IS-vrouwen en bevolkingspolitiek

Op een zonovergoten dag wandelen vriendin F en ik door landelijk gebied over het Marskramerpad van Lettele naar Holten. Onderweg bespreken we de toestand in de wereld. Wat moeten ‘we’ toch aan met die vrouwen van IS-strijders, die nu met hun kroost naar Nederland terug komen? Vriendin F is sociaal ingesteld. ‘Wat kunnen wij hen bieden?’, vraagt zij. Deze vraag lijkt mij als uitgangspunt precies de omgekeerde wereld. ‘Je kan beter aan hen vragen wat zij willen gaan doen voor onze maatschappij.’ Zo komen we uit bij bevolkingspolitiek.

Als vrouwen van IS-gangers terugkomen, worden ze berecht volgens ons rechtssysteem, ver weg van de slachtoffers. Maar wat heeft een Jezidi-vrouw daaraan? Of een Syrisch gezin, waarvan de vader en drie kinderen zijn gedood toen het huis werd beschoten? Veroordeel dergelijke misdaden liever in de nabijheid van de getroffenen. Stel getroffenen in staat om hun zegje te doen. Om, als zij dit wensen, de dader recht in de ogen te kijken en met hun leed te confronteren. Ik geloof meer in het effect van een soort Waarheid & Verzoening tribunaal.

En hoe anders zou het werken als daders en medeplichtigen voortaan voor genoegdoening moeten zorgen? Bijvoorbeeld in de vorm van een financiële vergoeding voor de herbouw van het huis. Die bijdrage kan worden voldaan door een zelf gekozen vorm van dienstverlening aan de samenleving. Dan kan de overheid met de ‘opbrengst’ een subsidiepot vullen, als bijdrage aan de wederopbouw. Dit is eenvoudig gesteld, maar het gaat om het idee. Daders en medeplichtigen die nu naar Nederland terugkomen, gaan rustig chillen in detentie. Sommigen van hen kijken daar zelfs naar uit, volgens interviews.

De vraag over terugkerende IS-ers raakt ook grotere kwesties rond bevolkingspolitiek. Bevolkingspolitiek heeft een negatief imago, maar neutraal beschouwd is dat onterecht. Het hangt gewoon af van de doelstelling, en van welke normen en waarden je hanteert.

Nederland is hard toe aan beleid op dit gebied. Welke richting willen we op met ons land? Welke grote internationale veranderingen staan ons te wachten? Hoe houden we het hier voor iedereen leefbaar? Wat is daarvoor nodig? Kunnen we dan ook eens uitgaan van het idee achter: ‘Ask not what your country can do for you—ask what you can do for your country.’ (J.F. Kennedy)?

Ondertussen wandelen we verder. Links en rechts zien we uitgestrekte groene biljartlakens en winterse maisstoppels op zwarte akkers. Her en der groeit een plukje bos of staat een knusse boerderij. Wat een ruimte. Het land ligt er stil en schijnbaar verlaten bij. We hebben deze ruimte nodig om bij te komen van alle hectiek in de huidige maatschappij.

Gemeenten gooien alles overboord

Sinds 2015 doen gemeenten de gekste dingen om te bezuinigen. Eeuwenoude panden worden verpatst en hele bomenrijen omgehakt. Handelaren in vastgoed slaan hun slag. Oorzaak is de jeugdzorg, waar gemeenten sinds 2015 voor opdraaien, terwijl de overheid het bijbehorende budget heeft gekort. Ook onze gemeente heeft nu een begrotingsgat. Het gaat om vijf miljoen euro. Daarom wordt aan bewoners gevraagd om mee te denken. Hoe kan de gemeente extra inkomsten genereren en waarop kan worden gekort?

Ik heb mij eens voor een burgerpanel aangemeld. Daarom kreeg ik onlangs een vragenlijst voorgelegd. De keuzes zijn best moeilijk, wanneer je over concrete mogelijkheden nadenkt. Een gemeente is geen bedrijf en de opties zijn wettelijk beperkt. Daarbij heb ik moeite met gesloten vragen. Je moet dan kiezen tussen a of b of c, terwijl er weinig ruimte is voor de bijbehorende nuancering. Maar bovenal mis ik optie d.

Optie d, dat is terug naar het begin. Terug naar het totaalplaatje. Optie d gaat over de oorzaak. Daar wordt, volgens mij, te weinig naar gekeken. En dat is nodig voordat men aan oplossingen denkt. Alles hangt met alles samen. Je kan de oorzaak niet ontwijken, ook al is de realiteit pijnlijk. Maar daar gaat men dus liever aan voorbij.

Mag ik even? Goed. Ik vind het te zot voor woorden dat er van alles rucksichtslos wordt opgeofferd voor de jeugdzorg. Zo, het is er uit. Er bestaan Nederlandse gemeenten waar 40% van de jeugd een beroep doet op hulp en ondersteuning vanuit de Jeugdzorg. VEERTIG PROCENT!!! Kom op zeg! Uit pure ergernis heb ik het krantenartikel weggegooid waarin dat stond. [Correctie achteraf: Heerlen is koploper met 18% van de jeugd. Gemiddeld is het 10%. Maar we gaan verder, want de begrotingsproblemen bij de gemeenten zijn reëel. Circa 1 op de 5 gemeenten heeft een tekort van 40% op de jeugdzorg (april 2019).]

Om te beginnen: moet heel Nederland opdraaien voor elke kwaal in het DSM-handboek? Dat handboek voor de classificatie van psychische stoornissen is opgesteld door een specifieke beroepsgroep. Er hebben ongetwijfeld goedbedoelende deskundigen aan gewerkt. Maar ze creëren hiermee wel hun eigen markt.

Je hoeft mij niet te vertellen hoe de hulpverleningswereld in elkaar steekt, want daarin heb ik zelf gewerkt. U vraagt, wij draaien, terwijl het prijskaartje elders wordt neergelegd. Tot er van buitenaf grenzen worden gesteld. Over die grenzen zouden we het nog eens moeten hebben.

Bij de uitvoering van de jeugdzorg heb ik ook enkele bedenkingen. Zoals: waarom worden kinderen van ouders, met twee auto’s voor de deur, door een speciaal taxibusje vijf dagen per week naar school gebracht? Terwijl die ouders allebei parttime werken.

En waarom zitten er zo veel instellingen voor psychiatrische patiënten op lommerrijke locaties in luxueuze panden? Waarom is de zorg geprivatiseerd en mogen zorgaanbieders tot wel 40% winst maken? (Ander krantenartikel, ook uit grote ergernis weggegooid.)

Als we toch bezig zijn: waarom gaat er nu weer een half miljard euro extra naar het onderwijs, terwijl het zichzelf verrijkende deel van de manage- mentlaag ongemoeid blijft? Praat met de leraren die al die kinderen met ‘rugzakjes’ in overvolle klassen les geven. Ze benoemen allemaal de problemen met bureaucratie en de deels overbodige bestuurslaag.

Overigens mogen ouders ook wel even naar hun eigen houding kijken. Zijn de verwachtingen misschien een beetje doorgeschoten? Wie is er nu eigenlijk verantwoordelijk voor welk deel van de opvoeding?

Terug naar die hoge percentages jongeren in de jeugdzorg. We leven in een doorgedraaide prestatiemaatschappij waarin iedereen van jongs af aan perfect moet zijn en dat is niet normaal. Het gevolg is dat kinderen onder meer als ‘hulpbehoevend’ worden aangemerkt, omdat ze niet aan hooggespannen verwachtingen voldoen.

Vervolgens betreden ze een arbeidsmarkt waar te weinig zinvolle banen zijn voor mensen die niet in een hokje passen of qua opleiding onderaan de maatschappelijke ladder staan. Daar zouden werkgevers eens wat aan moeten doen.

Onze prestatiemaatschappij doet mensen naar pijnstillers en verslavende middelen grijpen, met alle gevolgen van dien. Kinderen van verslaafde ouders zijn evengoed slachtoffer. Ook zij belanden bij jeugdzorg. Daarom moet naar de maatschappelijke oorzaak worden gekeken. En er moet bij de bron worden ingegrepen. Oh, toevallig zijn we Europa’s Narcostaat nummer één.

Verder: het wordt hier nogal vol. De VVD verwelkomt bedrijven en hoogopgeleiden, terwijl juist zij een onevenredig lage belastingaanslag en diverse voordeeltjes krijgen. Tegelijkertijd laat politiek links de deur liefdevol wagenwijd open voor ‘vluchtelingen’ van divers allooi. (Vreemd genoeg wordt mij daarover niets gevraagd.)

Het gevolg is dat we sinds 2014 met een paar honderdduizend volwassenen en kinderen opnieuw zijn begonnen vanuit een grote achterstand. Benodigd: scholing, psychosociale begeleiding, sociale huisvesting, traumaverwerking, zorgkosten en jarenlange bijstand. Uiteraard voor een deel bekostigd vanuit de jeugdzorg. Bepaalde groepen leven al dertig jaar van uitkeringen. Circa 70% van de volwassen Somaliërs zit langdurig in de bijstand. Dat percentage is echt schrikbarend.

Maar ja, daar mag ik natuurlijk niets over zeggen. Dus gaan we geld voor parkeervergunningen vragen. Alles is goed, zolang we de werkelijke oorzaken van de tekorten bij gemeenten en de snel stijgende (sociale) zorgkosten niet onder ogen hoeven komen.

Kortom: van mij mogen gemeenten op het Malieveld protesteren met deze boodschap: Beste regering, ga zelf eens passend beleid maken.

Ingesnoerd door paternalisme

door stikstof woekerende braam ingesnoerde paddenstoel

Op twee wandelingen vertellen vier mensen mij onafhankelijk van elkaar precies hetzelfde over hun werk. Regels hebben hun eigen inbreng, en daarmee hun bevlogenheid, steeds verder ingeperkt. Twee van hen werken al jaren in de zorg en in het onderwijs. Een ander, een gepensioneerde man, was theoretisch fysicus. Hij had nog de tijd meegemaakt waarin ‘er van alles mogelijk was’. En iemands dochter liep stage bij mijn vroegere werkgever in de internationale ontwikkelingssector. Zij was onaangenaam verrast door het ‘paternalisme’.

Paternalisme. Dat hadden we toch achter ons gelaten in mijn tijd, toen ik daar werkte? Er was gezamenlijk een benadering ontwikkeld, gebaseerd op decennia van lessons learned. Hierdoor werd zo veel mogelijk ruimte voor eigen inbreng gelaten aan de mensen dáár: in Afrika, Azië en Latijns-Amerika. Maar er kwam een reorganisatie, en nog een daarna. Toen moest er meer EU-financiering worden binnengehaald. Dat was het nieuwe streven. En daarmee kwam kennelijk ook het paard van Troje.

Is het paternalisme? Ik ben geen insider meer, maar kan wel raden hoezeer de formaliteiten zijn toegenomen. Formaliteiten om te standaardiseren en om alles meetbaar te maken. En vooral: om risico’s uit te sluiten. Daarbij: hoe vooruitstrevend is de Europese Unie werkelijk?

En toch. Wellicht is het paternalisme ook bij ons terug van nooit weggeweest. Voor ons aller bestwil, volgens degenen die de regels bepalen. Dan is dat waar al die systemen voor dienen. Dan moeten we daarom de hoogste diploma’s halen, aan ISO-normen voldoen, en tot wel 30% van onze werktijd besteden aan het invullen van formulieren. Terwijl wij denken dat het gaat om verbetering van dienstverlening en meer klanttevredenheid.

PS: De afgebeelde paddenstoel groeit vlakbij akkers in de vrije natuur, maar wordt in zijn groei beperkt door een braam. Dat komt er nu van al die stikstof hier.

Taalkunde in Gelderland

De caissière achter de pas geopende kassa ziet dat het poortje de doorgang nog verspert. Verschrikt zegt ze dat ze vergeten is het te ontgrendelen. Ze drukt op een knopje en vraagt of ik het poortje wil ‘opbeuren’. Opbeuren? Dat woord ken ik alleen in de betekenis van ‘opvrolijken’ of ‘troosten’. Bijvoorbeeld wanneer iemand verdrietig is of pech heeft gehad. Ze maakt er een gebaar bij, zodat ik haar begrijp. Daarom til ik het poortje een stukje op, waarna het open gaat.

Vier jaar na de verhuizing van Zuid-Holland naar Gelderland hoor ik nog regelmatig nieuwe uitdrukkingen. Nieuw althans voor mij. Het inburgeren gaat overigens voorspoedig. Onlangs betrapte ik mezelf op de gedachte dat ik de voordeur moest ‘losmaken’. Alsof hij klemde of vast zat. Dit zou ik in Leiden nooit zo hebben gedacht. De deur zat namelijk gewoon op slot en moest ‘van het slot af worden gehaald’.

Het zal nog wel een paar jaar duren, maar dan weet ik op Gelders taalgebied echt alles van de hoed en de rand.

de rand van de geschubde parasolzwam

Welke typisch Gelderse uitdrukkingen (als ik het zo mag noemen) ken jij?

Over afronden, cultuur, engagement en vooruitzien

Moe maar tevreden zit ik achter mijn laptop. Vandaag heb ik zeven lagen verf van de oude toiletdeur gekrabd en andere onderhoudsklusjes gedaan. Het einde van een lange lijst komt in zicht. Daarom schakelen mijn hersenen alweer om. Die zijn altijd bezig met vooruitdenken en verruimen nu hun focus. Concreet: wat gaan we deze herfst doen?

Ik heb slechts twee voornemens. Geëngageerd blijven is daar één van. De laatste tijd verscheen er op Raam Open weinig over politiek en maatschappelijke kwesties. Dat komt deels door mijn overstap van de Volkskrant naar Trouw. Ik moet nog steeds afkicken van de Volkskrant. Trouw is gematigder, eigenlijk iets gezapiger, terwijl de Volkskrant naar mijn idee dieper graaft. Nu blijf ik soms zitten met vragen. Daarom wil ik verschillende media gaan lezen. Mogelijk levert dat nieuwe opinie-achtige logjes op.

Toch zal het nog lastig worden. Qua gedrag hebben mensen een beperkt repertoire, zodat gebeurtenissen vaak een vorm van herhaling zijn. Op Raam Open wil ik herhaling juist vermijden. Er valt al voldoende te lezen over de Syrische Koerden, Trump en zijn Turkse makker. Wat is het toch schrijnend dat ik kan genieten van mijn opgeknapte huis, terwijl Koerden in hun woningen worden gebombardeerd. Zij zijn nooit helemaal veilig in die regio.

Mijn andere voornemen is weer vaker cultuur opsnuiven. (Naast Leidens Ontzet.) Ik ben in geen tijden naar een lezing of concert geweest. Ook heb ik sporadisch musea en evenementen bezocht. Cultuur schuilt onder meer in ontmoetingen met mensen die anders leven dan ik. Misschien moet ik mezelf gewoon uitdagingen opleggen. Zo van: vandaag knoop je een praatje aan met een skateboardende puber. Daarvoor hoef ik slechts naar station Arnhem Centraal te gaan.

Hopelijk zullen beide voornemens leiden tot nieuwe inspiratie. Maar eerst ga ik morgen wandelen in het bos, want dit is een paddenstoelentopjaar!

Een blik op Latijns-Amerika

Zondagavond. Latijns-Amerikacorrespondent Nina Jurna toont als Zomergast een recent en ontluisterend fragment. Te zien is een groepje Braziliaanse indianen met hoofdtooien, blote basten en traditionele tatoeages op hun gezichten en lichamen. Ze komen uit dorpen ver weg en diep in de Amazone, het oerwoud. Vermoedelijk hebben ze een lange en uitputtende rit over modderwegen achter de rug. Nu demonstreren ze in de hoofdstad tegen een wetswijziging die hun leefgebied zal verwoesten.

Het zijn representanten van de oorspronkelijke bevolking. Of beter, de representanten van het restant. Zij die hebben weten te overleven na 1492. De wet zal het ontoegankelijke oerwoud ontsluiten. Er zullen wegen worden aangelegd, en dan komen al snel de goudzoekers. Goud- en andere gelukszoekers vormen steevast de voorhoede.

Met de goudzoekers komen ook de chemicaliën, de wapens, de hoeren, de gewelddaden, de ontbossing, de belangen van de echte grote spelers en daarbij de regels die de oorspronkelijke bevolking zeker niet zullen bevoordelen. Zo gaat het namelijk altijd, waar ook ter wereld, wanneer er voornamelijk macho’s rondlopen.

In het fragment zie je een ontmoeting tussen de oorspronkelijke bevolking en de moderne, ‘ontwikkelde’ mens. Het is niet de allereerste ontmoeting, in 1492. Het is als die latere ontmoeting, een paar jaar daarna. Wanneer de moderne mens al een tijdje vaste voet aan de grond heeft gehad in hun leefgebied.

Het is de confrontatie die er overal ter wereld is geweest. Tussen ons en de indianen, de Zoeloes, de Maori, de Australische Aboriginals. Niet te verwarren met de ‘aborigines’ in Papoea-Nieuw-Guinea. Het verschil? Deze keer filmt een camera het tafereel. Het is een flash back uit de geschiedenis van eeuwen geleden, maar dan anno nu, live op tv. Zo ging het er toen dus aan toe.

Er is nog zo’n recent en onthutsend fragment. Venezuela, het parlement. Schreeuwende mannen. Een vrouwelijke politicus die even rauw en hard brult als een vent. Dat moet daar zo, kennelijk. Niemand luistert. Sommige politici spelen verveeld onderuitgezakt met hun smartphone. Ze zijn het tumult gewend.

Hoog op de publieke tribune roept een bevlogen, jonge arts in een witte doktersjas om medemenselijkheid. Er is geen geld voor medicijnen in zijn ziekenhuis. Mensen sterven, omdat hij de middelen ontbeert om ze te helpen. Doe er wat aan, smeekt hij. Een doodzieke en lijkbleke vrouwelijke kankerpatiënt ziet de debatterende politici beneden aan. Het geschreeuw gaat nergens over. Zij staat te wankelen, ze moet gaan zitten. De politici gaan door.

Als het in Europa ook misgaat, dan is dit ons voorland.

Ik heb vrijwel niets met Latijns-Amerika. Dat is vreemd, want er is daar toch genoeg mooie natuur. Misschien ben ik te veel beïnvloed door beelden op ons acht uur journaal. Beelden van guerrillastrijders, dictators, gevaarlijke beesten en drugsbendes in favela’s. Je kent het wel. Terwijl, zoals Nina Jurna zegt: gewone mensen leiden hun leven in die favela’s.  En dat wéét ik toch? Want ik bén in Keniaanse sloppenwijken geweest. Ook daar is het leven van mensen best wel alledaags.

Zuid-Amerika is een door mij zwaar miskent continent. Ik herinner mij nog de bijeenkomsten met vertegenwoordigers van organisaties uit die regio bij mijn vroegere werkgever. Die mensen bleken zeer creatieve ideeën te hebben. Sterker: hun maatschappelijke organisaties waren vaak al verder dan vergelijkbare organisaties op andere continenten. Van hen kon je echt nog wat leren. Ze kwamen onder meer voor kennisuitwisseling.

Ik heb vrijwel niets met Latijns-Amerika. Waarschijnlijk omdat ik het continent van oudsher associeer met de La Bamba. Dit lied heb ik lang gehaat. Als er wat meer Santana was geweest, was het tussen mij en Latijns-Amerika vast beter gelopen. Ik kan zelfs geen gerecht uit die regio bedenken dat ik lekker vind.

Maar in Nina, met haar deels Latijnse passie en liefde voor een continent, haar betrokkenheid, haar zoektocht naar haar afkomst en haar eigen strijd tegen onrecht, herken ik alles.

Mijn wereldbeeld is ontstaan in Europa en gevoed met films uit Noord-Amerika. Reis-technisch ben ik volwassen geworden in de Britse Commonwealth. Engels is mijn linqua franca. Dat heeft veel van mijn visie en keuzes bepaald. En niet alleen die van mij. Venezuela is ons buurland, maar hoeveel Nederlanders zien dat?

Als een landvrouwe

Lichtenbeek oranje koraalzwam

Waarom is er een mannelijk woord voor de eigenaar van een landgoed (‘landheer’) en komt ‘landvrouwe’ niet voor? Vrouwen kunnen toch al eeuwen landgoederen bezitten? ‘Landfreule’ bestaat wel. Dit woord staat voor een freule die op het platteland woont. Dat maakt toch wat minder indruk dan de eigenaresse van een landgoed zijn.

‘Landjonker’ komt eveneens voor. Dat is een landedelman. Een ‘landjuffer’, echter, is wederom een juffer die slechts op het land woont. En is zij wel edel? Verder heb je een ‘landarbeider’ (mannelijk woord), een ‘landbouwer’ (hij die voor zijn bestaan de akker bebouwt), een ‘landdrost’ (dat waren vroeger altijd mannen), en een ‘landmeisje’ (een meisje op het platteland). Ja, duh.

Ik vind het maar belachelijk. Op sommige landgoederen hier in de buurt ken ik elk paadje en ieder weggetje. Zelfs weet ik tot op de vierkante meter precies waar de paddenstoelen groeien. Als ze groeien, tenminste.

Het jonge koraalzwammetje hierboven, bijvoorbeeld, zou geen ‘landheer’ weten te vinden. Want zo’n ‘landheer’ inspecteert zijn landgoed natuurlijk uitsluitend te paard. Terwijl ik als ‘landvrouwe’ gewoon mijn laag-bij-de-grondse wandelingetjes zou maken. Dan zie je zo’n één centimeter groot koraalzwammetje wel staan. Als je goed oplet, tenminste. Dus vind ik dat die titel mij veel meer toekomt.