Raadsels uit de couveuse van mijn vroegste jeugd

Jaren geleden. Een collega geeft een afscheidsfeestje. Het is aan de vooravond van haar vertrek naar Afrika, waar ze al eerder heeft gewerkt. De meeste aanwezigen zijn ook expat geweest. Zoals een andere vrouwelijke collega, die van onze leeftijd is. Alle drie staan we tamelijk onafhankelijk in het leven, hoewel ik niet precies kan aangeven waar dat ‘m in zit. Op het feestje ontdekken we dat we nog iets delen. We zijn alle drie in de vroege jaren zestig couveusekinderen geweest.

Voor mij is het nog altijd een raadsel of, en zo ja, welk effect die periode heeft gehad. Bij mijn geboorte was ik (waarschijnlijk) gezond, maar veel te licht. Daarom moest ik eerst op gewicht komen. In die jaren mochten ouders hun kinderen op de couveuse-afdeling niet vasthouden. Ze konden alleen door glas naar de ruimte kijken waarin de couveuses stonden. Ik heb er bijna twee maanden doorgebracht.

De couveuses waren toen een soort veredelde broedmachines. Er brandden voortdurend warmtelampen. Ook stond er apparatuur te zoemen en de deurtjes gingen met een klap dicht. Zo’n couveuse moet een helverlicht, lawaaiig ding zijn geweest. Ik heb een bloedhekel aan herrie en aan schel licht. Maar in tropische warmte voel ik me juist helemaal geborgen. Dat zal wel uit die periode stammen.

Toch blijf ik met vragen zitten over het verblijf van een pasgeborene in zo’n couveuse. Heeft die periode fysieke en mentale sporen achtergelaten? Kan er later nog een specifieke lichamelijke klacht te voorschijn komen? Wat betekent het voor het hechtingsproces tussen ouders en kind? En werkt het door op andere relaties? Of is het toeval dat mijn vroegere collega’s en ik ons zo vrij en onafhankelijk opstellen?

Passie als innerlijke drijfveer

Is het verveling of een existentieel dipje? Momenteel kijk ik uit naar de volgende vlaag van bevlogenheid. Want een passie is een sterke innerlijke drijfveer. Nu gaat alles zijn gangetje. Maar er is weinig waarvoor ik echt warm loop. Dan mis je toch wat. Bovendien is het prettig om met bevlogenheid een inkomen te verdienen. Soms biedt het verleden aanknopingen voor de toekomst. Daarom ga ik eens kijken wat ik vroeger vol passie heb gedaan.

Bepaalde passies ontdek je al in je kindertijd. Verhalen lezen, de natuur en aardrijkskunde. Ook herinner ik me spelletjes waarbij ik wilde winnen. Zoals wie het langst en sierlijkst in de cirkel van een ronddraaiend touw kon springen. Ik weet nog precies op welk moment je met het aanloopje moest beginnen. Daarbij kwam het aan op timing en behendigheid. Overigens won ik zelden. Jaren later werd zo snel mogelijk kunnen typen een uitdaging. Daar ben ik wel goed in.

Passie en persoonlijke interesses gaan samen. Hierbij is nieuwsgierigheid een enorme drijfveer. Mijn leven draaide jarenlang om de wereld ontdekken en daar moest zo ongeveer alles voor wijken. Vooral van Australië was ik helemaal bezeten. Er zijn tijden geweest dat ik over bijna niets anders kon praten. (Arme vrienden en familie.)

Idealiter ben je ook bevlogen in je werk. Het duurde een poos voordat ik ontdekte waar mijn passie precies lag. Of liever: ik zag geen passende mogelijkheid om daarmee geld te verdienen. Maar per toeval kreeg ik een baan waardoor een andere sluimerende passie ontwaakte. Namelijk werken met taal.

Hier is een onderscheid tussen bevlogenheid en bevlieging op zijn plaats. Je kan talen boeiend vinden; dat wil nog niet zeggen dat je ze ook makkelijk kan leren. Ik ben aan heel wat taalcursussen begonnen. Soms omdat zo’n taal van pas kwam (Engels, Frans, Duits, Spaans). En soms omdat ik overmoedig was. Neem nu Chinees en Arabisch. Daar is bijna geen beginnen aan. Toch heb ik met Arabisch drie (weliswaar halfslachtige) pogingen gedaan. Helaas zakt aangeleerde kennis snel weg. Nu ben ik al blij als ik een Franse tekst nog begrijp.

Soms loopt de ene passie door in de andere. Dankzij een reis naar Polynesië, waar men voorouders vereert, werd ik zelf nieuwsgierig naar mijn afkomst. Bij die zoektocht raakte ik enorm bevlogen door alle vondsten. Daarom bleef ik verder spitten en leerde ik veel over de leefwereld van mijn voorouders. Zo’n onderzoek is een lange ontdekkingsreis. Trouwens, onze eigen cultuur was vroeger best vreemd.

Hoe bevlogen je in je werk ook bent, er kan altijd een fusie of reorganisatie doorheen denderen. Dan mag je overnieuw beginnen. En sommige kansen komen maar een keer. Toch, ‘Elk nadeel heb z’n voordeel.’ Op een gegeven moment kwam voor mij wel degelijk alles samen in een baan. Goed kunnen typen, nieuwsgierigheid naar vreemde culturen bevredigen, reizen, onderzoek doen én andere talen spreken.

Bevlogenheid kan je leven totaal beheersen. Zoals bij verliefdheid. Bevlogenheid geeft je energie, daadkracht en (over)moed. Soms doe je hierdoor dingen waartoe je jezelf niet in staat acht. Vooraf niet, en niet achteraf. Zodat je ergens na je midlifecrisis terugkijkt en denkt: ‘Echt? Heb ik dat toen allemaal gedaan?’

Misschien is het wel prettig dat veel daarvan niet meer zo nodig hoeft. En dat je weet dat als je echt nog wat wil, het vanzelf weer komt. Vroeg of laat. En zo niet, dan is het ook goed. Toch?

De vriend van een vriendin

Ze zijn een stel wanneer we elkaar op Schiphol voor het eerst ontmoeten voor een groepsvakantie. Onze bestemming is ongebruikelijk en juist dat past bij hen, avontuurlijk als ze zijn. Met beiden kan ik het goed vinden. Zij is de verbindende factor en jonger dan ik; energiek en intelligent. Hij is wat bedachtzamer. Alle drie zitten we op dezelfde golflengte qua humor en interesses. En de reis die volgt, zorgt voor een stevig fundament.

Na thuiskomst houden we contact en zien we elkaar regelmatig. In die tijd gaan we naar films, festivals en tal van restaurants. We delen een voorliefde voor het Midden-Oosten, dus wagen we ons aan gezamenlijke vakanties. Met z’n drieën. De eerste keer is dat een risico, maar het gaat wonderwel goed.

Ter plekke zorg onze combinatie voor grappige en verwarrende situaties. Want al is een man met twee vrouwen daar vrij normaal; men verwacht dit niet bij westerlingen. Hoe het precies tussen ons zit, is voor lokale mensen moeilijk te vatten. Die kunnen zich nauwelijks voorstellen dat we gewoon bevriend zijn: een stel en een vriendin. Sommigen stappen vragen ronduit wat onze relatie is. Als deze vriendin een middag in het hotel blijft en ik samen met haar vriend op stap ga, zie ik ze denken.

Een jaar of zeven geleden gingen ze ineens uit elkaar. Ik wist dat hun relatie niet gelijkwaardig was, maar dit had ik niet voorzien. Met name voor hem was het zeer pijnlijk allemaal. Wan zij hield minder van hem dan hij van haar. En de volgende man stond al klaar.

Het is iemand die ik al kende; een leuke en stoere vent. Eentje die op alle terreinen een succesvol leven leidt. Behalve op het gebied van relaties dan. Want de scheiding van zijn vrouw met kinderen was messy en op dat moment gaande. Ruim een jaar na het begin van hun nieuwe relatie gaan deze vriendin en hij ook uit elkaar.

Vrij kort daarna dient de volgende man zich aan. Wederom moet er nog een scheiding worden afgewikkeld aan mannelijke zijde. En opnieuw zijn er kinderen bij betrokken. Nu leven ze alweer een tijd samen en met zijn kinderen erbij lijkt het goed te gaan. Alleen heb ik weinig met deze man.

En eigenlijk zit ik er nog mee. Dat ik haar vroegere vriend nooit meer heb gezien. Terwijl hij voor mij ook een vriend was, zij het anders. Maar nadat ze uit elkaar gingen, was een ontmoeting te pijnlijk voor hem. Want hij associeerde mij sterk met haar.

Sindsdien hoor ik soms hoe het met hem gaat. Lange tijd heeft hij het moeilijk gehad met de situatie. Gelukkig kreeg hij weer een relatie en inmiddels is hij getrouwd. Het gaat goed en daar ben ik blij om. Maar gevoelsmatig is het voor een weerzien in zijn nieuwe leven nu te laat.

Selfies van haar zelf

Vandaag heb ik selfies gemaakt van mijn grijzer wordende haar. Ja, boeie. Toch laat ik me graag door deze onbenullige selfie-operatie afleiden. Want alles is beter dan het nieuws van de laatste tijd.

Grijs haar lijkt zo symbolisch voor vergankelijkheid. Daarom even voor de duidelijkheid: we zijn al lang niet meer wie we ooit waren. Ons lichaam vernieuwt continu de cellen waaruit het is opgebouwd. Dus is het haar dat we als kind hadden vervangen door ander materie. Ditzelfde geldt voor onze botten en onze huid. Daarvan zijn de oude versies ook al lang ingeruild.

Verandering van haarkleur ben ik wel gewend. Behalve zwart, passeerde al elke haartint. Als peuter was ik een blondine met spierwitte lokken. Daarna werd mijn haar geleidelijk lichtbruin. In de pubertijd was het kastanje-kleurig. En in mijn volwassen periode ben ik al jaren donkerbruin. Zonlicht haalt nog altijd een koperrode gloed tevoorschijn. En sinds een aantal jaren komt daar glinsterend zilver bij. Gewoon, van nature.

Dat laatste kan je niet zeggen van alle verf die er in is gesmeerd. Was het donker, dan moest het blonder. En was het door de zon gebleekt, dan wilde ik er meer bruin bij. Als je je haar lange tijd verft, vergeet je op het laatst welke kleur je zelf hebt. Bij de eerste grijze haren ging ik even in de ontkenning, maar die fase is voorbij. De huidige kleurschakering mag er zijn.

Alleen krijg ik de juiste bruintint onmogelijkheid op de foto. Mijn haar staat er steeds te licht op. Of te donker, of te grijzig. Met welk programma ik het ook bijwerk. En hoeveel selfies ik ook neem. Dit is pas echt dramatisch. Want waar kunnen we in deze tijd van leugens en nepnieuws nog op bouwen, als we zelfs onze eigen selfies niet meer kunnen vertrouwen?

Sandfire Flat Roadhouse, juni 1988, brief aan mijn ouders

Het zat er in, natuurlijk, na die film. Mentaal ben ik al twee dagen down under. Nu lees ik de brieven aan mijn ouders. Een fragment over mijn ervaringen op het eerste traject van een low-budget motortocht.

‘Inderdaad, ik ben alwéér verhuisd. De rit van Kalgoorlie naar Broome is prima verlopen. Van Northam ben ik naar Geraldton gegaan en daar ben ik een extra dag gebleven. Daar heb ik een nieuwe ketting op mijn motor laten zetten. Geraldton is een kustplaatsje. Niet echt bijzonder, maar ik heb het museum gezocht. Dat staat vol opgedoken goederen van zo’n 300 jaar oud uit voor de kust vergane Nederlandse schepen. Het is best leuk om dat allemaal te zien. In de VOC-tijd was Nederland absoluut de machtigste natie qua zeereizen. [sic]

Van Geraldton naar Carnarvon gereden. Dat is een heel mooi subtropisch plaatsje, maar de accommodatie was duur en daarom ben ik er maar een dag gebleven. Het ligt aan de monding van de Gascoyne rivier en bij het water zitten hele zwermen witte kakatoes in de palmen. Er zijn in die omgeving bananenplantages. Van Carnarvon naar Fortesque Roadhouse gereden, want Karattha was te ver.

Dat verblijf op een roadhouse vond ik heel leuk. Roadhouses bestaan uit een bar, restaurant, winkel, en benzinestation. Er is meestal een camping bij en ze verhuren cabines in bouwketen voor mensen die er de nacht willen doorbrengen. Verder staan er bouwketen of caravans voor het personeel. Het is dus een kleine nederzetting midden in de wildernis. Vaak overnachten er truckchauffeurs met hun wagens voor de deur. Het geheel ligt aan de highway. Omdat roadhouses doorgaans zo’n 150 – 200 kilometer van de eerstvolgende bewoonde plaats liggen, stopt vrijwel iedereen er. Daar zou ik graag willen werken.

De volgende dag ben ik naar Pardoo Roadhouse gereden. (Als je een goede kaart hebt, kun je al deze plaatsen vinden.) Die zaak wordt door een groep christenen gerund en zij waren heel vriendelijk. [Achteraf gezien betrof het vermoedelijk een sekte.] Ik ontmoette er een jongen en meisje die ook ieder op de motor waren. Met hen heb ik de volgende dag een stuk samen gereden. Maar omdat ik liever alleen rijd, zijn zij doorgereden en kwam ik later die middag in Broome aan.

Iedere dag heb ik in ongeveer acht uur tijd zo’n 500 kilometer afgelegd [met pauzes]. Steeds reed ik op vrijwel verlaten wegen door de natuur. Ik heb allerlei dieren gezien, zoals emoes, valkparkieten, kakatoes, zebravinkjes en anderhalve meter hoge heuvels van termieten. Kangaroes zag ik niet, omdat die zich overdag schuil houden.

Ik werd het rijden de laatste dagen wel zat. Het is heel saai. Ik rijd tachtig km/uur [je mag in Australië officieel niet harder het eerste jaar na behalen van rijbewijs] en alle anderen rijden circa 110. Op één dag werd ik slechts door twintig auto’s ingehaald en kwam ik circa zestig tegenliggers tegen. Dat zegt wel wat. De laatste vier dagen had ik steeds schitterend windstil weer.

Van roadtrains had ik eigenlijk weinig last. Je weet op het laatst precies wat je te wachten staat. Als je zelf meewind hebt, is het op de motor net alsof je tegen een muur rijdt als ze je tegemoetkomen. Zo veel wind zuigen ze mee. En als je tegenwind hebt, voel je het verschil niet. Behalve extra lang, vanwege de drie of vier opleggers, zijn ze ook heel hoog. Hier zie je veel dubbeldek veewagens. Eenmaal kneep ik hem wel toen een truck mij inhaalde terwijl er plotseling een tegenligger aankwam. Die truck kwam toen half op mijn weghelft en ik reed helemaal aan de rand. [Ernaast ligt los zand.] …

Mijn motor heeft zich prima gehouden. Het enige nadeel is dat ik een kleine tank heb. Ik kan er 200 kilometer mee halen. Omdat op een bepaald traject de afstand van een roadhouse naar de volgende plaats 300 kilometer was, moest ik een benzineblik voor vijf liter kopen. Behalve mijn gewone bagage, zeul ik ook olieflessen, het benzineblik, een spray voor lekke banden en gereedschap mee. Maar het is te doen. Deze 3.000 kilometer lange rit was weer een hele ervaring.

Broome was niet wat ik ervan verwacht had, maar toch heel aardig. Alleen wel duur. Daarom moest ik kamperen. Ik heb een tent bij me voor noodgevallen, dus ben ik niet echt op kamperen berekend. (Geen luchtbed, geen stoeltje, geen kookgerei.) Het was bloedheet en er was geen schaduw. Alles is heel stoffig. Ik kreeg er gauw de balen van. Wat wel heel leuk was, was dat ik steeds door buren werd uitgenodigd voor ontbijt, een drankje, avondjes uit [wreck car races], etc. Omdat de eerste camping vrij duur was, verhuisde ik later naar een andere en steeds kwamen mensen helpen met opzetten en afbreken.

Ik kreeg ook heel leuke reacties, omdat ze het zo flink vonden dat ik in mijn eentje op de motor rondtoer. Voor Australische vrouwen is dat heel ongebruikelijk. Die stellen zich veel afhankelijker op. [sic] …

Ik was op vrijdag aangekomen en op maandag ging ik naar het arbeidsbureau. Er was een vacature voor een keukenhulp, waar ik op af ging. Nou, ik had mijn registratiekaart nog niet ingevuld of ik moest al aan de telefoon komen. Wat denk je, kon ik direct voor drie weken in een roadhouse werken! …’

‘Verbranden’

Intermezzo van de hoofdzonden. – Hoewel? Ik zondig nu tegen mijn eigen regel. Want ik ga toch over mijn moeder schrijven. Ze is halverwege de tachtig en bezig met opruimen. Een meubelstuk, stapels boeken, kleding van mijn overleden vader en meer gaat weg. Dat lijkt me verstandig. Als je behoeften veranderen, heb je weinig aan spullen uit een vorige fase. Wel druk ik haar op het hart om mij oude voorwerpen te tonen voordat zij die wegdoet.

Want wat zij als troep beschouwt, vind ik juist bijzonder. En andersom. Ik heb de afgelopen jaren dan ook al duizend keer gezegd: ‘Neehee, hoef ik niet’, wanneer ze weer met prullaria van een rommelmarkt aankwam. In mijn ogen dan. Haar huis puilt uit. Overal staan plantjes en beeldjes en potjes en frutsels. Als je bij haar iets uit een kast wil pakken, moet je eerst andere spullen opzij schuiven.

Toch heeft ze de afgelopen decennia wel vaker opgeruimd. Alleen merkte ik daar nooit wat van. Alles stond nog even vol. Maar kennelijk ruimt ze deze keer echt grondiger op. En hoe gaat zoiets? Je trekt een schoenendoos open of een plastic tas, en komt oude papieren tegen. Waarna je even gaat zitten en drie uur later nog zit te lezen.

Ik heb dat in het verleden ook gedaan. Zo’n 25 jaar geleden moesten mijn schoolagenda’s eraan geloven. Die uit mijn pubertijd. Wat daarin stond, was gewoon te gênant voor woorden. Ik heb ze vlak voor een verhuizing weggedaan. En op mijn vorige adres dumpte ik mijn dagboek. Want in dat dagboek ging ik mooie levenservaringen opschrijven, maar vaker werd dat stoom afblazen. Stel dat je per ongeluk dood neervalt en je nabestaanden die bladzijden vol drama’s aantreffen? Echt niet.

Afijn, onlangs was ik dus bij mijn moeder. Een vrouw die ik redelijk goed denk te kennen. Maar iedereen mag geheimen hebben. Zij ook. Dus heb ik mij beheerst, toen ze in de keuken bezig was en ik op haar bureau een open envelop zag. Met ongeziene inhoud. En met haar handgeschreven opdracht op de buitenkant: ‘Verbranden’.

Lijstjes om niet te vergeten

Zodra de tv-gids binnenkomt, krabbelen veel lezers symbolen bij alles wat ze willen zien. Deze mensen houden van orde en overzicht, zegt men. En markeringen werken als geheugensteun. Needless to say dat ik dit herken. Want ik maak voortdurend lijstjes, overzichten en aantekeningen. Om niet te vergeten. Of eigenlijk, om grip te houden op mijn leven.

Bijvoorbeeld: lijsten van bezochte landen en van films die ik waardeer. Overzichten van concerten, favoriete songs en videoclips (nog in bewerking). Een inboedellijst (kan eens handig zijn voor de verzekering). Een boodschappenlijstje. Een to do list die altijd bovenop de stapel ligt. Plus een lijst met gepland onderhoud in en rond huis. (Die zit diep weggestopt. Daar wil ik niet steeds aan worden herinnerd.) Met al deze lijstjes probeer ik de steken op te vangen die mijn geheugen laat vallen.

Onze hersencapaciteit is te beperkt voor het huidige, dynamische leven. We zien en ervaren te veel in te korte tijd om alle indrukken goed te verwerken. Laat staan om ze te verinnerlijken. Een eeuw geleden arbeidden mensen vooral op het platteland of in een fabriek. Zes dagen per week verrichtten ze eentonig werk. En de zondag zat vol rituelen. Ons kende ons. Afgezien van bruiloften en begrafenissen gebeurde er weinig. Wellicht was het saai, maar het was ook wel zo ordelijk en overzichtelijk.

Overzicht – Deel van de route tijdens de grote reis

Tot mijn eerste grote reis onthield ik details en namen goed. Daarna werd het teveel. Want mijn hersenen kregen onderweg voortdurend nieuwe indrukken te verstouwen. Steeds leerde ik nieuwe mensen kennen en wilde ik vertrouwd raken met vreemde plaatsen. Terug in Nederland volgden diverse uitzendbaantjes kort na elkaar. Ik werd eens wakker met de vraag waar ik ook al weer werkte. Toen begonnen de flashbacks. Ze kwamen continu en op de raarste momenten. Maakte ik een factuur voor een uitgeverij, dacht ik ineens aan een Australisch benzinestation. Er zat totaal geen lijn in.

Die flashbacks hielden jarenlang aan, maar zijn nu helaas bijna verdwenen. Want het was prettig om op de gekste momenten aan details uit die reis te denken. Misschien was het een positieve vorm van PTSS. Want de culture shock na dat vrije reisleven was enorm. Die reis duurde achttien maanden en ik geloof dat iedere reismaand achteraf een jaar gewenning vergde. Nog altijd verzet ik me tegen het harnas van het ‘gewone’ bestaan. Het is niet aan de maatschappij om te bepalen hoe ik mijn leven moet inrichten.

Daarom lijken die lijstjes tegenstrijdig. Want een to do list perst ons in het gareel. Zodra we er een taak op zetten, moeten we er iets mee. Maar lijstjes helpen ons ook om overzicht te houden, om keuzes te maken en om prioriteiten te stellen. En heb je eenmaal een opsomming gemaakt, dan kan je daaruit informatie halen. Een opsomming helpt ons zaken te analyseren en patronen te interpreteren die anders onzichtbaar blijven.

Bovendien helpen lijsten ons vergeten ervaringen weer te herinneren. Wanneer je een groot deel van je leven met iemand deelt, bouw je veel gezamenlijke herinneringen op. Ga je samen op de ‘Weet je nog …’-toer, dan kan de ander jouw herinneringen aanvullen (of rechtzetten). Maar wanneer je veel dingen alleen meemaakt of met steeds wisselende mensen om je heen, dan ontbreekt dat gezamenlijke referentiekader.

Raam Open is soms net een dagboek. En hoe vergankelijk ook, de lijsten en dit blog zijn regelmatig mijn enige houvast.