Uit de tredmolen geslingerd

Hortensia's in schemerdonker

Sommige mensen doen alles om aan sleur te ontkomen. Steeds verzinnen ze wat nieuws. Maar het leven bestaat uit een natuurlijke cyclus en dat heeft een bedoeling. Kijk naar het verloop van de seizoenen. Op de winter volgt de lente en daarna begint de zomer. Et cetera ad infinitum. Toch verandert er ook voortdurend iets definitief. Doorgaans gaat dit heel geleidelijk; het meeste bemerken we niet. Je gaat het pas zien wanneer je de tijd hebt.

Binnenkort heb ik een trouwfeest op het strand. De meeste feestgangers die daar komen, rennen 24/7 rond in de tredmolen. Zelfs hun jachtige zoektocht naar soms buitenissige vormen van ontspanning past in een stramien. Ik was één van hen en nu ben ik de uitzondering.

Dat zal weer confronterend zijn, als ze er achter komen. Meestal proberen zulke mensen mij te bekeren. Zij werken hard en hebben meer geld dan ik. Veel meer. Ik betwijfel alleen ten zeerste of zij het momenteel beter hebben dan ik hier.

Hun tijd komt nog, zodra de buit binnen is. Dan gaan ze royaal leven van hun investeringen. En dan begint het grote genieten. Waarschijnlijk. Misschien. Of nooit. Wie overziet de consequenties van zijn leefwijze echt, terwijl hij nog overal middenin zit?

Het leven verloopt in cycli en gaandeweg wordt de cirkel groter. Ook het melkwegstelsel is rond.

Modieus in je eigen stijl

Is het normaal dat je vanaf een zekere leeftijd minder kleding koopt? Ik heb nog weinig behoefte om steeds wat nieuws te kopen. De garderobekast hangt vol. Vroeger genoot ik vaak van een dagje statten. Vooral van het moment waarop ik met veel tassen thuis kwam en alle aanwinsten uitstalde. Dat gaf een intens tevreden gevoel. Nu doe ik meer aan vervanging door iets vergelijkbaars en dat is voldoende. Want na verloop van tijd weet je wat goed zit. Zo ontwikkel je vanzelf een eigen stijl.

Het modebeeld herhaalt zich om de zoveel jaar. Daar ga ik tot op zekere hoogte in mee. Lange broeken reiken weer tot de taille; truitjes laten navels bloot. Wanneer was dat voor het laatst populair? In de jaren negentig, vermoedelijk, want uit die periode heb ik nog zo’n truitje. Dus wie wat bewaart, heeft wat. Hoewel? Zelf verander je toch ook. Dus om nu als semi-ouwe taart met een blote navel rond te lopen …

Wat vaak langer beklijft, zijn klassieke ‘basic’ modellen (jeans, T-shirt) en favoriete kleuren. Mij kan je uittekenen in zwart. Heel veel zwart, plus blauw en groen en alles wat daar aan blauw-groentinten tussen zit. Turkoois bijvoorbeeld. Verder hou ik van goud, goudgeel en bruin. En een beetje rood. Dit kleurenpalet komt overal in terug. In kleding, woonaccessoires en bloemen in de tuin. Ja, zelfs in tandpasta.

Daarom vrees ik de dag waarop ik zichtbaar ouder wordt. Dan maakt zwart een gezicht namelijk zo ‘hard’. Maar als toekomstige bejaarde ga ik niet rondlopen in een ruim zittend beige jasje met dito pantalon voor senioren. En dan beige gezondheidsschoenen eronder, met kleine gaatjes in het bovenleer. No way. Hoort dat bij de huidige oude garde of gaat de volgende generatie zich daar ook aan overleveren? Jongens, blijf trouw aan je eigen stijl!

Van de Volkskrant naar Trouw

Zeg je ‘Nee’, dan krijg je er twee.

Sommige mensen wisselen na elk proefabonnement van krant. Ik niet. Ik ben zo’n hondstrouwe abonnee die jarenlang dezelfde houdt, namelijk de Volkskrant. Die is er bij mij met de paplepel ingegoten. Thuis hadden mijn ouders hem; het was een katholiek blad. Maar nu stap ik over. Voortaan lees ik Trouw.

De bezorger zal er vast aan moeten wennen, en ik evenzeer. Al ben ik eerder kortstondig ‘vreemd gegaan’. Zo experimenteerde ik jaren geleden met het Parool en met het Leidsch Dagblad. Ook in het buitenland had ik andere kranten. Tijdens mijn verblijf in Perth (WA) las ik de The West-Australian. En in Kenia kocht ik zaterdags The Daily Nation. Die laatste was veertien jaar geleden, dus zo lang heb ik geen andere krant meer gehad dan de Volkskrant.

Vanwaar die overstap? De Volkskrant speelt soms in op emoties, zodat ik denk: ‘Wat een schande!’ De volgende dag volgt er dan een artikel met nuancering. Ook laat de krant weleens een mening doorschemeren, terwijl ik objectiviteit wens. Verder zie ik herhaling. Columnisten hebben hun stokpaardjes en de nieuwskeuze is selectief. Waarschijnlijk geldt dat voor iedere krant, maar ik wil weer wat variatie en alternatief nieuws.

Daarbij bevat de Volkskrant uitgebreide rubrieken over kunst, mode, wonen, lifestyle, eten en literatuur. Die zijn vast boeiend voor Amsterdamse yuppen, maar minder afgestemd op mijn leefwijze, smaak en budget.

Waarom nu Trouw? Nou, gewoon. Een voormalige collega was positief over deze krant. Daarom kocht ik als proef een paar zaterdagedities. En wat bleek: Trouw straalt een zekere rust uit te midden van al het tumult. Het lijkt alsof deze krant nieuwsonderwerpen evenwichtiger belicht.

Of, zoals in de bevestiging staat:
‘Een krant die elke dag nieuws en achtergronden brengt, zonder sensatie. Die feiten en meningen scheidt en het nieuws op een constructieve manier brengt. Vanzelfsprekend besteden we veel aandacht aan religie, filosofie en duurzaamheid. We stellen vragen over belangrijke ontwikkelingen in het nieuws en zoeken ook naar de antwoorden. Op deze wijze hopen we u evenwichtig te kunnen informeren en te helpen bij uw meningsvorming.’

Afijn, ik ben dus naar de protestanten overgelopen. Het zal wel even wennen zijn.

Verstandskies zorgt voor bloedbad

Een waarschuwing vooraf. Kan je niet tegen bloed, sla deze longread dan over. Maar hou je wel van een gruwelverhaaltje op zijn tijd, dan zit je hier prima.

Gisteren moest ik naar de kaakchirurg voor het trekken van mijn laatste verstandskies. De tandarts durfde deze ingreep zelf niet aan. Op foto’s kon ze namelijk zien dat de wortel eronder krom was. Ik heb eerder meegemaakt dat het een (vrouwelijke) tandarts bijna niet lukte om een kies te trekken. Die dingen zitten muurvast. Het werd toen zo een gesjor en gekraak, dat ik serieus vreesde voor een ontwrichte kaak.

Dus toen mijn huidige tandarts haar twijfel uitsprak, zei ik meteen dat een voorgangster er ook al zo’n moeite mee had gehad. Dit om haar over de streep te trekken. Want ze vreesde dat de kaakchirurg haar uit zou lachen vanwege de doorverwijzing voor een kleine ingreep. Maar na mijn opmerking was de keuze snel gemaakt. Vandaar dat ik gisteren voor het eerst het Rijnstate Ziekenhuis in Arnhem betrad.

Sinds mijn verhuizing, nu vier jaar geleden, wil ik al weten hoe dit ziekenhuis van binnen is. Qua doolhof is het vergelijkbaar met het LUMC in Leiden. En ook hier is een restaurant; altijd handig. Ik moet nog wel ontdekken of ze even lekkere pecanbroodjes hebben als in Leiden. Dat kwam er deze keer niet van. Je gaat tenslotte met een schoon gebit naar de kaakchirurg en na de ingreep had ik wat anders aan mijn hoofd.

Het trekken zelf valt mee. Je wordt verdoofd, en goed ook. Mijn andere drie verstandskiezen werden circa veertig jaar geleden getrokken. Toen ging het er nog Spartaans aan toe. Ik kan mij uit die tijd geen verdoving herinneren en ben dus wel wat gewend. Toch heeft zelfs een kleine lichamelijke ingreep impact. Het voelt achteraf alsof je bent gemangeld. Dat merk je vooral wanneer direct daarna iets wordt uitgelegd. Probeer je aandacht er dan maar eens bij te houden.

In rap tempo gaat de uitleg over een dikke wang en ijsblokjes en er is iets met pijnstillers. Ook krijg ik een spuitje met een krom tuitje mee. Dat laten ze even zien voordat het in een envelop gaat en daar moet ik de wond mee uitspuiten. Alleen: vanaf wanneer ook al weer? Verder moet ik spoelen, want er kunnen etensresten in de wond komen. Hier mag ik echter niet meteen mee beginnen. Iets met stolsels en een genezend wondje, even een dagje wachten en dan een week lang ongeveer. En ik krijg een receptje mee voor twee dingen plus een foldertje waar alles in staat, dus kan ik het thuis rustig nalezen allemaal. Nu eerst op dit watje bijten en dat een half uur laten zitten. Iets met de druk erop houden, het is nu tien uur dus om half elf mag het er weer uit.

Zo, klaar, handje geven maar. De kaakchirurg in opleiding veegt nog snel een paar bloedspetters van mijn gezicht voordat ik de deur uitga.

Eenmaal buiten voel ik mij licht in het hoofd. Mijn wang is nog goed verdoofd, maar ik proef bloed. Ook kan ik het stugge watje met mijn tong voelen. Ik hou mijn kaken stijf op elkaar en mijn mond dicht wanneer de bus arriveert. Meer dan een knikje naar de chauffeur zit er niet in. Gelukkig is er eten genoeg in huis en hoef ik slechts langs de apotheek, want de linkerkant van mijn gezicht is dik en strak van de verdoving. Zodra de verdoving uitwerkt, zal het pijn gaan doen.

Thuis gaat dat bloed doordrenkte watje er gelijk uit en zet ik meteen koffie. Wat ben ik daar aan toe, zeg. Met kleine nipjes probeer ik de vieze bloedsmaak zo goed mogelijk uit mijn mond te spoelen, zonder dat de koffie de pas gehechte wond raakt.

Er hangt iets rubberachtigs in mijn wang bij het gat dat de kies achterliet. Ik kan erop kauwen zonder dat het loskomt. Misschien is er tijdens de behandeling een stuk huid van mijn wang geschaafd. Door gevoelloosheid en de stijfheid van mijn kaak kan ik moeilijk nagaan wat het is. Maar wanneer ik voorover buig, voel ik nieuw bloed mijn mond in stromen. Oei.

Vanaf dat moment verandert de dag in een lange hindernissenbaan. Want er moet gegeten worden. Het is inmiddels half twaalf en ik lunch graag warm. Ook wil ik het meeste van mijn dagelijkse eten vroeg binnen krijgen. Dan kan de rauwe wond de rest van de dag ongestoord genezen. Soep laat ik staan; daar zit te veel bijtend zout in. Maar een smeuïg stamppotje van aardappels, peen, snijbonen en stukjes hamburger gaat prima. En het verdringt de overheersende smaak van bloed enigszins.

Tijdens de afwas sijpelt er opnieuw bloed in mijn mond en weer voel ik die rubberachtige sliert. Wat is dat toch? Inmiddels kan ik mijn kaken wat verder open doen, dus loop ik naar de spiegel. Wat ik daarin zie, is een werkelijk gore bedoening.

Die rubber flubber is een langgerekt stuk bloedstolsel dat over mijn kiezen hangt. Langs mijn wang en over mijn tanden slingeren taaie bloederige slierten en vliezen. En mijn hele mond is rood. Alsof je een vraatzuchtig monster in de bloed besmeurde bek kijkt. Nu smaakt dat bloed nóg viezer.

Ik word enigszins onpasselijk en wil acuut van die troep in mijn mond af. Maar in het foldertje staat dat je op de behandeldag geen wond mag uitspoelen. Wat nu? Nogmaals probeer ik die flubber door te kauwen, maar het spul is te flexibel. Het alternatief is doorknippen met een schaar. Dat blijkt makkelijker gezegd dan gedaan.

Ga maar eens in een bloed doordrenkte mond naar een glibber glad aanhangsel graaien terwijl je je kaken nog niet ver uit elkaar kan houden. Voor de zekerheid doe ik het boven een grote wasbak. Het wordt namelijk een erg bloederige toestand en ik wil de vloer schoon houden. Mijn kleding en de rest van de badkamer trouwens ook. Uiteindelijk lukt het om een flink stuk van die flubber af te knippen. Verder moet ik direct na het eten mijn tanden poetsen, zo staat er in het foldertje. Daarvan zal ik je de details besparen. (De badkamer is weer grondig schoon geboend.)

Gelukkig stopt het bloeden. Nu kan ik rustig naar de apotheek wandelen, al durf ik mijn mond niet open te doen. Zonder verder bloedvergieten maak ik gelijk een ommetje. ‘s middags voel ik nogmaals wat bloed mijn mond in sijpelen. Waarschijnlijk omdat ik toch een beetje heb gespoeld. De nare smaak blijft en de flubbertjes komen steeds terug. Na twee boterhammen gedrenkt in warme melk plus een poetsbeurt voel ik opnieuw wat bloed vloeien. Ook dat gaat voorbij.

Later, het is intussen half tien ’s avonds, gaat de wond alwéér bloeden, en sneller ook. Echt, dit is een klassieker. Mijn lichamelijke klachten worden altijd erger op vrijdagmiddag, ’s avonds of in het weekend. Ik kan dus niet meer naar de huisarts toe. Wat nu? Bij eerder getrokken kiezen had ik dit probleem niet en het foldertje zwijgt over bloedingen. Daarom raadpleeg ik internet. En ja hoor, nabloedingen komen vaker voor. Het advies: dertig minuten op een gaasje bijten of de dokter bellen.

Ik ga voor het gaasje. Alleen heb ik enkel oude gaasjes; weliswaar in originele verpakking. Hopelijk zijn ze schoon genoeg. Het gaasje bevat vermoedelijk ontsmettingsmiddel en dat smaakt eveneens goor. Nu proef ik dus twee soorten goor; eentje links en eentje rechts. Als het maar niet giftig is bij inwendig gebruik … Gatver, wat is dit allemaal naar. Het bloeden lijkt in elk geval te stelpen. Onderhand ben ik het helemaal zat en wil ik naar bed toe.

Helaas. Wanneer het half uur voorbij is en ik het gaasje weg haal, trek ik iets los en bloedt de wond weer! Daar word je toch niet goed van? Weer die vieze smaak, weer die walgelijke bloedstolsels, weer dat gore gedoe. Ik weet wel dat ik nooit bokser ga worden, met al dat bloed. En voorlopig hoef ik ook geen gebakken bloedworst meer.

Half elf ’s avonds. Ik vraag me ernstig af wat te doen. Mijn moeder heeft me bijgebracht dat dit soort dingen meestal vanzelf over gaan. We gingen vroeger niet snel naar de dokter toe. Oké, even rustig aan doen dan.

Ik ga in bed liggen, op mijn rug. Zo blijft het bloed goed binnen. Scheelt weer een extra was. Door de liggende houding stroomt het bloed wel vlotter naar mijn hoofd. Toch opzitten maar, al is dat minder prettig. Langzaam neemt het sijpelen af. En langzaam worden de stolsels groter. Ik word er gewoon misselijk van.

Nu breekt het uur van de duisterste gedachten aan. Ik denk aan verhalen over popsterren, die dronken stikten in hun eigen braaksel. Of waren het criminelen, die stikten in hun eigen bloedstolsels? Kan ik zo wel gaan slapen? Wat als dit onschuldig lijkt, maar straks helemaal misgaat? Hoeveel bloed verlies ik eigenlijk? Ik moet het elke minuut wegslikken. Heel voorzichtig probeer ik de langste bloedslijmdraden toch weg te knippen, waar dat kan.

Half twaalf  ’s avonds. Het vloeien is minder, maar nog steeds niet volledig gestopt. In de gemeentegids staat waar ik eventueel terecht kan voor spoedhulp. Het ziekenhuis in Arnhem. Dat betekent twee bussen nemen via het Centraal Station. De laatste bus uit ons dorp vertrekt nu. Bij de buurvrouw brandt nog licht. Zal ik naar haar toe gaan? Of zal ik toch maar rustig blijven liggen, met mijn hoofd hoog op een kussen? Ik wil haar de rompslomp van een semi-nachtelijk ziekenhuisbezoek niet aandoen.

Afijn, om een lang verhaal kort te houden: het is nu de volgende dag en ik leef nog steeds. Ook is het bloeden gestopt. Er zit alleen zo’n vieze gore flubberige bloedprop in mijn mond. Straks moet ik eten. Als mij dat fataal wordt, merk je het vanzelf aan de stilte op dit blog.

Het ultieme uitstelgedrag

Er kunnen een heleboel redenen zijn waarom je een bepaalde activiteit steeds uitstelt. Bijvoorbeeld:

  • Je hebt er geen zin in, het is moeilijk.
  • Het líjkt je moeilijk. Je vindt het spannend en een beetje eng.
  • Het is een rotklus.
  • Je doet het altijd al en nu moet een ander het maar doen.
  • Je hebt de juiste spullen niet in huis.
  • Het regent, de zon schijnt, het waait, het is koud, het is ver weg.
  • Je hebt net de bus gemist en nu hoeft het voor jou ook niet meer.
  • Je voelt je een beetje zwakjes, je bent moe.
  • Je bent eindelijk thuis (mag jij ook eens lekker op de bank hangen?)
  • Je wil eerst nog even dit doen en je moet ook nog even dat andere doen, en verder …
  • (Waarom lost het zich trouwens niet vanzelf op?)
  • En nee, je doet het nu niet, want anders gaat je humeur naar de knoppen.
  • Je moet er voor in de stemming zijn, Echt, je merkt vanzelf wel wanneer de tijd daar rijp voor is. (Nu nog even niet, dus.)
  • Et cetera, et cetera, ad invinitum.

Uitstelgedrag, daar ben ik soms extreem goed in.

Vandaag was het weer zover. Eigenlijk moet ik een stukje raamkozijn verven. De verf staat al twee maanden op tafel. De kwast ligt ernaast. Er ligt zelfs al een krantje bij, om een paar tegels mee te bedekken. Maar ja.

Voor vandaag had ik het in mijn agenda gezet. Met potlood, dat wel. Ik had deze activiteit namelijk al twee keer eerder verschoven en als ik het dan met pen in mijn agenda heb gezet, wordt het zo’n zooitje.

Vandaag wou ik dus weer niet. Mijn ‘geen zin hebben’ was zo erg dat ik mij in allerlei bochten begon te wringen. Zo erg zelfs, dat ik iets heb gedaan wat ik al twee jaar lang heb afgehouden. Zo’n klus waarvoor ik mezelf letterlijk aan de haren naar mijn laptop moet slepen en waarbij ik tegen mezelf moet zeggen: ‘Zo, en nú ga jij die brief schrijven. En je mag niet van je plek af voordat die brief klaar is.’

Vandaag heb ik niet geverfd, maar wel gebeld. Want ik zag zowaar iets aardigs. Ik heb zelfs de brief geschreven en verstuurd. De sollicitatiebrief. De eerste weer in ruim twee jaar tijd.

Zó ontzettend erg was mijn ‘geen zin hebben’ in die verfklus dus.

Privé-onderwerpen op internet

‘Ik heb me ook weleens afgevraagd waar het goed voor is dat ik al die persoonlijke dingen deel. Stond ik nou mijn verleden uit te venten? Uiteindelijk vond ik van niet. Je kunt alleen maar iets op een podium vertellen als het al is verwerkt. Het blijken vaak je mooiste stukken te zijn. Daarnaast vind ik het een sport om met een botte bijl op mijn zwaktes in te hakken, waarbij ik zo eerlijk mogelijk probeer te zijn. Dat voelt al veel minder privé. Hoe meer privé iets is, hoe meer het voor iedereen geldt. Tijdens het schrijven aan een voorstelling verkeerde ik vaak in de veronderstelling dat mijn gevoel uniek was en dan kwamen er na de voorstelling allemaal mensen naar me toe die zeiden dat ze het zo herkenden.’

Ingekort citaat van cabaretier Emilio Guzman in een interview met Susan Smit in Happinez, nummer 8, 2017.

Als blogger herken ik vrijwel alles van wat Emilio zegt. Jij ook?
En zo ja: lukt het je om privé-kwesties voor jezelf te verhelderen en te verwerken doordat je erover blogt?

Aha, dat zit natuurlijk zo!

Meningen op basis van veronderstellingen hebben we allemaal. Naarmate onze levenservaring uitbreidt, denken we het steeds beter te weten. Veel situaties hebben we tenslotte al eerder voorbij zien komen. We zien de acties van een ander en vinden al gauw een verklaring binnen ons referentiekader. Dus combineren we handeling A met gegeven B en veronderstellen we dat daar C uit zal komen. Hebben we de uitkomst te pakken, dan zijn we content. ‘Dat zit natuurlijk zo.’, denken we. Daarna gaan we achteloos verder.

Ik betrap mezelf soms op veronderstellingen, terwijl ik heilig geloof in de ‘Is dat zo?’-vraag. Neem mijn buurvrouw. Toen ze de sleutel kreeg van haar woning, stuitte ze op grote verborgen tekortkomingen. Ze was net gescheiden, het werd winter en noodgedwongen bivakkeerde ze in een stacaravan. Toch bleef zij de vrolijkheid zelve. Ze bood elk probleem moedig het hoofd en klaagde nooit.

Toen dacht ik: ‘Wat kan je anders? Je kan wel gaan janken, maar wat helpt dat? Trouwens, als je net een nieuwe woning hebt, zit je op een roze wolk. Valt het zwaar tegen, dan wordt je nog door een soort verliefdheid beschermd. En anders laat je je toch niet kennen. Zeker niet tegenover je nieuwe buurvrouw.’

Voor mij was al duidelijk hoe het zat. Maar onlangs deed ik een bakkie bij haar en daarbij kwam haar jeugd ter sprake. Ze vertelde dat ze negen jaar van haar kindertijd heeft doorgebracht in de brousse van Zaïre (nu Congo-Kinshasa). Had ze kiespijn, dan moesten ze over onbegaanbare wegen naar de tandarts in buurland Oeganda. En ik dacht: ‘Donker Afrika in de jaren zestig/zeventig! Als je ergens flexibel leerde omgaan met tegenslag, was het daar en toen wel. Dit verklaart alles.’

Hardop legde ik de link met haar begintijd hier en haar jeugdjaren daar. En inderdaad beaamde ze dat haar pragmatische levenshouding daaruit voortkwam. Echt, we kunnen nog zo veel leren; ook van het leven in Afrika.