Selfies van haar zelf

Vandaag heb ik selfies gemaakt van mijn grijzer wordende haar. Ja, boeie. Toch laat ik me graag door deze onbenullige selfie-operatie afleiden. Want alles is beter dan het nieuws van de laatste tijd.

Grijs haar lijkt zo symbolisch voor vergankelijkheid. Daarom even voor de duidelijkheid: we zijn al lang niet meer wie we ooit waren. Ons lichaam vernieuwt continu de cellen waaruit het is opgebouwd. Dus is het haar dat we als kind hadden vervangen door ander materie. Ditzelfde geldt voor onze botten en onze huid. Daarvan zijn de oude versies ook al lang ingeruild.

Verandering van haarkleur ben ik wel gewend. Behalve zwart, passeerde al elke haartint. Als peuter was ik een blondine met spierwitte lokken. Daarna werd mijn haar geleidelijk lichtbruin. In de pubertijd was het kastanje-kleurig. En in mijn volwassen periode ben ik al jaren donkerbruin. Zonlicht haalt nog altijd een koperrode gloed tevoorschijn. En sinds een aantal jaren komt daar glinsterend zilver bij. Gewoon, van nature.

Dat laatste kan je niet zeggen van alle verf die er in is gesmeerd. Was het donker, dan moest het blonder. En was het door de zon gebleekt, dan wilde ik er meer bruin bij. Als je je haar lange tijd verft, vergeet je op het laatst welke kleur je zelf hebt. Bij de eerste grijze haren ging ik even in de ontkenning, maar die fase is voorbij. De huidige kleurschakering mag er zijn.

Alleen krijg ik de juiste bruintint onmogelijkheid op de foto. Mijn haar staat er steeds te licht op. Of te donker, of te grijzig. Met welk programma ik het ook bijwerk. En hoeveel selfies ik ook neem. Dit is pas echt dramatisch. Want waar kunnen we in deze tijd van leugens en nepnieuws nog op bouwen, als we zelfs onze eigen selfies niet meer kunnen vertrouwen?

Sandfire Flat Roadhouse, juni 1988, brief aan mijn ouders

Het zat er in, natuurlijk, na die film. Mentaal ben ik al twee dagen down under. Nu lees ik de brieven aan mijn ouders. Een fragment over mijn ervaringen op het eerste traject van een low-budget motortocht.

‘Inderdaad, ik ben alwéér verhuisd. De rit van Kalgoorlie naar Broome is prima verlopen. Van Northam ben ik naar Geraldton gegaan en daar ben ik een extra dag gebleven. Daar heb ik een nieuwe ketting op mijn motor laten zetten. Geraldton is een kustplaatsje. Niet echt bijzonder, maar ik heb het museum gezocht. Dat staat vol opgedoken goederen van zo’n 300 jaar oud uit voor de kust vergane Nederlandse schepen. Het is best leuk om dat allemaal te zien. In de VOC-tijd was Nederland absoluut de machtigste natie qua zeereizen. [sic]

Van Geraldton naar Carnarvon gereden. Dat is een heel mooi subtropisch plaatsje, maar de accommodatie was duur en daarom ben ik er maar een dag gebleven. Het ligt aan de monding van de Gascoyne rivier en bij het water zitten hele zwermen witte kakatoes in de palmen. Er zijn in die omgeving bananenplantages. Van Carnarvon naar Fortesque Roadhouse gereden, want Karattha was te ver.

Dat verblijf op een roadhouse vond ik heel leuk. Roadhouses bestaan uit een bar, restaurant, winkel, en benzinestation. Er is meestal een camping bij en ze verhuren cabines in bouwketen voor mensen die er de nacht willen doorbrengen. Verder staan er bouwketen of caravans voor het personeel. Het is dus een kleine nederzetting midden in de wildernis. Vaak overnachten er truckchauffeurs met hun wagens voor de deur. Het geheel ligt aan de highway. Omdat roadhouses doorgaans zo’n 150 – 200 kilometer van de eerstvolgende bewoonde plaats liggen, stopt vrijwel iedereen er. Daar zou ik graag willen werken.

De volgende dag ben ik naar Pardoo Roadhouse gereden. (Als je een goede kaart hebt, kun je al deze plaatsen vinden.) Die zaak wordt door een groep christenen gerund en zij waren heel vriendelijk. [Achteraf gezien betrof het vermoedelijk een sekte.] Ik ontmoette er een jongen en meisje die ook ieder op de motor waren. Met hen heb ik de volgende dag een stuk samen gereden. Maar omdat ik liever alleen rijd, zijn zij doorgereden en kwam ik later die middag in Broome aan.

Iedere dag heb ik in ongeveer acht uur tijd zo’n 500 kilometer afgelegd [met pauzes]. Steeds reed ik op vrijwel verlaten wegen door de natuur. Ik heb allerlei dieren gezien, zoals emoes, valkparkieten, kakatoes, zebravinkjes en anderhalve meter hoge heuvels van termieten. Kangaroes zag ik niet, omdat die zich overdag schuil houden.

Ik werd het rijden de laatste dagen wel zat. Het is heel saai. Ik rijd tachtig km/uur [je mag in Australië officieel niet harder het eerste jaar na behalen van rijbewijs] en alle anderen rijden circa 110. Op één dag werd ik slechts door twintig auto’s ingehaald en kwam ik circa zestig tegenliggers tegen. Dat zegt wel wat. De laatste vier dagen had ik steeds schitterend windstil weer.

Van roadtrains had ik eigenlijk weinig last. Je weet op het laatst precies wat je te wachten staat. Als je zelf meewind hebt, is het op de motor net alsof je tegen een muur rijdt als ze je tegemoetkomen. Zo veel wind zuigen ze mee. En als je tegenwind hebt, voel je het verschil niet. Behalve extra lang, vanwege de drie of vier opleggers, zijn ze ook heel hoog. Hier zie je veel dubbeldek veewagens. Eenmaal kneep ik hem wel toen een truck mij inhaalde terwijl er plotseling een tegenligger aankwam. Die truck kwam toen half op mijn weghelft en ik reed helemaal aan de rand. [Ernaast ligt los zand.] …

Mijn motor heeft zich prima gehouden. Het enige nadeel is dat ik een kleine tank heb. Ik kan er 200 kilometer mee halen. Omdat op een bepaald traject de afstand van een roadhouse naar de volgende plaats 300 kilometer was, moest ik een benzineblik voor vijf liter kopen. Behalve mijn gewone bagage, zeul ik ook olieflessen, het benzineblik, een spray voor lekke banden en gereedschap mee. Maar het is te doen. Deze 3.000 kilometer lange rit was weer een hele ervaring.

Broome was niet wat ik ervan verwacht had, maar toch heel aardig. Alleen wel duur. Daarom moest ik kamperen. Ik heb een tent bij me voor noodgevallen, dus ben ik niet echt op kamperen berekend. (Geen luchtbed, geen stoeltje, geen kookgerei.) Het was bloedheet en er was geen schaduw. Alles is heel stoffig. Ik kreeg er gauw de balen van. Wat wel heel leuk was, was dat ik steeds door buren werd uitgenodigd voor ontbijt, een drankje, avondjes uit [wreck car races], etc. Omdat de eerste camping vrij duur was, verhuisde ik later naar een andere en steeds kwamen mensen helpen met opzetten en afbreken.

Ik kreeg ook heel leuke reacties, omdat ze het zo flink vonden dat ik in mijn eentje op de motor rondtoer. Voor Australische vrouwen is dat heel ongebruikelijk. Die stellen zich veel afhankelijker op. [sic] …

Ik was op vrijdag aangekomen en op maandag ging ik naar het arbeidsbureau. Er was een vacature voor een keukenhulp, waar ik op af ging. Nou, ik had mijn registratiekaart nog niet ingevuld of ik moest al aan de telefoon komen. Wat denk je, kon ik direct voor drie weken in een roadhouse werken! …’

‘Verbranden’

Intermezzo van de hoofdzonden. – Hoewel? Ik zondig nu tegen mijn eigen regel. Want ik ga toch over mijn moeder schrijven. Ze is halverwege de tachtig en bezig met opruimen. Een meubelstuk, stapels boeken, kleding van mijn overleden vader en meer gaat weg. Dat lijkt me verstandig. Als je behoeften veranderen, heb je weinig aan spullen uit een vorige fase. Wel druk ik haar op het hart om mij oude voorwerpen te tonen voordat zij die wegdoet.

Want wat zij als troep beschouwt, vind ik juist bijzonder. En andersom. Ik heb de afgelopen jaren dan ook al duizend keer gezegd: ‘Neehee, hoef ik niet’, wanneer ze weer met prullaria van een rommelmarkt aankwam. In mijn ogen dan. Haar huis puilt uit. Overal staan plantjes en beeldjes en potjes en frutsels. Als je bij haar iets uit een kast wil pakken, moet je eerst andere spullen opzij schuiven.

Toch heeft ze de afgelopen decennia wel vaker opgeruimd. Alleen merkte ik daar nooit wat van. Alles stond nog even vol. Maar kennelijk ruimt ze deze keer echt grondiger op. En hoe gaat zoiets? Je trekt een schoenendoos open of een plastic tas, en komt oude papieren tegen. Waarna je even gaat zitten en drie uur later nog zit te lezen.

Ik heb dat in het verleden ook gedaan. Zo’n 25 jaar geleden moesten mijn schoolagenda’s eraan geloven. Die uit mijn pubertijd. Wat daarin stond, was gewoon te gênant voor woorden. Ik heb ze vlak voor een verhuizing weggedaan. En op mijn vorige adres dumpte ik mijn dagboek. Want in dat dagboek ging ik mooie levenservaringen opschrijven, maar vaker werd dat stoom afblazen. Stel dat je per ongeluk dood neervalt en je nabestaanden die bladzijden vol drama’s aantreffen? Echt niet.

Afijn, onlangs was ik dus bij mijn moeder. Een vrouw die ik redelijk goed denk te kennen. Maar iedereen mag geheimen hebben. Zij ook. Dus heb ik mij beheerst, toen ze in de keuken bezig was en ik op haar bureau een open envelop zag. Met ongeziene inhoud. En met haar handgeschreven opdracht op de buitenkant: ‘Verbranden’.

Lijstjes om niet te vergeten

Zodra de tv-gids binnenkomt, krabbelen veel lezers symbolen bij alles wat ze willen zien. Deze mensen houden van orde en overzicht, zegt men. En markeringen werken als geheugensteun. Needless to say dat ik dit herken. Want ik maak voortdurend lijstjes, overzichten en aantekeningen. Om niet te vergeten. Of eigenlijk, om grip te houden op mijn leven.

Bijvoorbeeld: lijsten van bezochte landen en van films die ik waardeer. Overzichten van concerten, favoriete songs en videoclips (nog in bewerking). Een inboedellijst (kan eens handig zijn voor de verzekering). Een boodschappenlijstje. Een to do list die altijd bovenop de stapel ligt. Plus een lijst met gepland onderhoud in en rond huis. (Die zit diep weggestopt. Daar wil ik niet steeds aan worden herinnerd.) Met al deze lijstjes probeer ik de steken op te vangen die mijn geheugen laat vallen.

Onze hersencapaciteit is te beperkt voor het huidige, dynamische leven. We zien en ervaren te veel in te korte tijd om alle indrukken goed te verwerken. Laat staan om ze te verinnerlijken. Een eeuw geleden arbeidden mensen vooral op het platteland of in een fabriek. Zes dagen per week verrichtten ze eentonig werk. En de zondag zat vol rituelen. Ons kende ons. Afgezien van bruiloften en begrafenissen gebeurde er weinig. Wellicht was het saai, maar het was ook wel zo ordelijk en overzichtelijk.

Overzicht – Deel van de route tijdens de grote reis

Tot mijn eerste grote reis onthield ik details en namen goed. Daarna werd het teveel. Want mijn hersenen kregen onderweg voortdurend nieuwe indrukken te verstouwen. Steeds leerde ik nieuwe mensen kennen en wilde ik vertrouwd raken met vreemde plaatsen. Terug in Nederland volgden diverse uitzendbaantjes kort na elkaar. Ik werd eens wakker met de vraag waar ik ook al weer werkte. Toen begonnen de flashbacks. Ze kwamen continu en op de raarste momenten. Maakte ik een factuur voor een uitgeverij, dacht ik ineens aan een Australisch benzinestation. Er zat totaal geen lijn in.

Die flashbacks hielden jarenlang aan, maar zijn nu helaas bijna verdwenen. Want het was prettig om op de gekste momenten aan details uit die reis te denken. Misschien was het een positieve vorm van PTSS. Want de culture shock na dat vrije reisleven was enorm. Die reis duurde achttien maanden en ik geloof dat iedere reismaand achteraf een jaar gewenning vergde. Nog altijd verzet ik me tegen het harnas van het ‘gewone’ bestaan. Het is niet aan de maatschappij om te bepalen hoe ik mijn leven moet inrichten.

Daarom lijken die lijstjes tegenstrijdig. Want een to do list perst ons in het gareel. Zodra we er een taak op zetten, moeten we er iets mee. Maar lijstjes helpen ons ook om overzicht te houden, om keuzes te maken en om prioriteiten te stellen. En heb je eenmaal een opsomming gemaakt, dan kan je daaruit informatie halen. Een opsomming helpt ons zaken te analyseren en patronen te interpreteren die anders onzichtbaar blijven.

Bovendien helpen lijsten ons vergeten ervaringen weer te herinneren. Wanneer je een groot deel van je leven met iemand deelt, bouw je veel gezamenlijke herinneringen op. Ga je samen op de ‘Weet je nog …’-toer, dan kan de ander jouw herinneringen aanvullen (of rechtzetten). Maar wanneer je veel dingen alleen meemaakt of met steeds wisselende mensen om je heen, dan ontbreekt dat gezamenlijke referentiekader.

Raam Open is soms net een dagboek. En hoe vergankelijk ook, de lijsten en dit blog zijn regelmatig mijn enige houvast.

Het leven gaat door

Even ben ik terug in een huis dat ik al sinds mijn jonge jaren ken. Minus 25 jaar, want zo lang bleef ik er weg. Toen, in de vorige eeuw, was alles nieuw, strak en modern. Er staan nog spullen uit jeugdherinneringen. Het nieuwe is ouder nu. Evenals de bewoners. Vier min een, dat wel. Die ene kijkt me lachend aan vanaf een foto.

Een andere foto. Genomen in dit huis. Op een avond voor zijn zus en ik gingen stappen. Rode baret, strakke trui en soulbroek met wijde pijpen. Die episode. Jong en onverschrokken. Een paar jaar later veranderde alles.

Althans. Ik ging op reis en mijn leven ging verder. Terwijl zij een turbulente tijd doormaakten. Onomkeerbare zaken. Live Fast, Die Young, dat soort werk. En toen de rust weerkeerde (of iets wat daarop leek), werd alles weer hetzelfde. Uiteindelijk kon niets in dat huis verandering brengen. Jammer genoeg.

Twijfels, twijfels – Wat te doen?

Op dit moment loop ik rond met drie vraagstukken. Vooralsnog weinig schokkends, maar negeren kan evenmin. Een vaag pijntje, bijvoorbeeld, dat steeds verdwijnt en dan weer terugkeert. Ook ligt er een offerte van een dakdekker die wacht op een antwoord. En dan de gemeenteraad. Op welke partij moet ik nu stemmen woensdag?

Mijn vorige huisarts was de allerliefste die je kunt treffen. Vol aandacht en begrip, al vreesde ik soms dat ik een aansteller was. Zij was zorgvuldig en risicomijdend. Dus sloot ze mogelijkheden uit, zelfs bij vage pijntjes. Dat vond ik fijn. Het contrast met mijn nieuwe huisarts kan niet groter zijn. Van haar schiet ik telkens in de stress en krijg ik hoofdpijn.

Ze is erg kordaat en kan dus weinig met mijn vage pijntjes. Uitleg geeft ze pas als ik nadrukkelijk doorvraag. En als patiënt moet ik zelf aangeven wat ik wil. Alsof ik zonder vakkennis iets zinnigs kan inbrengen. Wellicht schuift ze de verantwoordelijkheid voor ‘onze gezamenlijke’ keuzes graag naar mij. Da’s ook een vorm van risicomijding, maar dan anders. En ze strooit met vaktermen. Zoals dat het ‘iets chirurgisch’ kan zijn. Volg jij het?

Dan de offerte van de dakdekker. Aardige man, mij aanbevolen door een betrouwbare vakman. Maar er hangt nogal een prijskaartje aan. Ga ik extra offertes opvragen bij onbekende bedrijven, met alle risico’s van dien? Of laat ik het erbij en betaal ik maar wat teveel? Hm. Misschien is er nog onderhandelingsruimte. Of zijn er andere opties?

En dan die politieke partijen hier. Feitelijk vertegenwoordigt geen daarvan nuggers met een buffer. Zoals ik. Want nuggers worden standaard over het hoofd gezien. Dus ook bij de gemeenteraadsverkiezing. Op wie moet ik nu stemmen? Zal ik Iene Miene Mutte spelen of dit aan mij voorbij laten gaan?

Roept u maar.

Netjes binnen de lijntjes

Ons wandelgroepje nadert het Renkums Beekdal bij de N225. Daar waar nu schapen met de eerste lammetjes in de wei lopen. Dartele beestjes tussen slome wolbalen. Ik verwacht dat we de zandweg door het bos zullen nemen. Maar onze gids stapt over het afzetdraad heen op de naastgelegen weide. We horen hier niet te zijn. En het is een drassige boel. Bij Oranje Nassau’s Oord klauteren we over prikkeldraad terug naar hoger gelegen terrein. Dat ziet er eveneens uit als privé-grond. Ik zeg het tegen de vrouw die naast me loopt. Maar dit is geen probleem, vindt zij.

Daarop vertelt ze over een vakantie-ervaring. Hoe ze ergens met een wandelgroepje belandde wat eigenlijk niet de bedoeling was. Ook dat was vermoedelijk privé-terrein. Maar ze waren min of meer verdwaald en het werd al laat. In de buurt was een grot met deuren, die zij als enige betrad. Dieper binnen trof ze een opslagruimte aan voor wijn. Daar liep een man rond. Ze legde hem uit dat ze de weg zocht. En ze merkte spontaan op dat ze wel trek had in een glaasje. Hij bleek alle tijd te hebben, en zin in gezelschap. Prompt nodigde hij haar, en bij nader inzien de hele groep, uit voor een maaltijd in zijn landhuis.

Waarmee ze wil zeggen dat het geen kwaad kan om iets ongebruikelijks te doen. Daardoor gebeuren er juist boeiende en onverwachte dingen. En zo schudt zij me wakker. Want ineens denk ik: ‘Nondeju, dat weet ik toch. Op reis ben ik ook wel in zulke situaties beland. Zij het meer onbewust of per ongeluk. Wat is er sindsdien gebeurd, waardoor ik nu zo netjes binnen de lijntjes blijf?’