Luchtigheid in de zomertijd

Op deze warme zomerdagen staat ons hoofd niet naar zware kost. We willen vakantie vieren, lekker luieren, ijsjes eten of genieten van een goed boek. Ik ben die dag op pad met een wandelgroep. Tijdens een pauze in Warnsveld schuif ik aan bij twee mannen van mijn leeftijd.

De een ziet er uit als de slanke versie van Michiel de Ruyter. En zowaar, hij heeft carrière gemaakt bij de koopvaardij. De ander kan ik niet direct inschatten. Zodra we bestellen, gaat hij helemaal los over wijnen. Een kenner kennelijk. Michiel haakt hier op in. Hij is bedreven in het sableren. Of sabreren; daar wil ik van af zijn.

Binnen no-time gaat het over de reiservaring van de heren. Ik ben een gewillig oor en speel het spelletje mee. Degene die ik moeilijk kon peilen, blijkt aan Shell gelieerd te zijn. In Nigeria. Ik zwijg over mijn vroegere werkzaamheden.

Michiel sprak eerder over de kustlijnen van Nieuw-Zeeland en Australië. Daar wil ik meer over horen. Hij heeft in die contreien gevaren, zo blijkt. Aan land in Australië is hij nooit geweest. Trekt hem ook niet. Hooguit wil hij eens aanmeren in Botany Bay en dan de rivier opvaren. Dat begrijp ik. Maar wil hij dan echt de rest van het land overslaan? Nou, hij heeft de woestijn van Saoedi-Arabië al gezien. ‘Die kale zandvlakten zijn toch allemaal eender.’  

De jongen van Shell begint nu over grote geopolitieke zaken te praten. In een razend tempo gaat het van Rusland via Amerika naar de Sinaï-woestijn. ‘Daar is het weer veilig nu.’ En vervolgens naar ‘Palestina’ (hij bedoelt Israël) en China. ‘China neemt alles over.’, voorspelt hij. ‘Dat zie je al in een heel vroeg stadium als je bij een multinational werkt.’ Dat wil ik aannemen.

‘Hoe denk je dat het leven voor ons wordt als China het hier voor het zeggen krijgt?, vraag ik hem. Daarop heeft hij geen antwoord.

Een vraagje over de vakantie

Onderweg in Australië, dertig jaar geleden. Ik correspondeer regelmatig met vrienden en familie. Hun brieven worden poste restante bezorgd in plaatsen waar ik kom. In Nederland is het voorjaar. Daarom vraag ik aan X of zij en haar man dat jaar op vakantie gaan.

Doorgaans wil zij graag op pad, hij wat minder. Ze schrijft terug, maar geeft geen antwoord op die vraag. Kort daarna schrijf ik weer en informeer nogmaals naar hun plannen. Ze gaan ieder jaar minimaal een week op pad. Maar in de volgende brief ontbreekt wederom een antwoord.

Het is mij een raadsel waarom ze er niets over rept. Als ze thuis blijven, kan ze dat toch melden? Mij maakt het weinig uit wat ze doen. Maar juist omdat ze over de vakantie zwijgt, blijf ik er nieuwsgierig naar vragen.

Inmiddels is het hartje zomer. Nog heb ik niets over hun plan vernomen. Dan laat ik het er bij. Het is tenslotte een vraagstuk van niets. Toch, omdat het nooit werd opgehelderd, is deze situatie mij altijd blijven verwonderen.

Onlangs las ik die oude brieven opnieuw en toen viel eindelijk het kwartje. Want X liet mijn brieven ook door haar man lezen. Zo werd hij steeds geconfronteerd met haar eigen vraag, zonder dat ze over haar vakantiewens hoefde te beginnen.

Schurende gesprekken

Tien jaar geleden, een eerste groepswandeling op de Utrechtse Heuvelrug.
J is een van de wandelaars en spreekt mij aan. Ik ben nieuw en hij wil van alles weten. Al snel weet hij ons gesprek richting spiritualiteit te buigen. Daar heb ik niet uitgesproken veel mee. Ik geloof wel in iets, heel vaag. Dat de natuur en gebieden bezield kunnen zijn. En in Australië moedigde ik mijn motor soms aan, wanneer de tank bijna leeg was. Alsof hij me kon verstaan.

J weet het zeker: ik ben spiritueel. Hij brandt los. Het is duidelijk zijn favoriete onderwerp. Hij praat erg bevlogen, kijkt daarbij indringend en gaat maar door. We raken steeds verder achter op de groep. Eerlijk gezegd verveelt hij me al gauw. Want zoals ik hem aan het begin duidelijk heb gezegd, ben ik niet zo spiritueel.

Maar J weet het zeker. ‘Neem het nu maar van mij aan; je bent wél spiritueel.’, bezweert hij. Mij bekruipt het unheimische gevoel dat hij me een sekte in wil trekken. Daar maak ik korte metten mee: ‘Je krijgt nog vijf minuten en daarna wil ik geen woord meer horen over spiritualiteit.’ Tegelijk zet ik alvast wat ferme stappen vooruit. Op een holletje volgt hij me, verwoede pogingen doend om me te overtuigen. En hij blijft uitweiden over spiritualiteit. Wanneer de vijf minuten om zijn, snoer ik hem alsnog de mond. Daar is weinig spiritueels aan.

Ik voldoe niet altijd aan verwachtingen die anderen van vrouwen hebben. Want als vrouw schijn je bepaalde onderwerpen interessant te moeten vinden. Ik hoef bijvoorbeeld niet continu over kinderen te praten. Ook met ziektes, psychische klachten, cup cakes en de laatste mode heb ik weinig. Wel leef ik met mijn naasten mee.

De trend is dat we steeds persoonlijkere zaken tot in de kleinste details delen met iedereen. Hoewel ik de heilzame werking van praten en schrijven onderken, heb ik soms moeite met de manier waarop dit gebeurt. Ik vermoed dat sommigen hun identiteit aan hun probleem ontlenen. En het gaat recht ‘in your face’. De ellende wordt je zowat door de strot geduwd. Feitelijk zoals J dat met spiritualiteit doet. Mensen die je niet of nauwelijks kent, confronteren je ermee. Wie leeft zich nu eigenlijk in in wie?

Misschien ligt het aan mij en heb ik wat mannelijke trekjes. Want mannen zijn vaak minder breedsprakig over de dingen waar ze echt mee zitten. Die zeggen gewoon: ‘Het is zwaar klote’ en dat is het dan. Hun maten weten zo precies wat ze bedoelen. Vrouwen niet. Die willen alles tot in detail uitgelegd krijgen. Sterker, je móet het toelichten, anders ontstaat er gedoe.

Ergens in het midden ligt een mooie tussenvorm van communicatie. Wat mij betreft waken we ervoor dat de feminisering van het discours doorslaat.

Relatiedeskundige

Tijdens een groepswandeling spreekt een vrouw die ik nog niet ken mij aan. Zodra we achteraan lopen, begint ze over Boer Zoekt Vrouw. Ze heeft serieus overwogen om te reageren op de oproep van twee boeren. De vooraflevering heb ik gemist. Maar het zijn mannen waarbij ze verborgen problemen vermoedt. Over de een liet het programma weinig los. Zelfs zijn boerderij bleef buiten beeld. Ze denkt dat hij als vijftiger nooit een relatie heeft gehad. De ander is een weduwnaar die mogelijk al jaren in een rouwproces zit.

Ik kijk ervan op dat ze mij in vertrouwen neemt. Weliswaar krijg ik regelmatig hele levensverhalen te horen. Maar zij benadert me alsof ik een relatiedeskundige ben. Wellicht heeft ze me even daarvoor met een ex-marinier horen praten over relaties tussen mannen en vrouwen.

Stilletjes vraag ik me af waarom ze voor de ‘probleemboeren’ wil gaan. Voldoet ze alleen aan hun wensen? Is het een gebrek aan zelfvertrouwen? Er reageren steeds mooiere vrouwen, met steeds aantrekkelijkere foto’s en originelere brieven en cadeautjes. Of verwacht ze dat juist zij voor die mannen van betekenis kan zijn? Ons gesprek wordt onderbroken, ik zal er voorlopig niet achter komen.

Nu is het wachten op de komende afleveringen én op een volgende gezamenlijke wandeling. Ik reken op onverwachte wendingen. Die zijn het leukst.

La beauté commence au moment où vous décidez d’être vous-même, Coco Chanel. Misschien is dat het wel.

 

Geef aandacht en word gelukkig

Denk je dat je gelukkiger wordt in een andere baan of met een slanker postuur? Vergeet het maar. Je streeft naar de verkeerde doelen. Volgens onderzoek helpt het als je een beetje minder zelfzuchtig wordt. Meer tijd doorbrengen met vrienden of op bezoek gaan bij je oude buurvrouw. Dat werkt beter. Volgens de Duitse psycholoog Julia Rohrer is contact met anderen een belangrijke voorspeller voor geluk.

Omgekeerd smelten zelfs de nukkigste mensen als ze oprechte aandacht krijgen. Specialist ouderengeneeskunde Wilco Achterberg zegt het heel treffend. ‘Als iemand jou speciaal maakt, blijft het leven de moeite waard.’ (Die ene patiënt, Sir Edmund, 2 juni 2018.)

Zijn woorden doen mij denken aan een advies dat ik kreeg van iemand die eveneens in de ouderenzorg werkte. Tijdens een wandeling vertelde ik over mijn toenmalige werkgever, een jonge man. Hij had duidelijk narcistische trekken en was zeer moeilijk in de omgang. Ook bij collega’s riep hij veel weerstand op. Vanwege zijn machtspositie leek het soms of we met een potentiële psychopaat te maken hadden. Ze raadde me aan om extra aandachtig naar hem te luisteren. Als je een van de weinigen bent die zo iemand serieus neemt, kan dat de werkrelatie aanzienlijk verbeteren.

Op een bankje in de bus praat een vrouw met een man over ouderen. Hij merkt op dat er hier zoveel eenzame bejaarden zijn. ‘Maar’, zegt zij ‘ze blijven allemaal in hun eigen huisje zitten. Je moet ze echt over de drempel trekken om ze met elkaar in contact te brengen. Ze zijn alleen, maar zoeken geen anderen op die vlak naast hen wonen en ook eenzaam zijn.’ Sommigen behulpzame mensen spelen daar trouwens heel sluw op in.

In het Volkskrant Magazine stond onlangs een artikel over Viktor en Rolf, de ontwerpers. Ze vormen het ideale duo. Ze zijn vrienden, zitten op dezelfde lijn en vullen elkaar aan. Het is samen zijn te midden van de gekte waarin ze werken. Bovendien voelen ze elkaar perfect aan. ‘Viktor: ‘Vicky [een Jack Russell terriër] was een geschenk van Rolf. Ik schrok me dood. Ik woonde toen nog op een kamer, ik deelde een huis met een vriendin en opeens kregen we een hond. Maar ik was er stapelgek op. Die hond ging altijd mee.’’

Behulpzaamheid kan je het beste gepast doceren. Dat is prettig voor zowel de hulpgever als de hulpontvanger. Kinderen krijgen complimentjes als ze helpen. Zo leren ze sociaal wenselijk gedrag aan. Ik vind wel dat kinderen er ook mogen zijn op de momenten dat ze niet helpen en gewoon zichzelf zijn.

Donderdag. Ik wandel met een groepje naar kasteel Doorwerth. Er is een nieuwe man bij die blijkbaar als doel heeft om mij speciale aandacht te geven. Of is hij eenkennig en klampt hij zich vast aan de eerste die hij spreekt? Hij is psycholoog. Ik vraag me af of hij beseft dat hij vandaag een vrije dag heeft.

Als ik zo rond mijn zeventigste geen partner heb, neem ik een hond. Gezien onze levensverwachtingen worden we dan samen tegelijk gelukkig oud.

Resterende sporen van religie

Wanneer ik voor een wandeling op de afgesproken plaats kom, blijkt het om twee samengevoegde groepen te gaan. De gids vertelt enthousiast dat er liefst 38 deelnemers meelopen. Ik slik. Even overweeg ik om rechtsomkeer te maken. Nu het nog kan. Er zitten al mensen te wachten en veel daarvan hebben hetzelfde T-shirtje aan. Een man in zo’n shirt richt zijn telelens en begint driftig foto’s te maken. Van mij en van anderen die zich bij de gids melden. Ik was het even vergeten, maar deze wandeling gaat over Santiago de Compostella.

‘Nou ja, vooruit’, denk ik, ‘laten we toch maar blijven. Je weet tenslotte nooit wie je op zo’n dag ontmoet en het kan weer een stukje voor je blog opleveren.’ Veel mensen kennen elkaar. Als ik aan een tafeltje ga zitten, neemt er een vrouw naast mij plaats. Zij heeft het pelgrimspad gelopen en het gesprek gaat al gauw over bezinning. Feitelijk praat ze aan een stuk door. Het is een gevalletje eenrichtingsverkeer.

Ik vertel dat ik mijn leven zo heb ingericht dat bezinning daar al vanzelf een natuurlijk onderdeel van is. Mijn woorden dringen niet door. Terwijl je toch zou denken dat een echte pelgrimage voor een mentale verandering zorgt.
Even later zie ik een bekende die ik bij een andere wandeling heb ontmoet. En het is tijd om te gaan.

De gids loopt voorop met een opgeheven stok vol kleurrijke banieren. Daardoor roept onze optocht ineens diep weggezakte herinneringen bij me op. Van de avondvierdaagse, toen ik op de lagere school zat. Van de fanfare, die ik als kind volgde in ons dorp. En van een zomerkamp op een boerderij in Brabant, waar we ’s avonds liedjes zongen rond het vuur.
Wanneer we na het bos en de hei een drukke weg kruisen, niet ver bij mijn woonplaats vandaan, vraag ik mij af wat de buren zouden denken als ze me hier zouden zien lopen, zo in deze groep achter de stok aan.

Sommige deelnemers dragen een echte Jacobsschelp aan hun tas. Anderen hebben er emblemen of oorhangers van. Het zijn trouwens best rustige een vriendelijke mensen. Er hangt ook een aangename sfeer van saamhorigheid in deze groep.

Na een kronkelroute door Heelsum en Renkum houden we halt bij een kerk en het parochiehuis van Don Bosco. We worden er verwelkomt met cake en koffie. Daarna kunnen we een kijkje nemen in de kerk, waar een heel bijzonder Mariabeeld wordt bewonderd. Mensen komen er van heinde en verre naartoe, bij wijze van pelgrimage.

Het is stom. Maar pas als ik de kerk in loop, waar die o zo vertrouwde geur rondwaart van achtergebleven wierrook, een geur uit mijn lang vervlogen kindertijd, dringt het eindelijk vol tot mij door. Sint Jacob, dat is het katholieke geloof ten top. Nu komen er helemaal veel caleidoscopische herinneringen los.

Wat later lopen we door de tuin achter de kerk, waar iemand vertelt over religieuze kunstwerken. Voor mij is het verhaal welbekend. Maar de vrouw die ik bij een andere wandeling heb ontmoet, is niet kerkelijk opgevoed. Ze vertelt dat ze ook weleens een pelgrimspad helemaal zou willen volgen. Gewoon voor de wandelervaring. Wat haar weerhoudt, is de lengte van die paden. ‘Nou’, zeg ik, ‘je zou kunnen beginnen met een tocht naar Kevelaer. Dat ligt tenslotte dichtbij, net over de grens in Duitsland.’

Vlakbij staat de fotograaf. Hij heeft ons gesprek gehoord. Meteen richt hij weer zijn telelens op mij. Ik hoor het apparaat continu klikken. ‘Rustig blijven’, denk ik, ‘ga nou niet meteen over die privacywet beginnen.’ Toch ben ik benieuwd waar hij die foto’s straks plaatst, en met welk bijschrift. Want ik heb net een perfecte wervende tekst hardop gezegd.