De strijd om het riool

Vandaag heb ik gelogen. Het gebeurde niet expres; mijn geheugen is gewoon zo waardeloos. Ik vertelde tegen de jurist van de omgevingsdienst dat ik hier morgen precies vier jaar woon. Maar het jubileum was drie dagen terug, zag ik op Raam Open. Nou, morgen ga ik toch mooi gebak halen.

Vandaag moest ik die jurist weer bellen. Dat moest van mijzelf. Er was weer een deadline verstreken en een verlengde termijn. Die termijn wou ik niet laten verlengen, maar dat heeft de juriste van de buurman bewerkstelligd. Die luizige … Afijn. Zo ver is het dus gekomen. Wie had dat kunnen voorzien toen ik hier kwam wonen, vier jaar minus drie dagen geleden?

We zijn er bijna. Ik moet nog even volhouden. Alleen duurt dat ‘even’ altijd te lang. Sinds we vorig jaar november de oorzaak van de rioolproblemen ontdekten, zijn er zeven maanden verstreken. Zéven maanden.

Het vergt nogal wat van mij, deze toestand. Ik moet constructief blijven en eerlijk zijn. Ik moet strategisch denken en anticiperen. Ik moet mensen bespelen en manipuleren. ’t Is niet anders. Ook moet ik steeds afwegen: zet ik nu mijn professionele zelf in, of moet hier wat meer emotie bij?

Ik moet begrip tonen, redelijk zijn. En zorgen dat dat niet te veel doorslaat naar begrip voor de andere partij. Ik moet dicht bij mezelf blijven en elke seconde mijn belang voor ogen houden. Ik moet vasthouden, doorzetten en van mij af bijten. Ik moet opgewassen zijn tegen een juriste die minimaal vier jaar rechtenstudie heeft gedaan en ik nul.

Ik moet het hebben van mijn vernuft (waar hangt dat uit als je het nodig hebt?), en van mijn creativiteit, als het gaat om argumenten. En voortdurend moet ik in de gaten houden hoe de hazen lopen op een voor mij onbekend terrein.

Ik moet mijn hoofd koel houden, hoe kwaad ik ook ben. Want ja, ik snap waarom ze het doet. Maar tegelijk ben ik zo verontwaardigd over die andere juriste, van de tegenpartij. Hoe háált ze het in haar hoofd om vrijwillig iemand te verdedigen die bekend staat om zijn egoïsme en zijn eigenzinnigheid? Iemand die zijn buren zo heeft voorgelogen?

Een buurvrouw verderop in de straat heeft letterlijk aan mij gevraagd ‘of het voor mij wel uit te houden was naast hem.’ Nou, gek genoeg wel. Het is hier zeer goed wonen.

Nog even doorbijten dus. Dan wordt de eerste van die kwesties hopelijk eindelijk getackeld. Als alles goed gaat. Als hij niet wéér gelogen heeft en de jurist van de omgevingsdienst er in is getrapt. En als die jurist niet van mening verandert. Want je weet nooit. Ook hij wordt bespeeld door de juriste van de tegenpartij. Een vrouw. Dit is feitelijk een catfight en we zullen zien hoe dit eindigt.

De buurman zal mij nergens over informeren. Maar ik weet genoeg als de auto van de rioolserviceman voorrijdt: een zwarte Dodge RAM.

Over een overlijdensbericht

Terwijl ik een logje schrijf, verschijnt er een overlijdensbericht. Het komt van de organisatie waarmee ik vaak op pad ga. Een van de vrijwillige organisatoren van wandeltochten is overleden. Zijn naam klinkt mij bekend, al was de laatste van drie wandelingen met hem vier jaar geleden. Ik had toen geen idee wat er speelde.

Had ik echt geen idee? Was er niets over bekend? Of heb ik signalen en opmerkingen gemist, die een hint hadden kunnen geven?

Hoe goed ken je iemand waarmee je toevallig een dagje samen oploopt? Vaak praat je onderweg wat langer met een of twee mensen in de groep. Soms gaan die gesprekken regelrecht de diepte in, omdat je belangrijke raakvlakken deelt. Met deze man heb ik geen persoonlijke gesprekken gevoerd, denk ik. Maar helemaal zeker weet ik dat niet meer.

We hebben wel over zijn hondje gesproken. Of liever: het hondje van een oude dame dat hij die dag uit wandelen meenam. Vrijwillig, omdat zij er vanwege haar gezondheid niet meer toe kwam. Voor dat hondje was het een groot feest. Ik schreef zelfs een logje over dat beestje, waar de nu overleden man ook terloops in voor kwam. Vorig jaar heb ik dat van Raam Open gehaald. Nu is het net alsof het nooit heeft bestaan.

Bij een andere groepswandeling kwamen we hem in een heideveld tegen. Meerdere mensen uit onze groep kenden hem. We zeiden gedag tegen hem, en achteraf tegen elkaar: ‘Dat is E. Da’s een sympathieke man. En heb je S. weleens gezien? Het hondje dat hij steeds meebrengt.’ Ja, S. kenden we ook allemaal.

Hij was vier jaar ouder dan ik en geboren in Perth, Australië. Ik herinner mij niet dat die stad ter sprake kwam op onze wandelingen. Terwijl Perth wat mij betreft wel een raakvlak was. Misschien was ik tijdens de derde wandeling met mijn gedachten te veel bij mijn nieuwe woonplaats to be. Want hier, op nog geen 500 meter van mijn huidige woning, begon onze laatste gezamenlijke wandeltocht. Het was twee maanden voor de verhuizing. Wist ik veel wat er toen al bij hem speelde.

Kon ik het weten? Viel er niets aan de blik in zijn ogen af te lezen?

Littekens aan de binnen- en de buitenkant

Stel dat al onze littekens en bloeduitstortingen zichtbaar zouden zijn en blijven. Daaraan denk ik aan terwijl ik voor de spiegel sta. De open wond die mijn verstandskies achterliet, heelt langzaam. De zwelling in mijn wang en een bloeduitstorting op mijn kaak zijn gelukkig verdwenen. Vorige week liep ik met dat gezicht op een feest rond. Niemand zei er wat van. Opmerkelijk. Zag men het niet of wekte het gêne op? Want littekens en blauwe plekken duiden doorgaans op iets onaangenaams.

Littekens op de huid zijn het ongewenste resultaat van vechtpartijen, ongelukken, sportblessures, operaties en dergelijke. Andere zichtbare littekens brengen mensen vrijwillig aan. Scarificatie is versiering, een teken van rang of rite de passage binnen een cultuur. Vergelijk het met tatoeages. Daar gaat een diepere betekenis achter schuil.

Sommige littekens zijn echter een roep om aandacht. Die wijzen op andere littekens aan de binnenkant. Ik vermoed dat de meeste mensen meer inwendige littekens hebben dan uiterlijk. Stel nu dat al onze fysieke en mentale littekens permanent zichtbaar zouden zijn. Zouden we dan anders met elkaar omgaan?

Vroeger was het tenslotte normaal dat een weduwe in het zwart gekleed ging. Dan kon iedereen zien dat zij in de rouw was en daar rekening mee houden. In de Volkskrant van 28 mei 2019 staan portretten van de Mongrel Mob uit Nieuw-Zeeland, gemaakt door Jono Rotman. De meeste bendeleden zijn Maori, nakomelingen van de oorspronkelijke bevolking daar. Tatoeages zijn bij hen van oudsher gangbaar. Net zoals bij alle Polynesische volkeren, waartoe ook de Maori behoren.

Ik zie provocatieve, maar vooral zwaar gehavende mannen. Ze rouwen allemaal. Alleen zijn hun echte littekens hier niet zichtbaar.

Effect van een straatfoto zonder mensen

‘Het zijn mensen die deze structuren construeren en gebruiken. Op jouw foto’s ontbreken die mensen, daardoor ontbreekt wellicht iets heel essentieels.’ Dit schrijft Jan Jaap als reactie op Stadsfoto’s als uitdaging met foto’s van het Liander-kantoor. Bedankt, Jan Jaap. Ik hou wel van zo’n opmerking, want je zet mij en wellicht ook anderen aan het denken. Zoals gezegd, heb ik mensen uit beeld gelaten vanwege privacyregels. Verandert daardoor ook de essentie van een tafereel? Hm. Mijn gedachten meanderen naar het volgende.

Liander kantoor Arnhem straatkunst fotografie 1De foto toont een momentopname en een uitsnede van wat we waarnemen. Het is de werkelijkheid zoals ik die daar wel vaker zie, bijvoorbeeld in het weekend. Dan lopen er doorgaans geen mensen in of uit het gebouw. Kom je hier op maandagochtend rond 08:30 uur, dan is het een levendige boel. Er passeren dan ook veel schoolkinderen en forenzen. De school en het station zijn vlakbij. Nu kan de foto in een zojuist ontruimde stad genomen zijn.

Deze foto’s zijn niet geregisseerd, maar het beeld wijzigde wel doordat ik ze nam. Een naderende man aan de overkant zag dat ik wachtte op een goed moment. Daarom stak hij de weg over. Hij was vlakbij, maar je ziet hem niet.

De foto doet mij denken aan schilderijen van Edward Hopper. Die zijn doorgaans spaarzaam bevolkt of zonder levend wezen. Als er mensen zichtbaar zijn, dan vaak alleen. Of ze stralen eenzaamheid uit, verlatenheid. Overgeleverd aan hun eigen gedachten, lezend, in hun eigen fysieke wereld.

Edward Hopper speelde in zijn schilderijen met ramen, waardoor je naar binnen of naar buiten kijkt. Misschien zit er een eenzame portier achter een raam op mijn foto. Dan blijft hij onzichtbaar door de weerspiegeling van de wolken in het glas.

Even een alternatieve gedachte. Denk aan een foto van een mensenmassa, waarop slechts één persoon recht in de lens kijkt. Dat is de enige persoon met wie we contact hebben. Of is het de fotograaf zelf, die kijkt naar de camera op een statief? Of je je wel of niet in een mensenmassa bevindt; dat maakt soms geen verschil voor hoe je een moment of situatie ervaart.

Wat gebeurt er eigenlijk wanneer mensen wel herkenbaar op foto’s staan? Vaak wordt onze blik al snel naar de gezichten van die mensen getrokken. Straten en gebouwen vormen dan slechts een achtergrond, een context. We bedenken vervolgens een verhaal: wie die mensen zijn, wat ze daar doen en waarom. Zo verschuift het perspectief en de betekenis.

Als voorbeeld plaats ik alsnog een foto met passanten. (Hopelijk word ik niet aangeklaagd. 😉 )

Reiger in de Jansbeek centrum Arnhem3

Vergelijk nu eens de uitsnede van deze foto bij Reiger ontdekt Arnhemse Sint Jansbeek. Dan zie je direct het effect van de aanwezigheid van deze mensen. Want op deze volledige foto is de reiger in de beek veel minder prominent dan in mijn logje.

We kijken waarschijnlijk langer naar de twee mannen met het kleine meisje links op de voorgrond. Zij trekken de aandacht. Wie zijn die mannen? Wat is hun relatie tot dit kind? Is de moeder in de buurt? Nemen ze dat meisje ergens naartoe? Of windt dat meisje juist die mannen om haar vingers? (Dat laatste was zeker het geval. Daarom glimlachen de man en de vrouw achter dit drietal.)

Nu terug naar mijn werkelijkheid. Op het moment dat ik deze foto nam, was ik gefixeerd op die reiger. Ik wilde zo dichtbij mogelijk komen, zonder het dier te storen. Dit mede om ervoor te zorgen dat hij zou blijven staan. Ik registreerde mentaal wel de aanwezigheid van die mannen en het kind. En ik merkte dat er iets grappigs voorviel. Maar ik zag hen nauwelijks. Dat kwam later, toen ik thuis de foto bekeek. Daarop zag ik pas hoe de mannen opgingen in hun spel met het meisje én dat zij toeschouwers hadden. Zonder foto had ik die toeschouwers niet opgemerkt.

Misschien kijken we allemaal wel naar iets anders wanneer we dezelfde werkelijkheid zien.

Wat zijn jouw gedachten bij straatfoto’s zonder mensen?

Hij denkt dit en zij denkt dat

Ruim twee maanden geleden koos ik voor vertrouwen. Wat kon ik anders? Ik had al getekend. Maar die angst, dat voorgevoel, is zo terecht gebleken. Want hoe gaat zoiets?

Hij denkt: Die opdracht is binnen, ze heeft getekend. En die planning? Nou dat zien we nog wel. Ze wacht maar, en als ze moeilijk gaat doen, dan moet ze maar effe dimmen. Ik heb duidelijk genoeg gezegd dat ik geen datum kan noemen. In ons werk zijn we nu eenmaal weersafhankelijk. En verder heb ik nog kans op andere klussen. Alleen hoeft zij dat niet te weten. Ze wacht maar, ook als het later wordt dan eind mei. Dit ga ik wel fiksen. Particuliere klanten moeten gewoon niet aandringen.

Zij denkt: Ik heb getekend, maar het zit mij niet lekker dat er geen uiterste datum van uitvoering is vermeld. Dit is geen SMART-afspraak. Je weet toch dat er nu een kans op problemen ontstaat. Ik hou gewoon niet van losse eindjes. Als planner zorg je altijd dat alles geregeld is met afspraken die voor iedereen helder zijn. En deze man, dat is nogal een baas zeg. Er kan geen lachje af, en redelijke argumenten werken evenmin.

[Weken gaan voorbij.]

Hij denkt: Druk, druk, druk. Oh, en die vrouw? Nou die wacht maar.

Zij denkt: Ik hoor niets. Ik zal maar eens gaan bellen.

[Zij belt.]

Hij denkt: Daar heb je dat gezeik al. Wil ze weer globaal weten wanneer je de klus uitvoert. Ik heb toch gezegd dat dat weersafhankelijk is.

Zij denkt: Zie je wel, dit gaat mis. Ik voel het aan alles. Die houding van hem deugt gewoon niet. Meteen van zich af blazen, meteen zich groot maken en alle ruimte innemen. Jij moet naar hem luisteren. Jij moet voor hem begrip opbrengen. Naar jou luistert hij niet. En jouw situatie interesseert hem niet. Dit is echt weer zo’n man die een vrouw wel even op haar plaats zet.

[Maar zij denkt terug aan die van angst doordrenkte algemene voorwaarden, en ze praat op hem in. En ze toont begrip. Ze doet dat geruststellend, net zo lang tot hij kalmeert. Alles om hem maar het gevoel te geven dat hij de touwtjes in handen heeft. Want anders gaat dit mis. En hij geeft een globale planning.]

[Nog meer weken gaan voorbij en de datum van de voorlopige planning nadert. Hij heeft het druk en hij weet dat zij nog wacht. Maar hij mailt haar niet en hij belt evenmin.]

Zij denkt: Ik wist het wel, hier moet ik weer achteraan. Hij doet niks. Ik moet een berichtje schrijven, want bellen is waarschijnlijk al te confronterend. Gevoelig als hij is voor het woord ‘planning’. Als ik dat uitspreek, slaat hij meteen op tilt. En het woord ‘afspraak’ gebruik ik liever helemaal niet.

[Dus is ze zeker een half uur bezig met het vinden van de juiste formulering in een e-mailtje van twee zinnen.]

Ze drukt op ‘send’ en denkt: Ik ben benieuwd.

Hij leest haar bericht en denkt: Heb je haar weer. Nu moet ik wel reageren. Nou, ze wacht maar, ik ben bezig met belangrijke zaken. Later pak je de planning er wel bij. Wat had je ook al weer tegen haar gezegd? Ach, maakt ook niet uit. Je zegt gewoon dat de jongens vrijdag komen. Wel onder uitdrukkelijk voorbehoud, want ze zijn nog bezig. Dat is die extra klus van die goede klant van je (de aannemer). Die gaat voor. Dat dit niks met de weersvoorspelling te maken had, geeft niet. Dat gaat haar geen moer aan.

Hij belt, en zij denkt: Zie je, het komt toch goed. Alleen kan je vanwege dat uitdrukkelijke voorbehoud en je eigen afspraak beter een andere datum voorstellen. Een maandag. Kijk eens aan. Het lukt nog ook!

[In de week voor de betreffende maandag geeft de weersvoorspelling voor die volgende week regen aan. Dat is echt waardeloos. Maar hoe verder de week vordert, hoe beter de weersvoorspelling wordt. Het is weekend. Ze heeft niets gehoord. Het gaat door.]

[Het is nog de donderdag in de week ervoor en hij krijgt een telefoontje van zijn goede vriend de aannemer. Of hij begin volgende week nog ff dat klusje wil afmaken. ‘Kan toch wel hé, ouwe makker?’ En hij zegt: ‘Ja joh, tuurlijk. Doen we.’]

Terwijl hij praat met de aannemer, denkt hij bij zichzelf: Ze wacht maar. En die materialen voor haar opdracht, die ga ik mooi niet bestellen. We zien wel wanneer er tijd is voor haar klus. Met de bouwvak in aantocht, voorlopig ff niet dus. Anders ligt dat materiaal hier maar en ik moet het vooruit betalen. Wel balen dat de weersvoorspelling beter wordt, want ik heb haar steeds gezegd dat de uitvoering van haar klus weersafhankelijk is. En nu blijft het droog. K.t! Maar dat regel ik wel met haar.

[Het is zondagochtend. Vandaag is hij de hele dag op stap.]

Alleen denkt hij: Ze weet nog van niets, ik moet haar nu wel mailen. Gewoon eerlijk zeggen dat je geen materiaal hebt besteld. Moet ze maar begrijpen. De weersvoorspelling leek toch de hele week slecht? Wat kan ze daar tegen inbrengen? En dat gezeur van haar over afspraken hoef ik niet. Ze weet toch dat dit werk weersafhankelijk is? Dat heb ik steeds gezegd. Nou dan. En ze moet vooral niet gaan aandringen en zaniken over ‘planning’. Ze went er maar aan dat ik bepaal wanneer het werk wordt gedaan. Ergens volgende week of de week daarna, of zo. Misschien. Als het weer het toelaat. Alles onder uitdrukkelijk voorbehoud.

[Het is zondagochtend rond half elf. Ze opent haar e-mailprogramma en leest zijn bericht.]

Nee zeg, denkt ze. Het kan niet anders of hij wist dit vrijdag al, of donderdag zelfs. Nu valt er niks meer te regelen voor maandag, want hij heeft zijn mannen al lang ergens anders ingepland. En dan doodleuk geen materiaal bestellen, terwijl de offerte is getekend. Neemt hij mijn opdracht niet serieus, soms?

[Ze mailt, laat enige ergernis blijken, en doet nog een alternatief voorstel.]

Constructief blijven, denkt ze, als hij nu alsjeblieft volgende week die klus kan doen. Dan zijn we er van af. God mag weten wat me nog te wachten staat als blijkt dat er meerwerk nodig is en hij gaat dicteren wat ik moet accepteren. Normaal overleg is onmogelijk met deze man en ik hou het bijna niet meer vol om nog langer redelijk te blijven.

[Zondagavond. Hij leest haar bericht en belt haar.]

[Naschrift:]

Ze had nooit mogen laten blijken dat ze niet blij was. Ze had al helemaal niet mogen zien dat hij zich vergist had. Dat kan niet, bij dit soort mannen. Want dit soort mannen zijn de baas en vrouwen moeten maar luisteren. Het ligt nooit aan hen. Het ligt aan vrouwen, die niet moeten aandringen over een planning. Hij had toch gezegd dat het werk weersafhankelijk was? Zij moet maar begrip opbrengen, voor hem.

Het werd een onaangenaam gesprek.

Dus toen hij zei dat hij dacht dat het aan botsende karakters lag (wat een inzicht!), en hij zei dat zij de opdracht desgewenst kon intrekken, en zij daarna een seconde stil was en zei dat haar dit een goed idee leek, en hij vervolgens een seconde stil was, omdat hij dit niet verwacht had, en hij daarna weer op een nogal aanvallende manier met verwijten kwam … toen zei zij, zonder dat ze nog langer hoorde wat hij zei: ‘U heeft gelijk, u heeft gelijk, u heeft gelijk.’

Want dat willen zulke mannen horen. Toch? Anders krijgen ze weer last van hun emoties.

Weten wanneer je teveel bent

dicht bij elkaar

Getweeën wandelen we in de staart van de groep. Kort daarvoor hebben we ontdekt dat we een passie delen voor schilderkunst en fotografie. We vertellen elkaar hoe we tewerk gaan, als vakzusters, zeg maar. Het is echt een onderonsje. Zo’n gesprek waar je even geen anderen bij wil hebben. Gewoon, omdat je weet dat zij het onderwerp in een afwijkende richting zullen trekken. Zodra dat gebeurt, is de ‘betovering’ voorbij.

Mensen die een inbreuk maken; dat maak je vaker mee tijdens groepswandelingen. Het kan heel subtiel gebeuren, een beetje gewiekst, of onbeholpen. Soms is gedrag beslist ergerlijk. Dan wringt iemand zich er met alle geweld tussen. Andere keren heeft het iets aandoenlijks. Dan kan iemand slechts zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen. Er zijn ook mensen die charmant een oprecht belangstellende vraag stellen. Dat werkt effectiever.

Deze keer gaat het zo. We wandelen naast elkaar op een breed zandpad. Links en rechts is nog ruimte. Een andere vrouw komt vlak voor mij lopen en luistert duidelijk mee. Soms zegt ze iets tegen mijn gesprekspartner. Ik moet mijn pas nu een beetje inhouden, anders raak ik haar hielen. Zo weinig ruimte laat ze mij.

Dit noem ik de passief-agressieve manier van inbreuk maken. Want als ik er niets van zeg (met een geintje of waarschuwing), vergroot ik automatisch de afstand tussen haar en mij. Dan ga ik iets meer naar achteren lopen. Dat is precies haar bedoeling. Want zíj wil op mijn plek wandelen en met mijn gesprekspartner praten. Helaas voor die vrouw houdt mijn gesprekspartner bij vertraging gelijke tred met mij.

Ik weet het. Het is te kinderachtig voor woorden, maar dit is hoe volwassenen met elkaar omgaan.

De onbeholpen manier is een stuk onschuldiger. Deze keer is er achter ons nóg een vrouw stilletjes bij gekomen. Het is een wat verlegen type en zij loopt zwijgend mee. Vermoedelijk wil ze slechts meeluisteren. Mij stoort ze daar niet mee.

Mijn gesprekspartner en ik hebben allebei een zachte stem. Dus moet die vierde vrouw wel heel dichtbij komen om ons gesprek te volgen. Het gevolg is dat ze per ongeluk op mijn hiel trapt en ik in een schrikbeweging een grotere stap maar voren maak. Hard tegen het been aan van de vrouw vlak voor mij.

Waarheid in zorgvuldigheid

Hoe zorgvuldig communiceer je? We geven allemaal weleens een draai aan de waarheid, uit overtuiging of eigenbelang. Hoe je de werkelijkheid ziet, is individueel. Soms staan al je zintuigen op scherp en registreer je van een voorval elk detail. Vaker beïnvloeden emoties en opvattingen datgene wat je je later herinnert. Of wil herinneren.

In bepaalde situaties kunnen we teruggrijpen op foto’s en zeggen: ‘Kijk, zo was het.’ Toch is ook dat de vraag. Zelfs onbewerkte foto’s kunnen onbetrouwbaar zijn als bewijsmateriaal. Want het maakt uit wat je binnen een frame selecteert en vanuit welke hoek je fotografeert.

De waarheid achterhalen vind ik belangrijk. Maar als waarheidszoeker sta ik voor uitdagingen. Neem nu mijn buurvrouw. Ze is heel hartelijk en ze geniet ervan om smeuïge verhalen te vertellen. Wel is zij graag zelf aan het woord. Ik vraag haar om contact op te nemen met de vorige eigenaren van haar pand. Dit om iets belangrijks te verifiëren. Deze informatie moet mogelijk dienen als bewijs in een rechtszaak.

Hierbij loop ik direct tegen hindernissen aan. Want ze heeft zoveel haast met het woord overnemen, dat zij amper luistert naar wat ik vraag. Dus herhaal ik mijn verzoek en druk haar op het hart om dóór te vragen. Later belt zij met de vorige buurman. Als ik daarna informeer wat hij heeft verteld, dwaalt zij opnieuw af. Dus moet ik weer aandringen. Het resultaat is alsnog een vaag antwoord, want ze heeft niet doorgevraagd.

Wanneer ik aangeef dat onduidelijkheid in dit geval problematisch is, geeft ze gewoon haar eigen interpretatie van een situatie waarin zij zelf geen partij was. Ondanks alle vaagheden doet ze dat met grote stelligheid.

Dat de buurvrouw haar eigen draai geeft aan een verhaal, is tot daar aan toe. Mensen op wie je beroepshalve moet kunnen vertrouwen, doen dat echter ook. Dat kan voortkomen uit onwetendheid, dus zonder dat ze het zelf beseffen. Maar soms is hun behoefte om een ander te adviseren zo groot, dat ze een antwoord verzinnen. Als je zelf kennis van zaken mist, baseer je daarop je visie. Wat blijft er dan over van de waarheid?

Bizar genoeg heb ik ontdekt dat ik een artikel uit het Burgerlijk Wetboek over grondbezit beter ken dan een vrijwillig werkende juriste en een medewerker van het kadaster.