Varen op het Leidse water

Zodra de zon schijnt, komen ze allemaal tegelijk in beweging. De bootjes in Leiden. Sommigen varen de stad uit naar de Kaag of de Braassemermeer. Anderen maken uitstapjes over de Vliet of de Oude Rijn.

Vermoedelijk varen de meesten gewoon rondjes over en binnen de singels. Want het is zien en gezien worden hier. En je kan makkelijk aanleggen bij menig café. Terrasboten genoeg, overigens. Ook zonder eigen boot is het goed toeven op de Leidse grachten. Dan ontloop je gelijk de nautische files. Die zijn op zondagen een waar fenomeen.

Zouden er nog echte peurders zijn?

De Lagewaard in Koudekerk aan den Rijn

Op een half uurtje rijden van Den Haag en Amsterdam liggen oer-Hollandse dorpen waar geen toerist komt. Middenin de Randstad en middenin het Groene Hart. De veeteelt en de kaasmakerij brachten er eeuwenlang welvaart. Dat zie je aan de zomerhuizen naast elke pronte boerderij. Koudekerk aan de Rijn is zo’n agrarisch dorp. En met een landweggetje als de Lagewaard doet het niet onder voor Giethoorn. Zulke mooie plekjes zijn bij het grote publiek onbekend.

Rond 1600 bezat een zoon van mijn voorouders er stukken grond, een steenbakkerij en ander onroerend goed. Het was toen nog deels onontgonnen terrein. In 1613 werd ‘lant noch dagelicx van wegen den voorn. A.J.F. ontgront ende de cleij­aerde foe langer foe meer uijtgedolven ende wech gevoert.’ Het moet er ruig en drassig zijn geweest. De boeren sloten stammen uit die periode.

Voor mij is dit welbekend terrein. Ik ben opgegroeid in een naburig dorp, waar vergelijkbare polderweggetjes zijn. Ze bestaan uit een enkele rijstrook voor tweerichtingsverkeer. Als er een tegenligger komt, moet je uitwijken naar een brug. Want ze hebben meestal smalle, steile bermen en modder-sloten aan weerszijden. Geen buitenlandse toerist durft daar te rijden.

In mijn Leidse tijd fietste ik bij mooi weer regelmatig naar deze polder. Het is een overgang van rumoer en hoge stenen muren naar relatieve stilte en weids grasland. Dit gebied grenst aan de noordzijde van de Oude Rijn. Voorbij Leiderdorp fiets je over een smal pad zo de Achthovenerpolder in. Na een half rondje bereik je de Lagewaard, nabij de rivier. De bebouwing rukt aan alle kanten op, maar hier ligt het land nog open.

Sinds de verhuizing naar Gelderland bekijk ik mijn voormalige woongebied met de ogen van een toerist.

(Bron oude plattegrond: Grote Historische Atlas, 1 West-Nederland, Wolters-Noordhoff Atlasprodukties.)

Paarse grondlaag Utrechtse Heuvelrug

Zaterdag 5 mei 2018. Met vrienden van de Kreta-groep wandelen we op de Utrechtse Heuvelrug. De route gaat van De Generaal in Baarn langs paleis Soestdijk en Lage Vuursche naar Hollandsche Rading. Mooi bosrijk gebied en de zon schijnt, maar wat een drukte. Half Nederland loopt hier te recreëren.

We komen langs Charolais koeien die met hun hoeven in verkoelende plassen staan. Alsof ze voor een schilderij poseren.

Verder passeren we een afgekalfde zandlaag. Er zit ijzer in de grond, vertelt iemand. Dat geloof ik niet, want ijzerhoudende grond kleurt oranje. Heb jij weleens een paarse ijzerlaag gezien? Ik niet hoor. En zo ziet het er toch echt uit op de foto.

Bosuil speelt verstoppertje

Bij andere bloggers zie ik regelmatig de mooiste natuurfoto’s. Alsof zij even een ommetje maken, een dier spotten, hun camera pakken, en hup, direct een prachtfoto maken. Mij lukt dat nou nooit. Op zo’n moment ligt mijn mobieltje altijd onderin mijn tas. En die beesten willen zelden stilzitten. Al deed een roestend bosuiltje in het Renkums Beekdal dat onlangs wel.

Ik heb hem erop gekregen. Je moet goed kijken, maar dat is nu juist de bedoeling. Dan zie je ook eens hoe moeilijk het is om zo’n uil te spotten. (Eigenlijk werd hij mij aangewezen.) Deze week zag ik trouwens een kudde wilde zwijnen oversteken. Ze renden een voor een over de weg. Hopelijk neem je dat van mij aan. Want mijn mobieltje …

Hier staat het uiltje beter op.

Je eigen stad in woord en beeld vastleggen

Waarschijnlijk ben je een echt goede fotograaf wanneer je foto’s maakt die iemand niet loslaten. Hetzelfde geldt voor het werk van een auteur. Mijn zus leende me het boek De acht bergen van de Italiaanse schrijver en documentairemaker Paolo Cognetti. Zijn verhaal bevat rake observaties over familierelaties, vriendschap, reizen, leefwijzen en het verstrijken der tijd. Vaak terloops verwoord, tussen de regels door. Ze getuigen van levenswijsheid, herkenbaar voor iedereen die al een tijdje rondloopt. Zulke stukjes komen regelrecht binnen.

Iets dergelijks gebeurt wanneer ik kijk naar de Nijmeegse foto’s van Han Dekker. Nijmegen is voor mij een bijzondere stad, om puur sentimentele redenen. Iets met het verleden. Wat resteert, zijn een gevoel en fragmentarisch herinnerde beelden. Nu ik in de buurt woon, komt daar een nieuwe laag overheen. Het zal nog jaren duren voordat ik de juiste woorden over die stad heb verzameld. Als dat ooit lukt.

Want met Leiden, ongeacht waar ik woon mijn eigen stad, is er helemaal geen beginnen aan. Ik kan onmogelijk de beelden fotograferen die in mijn herinnering zitten. Toch, bij deze foto van Han Dekker komt er direct iets boven. Iets wat ik nooit in Leiden heb gezien. Maar het had er zo kunnen zijn. Omdat het in een andere vorm ooit wel onderdeel van het straatbeeld was. Misschien bij een studentenhuis, of tijdens een 3 oktober optocht. Of veel langer geleden, op het plein voor het Gravensteen.

Dan nog, is het wel wat ik erin zie? Is de sfeer onder studenten in Nijmegen dezelfde als in Leiden? Mis ik een betekenis, die ze in Nijmegen wel kennen, maar in Leiden niet? We kijken allemaal vanuit onze eigen achtergrond naar beelden. En we herkennen passages uit teksten vooral vanuit onze eigen herinneringen. Mijn zus haalt vermoedelijk andere details uit het boek van Paolo Cognetti dan ik. Omdat we een deel van elkaars geschiedenis delen, maar een ander deel alleen kennen door observatie of van horen zeggen.

Plog – Lucht in de kop door ruim zicht

Ze zeggen dat je leefomgeving je manier van denken beïnvloedt. Volgens deze theorie zijn Veluwse gemeenschappen gesloten en conservatief, omdat alle bomen daar het zicht op de wereld voorbij het bos blokkeren. Woon je aan zee of in de polder, dan is je blikveld vanzelf ruimer en sta je meer open voor de buitenwereld. Misschien. Ik denk dat handelscontacten van oudsher veel bepalender zijn. Vooral als die eeuwenlang internationaal waren. Toch ben ook ik gevoelig voor een omgeving met een beperkt of weids zicht.

Afgelopen januari was ik in Doesburg, een strategisch gelegen Hanzestad aan de IJssel. Zo monumentaal als het centrum is, zo modern is de kade. Loop je in het krappe centrum, dan omsluiten stenen muren alle ruimte. Overal wordt je blik geblokkeerd. Maar ga je richting de rivier en passeer je de hoge flatgebouwen, dan ontvouwt zich voor je ogen een weids landschap. Dat geeft direct meer lucht en licht, ook in je hoofd.

Het mooiste aan de kade vind ik de railing. Die is als van een schip. De wal en de schepen lijken eender. Maar de een blijft onverstoorbaar staan, terwijl de anderen continu voortgaan.

Naar het ziekenhuis in Zevenaar

Kort na de verhuizing zoek ik uit wat het dichtstbijzijnde ziekenhuis is. Dat blijkt Rijnstate te zijn, aan de westelijke rand van Arnhem. Handig. Al moet ik wel twee bussen nemen om er te komen. Of een helse heuvel op fietsen, wat minder prettig is wanneer je je beroerd voelt. Hm. Eigenlijk was ik beter gewend. In Leiden stond het LUMC op loopafstand van mijn appartement en het Diaconessenhuis was nabij.

Dus toen ik onlangs een afspraak moest maken voor een onderzoekje bij Rijnstate, en de telefoniste zei: ‘Ja, dat kan over drie weken, dan is de eerstvolgende gelegenheid in Zevenaar.’, riep ik: ‘Zévenáár!?’ Het kwam eruit voordat ik het wist. Maar jemig, Zevenaar! Dat ligt wel 25 kilometer verder en bovendien in de Achterhoek. Daar kan ik slechts komen met een bus en dan een stoptrein en dan weer een bus en dan nog een stukje lopen. En om zeker te zijn dat ik geen aansluiting zou missen, moest ik ook nog een half uur eerder vertrekken. Nou, vooruit dan maar. Op naar Zevenaar.

Nu heb ik dan voor het eerst Zevenaar gezien. Het station, de bushalte, de route naar het ziekenhuis door oudere nieuwbouwwijken en vooral de wachtkamer van het ziekenhuis. Want ik moest bijna anderhalf uur wachten; de specialist liep drie kwartier uit. Daarna ging het weer busje in, terug naar het station, busje uit, waar de trein net wegreed. De zon scheen, dus toen heb ik het centrum maar verkend.

Het was al na vijven, het vroor en er waaide een Siberische wind. Misschien was het gewoon niet het beste moment. Want je zag er bijna geen mens op straat. Ik vroeg mij nog af: ‘Ben ik nou in het centrum of niet?’ Ik was de grootste kerk toch al dicht genaderd en meestal is het centrum daar. Maar hoe nader ik ook kwam, het bleef stil. Op een haastige fietser na. En op het zachte geluid na, dat uit luidsprekers kwam. Opgewekte deuntjes voor het ontbrekende winkelpubliek.

Het stemde mij droef. De winkeliers deden duidelijk hun best. En je moet stevig staan om in zo’n plaats stand te houden. Speel alleen nóóit zo’n muziekje af om de stilte te verdrijven. Want dat associeer ik onmiddellijk met de mislukking van een sfeerloze winkelstraat.

Toch, er is leven in Zevenaar. Gelokt door een monumentaal torentje in een achterafstraatje zag ik het filmhuis. Hier zaten mensen knus bij elkaar. En hier vind je achter hoge muren een heus oud landgoed in het groen. Van de familie Van Nispen tot Sevenaer. Het biedt nu onderdak aan nieuwe alternatieve bewoners. Een deel is al opgeknapt en een deel is nog ruïneus. Zoals je ook wel op het platteland van Frankrijk ziet. Laat ik nou precies dát het allermooiste vinden van wat je kan aantreffen in ons keurig aangeharkte land.