Brokstukken van een tijdperk

Toen die ekster mijn mooie Franz porseleinen lepeltje in tweeën brak, kon ik de brokstukjes niet weggooien. Misschien waren ze nog te lijmen. Zo lagen ze een paar maanden los te wachten op de vensterbank. Na het stoffen legde ik ze telkens weer tegen elkaar. Maar de breuk zit precies op het smalste deel. Zelfs met secondelijm zal alles bij het eerste stootje weer uit elkaar vallen. Bovendien wil ik mij niet omringen met spullen die kapot zijn. Want bij ons brengen scherven geluk, maar in andere culturen trekken kapotte spullen juist ongeluk aan.

Het lepeltje hoort bij een tijdperk. Uit elk tijdperk bewaar ik tastbare herinneringen. Dierbare bezittingen die elke opruimsessie hebben doorstaan. Daarom alleen al zijn ze bijzonder, want ik geloof sterk in traveling light. Ook in het alledaagse bestaan.

Na woelige perioden verkeer ik al een tijdje in kalmer vaarwater. Het is zo’n periode waarin je een tussenbalans opmaakt. Er komt nu weinig nieuws bij, tastbaar en mentaal. Onderwijl tikt de tijd verder, continu. Die aandenkens worden even snel als ik ouder. We verkeren in een statische toestand. Dit is zo’n moment waarop je om je heen kijkt en denkt: ‘ga ik hiermee oud worden, of gaat er nog een keer de bezem door?’

De helft van het lepeltje heeft in de tuin een tweede leven gekregen. Dat is het risico als je verkast naar een groter perceel. Dan heb je nog meer ruimte om de brokstukken te bewaren. Voor de zekerheid doe ik dat buiten. Stel dat ze worden overwoekerd en vergeten. Laat een volgende bewoner dan maar raden wat die scherven daar doen.

Afvallen: van suiker- naar vetverbranding

Als je wil afvallen, moet je lichaamsvet verbranden. Maar hoe doe je dat zonder last te krijgen van honger en trillende handjes? Eet minder koolhydraten en suikers, en meer gezonde vezels en vetten. Zo luidt het devies. Dan schakelt je lichaam over van suiker- naar vetverbranding. In praktijk is dit lastig, want suiker zit in bijna alles. En op je werk kan je braaf op noten knabbelen, maar dan zit dat spul gelijk overal tussen je tanden. Hongerklop verstoorde steevast mijn plannen. Toch is de knop nu om. Als bonus val ik vooral ’s nachts af.

In de eerste afvalweek was het een kwestie van drastisch gewoontes doorbreken. Die week ging ik herhaaldelijk met honger naar bed. Ik voelde me slap en sliep minder goed. In de tweede week begon het te wennen. Nu, in de derde week, is mijn lichaam door de moeilijke fase heen.

Sindsdien val ik van de ene in de andere verbazing. Want waar blíjft dat hongergevoel? Waarom word ik niet duizelig? Nou, gewoon, omdat de boel in balans is en mijn lichaam vet verbrandt. Dit, terwijl ik nog steeds koolhydraten en wat suiker naar binnen werk. Alleen zo min mogelijk ‘s avonds.

Op een normale dag (ruim een uur wandelen, geen zware inspanning) neem ik nu dit:

  • 4 Volkoren boterhammen met margarine en hartig beleg (kaas, eiersalade, kalkoenfilet, etc.)
  • 6 Koppen koffie of thee met koffiepoedermelk en 1 zoetje per kop.
  • 1 Vol bord met circa 1/3 aardappelen/pasta/linzen, 1/3 groente, 1/3 vlees met jus/vis in saus/gevuld omelet. Dit eet ik als lunch, zodat mijn lichaam overdag al de energie benut.
  • 1 Toetje, bijvoorbeeld volle yoghurt met een eetlepel jam, totaal circa 150 gram.
  • 1 Appel en/of een paar dadels.
  • 2 Bekers halfvolle melk.
  • 1 Graancracker met kaas ’s avonds (ter vervanging van de dagelijkse bak chips).
  • Water.

Als zoethoudertje optioneel:  1 koekje óf 1 Raffaello (wafeltje, amandel met kokos) óf 1 à 2 mueslikoeken. Gebak eten mag, maar dat compenseer ik met beweging.

Geschrapt: iedere avond een volle bak chips of andere zoutjes, per week 4 glazen port of meer alcoholische drank, zeer regelmatig chocolade muffins en grote koeken, af en toe patat speciaal. (Et cetera.)

Het wonderlijke is dat ik nu vier uur lang zonder eten kan. Dat komt door de omschakeling van suiker- naar vetverbranding. Die favoriete spijkerbroek heb ik al even aangehad. Staand, want ermee zitten gaat nog niet.

De eerste kilo is er af!

De eerste kilo is er af sinds ik probeer om een beetje af te vallen. Een kilo in ruim een week tijd is een gezond resultaat. Sneller moet je het niet willen. Tot nu toe gaat het me nog redelijk makkelijk af. Bij diëten kan je het beste heel goed naar je lichaam luisteren. Daarbij heb ik mijn aanpak afgestemd op mijn dagelijkse bezigheden.

Ik hou slechts drie basisregels aan:

  1. Gezond en naar behoefte voldoende eten. Dus niet meer dan dat, maar ook nauwelijks minder.
  2. Suiker sterk beperken vanwege hypoglykemie (schommeling van bloedsuikerspiegel).
  3. Af en toe iets ‘ongezonds’ eten mag. Probeer dat te compenseren met beweging.

Gezond eten spreekt voor zich: gevarieerd en met alle benodigde voedingsstoffen om goed te kunnen functioneren.

Naar behoefte betekent dat ik eten afstem op bezigheden. Ga ik wandelen, dan eet ik vooraf extra vet (saucijzenbroodje, stukjes rookworst) en/of eiwitten (ontbijt met spekjes en omelet op volkorenbrood), want die brandstof heb ik nodig. Naast de dagelijkse vier belegde boterhammen, maak ik er dan twee extra klaar. Voor de zekerheid.

’s Avonds eet ik geen bak chips meer (en al helemaal geen refill), maar slechts een grote kaascracker. ‘Een. Ja: één. Dus geen twee. Een!’ Tenzij ik voel dat ik duizelig ga worden (zie hypoglykemie). Dan mag er een halfje bij. Of een hele als dat nodig is. Luisteren naar je lichaam houdt vooral in dat je eetmomenten afstemt op de momenten waarop je energie nodig hebt.

Hypoglykemie is voor mij het echte monster. Met een hongergevoel valt tijdelijk wel te leven, maar een flinke dip in je bloedsuikerspiegel valt niet te negeren. Daarom mijd ik suiker. Wel neem ik zoetjes in de koffie en thee (zes per dag). Als ik honger krijg en het nog te vroeg is voor een maaltijd, eet ik een appel of twee dadels. Doorlopend voorkom ik de kans op schommelingen.

Dit hou ik alleen vol als ik af en toe ook iets lekkers/ongezonds mag. Dus heb ik deze week een groot stuk appelgebak met slagroom gegeten. Maar koek en port negeer ik nu bijna instinctief, omdat mijn bloedsuikerspiegel daarvan gaat jojoën. Een enkel koekje kan wel, alleen geen grote stroopwafel of gevulde koek. Dat stuk appeltaart volgde op een wandeling van ruim twee uur. Daarna moest ik nog een uur reizen, dus was die energie nodig. 😉

Belangrijk is om ingesleten eetpatronen te doorbreken. In mijn geval was dat ’s avonds veel te veel chips eten. En voorlopig schrap ik de meeste ‘ach, dat kan toch wel’-extraatjes. (‘Nou, nog eentje dan’, ‘we hebben het verdiend vandaag’, ‘zo dik zijn we toch niet’, ‘het is tenslotte vakantie’ en ‘hm, dat smaakt wel erg lekker’.)

De eerste dagen waren het moeilijkst, omdat mijn lichaam afkick-verschijnselen had. Herhaaldelijk gaf het aan dat we meestal koek nemen bij de koffie. En ’s avonds eten we toch altijd chips bij de film? Inmiddels voel ik die gewoonte-behoefte een stuk minder en wordt volhouden makkelijker. Het bijkomende voordeel is dat gebakjes eten weer speciaal wordt. Vroeger at je die toch ook alleen bij feestelijke gelegenheden?

Het helpt om een doel te hebben, of een schrikbeeld. Voor mij draait het minder om streefgewicht dan om heupomvang. Een favoriete spijkerboek was de aanleiding. Die broek ligt al drie jaar ongedragen in de kast, omdat hij niet meer past. Bij een opruimbeurt kon ik hem niet weg doen. Dat vond ik te erg. Maar aantrekken gaat evenmin, als ik wil blijven ademhalen. Vandaar.

Nu nog een paar weken doorzetten. (En daarna.)

Een poging tot afvallen

Eenmaal boven de veertig moet je op je lijn letten, zeggen ze. Vanaf dat moment gaan de hormonen opspelen en verandert je spijsvertering. Dat kan kloppen. Sinds een enkele jaren weeg ik een paar kilo’s te veel. Ik bleef altijd onder de 60 kilo en paste in maatje 38. Maat 38 was trouwens een keiharde grens. Ik zou nooit maat 40 accepteren, beweerde ik stellig. Nou ja, toch wel dus. Oh nee, toch niet.

Dit wordt mijn derde poging om er een paar kilo af te krijgen. De eerste was na een all inclusive safari. De meereizende kok zorgde drie maal daags voor een riant buffet. Tja, zie daar maar eens van af te blijven. Gelukkig is een tijdelijk eetpatroon nog geen gewoonte. Dus was ik het extra gewicht snel kwijt.

De tweede poging volgde nadat de kilo’s weer door het goede leven waren toegenomen. Vijftien jaar geleden was dat. Mijn dieetmethode bestond uit halvering van alles wat ik at, inclusief koek, chips en gebak. Dit wel afgezien van de gebruikelijke zes volkoren boterhammen per dag. Die verving ik door vier plakken zwaar roggebrood. Want een stevige basis blijft nodig, anders hou je het niet vol. Voor mij werkte dat.

Ik leef gezond, maar eet vooral ’s avonds te veel chips. En wat ik ’s avonds aan energie binnen krijg, verbruik ik nauwelijks. Daarom schrap ik deze keer alleen de chips, wat koek en een paar glaasjes port. Gezien mijn volcontinue eetpatroon zou je zeggen dat ik dan nog steeds genoeg brandstof binnen krijg. Maar mijn lichaam denkt daar duidelijk héél anders over.

Raadsels uit de couveuse van mijn vroegste jeugd

Jaren geleden. Een collega geeft een afscheidsfeestje. Het is aan de vooravond van haar vertrek naar Afrika, waar ze al eerder heeft gewerkt. De meeste aanwezigen zijn ook expat geweest. Zoals een andere vrouwelijke collega, die van onze leeftijd is. Alle drie staan we tamelijk onafhankelijk in het leven, hoewel ik niet precies kan aangeven waar dat ‘m in zit. Op het feestje ontdekken we dat we nog iets delen. We zijn alle drie in de vroege jaren zestig couveusekinderen geweest.

Voor mij is het nog altijd een raadsel of, en zo ja, welk effect die periode heeft gehad. Bij mijn geboorte was ik (waarschijnlijk) gezond, maar veel te licht. Daarom moest ik eerst op gewicht komen. In die jaren mochten ouders hun kinderen op de couveuse-afdeling niet vasthouden. Ze konden alleen door glas naar de ruimte kijken waarin de couveuses stonden. Ik heb er bijna twee maanden doorgebracht.

De couveuses waren toen een soort veredelde broedmachines. Er brandden voortdurend warmtelampen. Ook stond er apparatuur te zoemen en de deurtjes gingen met een klap dicht. Zo’n couveuse moet een helverlicht, lawaaiig ding zijn geweest. Ik heb een bloedhekel aan herrie en aan schel licht. Maar in tropische warmte voel ik me juist helemaal geborgen. Dat zal wel uit die periode stammen.

Toch blijf ik met vragen zitten over het verblijf van een pasgeborene in zo’n couveuse. Heeft die periode fysieke en mentale sporen achtergelaten? Kan er later nog een specifieke lichamelijke klacht te voorschijn komen? Wat betekent het voor het hechtingsproces tussen ouders en kind? En werkt het door op andere relaties? Of is het toeval dat mijn vroegere collega’s en ik ons zo vrij en onafhankelijk opstellen?

Passie als innerlijke drijfveer

Is het verveling of een existentieel dipje? Momenteel kijk ik uit naar de volgende vlaag van bevlogenheid. Want een passie is een sterke innerlijke drijfveer. Nu gaat alles zijn gangetje. Maar er is weinig waarvoor ik echt warm loop. Dan mis je toch wat. Bovendien is het prettig om met bevlogenheid een inkomen te verdienen. Soms biedt het verleden aanknopingen voor de toekomst. Daarom ga ik eens kijken wat ik vroeger vol passie heb gedaan.

Bepaalde passies ontdek je al in je kindertijd. Verhalen lezen, de natuur en aardrijkskunde. Ook herinner ik me spelletjes waarbij ik wilde winnen. Zoals wie het langst en sierlijkst in de cirkel van een ronddraaiend touw kon springen. Ik weet nog precies op welk moment je met het aanloopje moest beginnen. Daarbij kwam het aan op timing en behendigheid. Overigens won ik zelden. Jaren later werd zo snel mogelijk kunnen typen een uitdaging. Daar ben ik wel goed in.

Passie en persoonlijke interesses gaan samen. Hierbij is nieuwsgierigheid een enorme drijfveer. Mijn leven draaide jarenlang om de wereld ontdekken en daar moest zo ongeveer alles voor wijken. Vooral van Australië was ik helemaal bezeten. Er zijn tijden geweest dat ik over bijna niets anders kon praten. (Arme vrienden en familie.)

Idealiter ben je ook bevlogen in je werk. Het duurde een poos voordat ik ontdekte waar mijn passie precies lag. Of liever: ik zag geen passende mogelijkheid om daarmee geld te verdienen. Maar per toeval kreeg ik een baan waardoor een andere sluimerende passie ontwaakte. Namelijk werken met taal.

Hier is een onderscheid tussen bevlogenheid en bevlieging op zijn plaats. Je kan talen boeiend vinden; dat wil nog niet zeggen dat je ze ook makkelijk kan leren. Ik ben aan heel wat taalcursussen begonnen. Soms omdat zo’n taal van pas kwam (Engels, Frans, Duits, Spaans). En soms omdat ik overmoedig was. Neem nu Chinees en Arabisch. Daar is bijna geen beginnen aan. Toch heb ik met Arabisch drie (weliswaar halfslachtige) pogingen gedaan. Helaas zakt aangeleerde kennis snel weg. Nu ben ik al blij als ik een Franse tekst nog begrijp.

Soms loopt de ene passie door in de andere. Dankzij een reis naar Polynesië, waar men voorouders vereert, werd ik zelf nieuwsgierig naar mijn afkomst. Bij die zoektocht raakte ik enorm bevlogen door alle vondsten. Daarom bleef ik verder spitten en leerde ik veel over de leefwereld van mijn voorouders. Zo’n onderzoek is een lange ontdekkingsreis. Trouwens, onze eigen cultuur was vroeger best vreemd.

Hoe bevlogen je in je werk ook bent, er kan altijd een fusie of reorganisatie doorheen denderen. Dan mag je overnieuw beginnen. En sommige kansen komen maar een keer. Toch, ‘Elk nadeel heb z’n voordeel.’ Op een gegeven moment kwam voor mij wel degelijk alles samen in een baan. Goed kunnen typen, nieuwsgierigheid naar vreemde culturen bevredigen, reizen, onderzoek doen én andere talen spreken.

Bevlogenheid kan je leven totaal beheersen. Zoals bij verliefdheid. Bevlogenheid geeft je energie, daadkracht en (over)moed. Soms doe je hierdoor dingen waartoe je jezelf niet in staat acht. Vooraf niet, en niet achteraf. Zodat je ergens na je midlifecrisis terugkijkt en denkt: ‘Echt? Heb ik dat toen allemaal gedaan?’

Misschien is het wel prettig dat veel daarvan niet meer zo nodig hoeft. En dat je weet dat als je echt nog wat wil, het vanzelf weer komt. Vroeg of laat. En zo niet, dan is het ook goed. Toch?

De vriend van een vriendin

Ze zijn een stel wanneer we elkaar op Schiphol voor het eerst ontmoeten voor een groepsvakantie. Onze bestemming is ongebruikelijk en juist dat past bij hen, avontuurlijk als ze zijn. Met beiden kan ik het goed vinden. Zij is de verbindende factor en jonger dan ik; energiek en intelligent. Hij is wat bedachtzamer. Alle drie zitten we op dezelfde golflengte qua humor en interesses. En de reis die volgt, zorgt voor een stevig fundament.

Na thuiskomst houden we contact en zien we elkaar regelmatig. In die tijd gaan we naar films, festivals en tal van restaurants. We delen een voorliefde voor het Midden-Oosten, dus wagen we ons aan gezamenlijke vakanties. Met z’n drieën. De eerste keer is dat een risico, maar het gaat wonderwel goed.

Ter plekke zorg onze combinatie voor grappige en verwarrende situaties. Want al is een man met twee vrouwen daar vrij normaal; men verwacht dit niet bij westerlingen. Hoe het precies tussen ons zit, is voor lokale mensen moeilijk te vatten. Die kunnen zich nauwelijks voorstellen dat we gewoon bevriend zijn: een stel en een vriendin. Sommigen stappen vragen ronduit wat onze relatie is. Als deze vriendin een middag in het hotel blijft en ik samen met haar vriend op stap ga, zie ik ze denken.

Een jaar of zeven geleden gingen ze ineens uit elkaar. Ik wist dat hun relatie niet gelijkwaardig was, maar dit had ik niet voorzien. Met name voor hem was het zeer pijnlijk allemaal. Wan zij hield minder van hem dan hij van haar. En de volgende man stond al klaar.

Het is iemand die ik al kende; een leuke en stoere vent. Eentje die op alle terreinen een succesvol leven leidt. Behalve op het gebied van relaties dan. Want de scheiding van zijn vrouw met kinderen was messy en op dat moment gaande. Ruim een jaar na het begin van hun nieuwe relatie gaan deze vriendin en hij ook uit elkaar.

Vrij kort daarna dient de volgende man zich aan. Wederom moet er nog een scheiding worden afgewikkeld aan mannelijke zijde. En opnieuw zijn er kinderen bij betrokken. Nu leven ze alweer een tijd samen en met zijn kinderen erbij lijkt het goed te gaan. Alleen heb ik weinig met deze man.

En eigenlijk zit ik er nog mee. Dat ik haar vroegere vriend nooit meer heb gezien. Terwijl hij voor mij ook een vriend was, zij het anders. Maar nadat ze uit elkaar gingen, was een ontmoeting te pijnlijk voor hem. Want hij associeerde mij sterk met haar.

Sindsdien hoor ik soms hoe het met hem gaat. Lange tijd heeft hij het moeilijk gehad met de situatie. Gelukkig kreeg hij weer een relatie en inmiddels is hij getrouwd. Het gaat goed en daar ben ik blij om. Maar gevoelsmatig is het voor een weerzien in zijn nieuwe leven nu te laat.