Experiment: 3 dagen zonder tv en internet

Op vrijdag zet ik om 11 uur ’s ochtends mijn laptop aan om op internet te gaan. Maar de vaste netwerkverbinding doet het niet meer. Al gauw blijkt dat de tv evenmin werkt; ook die ontvangt zenders via internet. Daar zit ik dan, afgesloten van de rest van de wereld. De monteur komt pas maandag tussen 8.00 en 10.00 uur. Maar dit is wel een perfect moment voor een beschouwend experiment.

Drie Hele Dagen Zonder Tv en Internet
Even voor het effectbejag: Drie Hele Dagen Zonder Tv en Internet! Hoe lang is dat geleden? Ik heb internet via werk sinds 2000 en thuis sinds 2006. Mijn oudste Hotmailadres stamt uit 2001. Daarvoor moest ik tijdens vakantie of in het weekend naar internetcafés of de openbare bibliotheek. Een mobiele telefoon gebruik ik niet voor internetbankieren of e-mails. Da’s me te veel gepriegel. En de vaste verbinding op mijn laptop is veiliger.

Experiment
Hoe kom je het leven door tijdens drie hele dagen zonder tv en internet? (Ook mijn mobieltje gaat in de ban.) Dit wordt een sociaalwetenschappelijk experiment. Zoiets als Big Brother, maar dan omgekeerd. Ik waag het erop zonder deskundige begeleiding van een psycholoog. Want dat er afkick-verschijnselen zullen volgen, is zeker.

Verslaafd aan internet
Thuis zit ik vaak urenlang op internet. Sowieso voor talloze praktische zaken. Verder schrijf of lees ik voortdurend e-mails en logjes. Staat er iets boeiends in de krant, dan zoek ik online naar meer informatie. Wordt er veel gekletst op de radio, dan wijk ik uit naar muziek op YouTube. En documentaires zie ik graag op een zelfgekozen moment via internet. Er valt dus nogal wat weg.

Afkickverschijnselen
Drie dagen lang betrap ik mezelf om de haverklap op ‘schijngedachten’. Dan denk ik: ‘Even een e-mailtje sturen/iets opzoeken/logjes lezen’. Direct gevolgd door: ‘Oh nee, kan niet.’ Ook heb ik vaste gewoonten, zoals kijken naar het NOS journaal om 20.00 uur. Daarom ervaar ik rond dat tijdstip een licht gemis. Maar Radio Gelderland zendt ook NOS-nieuws uit om 20.00 uur. Dat is prettig bondig, dus pijnlijk wordt het niet. Dit geldt voor meer zaken. Ik check de schrijfwijze van woorden doorgaans op internet, maar in de kast staat een driedelig woordenboek. Voor dit gemis bestaat nog een analoog alternatief.

Alternatieven voor contact en vertier
Ik hoef mezelf niet in eenzaamheid af te zonderen. Ik kan ter afleiding bij de buren aanbellen of naar de plaatselijke kroeg gaan. Ik kan naar de stad gaan of met vrienden afspreken. Bovendien komt er via Raam Open een leuk aanbod. (Ja, ik heb gespijbeld en later gespiekt via mijn mobiele telefoon.) Maar dergelijke uitwegen voelen als valsspelen. Ik wil het gemis aan tv en internet wezenlijk ondergaan.

Bloggen op mobiele telefoon
Ik kan het toch niet laten om op vrijdag een kort bericht op Raam Open te plaatsen. Als om mijn bestaan te bevestigen. Het is nog net geen SOS. Bloggen op een mobiele telefoon gaat trouwens tergend traag en moeizaam. Daarop kan ik slechts met één vinger typen, tegen met tien tegelijk op mijn laptop.

Alternatieven voor internet
Deze drie dagen zonder tv en internet mis ik mijn blog het meest. Plus You Tube en de logjes van andere bloggers die ik volg. Kortom, precies het creatief-interactieve deel van mijn internetbestaan. Veel andere ‘behoeften’ zijn te omzeilen met analoge alternatieven of alternatieve bezigheden. Zoals de krant lezen, vrienden bellen, via de radio luisteren naar muziek of het weerbericht. En het scheelt dat dit geen drie werkdagen zijn.

Bankieren zonder internet
Hopelijk staat er intussen nog voldoende saldo op mijn ING-rekening. Want de automatische afschrijvingen en pinpasbetalingen gaan door. En stel dat ik nu snel een factuur moet betalen. Ergens achterin de kast ligt nog een mapje overschrijvingskaarten van de ‘Postbank’. Zou men het daarop vermelde 7-cijferige rekeningnummer kunnen verwerken zonder IBAN?

App 9292
Op zaterdag smokkel ik nogmaals. Ik zoek via een app welke trein ik moet halen voor een afspraak. Dat had ook analoog gekund met een telefoontje naar 9292. Maar welk nummer toets je in voorafgaand aan ‘9292’? In een papieren telefoongids kan ik het niet opzoeken. Die is lang geleden weggedaan. Want alles staat op internet, nietwaar? En zonder tv-signaal werkt zelfs teletekst niet meer (als dat nog bestaat).

Conclusies

  • Internet heeft ons onafhankelijker gemaakt. We hoeven bij niemand aan te kloppen als we een vraag hebben of iets willen regelen.
  • Internet vergroot de afstand tussen ons en organisaties. Zelfs als je een helpdesk belt omdat je geen internet hebt, krijg je via een ingesproken bandje eerst de vraag of je een chatsessie wenst.
  • Paradoxaal zorgt internet tegelijk voor extra persoonlijke contactlijnen.
  • We zitten in een overgangssituatie. Er bestaan nog analoge alternatieven, maar we beseffen amper wat er al verdwenen is. Jongeren hebben daarvan geen idee.
  • Voor 95% van de tijd is het goed toeven zonder internet. Just get a life.

Op maandag om 08.00 uur staat de monteur voor de deur. ‘Er zat een draadje los in de lokale centrale.’, luidt zijn conclusie na een uur. Internet doet het weer. Het voelt alsof de vakantie voorbij is.

Leef gezond en eet beter dankzij warme lunch

Over eten is een hoop onzin geschreven. Maar er schuilt wijsheid in een oud spreekwoord. ‘Eet ’s morgens als een keizer, ’s middags als een koning en ’s avonds als een bedelaar.’ Meestal doen we dat niet. In de ochtend hebben we haast en onze lunch werken we snel naar binnen. Een pauze van een half uur is gangbaar. En terwijl we eten, zijn we bezig met andere dingen. Praten, tv kijken, berichtjes checken, enzovoort. We registreren ons eten niet mentaal. Geen wonder dat we steeds dikker worden.

Zelfs als we rusten, heeft ons lichaam energie nodig. Sla je het ontbijt over en eet je later gauw een paar boterhammen, dan krijg je onherroepelijk honger. Dus ga je tussendoor snaaien, en meestal is dat ongezond. Een hele industrie draait op lekkere trek. Overal is fastfood. Op straat, in de supermarkt, op het station. Zelfs het tuincentrum pikt een graantje mee met een inpandig café. Scholen en sportverenigingen kunnen al niet meer zonder de opbrengst van frisdrank en glacékoek.

Met een stevig ontbijt of een warme lunchmaaltijd verklein ik de kans op sterke schommelingen in mijn bloedsuikerspiegel. Daarom zweer ik bij een uitgebreide warme lunchmaaltijd. Dat ben ik van huis uit gewend. Altijd als mijn vader vrij was, aten we tussen de middag warm en gezond. Op vakantie doen hotels mij trouwens een enorm plezier met een full English breakfast of een rijsttafel. Want sightseeing is zwaar.

Onze voorouders wisten sowieso wel beter. Als het even kon, aten ze vroeg op de dag een stevige maaltijd. In de negentiende eeuw lunchten Leidse fabrieksarbeiders thuis warm. Dan konden ze er weer uren tegen.

Ik pleit voor gezonde warme schoolmaaltijden en langere lunchpauzes. Doe dan gelijk gek en gooi je hele eetpatroon om. Eet zelf ook warm op het werk. Dit moet toch een gat in de markt zijn voor goede traiteurs en toeleveranciers. Dan heb je ’s avonds weer tijd voor elkaar en het eten bij een (brood)maaltijd met het hele gezin.

Efficiëntie verscherpt driedeling in Nederland

Een bekende van mij gaat over zes weken met pensioen. Ze kan wat eerder stoppen en kijkt daar al jaren naar uit. Op haar werk in de reclassering zit het halve team thuis met een burn-out. Daarom hebben de overgebleven collega’s dossiers overgenomen. Ze worstelt met het extra werk en de komende overdracht. ‘Maar’, relativeert ze, ‘dan heb je moeite gedaan om je in zo’n dossier te verdiepen en dan komt de cliënt niet voor zijn afspraak opdagen.’

Alles seinen staan op groen voor het bedrijfsleven. Ondanks bureaucratie werken we efficiënt. Wereldwijd gezien, leveren we per gewerkt uur op zes landen na de hoogste bijdrage aan het bruto nationaal product. (Bron: CBS) Milieu- en belastingregels zijn ten faveure van ondernemingen. En tegelijk zijn subsidies geschrapt. Er moesten keuzes worden gemaakt. Sociale werkplaatsen verdwijnen, verzorgingshuizen worden omgebouwd. Iedereen moet zelf meekomen.

Onze land beleeft gouden tijden, maar ik zie een steeds scherpere driedeling. Aan top staan degenen met een redelijk tot goed inkomen en gunstige regelingen. Vaak zijn zij hoogopgeleid en ondernemend. De middengroep heeft amper zekerheden. Bijna twee miljoen mensen werkt inmiddels op een tijdelijk contract. Anderen hebben nog wel een vast dienstverband. Maar dat zegt weinig tegenwoordig. Hoe meer je een maatschappij zakelijk en efficiënt inricht, hoe meer mensen tot de leftovers zullen behoren. Dat is de derde groep.

De werkloosheid is in Nederland nu zo laag, dat alleen nog de ‘probleem-gevallen’ thuis zitten. Mensen waar wat aan mankeert: leeftijd, afkomst, mentaliteit, een handicapje. Die willen de werkgevers niet hebben. Want in een efficiënte samenleving is geen ruimte voor afwijkingen. Er werken circa 865.000 arbeidsmigranten in Nederland. Die passen goed in het plaatje. Daartegenover staat nog altijd ruim een miljoen mensen (met of zonder uitkering) aan de kant. Het is maar net wat je onder efficiëntie verstaat in een land.

Sommige hulpverleners zijn gewoon asociaal

De Volkskrant volgt het leven van een Syrische asielzoeker. De man is duiker van beroep en inmiddels als vluchteling erkend. Hij heeft zijn gezin naar Nederland gehaald, zit op taalles en zoekt werk. Met de taal en het werk schiet het niet op. Vorig jaar kon hij wel als fruitplukker aan de slag. ‘Maar’, zei een hulpverlener, ‘dan verdien je nauwelijks meer dan wat je nu aan bijstand ontvangt.’ Hij raadde hem het werk af. Vandaag las ik in dezelfde krant dat slechts 10.5% van de Syrische statushouders hier na dertig maanden werk heeft.

Het lijkt me nogal een overgang voor Syriërs en andere asielzoekers. In veel landen van herkomst bestaat nul komma nul bijstand. Krijg je wel hulp, bijvoorbeeld van de moskee, een zakenman of een gefortuneerd familielid, dan kan je er vergif op innemen dat er een tegenprestatie wordt verwacht. In welke vorm dan ook. En is het niet meteen, dan komt dat gegarandeerd later. Kan je zelf niet presteren, dan moet je zoon dat waarschijnlijk doen. Kwestie van reciprociteit. Voor niks gaat de zon op. Trauma of geen trauma. Dat is overal zo.

En dan beland je in Nederland, waar je een verblijfsstatus krijgt. Plus een woning, geld, huisraad, kleding, scholing voor je kinderen, gezondheidszorg, en de rest. Je was in Syrië al wel een zekere welvaart gewend. Anders had je voor die hele reis onvoldoende geld gehad. Dan was je lot nu aanzienlijk erbarmelijker geweest. Dan werd je nu in een Turkse fabriek uitgebuit. Of zat je nu in een Libanees tentenkamp.

Wellicht bezit je zelfs nog een huis, dat niet is gebombardeerd. Naar verhouding gaat het je eigenlijk best goed dus. En je hebt een waardevol diploma op zak. Ook al kom je daarmee in dit land niet aan de bak. Dus als die hulpverlener zegt dat je dat fruit niet hoeft te plukken, dan ga je je toch zeker niet in het zweet werken? Dat doen de gastarbeiders en de ongeschoolden maar. In het Midden-Oosten werkt het tenslotte net zo.

Ik ken geen recent erkende vluchtelingen. Maar als ze zo denken, dan begrijp ik dat best. Wat ik minder begrijp, is waardoor zo’n hulpverlener meent dat hij namens de hele Nederlandse bevolking wetgever mag spelen. Al vindt hij dit vast heel sosijalisties van zichzelf.

Wie wordt de mantelzorger?

Mijn naaste buurman is hoogbejaard en woont zelfstandig. Vorig jaar stierf zijn vrouw, voor wie hij dag en nacht mantelzorger was. Zelf is hij mentaal scherp, maar hij loopt moeilijk en tobt met zijn gezondheid. Onlangs stond er een ambulance voor de deur. Met griep en longklachten werd hij in het ziekenhuis opgenomen, zo bleek achteraf. De kans is groot dat hij zelf binnen afzienbare tijd een mantelzorger nodig heeft. Maar wie wordt dat?

Ondersteuning kan hij regelen. Elke week maakt een hulp zijn huis schoon. Haar vraagt hij ook om uitleg over zijn smartphone. De bestelauto van de plaatselijke apotheek rijdt regelmatig voor. En de traplift van zijn overleden vrouw gebruikt hij nu zelf. De oude invalidensticker op zijn auto is handig bij het boodschappen doen. En af en toe komt er een zorgcoach langs die kijkt hoe het gaat.

Vorig jaar bood ik aan om zijn voortuin te ontdoen van welig tierend onkruid. (Het breidde zich ook naar mijn tuin uit.) Dat kan hij moeilijk zelf. Toen ik bezig was, wees hij gelijk op allerlei andere klussen die eigenlijk ook nog moesten. Een boom weghalen, struiken snoeien, enzovoort. Op mijn vraag of hij weleens een tuinhulp had ingeschakeld, keek hij moeilijk. Want ja, er kwam een keer een vrijwilliger, maar die deed het niet goed.

Mijn buurman staat niet bekend als een makkelijke man. Dat hoor ik van alle kanten en inmiddels weet ik waarom. Op zich is hij niet kwaad, alleen houdt hij nauwelijks rekening met een ander. Zijn vrouw was trouwens pas echt erg. De afgelopen twintig jaar wisselde mijn woning vier maal van eigenaar. Alle drie mijn voorgangers hadden ruzie met dat echtpaar.

Bij de bezichtiging vermoedde ik al dat er wat speelde. De makelaar wees mij toen op de bouwvallige staat van de gezamenlijke schoorsteen. Dat was vreemd. Want kort daarvoor was het hele dak aan mijn kant gerenoveerd. Dan pak je toch gelijk die schoorsteen mee? Sinds mijn komst doe ik moeite voor een normale verstandhouding en eigenlijk gaat het best redelijk.

Maar met deze buurman moet ik ook lastige kwesties bespreken. Want hij doet niets meer aan onderhoud. Zijn huis is inmiddels zo verwaarloosd dat het overal zichtbaar wordt. Vroeger kon hij alles zelf. Nu vindt hij het lastig om mannen in te schakelen. Door die trots moet ik steeds praten als Brugman voor hij instemt met gezamenlijk woningonderhoud.

Zo kom ik dus af en toe bij hem over de vloer. Hij vind bezoek gezellig. Ik vind het wat minder. En ik moet opletten, want de problemen zijn nooit veraf. Vorig jaar vroeg hij om mijn telefoonnummer. Dat vond hij wel handig, voor als er eens wat was. Stel dat hij zou vallen, dan zou hij mij kunnen bellen. Ik zou ook niet willen dat hij urenlang alleen op de grond zou liggen. Dus zei ik dat hij mij in zo’n noodsituatie kon bellen.

Onlangs sprak ik hem weer. Hij wás die week gevallen en had anderhalve dag op de grond gelegen. Want zijn mobiele telefoon lag buiten handbereik. Ik opperde dat hij eigenlijk beter zo’n pieper bij zich kon dragen, waarmee je een zorgorganisatie alarmeert. Dat werd al geregeld; de zorgcoach kwam diezelfde dag nog langs.

Gisteren belde deze buurman aan. Of ik hem mijn telefoonnummer kon geven, want dat was hij kwijt. Voor het geval hij weer op de grond lag. Ik wilde al met ‘06’ beginnen toen ik een formulier in zijn hand zag. Dus vroeg ik voor wie mijn nummer bedoeld was. Voor hem, of voor een organisatie. ‘Ja, zodat ze je kunnen bellen als ik weer op de grond lig.’

Wel opvallend, dat zijn drie kinderen in dit hele verhaal niet voorkomen.

Oudere mannen in Ferrari’s

Gisteren betrapte ik mezelf op twee vooroordelen. Dat kwam door Han Dekker’s straatfoto van een man in een Ferrari. Zijn zwart/wit foto verraadt geen kleur, maar Ferrari’s zijn rood. Altijd. Zo niet, dan zie ik zo’n raceauto over het hoofd. En bij een naderende Ferrari denk ik steevast: ‘Zal wel een oudere man in zitten.’ Dat doe ik onbewust ter voorkoming van een lichte teleurstelling. Want zeg nu zelf: een racemonster als een rode Ferrari; daar verwacht je toch een jonge vent in?

Ik snap het wel, de drempel ligt hoog. Bolides in de buitencategorie kennen hun prijs. Nieuwe Ferrari’s beginnen vanaf drie ton. Je moet vroeg financieel slagen om als jonge man zo’n voertuig te kunnen betalen. Tenzij je een goede baan hebt, nog bij je ouders woont en geen verplichtingen hebt. Dan gaat sparen hard. Of tenzij je het zoontje van bent.

Dus wie en wat zijn die eigenaren? Dit lijkt mij een antropologisch onderzoek waard. Ik zie toch vooral mannen vanaf middelbare leeftijd. Zakenlieden, fiscalisten, advocaten en chirurgen misschien. Met een midlifecrisis? Dat kan. Maar ik vind het wel aandoenlijk als een echte liefhebber zijn jongensdroom verwezenlijkt. Soms zit er een vrouw achter het stuur. Blond of geblondeerd; dat is kennelijk een natuurwet.

Over de grens ligt dit anders. In Saint-Tropez, Cannes en Monte Carlo krioelt het van de Ferrari’s (en Maserati’s en Lamborghini’s). Daar zijn de bestuurders vaker jong. De jetset van over de hele wereld komt er bijeen. Russen, Arabieren, Europeanen. In Dubai kom je diezelfde mensen weer tegen met hun auto’s. Al feesten de nieuwe rijke Golf-Arabieren het meest van allemaal. Straatraces mogen dan verboden zijn, in Dubai zijn die onder jonge mannen wel normaal.

Zijn dit clichébeelden? Bij Nederlandse welgestelden zie ik identiek uiterlijk vertoon. Dezelfde kleedstijl, dezelfde kapsels, dezelfde sieraden, dezelfde merken, dezelfde accessoire-hondjes, enzovoort. Welgestelden hebben hun manieren om zich van de rest te onderscheiden. Al zijn er nuance verschillen. Showen gebeurt vooral in Blaricum, terwijl ze in Wassenaar wat ingetogener doen. In mijn Gelderse woonplaats gaan ze nog een stapje verder. De kleuren en automodellen zijn zo bescheiden, dat Porsches en enkele Ferrari’s bijna incognito rondrijden. Vermoedelijk zegt dat iets over de cultuur hier.

Als inhoud er weinig toe doet, komt alles aan op uiterlijkheden. Dan leven we in clichébeelden, iedere groep op zijn eigen manier. Heb jij ooit een leuk, jong, zwart gezinnetje gezien in een groene Ferrari? Vrouw achter het stuur, man ernaast, en kindertjes op de achterbank. Met van die rubberen dierentuin plakplaatjes op de ruiten. Plus fietsen op het dak. En stickers op de achterklep, van plaatsen waar ze al geweest zijn. Nou? Ik niet hoor.

Dat had ik wel graag gewild. Want ‘It takes every kind of people, to make what life’s about.’ Robert Palmer.