Confrontatie op het Klompenpad

Koe of stier pal voor overstappunt op de route van het Klompenpad

Het is zo’n pad dat al heel lang op mijn verlanglijst staat. Een gedeelte ervan heb ik eerder afgelegd. Maar dat was in een groep, met veel praters om mij heen en een gids die haast had. Als je een gebied echt goed in je op wil nemen, wil ‘ervaren’, dan moet je alleen gaan. Zeker wanneer je er herinneringen hebt aan gebeurtenissen die je enkel uit verhalen kent.

Een uitdaging is het wel, zo’n wandeling in je eentje over een Klompenpad. Op het kaartje staat dat er halverwege een trekpontje op mij wacht. Trekpontjes zijn leuk, maar ze vergen wel kracht. Ik herinner mij een ander trekpontje in de omgeving waar ik ben opgegroeid. Eerst stak de helft van onze wandelgroep over en vervolgens liep het pontje midden in de vaart vast. Dus moesten de achterblijvers twee kilometer omlopen naar de dichtstbijzijnde brug. En dan heb ik het nog niet over grote boze beesten in de wei gehad. Want dat is bij uitstek het kenmerk van een Klompenpad: jij en de plaatselijke veestapel delen dat.

Dit keer is het een pad waarvan ik de naam niet verklap. Omdat het gebied zo bijzonder mooi en rustig is, en ik dat graag zo houd.

Uitdagend was het wel. Want al na een kilometer werd ik opgewacht door bovenstaand beest. Het was niet direct zichtbaar of het een koe of een stier was. Maar het snuivende rund stond wel afgezonderd van de kudde, die honderd meter verderop toekeek. Lakenvelders staan bekend om hun zachte aard, maar toch. Ik moest het hele veld nog oversteken, recht op hem/haar toelopen en dan achter zijn/haar dikke derrière over het prikkeldraad met stroom stappen. Daarom heb ik eerst voor een afleidingsmanoeuvre gezorgd, zodat het beest van het overstapje weg zou lopen.

Eenmaal met die hindernis achter mij, kon ik veilig aan de goede kant van de afrastering verder wandelen. Totdat ik bij de volgende overstap kwam. Want daar liep niet één stier. Nee, daar liep een hele kudde van dat jonge, onstuimige spul! Mijn God, zeg. Hoe verzinnen ze het. Pal op de route van dit Klompenpad. Wil de boer soms van al die wandelaars af?

Dus daar stond ik. Voor een overstap naar een veld van minimaal honderd breed met zicht op de volgende overstap recht aan de overkant. En zeker twintig van die zwart/witte stiertjes ertussen. Echt niet dat ik dat ging doen. Mij is van jongs af aan geleerd dat je niet moet dollen met stieren. En zeker van dat jonge spul weet je niet wat ze in hun speelse kop halen.

Dus moest ik weer op mijn schreden terugkeren.

En toen ineens kwamen ze brullend op mij af. Uit het niets. Twee donkergrijze straaljagers van de luchtmacht, laag over mijn pad scherend. Ik keek hoe ze naderden en zag dat de tweede heel even met zijn vleugel naar mij zwaaide. Zoals de Spitfires hier ook deden, in 1944, als ze een Messerschmidt geraakt hadden.

Maar misschien beeld ik mij die groet in. Moest hij gewoon een kwartslag zwenken om zijn weg voort te zetten naar Duitsland.

Etymologie peekaboo – kiekeboe

Flower says ‘peekaboo!

Soms weet ik het absoluut beter dan degenen die ervoor hebben doorgeleerd. Neem nu het Nederlandse ‘kiekeboe’ en het Engelse ‘peekaboo’. Je kent het wel. Dat spelletje, waarbij je plotseling je gezicht toont of ergens achter tevoorschijn komt en ‘boe’ roept. Kleine kinderen zijn er dol op. Op etymonline.com staat bij peekaboo: ‘as a children’s game attested from 1590s; as an adjective meaning ‘see-through, open,’ it dates from 1895. From peek + boo.’ Attested from 1590s! Kijk, dan heb je mij.

Al jaren geleden stelden taalkundigen zich de vraag of er verwantschap was. Niet alleen de klanken komen overeen. Ook de woorden ‘kiek’ en ‘peek’ hebben een vergelijkbare betekenis. En ‘boe’ in het Nederlands komt overeen met ‘boo’ in het Engels.

De Leidse wetenschappelijke uitgeverij Brill wijdde er in gewichtige taal een hoofdstukje aan. (Zie deze tekst uit 1942 in het Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde op pagina 215-216 ‘Over eenige werkwoorden die ‘kijken’ beteekenen’.)

Ik geloof het wel. Maar er wordt met geen woord gerept over die ontstaansperiode: de jaren negentig van de zestiende eeuw. Nu wil het geval dat ik mijn familiegeschiedenis ken. En toevallig heb ik een paar voorouders uit Engeland. Tenminste, daar zijn ze op de boot gestapt toen ze naar Holland kwamen. Maar voordat ze in Engeland woonden, kwamen ze uit Vlaanderen. Zij vertrokken daar ongeveer tussen 1565 en 1580. En in Vlaanderen spreekt men een soort Nederlands. Vul de rest maar in.

Ik durf te wedden dat de exacte oorsprong van ‘peekaboo’ in het pittoreske ‘Dutch Quarter’ van Colchester ligt. En anders wel in Norwich of Hastings. Met dank aan mijn voorouders.

(Dit logje verscheen oorspronkelijk op 29 juli 2018 en verdween onlangs bij de sloop van mijn blog. De inhoud blijft relevant. Daarom publiceer ik het opnieuw.)

Originele denker out of the box

Dit herken je vast: Je zit op je werk, staat op het voetbalveld, of bent op bezoek bij je schoonfamilie. Je krijgt een briljante ingeving. In je enthousiasme deel je jouw idee met iedereen die het maar horen wil. Helaas. Niemand wil het horen. Sterker, ze kijken je een beetje meewarig aan. Zo van: heb je haar of hem ook weer. Ik moet eerlijk bekennen dat mij dit regelmatig overkomt.

Wat mij ook overkomt, is dit. Ik heb een briljant idee en een ander gaat daarmee aan de haal. Als voorbeeld denk ik terug aan een echt gebeurd voorval.

Ik was met een groepje Nederlanders op vakantie in Jordanië. We lagen even buiten Aqaba op het strand te zonnen en zwommen lekker in zee. Toen stopte er een auto. Eruit stapten vier Saoedische mannen. Zij liepen naar ons toe en gingen vlak bij ons staan. Vervolgens keken ze ongegeneerd minutenlang verlekkerd naar al dat blanke vlees. Geleidelijk aan werd dit toch wel wat irritant.

En let nu even heel goed op.

Toen zei ik dus tegen het meisje naast mij: ‘We moeten rustig naar ze toe lopen, pontificaal voor ze gaan staan en dan heel kalm van ieder van hen een foto maken’. Zij stond op en deed het nog ook. De vier mannen wisten niet hoe gauw ze met hun dikke buiken terug moesten rennen; snel hun auto in en daarna stoven ze weg. Geweldig!

We hebben er smakelijk om gelachen. Zij had ze maar mooi weggejaagd. Dat vond ik ook. Maar toen begonnen de anderen (waar ik bij stond) haar te complimenteren met haar goede idee. En wat deed zij? Zij hield haar mond en wees niet naar mij.

Ik krijg trouwens vaak alsnog gelijk, wanneer men mijn ideeën niet serieus neemt. Ik wrijf het er niet in hoor, helemaal niet. Ik waarschuw alleen maar even. Want een idee van mij werd onlangs ook al niet door de Volkskrant gepubliceerd. Gisteren bleek dat de Duitsers het nu gaan uitvoeren. Geen wonder dat zij ons zo vaak voorbijstreven.

(Dit logje uit november 2013 is onlangs gewist bij de sloop van mijn blog. Het blijft actueel en daarom publiceer ik het opnieuw.)

Old man look at my life

Tijdens een wandeling nader ik een glasbak bij een studentenflat. Vlakbij heeft een man zijn auto op de stoep geparkeerd. De laadbak wijd open, in de laadruimte wijndozen vol lege flessen. Een liefhebber, kennelijk.

Het is een slanke man met een gebreid mutsje op. Niet in reggaekleuren, maar in minder felle tinten. Toch doet iets mij gelijk aan een rasta denken. Komt het door zijn relaxte houding en rustige manier van doen? Hij heeft een wat verouderd, slobberend vest aan. En hij draagt een beige outdoor broek met veel zakken. Ik passeer hem en zie een blank, doorleefd gezicht. De man is ongeveer 65 jaar oud, schat ik.

Het bestuurdersportier van zijn kleine auto is eveneens geopend. In het voorbijlopen zie ik stoelen vol kruimels en stof op de bekleding. Naar buiten waait een flard muziek uit de nadagen van de hippietijd. Old man look at my life

En ineens zie ik het hele plaatje voor me. Hoe hij heeft geleefd. Waar en wanneer het begon. Hoe hij in een omgebouwd VW-busje door heel Europa heeft gereisd. In regenboogkleuren en regelmatig in enigszins bedwelmde staat. Door Turkije, Syrië, Irak, Iran en Afghanistan, tot aan India toe. Toen dat nog goed kon. In de hele regio liepen volken in lokale klederdracht rond. Het was een boeiende tijd voor iemand die weinig hecht aan een westerse leefstijl.

Het is nu allemaal zo lang geleden. Een voorgoed vervlogen tijd. Maar in al die jaren is hij trouw gebleven aan zichzelf. Hoe had hij anders kunnen leven? Hij. Een relikwie uit een recent, oneindig verleden. Een anachronisme. Wellicht is het geen toeval dat hij bij deze glasbak staat. Die studentenflat is waarschijnlijk het laatste bolwerk waar nog een zweem van die flowerpowerjaren rondwaart.

Old man look at my life. Ik ken het goed, maar weet even niet wie het zingt. Het lied ademt de sfeer van een hard en eenvoudig bestaan op het dunbevolkte platteland van Noord-Amerika. Onze ontmoeting duurt slechts seconden. Daarna houdt de zanger mij gezelschap op de rest van de wandelroute.

(Dit logje uit april 2014 is onlangs bij de sloop van mijn blog gewist. Voor mij heeft het eeuwigheidswaarde en daarom publiceer ik het opnieuw.)

De troost van Prediker

Bij de uitvaart van prins Philip werd een prachtige tekst voorgelezen uit Ecclesiastes. Ecclesiastes is het boek Prediker uit het Oude Testament. Veel mensen stappen nu sneller naar een coach, dan dat ze raad zoeken in dat boek. Maar ik kan de Bijbel in bepaalde situaties best aanbevelen. Neem nu dat boek Prediker. Daar staan veel wijze woorden in. Ik zou zeggen: lees het eens als je wat melancholiek bent.

Deze week was ik nogal caught off-balance, so to speak. Het kwam door een relatief onbelangrijke gebeurtenis. Iemand anders zou er misschien zijn schouders over ophalen en gewoon weer doorgaan. Ik niet. Deze keer in elk geval. Het gaf mij een gevoel van verslagenheid. Van verlies. Alsof alles fout gaat en ik nooit meer eens iets win. En als dat eenmaal begint, dan komen gelijk al die andere voorvallen uit het verleden voorbij, in een lange rij. Dat is wel de pest van ouder worden: hoe meer levenservaring je hebt, hoe meer er op zulke momenten ook weer boven komt.

Veel mensen putten troost uit hun geloof. Maar troost kan evengoed komen uit onverwachte hoek. Namelijk uit onderzoek. Vandaag lees ik het boek De Polen van Driel, van George F. Cholewczynski. Dit gaat over de Polen die samen met de geallieerden tegen de Duitsers vochten in de slag om Arnhem. En dan vooral over generaal-majoor Stanislaw Sosabowski. Het is een boek waar je in het begin even doorheen moet, maar dan krijg je ook wat. Ik lees het bewust, omdat elk verhaal meerdere kanten heeft. En deze man leefde niet in de makkelijkste tijd van zijn landsgeschiedenis.

Het is een verhaal van onverwachte wendingen; van agressie en verraad. Van trots, machteloosheid en verlies. Van bizarre situaties waarin ieder van ons kan belanden en die je doen afvragen welke keuzes je zelf in zo’n geval maakt. Als – dan. Daarover gaat het boek Prediker ook.

Vanwege mijn reizigersverleden beschouw ik het Britse koningshuis een beetje als het mijne. De uitvaartdienst van Prins Philip vond ik waardig en mooi. [En nee, ik hoef niet te weten wat een ander hiervan vond.] Je kon gelijk zien waar bepaalde scenes uit The Lord of the Rings op zijn gebaseerd. Terwijl ik naar deze plechtige uitvaart keek, kwam er weer een hele serie beelden langs uit het verleden. Beelden van landen in de Commonwealth, en andere die ooit Brits zijn geweest.

De oude Britten en ik delen een stukje geschiedenis, hoe klein ook. Daarom raakte deze tekst uit Prediker mij zo:

Ecclesiasticus 43. 11-26.

‘Look at the rainbow and praise its Maker; it shines with a supreme beauty, rounding the sky with its gleaming arc, a bow bent by the hands of the Most High. His command speeds the snow storm and sends the swift lightning to execute his sentence. To that end the storehouses are opened, and the clouds fly out like birds. By his mighty power the clouds are piled up and the hailstones broken small. The crash of his thunder makes the earth writhe, and, when he appears, an earthquake shakes the hills. At his will the south wind blows, the squall from the north and the hurricane.

He scatters the snow-flakes like birds alighting; they settle like a swarm of locusts. The eye is dazzled by their beautiful whiteness, and as they fall the mind is entranced. He spreads frost on the earth like salt, and icicles form like pointed stakes. A cold blast from the north, and ice grows hard on the water, settling on every pool, as though the water were putting on a breastplate. He consumes the hills, scorches the wilderness, and withers the grass like fire.

Cloudy weather quickly puts all to rights, and dew brings welcome relief after heat. By the power of his thought he tamed the deep and planted it with islands. Those who sail the sea tell stories of its dangers, which astonish all who hear them; in it are strange and wonderful creatures, all kinds of living things and huge sea-monsters. By his own action he achieves his end, and by his word all things are held together.’

Onbetrouwbaar geheugen

Twintig jaar geleden ontmoette ik een journalist die geen enkele foto meer nam. Het was tijdens een groepsreis en we toerden door een zeer bezienswaardig land. Zijn keuze verbaasde mij. Vroeger fotografeerde hij wel. Tot hij ontdekte dat foto’s nemen te veel afleidde van het ‘leven in het moment zelf’. In plaats van bezig zijn met foto’s, sloeg hij bijzondere taferelen en momenten goed op in zijn geheugen.

In die periode leek het mij verstandig om al vroeg in het leven zo veel mogelijk te reizen. Er kan tenslotte van alles gebeuren en dan heb je dat alvast ‘binnen’. Ik stelde mij voor hoe ik, eenmaal hoogbejaard en in een verzorgingstehuis, nog lang en genoeglijk zou teren op mijn herinneringen. Nu zijn we twintig jaar verder en merk ik dat er weinig van die herinneringen over is.

Neem de datum van vandaag: 10 augustus 2020. Voor veel mensen is deze dag er één als alle andere. Maar voor mij is deze dag zeer speciaal. Ieder jaar weer sta ik er uitgebreid bij stil, en dat al 25 jaar lang. Want vandaag, precies 25 jaar geleden, was de dag waarop ik vertrok voor een reis van vier maanden naar de Stille Zuidzee.

Even wachten nu, ik weet het. Hier verveel ik mijn vaste volgers mee. Ik schreef er namelijk al vaker over. Dus ja, daar heb je háár weer met haar memorabele datum.

Om het te vieren heb ik traditiegetrouw gebak gehaald. Twee gebakjes maar liefst. Heerlijke mokkataartjes. Een daarvan heb ik al op en het andere bewaar ik voor morgen.

En weet je wat nu grappig is? Zojuist ontdekte ik dat de datum niet klopt. Volgens mijn oude vliegticket vertrok ik op 11 augustus. Komt dat tweede gebakje even goed van pas!

Leven en weer opstaan in Beiroet

Vissers aan de Corniche.

Hij vertelde dat Beiroet vroeger het Parijs was van het Midden-Oosten. Een bruisende en mondaine uitgaansstad. Het was er goed toeven, tot aan het begin van de oorlog. De sporen uit de oude glorietijd zag ik in 2004 terug in de zorgvuldig herstelde panden. Dat herstel vond plaats in de periode waarin er vrede was. Alleen weet ik niet wat daar nu nog van over is. Van die vrede en van die gebouwen.

Er wordt gelééfd in Beiroet. Er wordt gewerkt, gelachen en hartstochtelijk genoten. Er worden vriendschappen voor het leven gesloten. En er wordt gehaat en gewroken. De stad staat op scherp. Is tegelijk passievol en  ontvlambaar, ongedwongen en chaotisch. Het een gaat in het ander over.

Ik weet niet of we deze week de totale implosie hebben gezien, als gevolg van het vele wat er mis was. Dan kan Libanon ten prooi vallen aan geopolitieke aasgieren. Er kunnen ook oude tijden herleven, compleet met vroegere grandeur. Misschien droomt president Macron van een soort gemoderniseerde Franse prefectuur 2.0. (Bedoeld als overgangsmaatregel, mag ik hopen.) Gegeven de huidige politieke, sociale, economische en financiële toestand is dit wellicht nog de beste optie. Mits dat gebeurt met volwaardige medezeggenschap van de Libanezen.

*****

Sursock museum in de wijk Achrafieh, met Libanese vlag.

Ik maak van dit logje een mini-plakboek met vakantiefoto’s van Beiroet uit april 2004. Beschouw dit maar als een eerbetoon aan de veerkracht van de bewoners. Ik weet niet wat er over is van deze gebouwen en hoe het gaat met de mensen die ik daar toen heb ontmoet.

Ze zeggen dat Libanezen ondernemend zijn. Ze zeggen ook dat de stad steeds weer als een feniks uit de as herrijst. Het zijn clichés. En toch hoop ik het.

Hiernaast een doorsnee straat met appartementen en balkons in de wijk Hamra.

De gordijnen voor het balkon linksonder houden de hitte buiten. Dit is bij mijn weten typerend voor Libanon.

 

 

Chique gebouw uit de Franse periode in de wijk Manara.

Gebouw op een kruispunt van de oude demarcatielijn Avenue du General Fouad Chebab. Dit gebouw is bewust slechts gedeeltelijk hersteld als herinnering aan de hevige gevechten in het verleden.

Het winkel- en uitgaanscentrum nabij de kust wordt hier nog opgeknapt en is gedeeltelijk weer in oude luister hersteld.

Archeologische resten in de oude stad naast nieuwbouw en kerk.

Zondagmiddag drukte op de Corniche. Wandelaars bij restaurant aan zee. Veel restaurants zijn ingesteld op feesten en diners van grote families en gezelschappen. Want ondanks, of juist door alles, weten Libanezen wel hoe het leven te vieren.