veewagens. Eenmaal kneep ik hem wel toen een truck mij inhaalde terwijl er plotseling een tegenligger aankwam. Die truck kwam toen half op mijn weghelft en ik reed helemaal aan de rand. [Ernaast ligt los zand.] …

Mijn motor heeft zich prima gehouden. Het enige nadeel is dat ik een kleine tank heb. Ik kan er 200 kilometer mee halen. Omdat op een bepaald traject de afstand van een roadhouse naar de volgende plaats 300 kilometer was, moest ik een benzineblik voor vijf liter kopen. Behalve mijn gewone bagage, zeul ik ook olieflessen, het benzineblik, een spray voor lekke banden en gereedschap mee. Maar het is te doen. Deze 3.000 kilometer lange rit was weer een hele ervaring.

Broome was niet wat ik ervan verwacht had, maar toch heel aardig. Alleen wel duur. Daarom moest ik kamperen. Ik heb een tent bij me voor noodgevallen, dus ben ik niet echt op kamperen berekend. (Geen luchtbed, geen stoeltje, geen kookgerei.) Het was bloedheet en er was geen schaduw. Alles is heel stoffig. Ik kreeg er gauw de balen van. Wat wel heel leuk was, was dat ik steeds door buren werd uitgenodigd voor ontbijt, een drankje, avondjes uit [wreck car races], etc. Omdat de eerste camping vrij duur was, verhuisde ik later naar een andere en steeds kwamen mensen helpen met opzetten en afbreken.

Ik kreeg ook heel leuke reacties, omdat ze het zo flink vonden dat ik in mijn eentje op de motor rondtoer. Voor Australische vrouwen is dat heel ongebruikelijk. Die stellen zich veel afhankelijker op. [sic] …

Ik was op vrijdag aangekomen en op maandag ging ik naar het arbeidsbureau. Er was een vacature voor een keukenhulp, waar ik op af ging. Nou, ik had mijn registratiekaart nog niet ingevuld of ik moest al aan de telefoon komen. Wat denk je, kon ik direct voor drie weken in een roadhouse werken! …’

Voettocht door de Australische woestijn

Gisteren zag ik op Canvas de film Tracks over Robyn Davidson’s fenomenale tocht door de Australische woestijn. In 1977 wandelde zij met haar hond en vier dromedarissen 2.700 km van Alice Springs naar de Indische Oceaan. Dat is zo’n beetje het droogste en dunst bevolkte deel van de outback. Het gebied is genadeloos. Zonder voorbereiding kan je er binnen een dag dood zijn. Maar ieder heeft zo zijn eigen reden om daarheen te gaan. Robyn zocht vooral de eenzaamheid op om tot zichzelf te komen.

Deze film heeft alle klassieke Australische elementen. De onmetelijke leegte van de overweldigende natuur speelt een hoofdrol. Je voelt de eenzaamheid en verlatenheid, zodra Robyn zich buiten de bewoonde wereld waagt. Het leven is hard, net als het klimaat. Robyn moet en wil alles zelf doen. Zeuren is voor losers, klagen doet ze niet. Woestijnbewoners gebruiken weinig woorden, die verspillen geen energie.

In Australische films krijgt ‘de goede’ het zwaar. Robyn moet inventief zijn en met onverwachtse uitdagingen omgaan. Niet alleen vanwege de dieren en de droogte. Maar ook omdat het onduidelijk is wie ze kan vertrouwen. Juist als het in de woestijn helemaal hopeloos wordt, duiken er vanuit het niets mensen op. Types ruwe bolster, blanke pit. Die bieden hulp en vangen haar op. Tussendoor is er humor. En o ja, uiteindelijk komt het allemaal goed. Ook met Robyn, die haar verdere leven aan reizen en nomaden wijdt.

In deze film herken ik situaties uit mijn eigen motorreis door Australië, dertig jaar geleden. Sommige scenes lijken overtrokken, maar dat hele land is nu eenmaal extreem. Zoals er bij Robyn ineens een motorrijder opduikt, ontmoette ik onderweg een Japanse wandelaar met een filmploeg achter zich aan. Als Robyn weken alleen in stilte is geweest, moet zij wennen aan de drukte van passanten. En dan zo’n lief ouder echtpaar in een knus huis te midden van grote verlatenheid (Glenayle homestead). Ze zijn er. Anno 2018 komen nieuwe woestijnbewoners vooral af op de hoge verdiensten in de mijnen.

Op de website van de Engelse Telegraph staan boeiende extracten uit het boek van Robyn Davidson over haar ervaringen. Petje af.

De film Meetings with remarkable men (1979)

Kort voordat Rusland op 24 december 1979 Afghanistan binnenviel, schoot regisseur Peter Brook Meetings with remarkable men in Afghanistan. Deze film gaat over het leven van de Grieks-Armeense mysticus Gurdjieff (circa 1866-1949). Weinig mensen in het Westen beseffen dat de islamitische wereld anno 2018 nogal anders is dan toen.

Slechts veertig jaar terug was er nog volop diversiteit binnen de islam. En in landen waar moslims nu de overhand hebben, bestond meer tolerantie jegens inwoners met een ander geloof. Ook zag je in grote delen van het Midden-Oosten, Afrika, en Azië een bonte verzameling klederdrachten. Aan iemands broek kon je zien uit welke regio de drager ervan kwam. Of tot welk volk hij behoorde.

Meetings with remarkable men toont beelden van een land en mensen die ik toen graag zelf had willen zien. Al een leven lang heb ik heimwee naar een nooit gemaakte reis langs de Zijderoute. Een reis die ik ook nooit meer zal maken. Omdat veel van wat ik daar had willen aantreffen en ervaren (culturen, omgangsvormen, klederdrachten, muziek, bouwwerken, et cetera), nu voorgoed vernietigd is. In naam van religie. Voor geld, macht en invloed dus.

Op You Tube staat een documentaire van twintig minuten over het leven van Gurdjieff. Je hoeft geen mysticus te zijn om weg te dromen bij dit bijzondere en vroege filmmateriaal.
Daarnaast staat de film Meetings with remarkable men integraal op internet. Het verhaal zal niet ieders cup of tea zijn. Maar alleen al de eerste 15 minuten zijn kenmerkend en de moeite waard.

Deze film toont een klassieke queeste, een road movie. Gebouwen en kleding zijn zo te zien authentiek. Daarom vind ik het heerlijk om hiernaar te kijken. Trouwens, wat waren de omgangsvormen anders. We maken veel meer drukte hier. Want de rust die veel scenes met gesprekken uitstralen, kan je nog altijd aantreffen in een land als Oman.

Tot besluit een gespreksfragment uit de film.

De oudere man: ‘When the dervish left me, the experience vanished. But I knew what I was looking for. For that help was needed. Fortunately I had the means to travel. I went to Africa, India, Afghanistan and Persia. I organized special expeditions to places where I might find an answer. I lived in monasteries and met many people with interests similar to my own.
De jonge Gurdjieff: ‘How can I meet such people. I need to know.’
De oudere man: ‘What do you need to know?’
De jonge Gurdjieff: ‘I want to learn. I want to understand.’
De oudere man: ‘Be careful. What do you call learning? If it means storing up experiences and believes, it will tie you up like a cord and it will prevent you from knowing. Knowing happens directly when not even a thought stands between you and the things you know.’