Wie het zieligst is

Hoor je 80-plussers met elkaar praten, dan komen geheid alle denkbare ziektes en kwalen voorbij. Hoe erger hoe beter. Daar maak je in hun kringen indruk mee. Zo werkt het ook met voorzieningen voor ouderen. Hoe meer voorzieningen je nodig hebt en krijgt, hoe beter. Helaas gelden er wel drempels.

Onlangs hoorde ik een 85-plusser verzuchten dat ze geen huursubsidie krijgt. Ze leeft ‘alleen van haar AOW’, terwijl ze in een sociale huurwoning verblijft. Ze heeft geen recht op subsidie, omdat ze te veel spaargeld heeft. De grens ligt bij € 30.000. Ze is te rijk en dat is erg, vindt zij. Regeltjes kunnen wrang uitpakken, daar weet ik alles van. Ik neem elke maand meer spaargeld op dan zij en kan voorlopig slechts dromen van de AOW.

Maar toch. In dit land ben je zelfs als hoogbejaarde miljonair zonder ziekte of subsidie nog meelijwekkend.

Zij doen niet aan die privacywet

Misschien komt er vandaag nog een stortvloed aan verzoekjes binnen. Maar in mijn inbox ontbreken juist de belangrijkste instanties. Heb jij bericht ontvangen van de belastingdienst over die nieuwe privacywet? Ik niet. Ook het Kadaster geeft geen sjoege. Terwijl Jan en alleman daar de koopakte van een woning kan opvragen. Waarin persoonsgegevens staan, zoals Burgerservicenummer, volledige naam en geboortedatum.

Ik ben voor bewaking van persoonsgegevens, waaronder portretfoto’s. Zoals we de laatste jaren op internet bezig waren, kon het gewoon niet langer. Nu verliezen we onze onschuld door die nieuwe privacywet. Zomaar wat leuke foto’s delen op internet gaat niet meer. Tenzij je juristen wil spekken. (Even wat foto’s van Raam Open schrappen, want soms is ook mij onduidelijk wat kan. Mogen foto’s van mensen met een zonnebril op wel blijven staan?)

Ondanks alle heisa ben ik blij dat deze regelgeving er is. Want de privacywet zorgt hopelijk voor meer bewustwording.

Al herhaaldelijk sprongen anderen veel te nonchalant om met mijn persoonsgegevens. Een prutsende amateur plaatste zonder mijn medeweten mijn genealogische gegevens op internet. Inclusief de volledige namen en geboortedata van mijn ouders.
Tijdens vakanties droegen reisleiders stapels kopieën mee van paspoorten van groepsleden. Zo konden ze de groep versneld inchecken bij hotels. Hebben ze achteraf de overtollige kopietjes vernietigd? In buitenlandse hotels slingeren er misschien nog honderd van mijn paspoort rond. Binnen Europa en in tamelijk schimmige landen.
Die ene man, die opvallend veel foto’s maakte van de vrouwen in een wandelgroep. Wat heeft hij daarmee gedaan? En die website, waarop persoonsgegevens van zo’n duizend mensen en hun wandeltochten staan. Compleet met foto’s, data en namen van alle groepsleden. Zodat een hacker direct kan zien met wie zij omgaan. Hoe goed is die eigenlijk beveiligd?
Trouwens, vorige week nog vroeg een historicus of ik even wat privé-contactgegevens van onderzoekers kon doorgeven. Hij werkt aan een publicatie.

Zij hullen zich op deze D-day allemaal in stilzwijgen.

Experiment: 3 dagen zonder tv en internet

Op vrijdag zet ik om 11 uur ’s ochtends mijn laptop aan om op internet te gaan. Maar de vaste netwerkverbinding doet het niet meer. Al gauw blijkt dat de tv evenmin werkt; ook die ontvangt zenders via internet. Daar zit ik dan, afgesloten van de rest van de wereld. De monteur komt pas maandag tussen 8.00 en 10.00 uur. Maar dit is wel een perfect moment voor een beschouwend experiment.

Drie Hele Dagen Zonder Tv en Internet
Even voor het effectbejag: Drie Hele Dagen Zonder Tv en Internet! Hoe lang is dat geleden? Ik heb internet via werk sinds 2000 en thuis sinds 2006. Mijn oudste Hotmailadres stamt uit 2001. Daarvoor moest ik tijdens vakantie of in het weekend naar internetcafés of de openbare bibliotheek. Een mobiele telefoon gebruik ik niet voor internetbankieren of e-mails. Da’s me te veel gepriegel. En de vaste verbinding op mijn laptop is veiliger.

Experiment
Hoe kom je het leven door tijdens drie hele dagen zonder tv en internet? (Ook mijn mobieltje gaat in de ban.) Dit wordt een sociaalwetenschappelijk experiment. Zoiets als Big Brother, maar dan omgekeerd. Ik waag het erop zonder deskundige begeleiding van een psycholoog. Want dat er afkick-verschijnselen zullen volgen, is zeker.

Verslaafd aan internet
Thuis zit ik vaak urenlang op internet. Sowieso voor talloze praktische zaken. Verder schrijf of lees ik voortdurend e-mails en logjes. Staat er iets boeiends in de krant, dan zoek ik online naar meer informatie. Wordt er veel gekletst op de radio, dan wijk ik uit naar muziek op YouTube. En documentaires zie ik graag op een zelfgekozen moment via internet. Er valt dus nogal wat weg.

Afkickverschijnselen
Drie dagen lang betrap ik mezelf om de haverklap op ‘schijngedachten’. Dan denk ik: ‘Even een e-mailtje sturen/iets opzoeken/logjes lezen’. Direct gevolgd door: ‘Oh nee, kan niet.’ Ook heb ik vaste gewoonten, zoals kijken naar het NOS journaal om 20.00 uur. Daarom ervaar ik rond dat tijdstip een licht gemis. Maar Radio Gelderland zendt ook NOS-nieuws uit om 20.00 uur. Dat is prettig bondig, dus pijnlijk wordt het niet. Dit geldt voor meer zaken. Ik check de schrijfwijze van woorden doorgaans op internet, maar in de kast staat een driedelig woordenboek. Voor dit gemis bestaat nog een analoog alternatief.

Alternatieven voor contact en vertier
Ik hoef mezelf niet in eenzaamheid af te zonderen. Ik kan ter afleiding bij de buren aanbellen of naar de plaatselijke kroeg gaan. Ik kan naar de stad gaan of met vrienden afspreken. Bovendien komt er via Raam Open een leuk aanbod. (Ja, ik heb gespijbeld en later gespiekt via mijn mobiele telefoon.) Maar dergelijke uitwegen voelen als valsspelen. Ik wil het gemis aan tv en internet wezenlijk ondergaan.

Bloggen op mobiele telefoon
Ik kan het toch niet laten om op vrijdag een kort bericht op Raam Open te plaatsen. Als om mijn bestaan te bevestigen. Het is nog net geen SOS. Bloggen op een mobiele telefoon gaat trouwens tergend traag en moeizaam. Daarop kan ik slechts met één vinger typen, tegen met tien tegelijk op mijn laptop.

Alternatieven voor internet
Deze drie dagen zonder tv en internet mis ik mijn blog het meest. Plus You Tube en de logjes van andere bloggers die ik volg. Kortom, precies het creatief-interactieve deel van mijn internetbestaan. Veel andere ‘behoeften’ zijn te omzeilen met analoge alternatieven of alternatieve bezigheden. Zoals de krant lezen, vrienden bellen, via de radio luisteren naar muziek of het weerbericht. En het scheelt dat dit geen drie werkdagen zijn.

Bankieren zonder internet
Hopelijk staat er intussen nog voldoende saldo op mijn ING-rekening. Want de automatische afschrijvingen en pinpasbetalingen gaan door. En stel dat ik nu snel een factuur moet betalen. Ergens achterin de kast ligt nog een mapje overschrijvingskaarten van de ‘Postbank’. Zou men het daarop vermelde 7-cijferige rekeningnummer kunnen verwerken zonder IBAN?

App 9292
Op zaterdag smokkel ik nogmaals. Ik zoek via een app welke trein ik moet halen voor een afspraak. Dat had ook analoog gekund met een telefoontje naar 9292. Maar welk nummer toets je in voorafgaand aan ‘9292’? In een papieren telefoongids kan ik het niet opzoeken. Die is lang geleden weggedaan. Want alles staat op internet, nietwaar? En zonder tv-signaal werkt zelfs teletekst niet meer (als dat nog bestaat).

Conclusies

  • Internet heeft ons onafhankelijker gemaakt. We hoeven bij niemand aan te kloppen als we een vraag hebben of iets willen regelen.
  • Internet vergroot de afstand tussen ons en organisaties. Zelfs als je een helpdesk belt omdat je geen internet hebt, krijg je via een ingesproken bandje eerst de vraag of je een chatsessie wenst.
  • Paradoxaal zorgt internet tegelijk voor extra persoonlijke contactlijnen.
  • We zitten in een overgangssituatie. Er bestaan nog analoge alternatieven, maar we beseffen amper wat er al verdwenen is. Jongeren hebben daarvan geen idee.
  • Voor 95% van de tijd is het goed toeven zonder internet. Just get a life.

Op maandag om 08.00 uur staat de monteur voor de deur. ‘Er zat een draadje los in de lokale centrale.’, luidt zijn conclusie na een uur. Internet doet het weer. Het voelt alsof de vakantie voorbij is.

Leef gezond en eet beter dankzij warme lunch

Over eten is een hoop onzin geschreven. Maar er schuilt wijsheid in een oud spreekwoord. ‘Eet ’s morgens als een keizer, ’s middags als een koning en ’s avonds als een bedelaar.’ Meestal doen we dat niet. In de ochtend hebben we haast en onze lunch werken we snel naar binnen. Een pauze van een half uur is gangbaar. En terwijl we eten, zijn we bezig met andere dingen. Praten, tv kijken, berichtjes checken, enzovoort. We registreren ons eten niet mentaal. Geen wonder dat we steeds dikker worden.

Zelfs als we rusten, heeft ons lichaam energie nodig. Sla je het ontbijt over en eet je later gauw een paar boterhammen, dan krijg je onherroepelijk honger. Dus ga je tussendoor snaaien, en meestal is dat ongezond. Een hele industrie draait op lekkere trek. Overal is fastfood. Op straat, in de supermarkt, op het station. Zelfs het tuincentrum pikt een graantje mee met een inpandig café. Scholen en sportverenigingen kunnen al niet meer zonder de opbrengst van frisdrank en glacékoek.

Met een stevig ontbijt of een warme lunchmaaltijd verklein ik de kans op sterke schommelingen in mijn bloedsuikerspiegel. Daarom zweer ik bij een uitgebreide warme lunchmaaltijd. Dat ben ik van huis uit gewend. Altijd als mijn vader vrij was, aten we tussen de middag warm en gezond. Op vakantie doen hotels mij trouwens een enorm plezier met een full English breakfast of een rijsttafel. Want sightseeing is zwaar.

Onze voorouders wisten sowieso wel beter. Als het even kon, aten ze vroeg op de dag een stevige maaltijd. In de negentiende eeuw lunchten Leidse fabrieksarbeiders thuis warm. Dan konden ze er weer uren tegen.

Ik pleit voor gezonde warme schoolmaaltijden en langere lunchpauzes. Doe dan gelijk gek en gooi je hele eetpatroon om. Eet zelf ook warm op het werk. Dit moet toch een gat in de markt zijn voor goede traiteurs en toeleveranciers. Dan heb je ’s avonds weer tijd voor elkaar en het eten bij een (brood)maaltijd met het hele gezin.

Efficiëntie verscherpt driedeling in Nederland

Een bekende van mij gaat over zes weken met pensioen. Ze kan wat eerder stoppen en kijkt daar al jaren naar uit. Op haar werk in de reclassering zit het halve team thuis met een burn-out. Daarom hebben de overgebleven collega’s dossiers overgenomen. Ze worstelt met het extra werk en de komende overdracht. ‘Maar’, relativeert ze, ‘dan heb je moeite gedaan om je in zo’n dossier te verdiepen en dan komt de cliënt niet voor zijn afspraak opdagen.’

Alles seinen staan op groen voor het bedrijfsleven. Ondanks bureaucratie werken we efficiënt. Wereldwijd gezien, leveren we per gewerkt uur op zes landen na de hoogste bijdrage aan het bruto nationaal product. (Bron: CBS) Milieu- en belastingregels zijn ten faveure van ondernemingen. En tegelijk zijn subsidies geschrapt. Er moesten keuzes worden gemaakt. Sociale werkplaatsen verdwijnen, verzorgingshuizen worden omgebouwd. Iedereen moet zelf meekomen.

Onze land beleeft gouden tijden, maar ik zie een steeds scherpere driedeling. Aan top staan degenen met een redelijk tot goed inkomen en gunstige regelingen. Vaak zijn zij hoogopgeleid en ondernemend. De middengroep heeft amper zekerheden. Bijna twee miljoen mensen werkt inmiddels op een tijdelijk contract. Anderen hebben nog wel een vast dienstverband. Maar dat zegt weinig tegenwoordig. Hoe meer je een maatschappij zakelijk en efficiënt inricht, hoe meer mensen tot de leftovers zullen behoren. Dat is de derde groep.

De werkloosheid is in Nederland nu zo laag, dat alleen nog de ‘probleem-gevallen’ thuis zitten. Mensen waar wat aan mankeert: leeftijd, afkomst, mentaliteit, een handicapje. Die willen de werkgevers niet hebben. Want in een efficiënte samenleving is geen ruimte voor afwijkingen. Er werken circa 865.000 arbeidsmigranten in Nederland. Die passen goed in het plaatje. Daartegenover staat nog altijd ruim een miljoen mensen (met of zonder uitkering) aan de kant. Het is maar net wat je onder efficiëntie verstaat in een land.

Sommige hulpverleners zijn gewoon asociaal

De Volkskrant volgt het leven van een Syrische asielzoeker. De man is duiker van beroep en inmiddels als vluchteling erkend. Hij heeft zijn gezin naar Nederland gehaald, zit op taalles en zoekt werk. Met de taal en het werk schiet het niet op. Vorig jaar kon hij wel als fruitplukker aan de slag. ‘Maar’, zei een hulpverlener, ‘dan verdien je nauwelijks meer dan wat je nu aan bijstand ontvangt.’ Hij raadde hem het werk af. Vandaag las ik in dezelfde krant dat slechts 10.5% van de Syrische statushouders hier na dertig maanden werk heeft.

Het lijkt me nogal een overgang voor Syriërs en andere asielzoekers. In veel landen van herkomst bestaat nul komma nul bijstand. Krijg je wel hulp, bijvoorbeeld van de moskee, een zakenman of een gefortuneerd familielid, dan kan je er vergif op innemen dat er een tegenprestatie wordt verwacht. In welke vorm dan ook. En is het niet meteen, dan komt dat gegarandeerd later. Kan je zelf niet presteren, dan moet je zoon dat waarschijnlijk doen. Kwestie van reciprociteit. Voor niks gaat de zon op. Trauma of geen trauma. Dat is overal zo.

En dan beland je in Nederland, waar je een verblijfsstatus krijgt. Plus een woning, geld, huisraad, kleding, scholing voor je kinderen, gezondheidszorg, en de rest. Je was in Syrië al wel een zekere welvaart gewend. Anders had je voor die hele reis onvoldoende geld gehad. Dan was je lot nu aanzienlijk erbarmelijker geweest. Dan werd je nu in een Turkse fabriek uitgebuit. Of zat je nu in een Libanees tentenkamp.

Wellicht bezit je zelfs nog een huis, dat niet is gebombardeerd. Naar verhouding gaat het je eigenlijk best goed dus. En je hebt een waardevol diploma op zak. Ook al kom je daarmee in dit land niet aan de bak. Dus als die hulpverlener zegt dat je dat fruit niet hoeft te plukken, dan ga je je toch zeker niet in het zweet werken? Dat doen de gastarbeiders en de ongeschoolden maar. In het Midden-Oosten werkt het tenslotte net zo.

Ik ken geen recent erkende vluchtelingen. Maar als ze zo denken, dan begrijp ik dat best. Wat ik minder begrijp, is waardoor zo’n hulpverlener meent dat hij namens de hele Nederlandse bevolking wetgever mag spelen. Al vindt hij dit vast heel sosijalisties van zichzelf.